Poëziezomer


> startpagina

> gedichten uit Watou
> twee dichters

tussen taal en beeld tabula 2002

Er is alles in de wereld
het is alles




Ieder jaar is er een Poëziezomer in Watou (België)
Beeldende kunstenaars en dichters uit verschillende landen komen in confrontatie met elkaar en de omgeving
.
Tot in 1980 was het een vergeten dorp. Door de jaarlijkse invasie van tientallen beeldende kunstenaars en dichters wordt dat grensdorp voor hen een tijdelijke standplaats, een artistieke stabiliteit door het evenement zelf. De nomadische kunstenaars laten de wereld samenvallen met het meest zuidelijk gelegen dorp van Vlaanderen.


ik zag eens sterren
ze waren juist
kleine ventjes

Stephanie Decrocq [9 jr.]

Dit gedichtje schreef Stephanie voor mij op de achterkant van een bierviltje. Ze is het dochtertje van de uitbaatster van het hotel waar ik mijn intrek neem in Watou.
Het meisje Stephanie is verlegen
ze schrijft geen gedichtjes meer
ze schrijft helemaal niet meer,
zegt ze, ze zat in klasje zes en gaat naar klasje acht, maar ze schrijft niet meer.



Er is alles in de wereld
het is alles

de dolle hondenglimlach van de honger
de heksenangsten van de pijn en
de grote gier en zucht de grote
oude zware nachtegalen
het is alles in de wereld er is alles

allen die zonder licht leven
de in ijzeren longen gevangen libellen
hebben van hardstenen horloges
de kracht en de snelheid

binnen het gebroken papier van de macht
gaapt onder de verdwaalde kogel van de vrede
gaapt voor de kortzichtige kogel van de oorlog
de leeggestolen schedel
de erosie

er is alles in de wereld het is alles
arm en smal en langzaam geboren
slaapwandelaars in een koud circus alles
is in de wereld het is alles
slaap

Lucebert
[ Verzamelde gedichten. Bezige Bij, 1974]


Als je me kust,
je hand om mijn keel
als werd ik een glas met een
levende steel
komt er voorbij de tederheid even
een ogenblik dat ik mijn hele leven
met vreugde bedreigd voel,
zó of een reus na 't drinken,
over zijn schouders heen
het glas zal verpletteren,
tegen de grond
opdat er geen ander meer ooit
uit zal drinken,
geen een.

M. Vasalis
[ 'de oude kustlijn', van Oorschot 2002]



Maria Serebriakova / zonder titel


Een arm
Gebaren met een ik dat standvastig zichzelf elke ochtend opzet als een marktkraam
werkt tot diep in de nacht, zijn koopwaar slijt, zal ik naar mijn sterven toegaan

door onthechting van deze aard. Nacht ga ik uit, ik in zwart en wit met laarzen, trek de deur dicht van het huis, stap met linkerlaars
naar de hoek, met de rechterlaars naar de andere;

zo nergens komend, alleen uitdijend sta ik voor mijn dichte deur, wachtend op je arm die je me zou moeten geven, niet eens krimpend van piin, maar krimpend door mijn eigen aard.

Rogi Wieg
[Spek van mooie zijde. G.A. van Oorschot, 1993]




naar boven

16 5 2018


Als ik op reis ben

Tussen woorden en beelden,
zijn er tafelbladen.
Papierbladen vinden er steun.
Aangeschoven aan de tafel, een stoel, waarop de schrijver van de woorden, of de maker van de beelden, plaats neemt.
De tafels en stoelen zijn de getuigen van gedachten en van de activiteiten die erop volgen

Henk van Faassen

[ongepubliceerd 2002]


De tafel
een steunvlak voor mijn bord
en mijn glas

ontmoeting, een voet
onder die tafel
met iemand die ik ga liefhebben

onmogelijke bezigheden
om mijn bestaan te rechtvaardigen

Henk van Faassen

[ongepubliceerd 2002]


De tafel en het raam
iemand is gaan zitten aan de tafel
en langzaam gebeurt het
langzaam verdwijnt hij uit zijn gedachten gaat hij vergeten

de tafel is leeg en het is alsof de leegte in hem binnendringt
hem vervult

langzaam gaat hij met zijn ogen
tegen de muur omhoog naar het raam naar het uitspansel over het dorp

ziet hij de vogels van de hemel
hoe zij dwalen rond de toren van de kerk en de wolken hoe zij voorbijwaaien

denkt hij ik ben alles wat ik zie

Rutger Kopland
[1934-2012]


De voortekenen
in de kelder van het huis
zou je de tekens kunnen ruiken
zoals de geur van schimmel
in de kelder van het huis
ieder voorteken een eigen geur

Henk van Faassen
[ongepubliceerd 2002]



Ik beweeg me

tussen de watertafels
regendruppels breken de spiegel
daaronder trillen zwarte diamanten
of zijn het kiezels?

tafels met water
tot de rand gevuld
iedere regendruppel
kan de laatste zijn
aan tafel

Henk van Faassen

[ongepubliceerd 2002]


De drijvende wind
Wakker omdat een storm groef in het dak.
Aan kwam jagen, zijn blinde gezicht kneusde, nagels stak onder kieren waaronder wij: dik van slaap, te zwaar om meegenomen, weg gewaaid te worden samen.
Hoorden een opwaarts gieren of het huis werd leeggezogen, ramen schoten open, brieven stoven sjirpend de nacht in.
Al het verwrikbare gleed van onze levens, één twee verlies! -kijk ons, kaal als de grond.
Tussen minstens en niets was het dak nog even een vlies.
Het begon

Eva Gerlach
[Niets bestendiger. De Arbeiderspers, 1998]






Philippe Ramette / Het gaat de kunstenaar niet om de voorwerpen in zijn werk maar om het denkproces er heen. Dat leidt tot onwaarschijnlijke situaties.





Alles op tafel
en kijk:
de tafel is geen tafel meer
het blad van tafel en papier zijn één
de woorden in het klad
ben ik
wij allen zijn gelijk


Johan de Boose
[fragment: "manieren van een tafel" ongepubliceerd gedicht]


De school
kinderen zijn er niet meer
waar het schoolbord was
een plek die de geschiedenis
van de wand onthult

de vloer van zwart witte tegels
zo konden de kinderen geen vuil achterlaten
een verhoging voor de leerkracht
een kunstenaar
hangt een rood schilderij in de lege ruimte
een fonteintje eenzaam in de hoek.

Henk van Faassen
[ongepubliceerd 2002]


Zelfs geen schedel
Bijna ben ik verschrompeld tot een korst.
Ik kruip over de aarde en mijn borst
vriest aan de stengels de wortels vast.

De zon schijnt fel bij twintig graden vorst.
Er prikken distels in mijn ribbenkast.
Mijn graf heb ik gevonden bovengronds-

Maar niets is er op dit moment zo honds
als de bevroren plas waarin mijn hoofd
zichzelf - als in een blinkend spiegelglas-

Aanschouwt. Niet dat mij ooit iets was beloofd,
Maar eindelijk had ik iets afgeronds
En nu zie ik geen scalp, maar een moeras.

Gerrit Komrij


Ligstoel
Voor Jan Fabre

Het is een soort niets dat ik zoek.
Wat je overhoudt als je uit de kom van je beide handen hebt willen drinken: je beide handen.
Geuren lanterfanten door de tuin.
Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar

in mezelf kan liggen, op mijn rug, het onderste dat ik heb, lig
Hoe is dat liggen?
Zoals je cognac afmeet door het glas horizontaal te leggen, zo is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf nodig om vol te zijn, wat ik nodig heb is vooral: weing.

er is te weinig weinig.
De vergevingsgezindheid van het niets waarin wij, als we eveneens niets zouden zijn, zouden passen.

De lucht is zo blauw als vergeetachtigheid.
De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds linnen werd gewassen om witter te zijn.

Herman de Coninck
[ Vingerafdrukken. De arbeiderspers, 1997]






Wij kunnen heel goed met bomen praten, maar we moeten het niet wagen dat met elkaar te doen







meer gedichten