Poëziezomer



naar startpagina
naar gedichten uit Watou


Ieder jaar een Poëziezomer
in Watou (België)

Beeldende kunstenaars en
dichters uit verschillende landen in confrontatie met elkaar en de
omgeving



ik zag eens sterren
ze waren juist
kleine ventjes

Dit gedichtje schreef
Stephanie Decrocq, 9 jaar
voor mij op de achterkant van een bierviltje.
Ze is het dochtertje van de uitbaatster van het hotel waar ik mijn intrek neem in Watou.

het meisje Stephanie
is verlegen
ze schrijft geen gedichtjes meer
ze schrijft helemaal niet meer,
zegt ze,
ze zat in klasje zes en gaat naar
klasje acht
maar ze schrijft niet meer.



als je me kust,

je hand om mijn keel
als werd ik een glas met een
levende steel
komt er voorbij de tederheid even
een ogenblik dat ik mijn hele leven
met vreugde bedreigd voel,
zó of een reus na 't drinken,
over zijn schouders heen
het glas zal verpletteren,
tegen de grond
opdat er geen ander meer ooit
uit zal drinken,
geen een.

M. Vasalis

uit: 'de oude kustlijn', van Oorschot 2002

 

tussen taal en beeld

 

als ik op reis ben
Tussen woorden en beelden,
zijn er tafelbladen
papierbladen vinden er steun.
Aangeschoven aan de tafel,
een stoel,
waarop de schrijver van de woorden,
of de maker van de beelden,
plaats neemt.
De tafels en stoelen zijn de getuigen
van gedachten
en van de activiteiten
die erop volgen

Henk van Faassen


de tafel
een steunvlak voor mijn bord
en mijn glas

ontmoeting
onder die tafel
met iemand die ik ga liefhebben

onmogelijke bezigheden
om mijn bestaan te rechtvaardigen

Henk van Faassen


de tafel en het raam
iemand is gaan zitten aan de tafel
en langzaam gebeurt het
langzaam verdwijnt hij
uit zijn gedachten gaat hij
vergeten

de tafel is leeg en het is alsof de leegte
in hem binnendringt
hem vervult

langzaam gaat hij met zijn ogen
tegen de muur omhoog naar het raam
naar het uitspansel over het dorp

ziet hij de vogels van de hemel
hoe zij dwalen rond de toren van de kerk
en de wolken hoe zij voorbijwaaien

denkt hij ik ben alles wat ik zie

Rutger Kopland


de voortekenen
in de kelder van het huis
zou je de tekens kunnen ruiken
zoals de geur van schimmel
in de kelder van het huis
ieder voorteken een eigen geur

Henk van Faassen



ik beweeg me
tussen de watertafels
regendruppels breken de spiegel
daaronder trillen zwarte diamanten
of zijn het kiezels?

tafels met water
tot de rand gevuld
iedere regendruppel
kan de laatste zijn
aan tafel

Henk van Faassen

alles op tafel
en kijk:
de tafel is geen tafel meer
het blad van tafel en papier zijn één
de woorden in het klad
ben ik
wij allen zijn gelijk

Johan de Boose
fragment: "manieren van een tafel"
ongepubliceerd gedicht

de school
kinderen zijn er niet meer
waar het schoolbord was
een plek die de geschiedenis
van de wand onthult

de vloer van zwart witte tegels
zo konden de kinderen geen vuil achterlaten
een verhoging voor de leerkracht
een kunstenaar
hangt een rood schilderij in de lege ruimte
een fonteintje eenzaam in de hoek.

Henk van Faassen

Zelfs geen schedel
Bijna ben ik verschrompeld tot een korst.
Ik kruip over de aarde en mijn borst
vriest aan de stengels de wortels vast.

De zon schijnt fel bij twintig graden vorst.
Er prikken distels in mijn ribbenkast.
Mijn graf heb ik gevonden bovengronds-

Maar niets is er op dit moment zo honds
als de bevroren plas waarin mijn hoofd
zichzelf - als in een blinkend spiegelglas-

Aanschouwt. Niet dat mij ooit iets was beloofd,
Maar eindelijk had ik iets afgeronds
En nu zie ik geen scalp, maar een moeras.

Gerrit Komrij




Wij kunnen heel goed...

 




met bomen praten, maar...




moeten niet wagen...




het met elkaar te doen




omhoog >>

vervolg >>