|
Poëziezomer

naar
startpagina
naar
gedichten uit Watou

Ieder
jaar is er een Poëziezomer in Watou (België)
Beeldende kunstenaars en
dichters uit verschillende landen in confrontatie met elkaar en
de
omgeving.
Je kunt Watou een non-plaats noemen. Tot in 1980 was het een schimmendorp.
Door de jaarlijkse invasie van tientallen beeldende kunstenaars
en dichters wordt dat grensdorp een occasionele en tijdelijke
standplaats, een artistieke stabiliteit door het evenement zelf.De
uiterst mobiele kunstenaars laten de wereld samenvallen met het
meest zuidelijk gelegen dorp van Vlaanderen. De wereldkaart ligt
er altijd open..
ik zag eens sterren
ze waren juist
kleine ventjes
Stephanie Decrocq
Dit
gedichtje schreef Stephanie toen ze 9 jaar was voor mij op de
achterkant van een bierviltje. Ze is het dochtertje van de uitbaatster
van het hotel waar ik mijn intrek neem in Watou.
Het
meisje Stephanie is verlegen
ze schrijft geen gedichtjes meer
ze schrijft helemaal niet meer,
zegt ze, ze zat in klasje zes en gaat naar klasje acht, maar ze
schrijft niet meer.
Er is alles in de wereld het is alles
de dolle hondenglimlach van de honger
de heksenangsten van de pijn en
de grote gier en zucht de grote
oude zware nachtegalen
het is alles in de wereld er is alles
allen
die zonder licht leven
de in ijzeren longen gevangen libellen
hebben van hardstenen horloges
de kracht en de snelheid
binnen het gebroken papier van de macht
gaapt onder de verdwaalde kogel van de vrede
gaapt voor de kortzichtige kogel van de oorlog
de leeggestolen schedel
de erosie
er
is alles in de wereld het is alles
arm en smal en langzaam geboren
slaapwandelaars in een koud circus alles
is in de wereld het is alles
slaap
Lucebert
Uit
Verzamelde gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam, 1974
Als
je me kust,
je hand om mijn keel
als werd ik een glas met een
levende steel
komt er voorbij de tederheid even
een ogenblik dat ik mijn hele leven
met vreugde bedreigd voel,
zó of een reus na 't drinken,
over zijn schouders heen
het glas zal verpletteren,
tegen de grond
opdat er geen ander meer ooit
uit zal drinken,
geen een.
M. Vasalis
uit: 'de oude kustlijn', van Oorschot 2002
Een
arm
Gebaren
met een ik dat standvastig zichzelf elke ochtend opzet als een
marktkraam
werkt tot diep in de nacht, zijn koopwaar slijt, zal ik naar mijn
sterven toegaan
door onthechting
van deze aard. Nacht ga ik uit, ik in zwart en wit met laarzen,
trek de deur dicht van het huis, stap met linkerlaars
naar de hoek, met de rechterlaars naar de andere;
zo nergens
komend, alleen uitdijend sta ik voor mijn dichte deur, wachtend
op je arm die je me zou moeten geven, niet eens krimpend van
piin, maar krimpend door mijn eigen aard.
Rogi Wieg
Uit Spek
van mooie zijde. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1993
|
|
|
|
|
tussen
taal en beeld
Als
ik op reis ben
Tussen woorden en beelden,
zijn er tafelbladen.
Papierbladen vinden er steun.
Aangeschoven aan de tafel,
een stoel, waarop de schrijver van de woorden, of de maker van
de beelden, plaats neemt.
De tafels en stoelen zijn de getuigen van gedachten en van de
activiteiten die erop volgen
Henk van Faassen
De
tafel
een steunvlak voor mijn bord
en mijn glas
ontmoeting, een voet
onder die tafel
met iemand die ik ga liefhebben
onmogelijke bezigheden
om mijn bestaan te rechtvaardigen
Henk van Faassen
De
tafel en het raam
iemand is gaan zitten aan de tafel
en langzaam gebeurt het
langzaam verdwijnt hij uit zijn gedachten gaat hij vergeten
de
tafel is leeg en het is alsof de leegte in hem binnendringt
hem vervult
langzaam
gaat hij met zijn ogen
tegen de muur omhoog naar het raam naar het uitspansel over het
dorp
ziet
hij de vogels van de hemel
hoe zij dwalen rond de toren van de kerk en de wolken hoe zij
voorbijwaaien
denkt
hij ik ben alles wat ik zie
Rutger Kopland
De
voortekenen
in de kelder van het huis
zou je de tekens kunnen ruiken
zoals de geur van schimmel
in de kelder van het huis
ieder voorteken een eigen geur
Henk
van Faassen

Ik beweeg me
tussen de watertafels
regendruppels breken de spiegel
daaronder trillen zwarte diamanten
of zijn het kiezels?
tafels met water
tot de rand gevuld
iedere regendruppel
kan de laatste zijn
aan tafel
Henk van Faassen
De
drijvende wind
Wakker
omdat een storm groef in het dak.
Aan kwam jagen, zijn blinde gezicht kneusde, nagels stak onder
kieren waaronder wij: dik van slaap, te zwaar om meegenomen, weg
gewaaid te worden samen.
Hoorden een opwaarts gieren of het huis werd leeggezogen, ramen
schoten open, brieven stoven sjirpend de nacht in.
Al het verwrikbare gleed van onze levens, één twee
verlies! -kijk ons, kaal als de grond.
Tussen minstens en niets was het dak nog even een vlies.
Het begon
Eva
Gerlach
Uit:
Niets bestendiger. De Arbeiderspers, Amsterdam 1998

Philippe Ramette /

|
|
|
|
|
tabula
Alles
op tafel
en kijk:
de tafel is geen tafel meer
het blad van tafel en papier zijn één
de woorden in het klad
ben ik
wij allen zijn gelijk
Johan
de Boose
fragment:
"manieren van een tafel" ongepubliceerd gedicht

De
school
kinderen zijn er niet meer
waar het schoolbord was
een plek die de geschiedenis
van de wand onthult
de vloer van zwart witte tegels
zo konden de kinderen geen vuil achterlaten
een verhoging voor de leerkracht
een kunstenaar
hangt een rood schilderij in de lege ruimte
een fonteintje eenzaam in de hoek.
Henk
van Faassen

Zelfs
geen schedel
Bijna
ben ik verschrompeld tot een korst.
Ik kruip over de aarde en mijn borst
vriest aan de stengels de wortels vast.
De
zon schijnt fel bij twintig graden vorst.
Er prikken distels in mijn ribbenkast.
Mijn graf heb ik gevonden bovengronds-
Maar
niets is er op dit moment zo honds
als de bevroren plas waarin mijn hoofd
zichzelf - als in een blinkend spiegelglas-
Aanschouwt.
Niet dat mij ooit iets was beloofd,
Maar eindelijk had ik iets afgeronds
En nu zie ik geen scalp, maar een moeras.
Gerrit
Komrij
Ligstoel
Voor Jan Fabre
Het is een
soort niets dat ik zoek.
Wat je overhoudt als je uit de kom van je beide handen hebt willen
drinken: je beide handen.
Geuren lanterfanten door de tuin.
Ik heb een ligstoel onder me waarin ik zo laag als ik maar
in mezelf
kan liggen, op mijn rug, het onderste dat ik heb, lig
Hoe is dat liggen?
Zoals je cognac afmeet door het glas horizontaal te leggen, zo
is dit liggen, ik heb niet veel van mezelf nodig om vol te zijn,
wat ik nodig heb is vooral: weing.
er is te weinig
weinig.
De vergevingsgezindheid van het niets waarin wij, als we eveneens
niets zouden zijn, zouden passen.
De lucht is
zo blauw als vergeetachtigheid.
De lucht is zo blauw als blauwsel waarmee destijds linnen werd
gewassen om witter te zijn.
Herman
de Coninck
Uit: Vingerafdrukken.
De arbeiderspers, Amsterdam 1997
|
|
|