Gedichten


> startpagina

> poëziezomer

> twee dichters

tussen taal en beeld

Het gat van de wereld, het niemandsland tegen de Franse grens, iedere zomer gonst het hier op tal van locaties van de gedichten, geflankeerd door beeldende kunst.

Watou: het Hugo Claus-monument door Roger Raveel. Foto: Sabine Allemeersch

gevonden in Watou

Poëziezomer 2001
Het warme West-Vlaamse land wuift loom, het water rimpelt nauwelijks. Maar de rust is voor een groot deel schijn.
In de vijver drijven woorden:

We kruisten de Styx
De veerman lag dronken in zijn schip. Ik hield het roer en we zonken als stenen.

Esther Jansma


West Vlaanderen
De grond bevat de geschiedenis van dit getroffen oord.
Hoeveel soldaten hier vielen tijdens de Eerste Wereldoorlog weet geen mens nauwkeurig.
Bij Ieper, verderop, staan de witte kruizen in slagorde opgesteld.

De hoge kerktoren van Watou, die je, met je hand in het water, kunt laten zigzaggen op het ritme van de klokken.
Want wie ook niet een beetje spelen kan en dromen, zal niet snel aarden in Watou.
De dichter beweent, hij bezweert, hij gaat door en door.
Wie binnentreedt in de grijze betonnen kubus op het plein, ziet door een horizontale uitsparing boven een grijze tafel, de kerktoren tegen wisselende luchten:
een voortdurend veranderend schilderij.
En hoort het gedicht:

ziet hij vogels van de hemel
hoe zij dwalen rond de toren van de kerk
en de wolken hoe zij voorbijwaaien
denkt hij ik ben alles wat ik zie


Rutger Kopland


De kubus moet waarschijnlijk weg.
De jongeren van het dorp doen er 's avonds dingen die niet mogen.
Watou is een gewoon dorp.
En toch net iets anders.

Lamento
Hier nu langs het lange diepe water
dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar
dat je altijd maar

hier nu langs het lange diepe water
waar achter oeverriet achter oeverriet
de zon
dat ik dacht dat je altijd maar altijd

dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht
altijd maar je ogen en de lucht
altijd maar rimpelend in het water rimpelend

dat altijd in levende stilte
dat ik altijd zou leven in levende stilte
dat je altijd maar dat wuivende oeverriet altijd maar

langs het lange diepe water dat altijd maar je huid
dat altijd maar in de middag je huid
altijd maar in de zomer in de middag je huid

dat altijd maar je ogen zouden breken
dat altijd van geluk je ogen zouden breken
altijd maar in de roerloze middag

langs het lange diepe water dat ik dacht
dat ik dacht dat je altijd maar
dat ik dacht dat geluk altijd maar

dat altijd maar het licht roerloos in de middag
dat altijd maar het middag licht je okeren schouder
je okeren schouder altijd in het middaglicht

dat altijd maar je kreet hangend
altijd maar je vogel kreet hangend
in de middag in de zomer in de lucht

dat altijd maar de levende lucht dat altijd maar
altijd maar het rimpelende water de middag je huid
ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit

hier nu langs het lange diepe water dat nooit
ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit
dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water

hier nu langs het larige diepe water dacht ik nooit
dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit
dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer

Remco Campert
Uit Rechterschoenen, De Bezige Bij, 1992



De dichter beweent, bezweert
en gaat door en door


Had de wind een andere kant op gestaan, dan hadden we een ander gedicht gehoord
Misschien dat van Seamus Heaneyzachtjes, uit de schuur waar vroeger de hop werd gedroogd.


Dingen zien
Op een keer kwam mijn niet verdronken vader ons erf opgelopen.
Hij was de aardappelen gaan besproeien in een veld bij de rivieroever en had niet gewild dat ik meeging. De sproeimachine was te groot en te nieuwerwets, kopervitriool kon mijn ogen verbranden, het paard was nieuw, ik zou het wellicht laten schrikken, en ga zo maar door. (…)
Die middag zag ik hem van gezicht tot gezicht, hij kwam naar me toe met zijn natte voetspoor recht uit de rivier en daar was er toen niets tussen ons dat er ook later niet altijd gelukkig zou zijn.


Seamus Heaney

Terminus
Toen ik me bukte, vond ik daar
Een eikel en een verroeste grendel.

Hief ik mijn ogen: een fabriekspijp
En een sluimerende berg.

Luisterde ik: een afslaande motor
En een dravend paard.

Is het een wonder dat ik dacht
Dat ik me nog zou bedenken?

Seamus Heaney


Waarschijnlijk waren er dichters in de buurt
want uit de boomkruinen
klonken droeve stemmen

bezoekers lopen af en aan
hun hoofden vol teksten
buiten staan de schapen
die weten van niets
arme schapen
arme bezoekers


Staande aan de spiegelende vijver op de binnenplaats van de oude Douviehoeve net buiten Watou, horen we Wislawa Szymborska, de eerste foto van Hitler voordragen.

De eerste foto van Hitler
(fragment)

En wie is die dreumes in zijn kieltje?
Dat is Adolfje, de zoon van meneer en mevrouw Hitler!
Misschien wordt hij wel doctor in de rechten?
Of tenor in de opera van Wenen?
Van wie is dat handje, van wie, dat oortje, oogje, neusje? Van wie dat buikje vol melk, nog niemand weet het:
van een drukker, heelmeester, koopman, pastoor?
Waarheen zullen die koddige beentjes nog uitgaan, waarheen?
Naar de speeltuin, naar school, naar kantoor, naar een bruiloft, met de dochter van de burgemeester misschien? (...)

Wislawa Szvrnborska

Uit Nieuw Wereldtijdschrift, 1995 nr. 5
Vertaling: Jo Govaerts


Terugreis
Hoe reist men van Watou naar de bewoonde wereld?
Men neme om 10:05 de belbus naar Poperinge.
Daar stapt men om 10:31 op de stoptrein naar Kortrijk.
Er is tijd voor koffie alvorens de sneltrein om 11:43 vertrekt in de richting Gent en Antwerpen.
In Antwerpen gaat er een smerige drukke trein om 13:28 naar Amsterdam.
Daar ben je dan om 15:39.
Ik stapt op de 'Opstapper' en ben om 16:00 thuis.

Henk van Faassen


De stem van Gerrit Komrij
treurig als altijd.
Zijn videoportret ingegraven
in de versleten stenen van een schuur.
Wat kan nog treuriger zijn?

Gerrit Komrij is op 5 juli 2012 in het OLVG overleden
Dat was op dezelfde dag dat ik daar een geneesheer moest consulteren.
Zo nabij kunnen leven en dood zijn.

Henk van Faassen




22 11 2017


De lege kamers
onbewoond nu
met de schaduw van het leven
dat er voorbij trok
de werkers in de hop of brouwerij
de tekst van Ton van Deel
nu achteloos op een muur
links is een trap

Voorgoed
Het is niet moeilijk te bedenken
dat je voor altijd hier wilt blijven,
op deze plek, bij dit huis, deze boom
die met een wolk van roerloos blad
ruim schaduw geeft en breed zijn takken
spreidt tot een natuurlijke omarming.
Maar niemand kan bestaan in deze ets
waaraan de tijd ontbreekt en binnen-
gaan in dit voorgoed behouden huis,
zo stil gelegen tussen zwart en wit.

T van Deel


Ga nu maar liggen liefste
in de tuin
de lege plekken
in het hoge gras
ik heb altijd gewild
dat ik dat was
een lege plek
voor iemand
om te blijven

Jonge sla
Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen,
het hoekje aardappelen,
kan ik met droge ogen
zien rooien,
daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Rutger Kopland
[1934-2012]


'Dichtregels worden de dichter gegeven, Dat heb ik nooit geweten, wel dat soms 
een vreemd soort ontroering opkomt waarvoor ik naar woorden zoek.' 

Om de verwoording van die ontroering was het hem tot in zijn laatste bundels te doen, al werd de taal daar steeds kariger en had de ontroering daar, nadat de dichter ternauwernood een hartinfarct en een ernstig auto-ongeluk overleefde, steeds meer te maken met het verdwijnen, de kortstondigheid en het geluksgevoel 'dat ik er nog ben en dit mag beleven'. 

Troost
'Het gaat uiteindelijk toch over het besef dat alles voorbijgaat en over hoe dat besef ook iets troostends kan hebben. Dat beleef ik steeds meer als ik in een landschap loop, alles aanschouw en bedenk dat dat er nu zo ligt en dat dat er denkelijk straks ook zo ligt als ik er niet meer ben'

De meest geliefde dichter van Nederland is woensdag 11 juli 2012 overleden.


Contragewicht
Er is een land dat ik met pijn verliet.
Er is een land dat ik met pijn bewoon.
Een derde land daartussen is er niet.
Mijn leven volgt een zonderling patroon:

Want waar ik heenga voel ik me niet thuis
En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.
De grens wordt smal tussen geluk en kruis.
Steeds minder denk ik wat ik hardop zeg.

Ik heb, om aan dit noodlot te ontkomen,
Een derde land verzonnen in mijn hoofd.
Een land vertrouwd met leugens en fantomen.

Aan diepgewortelde bomen
Hangen honkvast de loden trossen ooft
Van al mijn vederlicht geworden dromen.

Gerrit Komrij [1944-2012]
uit Luchtspiegelingen / De Bezige Bij





Poëziezomer
In Watou komen de kunstenaars en de dichters



Watou
Een dorp in een vlakte op de grens van Frankrijk



Een lege plek
Er wonen nog maar 1200 dorpelingen in Watou



om te blijven
zolang de geest van
Hugo Claus er heerst.







> global art