|
Gedichten

naar
startpagina
naar
poëziezomer
Poëziezomer
in Watou
Het gat van de wereld, het niemandsland tegen de Franse grens, iedere
zomer gonst het hier op tal van locaties van de gedichten, geflankeerd
door beeldende kunst.
De grond bevat de geschiedenis van dit getroffen oord.
Hoeveel soldaten hier vielen tijdens de Eerste Wereldoorlog weet
geen mens nauwkeurig.
Bij Ieper, verderop, staan de witte kruizen in slagorde opgesteld.
De hoge kerktoren van Watou, die je, met je hand in het water, kunt
laten zigzaggen op het ritme van de klokken.
Want wie ook niet een beetje spelen kan en dromen, zal niet snel
aarden in Watou.
De dichter beweent, hij bezweert, hij gaat door en door.
Wie binnentreedt in de grijze betonnen kubus op het plein, ziet
door een horizontale uitsparing boven een grijze tafel, de kerktoren
tegen wisselende luchten:
een voortdurend veranderend schilderij.
En hoort het gedicht:
ziet
hij vogels van de hemel
hoe zij dwalen rond de toren van de kerk
en de wolken hoe zij voorbijwaaien
denkt hij ik ben alles wat ik zie
Rutger Kopland
De kubus moet
waarschijnlijk weg.
De jongeren van het dorp doen er 's avonds dingen die niet mogen.
Watou is een gewoon dorp.
En toch net iets anders.
Lamento
Hier nu langs
het lange diepe water
dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar
dat je altijd maar
hier nu langs het lange diepe water
waar achter oeverriet achter oeverriet
de zon
dat ik dacht dat je altijd maar altijd
dat altijd maar je ogen je ogen en de lucht
altijd maar je ogen en de lucht
altijd maar rimpelend in het water rimpelend
dat altijd in levende stilte
dat ik altijd zou leven in levende stilte
dat je altijd maar dat wuivende oeverriet altijd maar
langs het lange diepe water dat altijd maar je huid
dat altijd maar in de middag je huid
altijd maar in de zomer in de middag je huid
dat altijd maar je ogen zouden breken
dat altijd van geluk je ogen zouden breken
altijd maar in de roerloze middag
langs het lange diepe water dat ik dacht
dat ik dacht dat je altijd maar
dat ik dacht dat geluk altijd maar
dat altijd maar het licht roerloos in de middag
dat altijd maar het middag licht je okeren schouder
je okeren schouder altijd in het middaglicht
dat altijd maar je kreet hangend
altijd maar je vogel kreet hangend
in de middag in de zomer in de lucht
dat altijd
maar de levende lucht dat altijd maar
altijd maar het rimpelende water de middag je huid
ik dacht dat alles altijd maar ik dacht dat nooit
hier nu langs het lange diepe water dat nooit
ik dacht dat altijd dat nooit dat je nooit
dat nooit vorst dat geen ijs ooit het water
hier nu langs het larige diepe water dacht ik nooit
dat sneeuw ooit de cipres dacht ik nooit
dat sneeuw nooit de cipres dat je nooit meer
Remco
Campert
Uit Rechterschoenen, De Bezige Bij, Amsterdam, 1992
|
|
|
|
tussen
taal en beeld
De
dichter beweent, bezweert
en gaat door en door
Had de wind een andere kant op gestaan,
dan hadden we een ander gedicht gehoord
Misschien dat van Seamus Heaney, zachtjes, uit
de schuur waar vroeger de hop werd gedroogd.
Dingen zien
Op een keer kwam mijn niet verdronken vader ons erf opgelopen.
Hij was de aardappelen gaan besproeien in een veld bij de rivieroever
en had niet gewild dat ik meeging. De sproeimachine was te groot
en te nieuwerwets, kopervitriool kon mijn ogen verbranden, het
paard was nieuw, ik zou het wellicht laten schrikken, en ga zo
maar door. (
)
Die middag zag ik hem van gezicht tot gezicht, hij kwam naar me
toe met zijn natte voetspoor recht uit de rivier en daar was er
toen niets tussen ons dat er ook later niet altijd gelukkig zou
zijn.
Seamus Heaney
Terminus
Toen
ik me bukte, vond ik daar
Een eikel en een verroeste grendel.
Hief ik mijn
ogen: een fabriekspijp
En een sluimerende berg.
Luisterde
ik: een afslaande motor
En een dravend paard.
Is het een
wonder dat ik dacht
Dat ik me nog zou bedenken?
Seamus
Heaney
Waarschijnlijk
waren er dichters
in de buurt
want uit de boomkruinen
klonken droeve stemmen
bezoekers
lopen af en aan
hun hoofden vol teksten
buiten staan de schapen
die weten van niets
arme schapen
arme bezoekers
Staande aan de
spiegelende vijver op de binnenplaats van de oude Douviehoeve net
buiten Watou, horen we Wislawa
Szymborska, de
eerste foto van Hitler voordragen.
De
eerste foto van Hitler (fragment)
En wie is die dreumes in zijn kieltje?
Dat is Adolfje, de zoon van meneer en mevrouw Hitler!
Misschien wordt hij wel doctor in de rechten?
Of tenor in de opera van Wenen?
Van wie is dat handje, van wie, dat oortje, oogje, neusje? Van
wie dat buikje vol melk, nog niemand weet het:
van een drukker, heelmeester, koopman, pastoor?
Waarheen zullen die koddige beentjes nog uitgaan, waarheen?
Naar de speeltuin, naar school, naar kantoor, naar een bruiloft,
met de dochter van de burgemeester misschien? (...)
Wislawa Szvrnborska
Uit Nieuw Wereldtijdschrift, 1995 nr. 5
Vertaling: Jo Govaerts
|
|
|
|
gevonden
in Watou
Het warme
West-Vlaamse land wuift loom, het water rimpelt nauwelijks. Maar
de rust is voor een groot deel schijn.
In de vijver drijven woorden:
We kruisten de Styx
De veerman lag dronken in zijn schip. Ik
hield het roer en we zonken als stenen.
Esther Jansma
De
lege kamers
onbewoond nu
met de schaduw van het leven
dat er voorbij trok
de werkers in de hop of brouwerij
de tekst van Ton van Deel
nu achteloos op een muur
links is een trap
Voorgoed
Het is niet moeilijk te bedenken
dat je voor altijd hier wilt blijven,
op deze plek, bij dit huis, deze boom
die met een wolk van roerloos blad
ruim schaduw geeft en breed zijn takken
spreidt tot een natuurlijke omarming.
Maar niemand kan bestaan in deze ets
waaraan de tijd ontbreekt en binnen-
gaan in dit voorgoed behouden huis,
zo stil gelegen tussen zwart en wit.
T
van Deel
Ga
nu maar liggen liefste
in de tuin
de lege plekken
in het hoge gras
ik heb altijd gewild
dat ik dat was
een lege plek
voor iemand
om te blijven
Rutger Kopland
Terugreis
Hoe
reist men van Watou naar de bewoonde wereld?
Men neme om 10:05 de belbus naar Poperinge.
Daar stapt men om 10:31 op de stoptrein naar Kortrijk.
Daar is tijd voor koffie alvorens de sneltrein om 11:43 vertrekt
in de richting Gent en Antwerpen.
In Antwerpen is er een smerige drukke trein om 13:28 naar Amsterdam.
Daar ben je dan om 15:39.
Je stapt op de 'Opstapper' en bent om 16:00 thuis.
Henk
van Faassen
Contragewicht
Er is een land dat ik met pijn verliet,
Er is een land dat ik met pijn bewoon.
Eeen derde land daartussen is er niet.
Mijn leven volgt een zonderling patroon:
Want waar
ik heenga voel ik me niet thuis
En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.
De grens wordt smal tussen geluk en kruis.
Steeds minder denk ik wat ik hardop zeg.
Ik heb, om
aan dit noodlot te ontkomen,
Een derde land verzonnen in mijn hoofd.
Een land vertrouwd met leugens en fantomen.
Aan diepgewortelde
bomen
Hangen honkvast de loden trossen ooft
Van al mijn vederlicht geworden dromen.
Gerrit
Komrij
uit Luchtspiegelingen / De Bezige Bij
De
stem van Gerrit K
treurig als altijd.
Zijn videoportret ingegraven
in de versleten stenen van een schuur.
Wat kan nog treuriger zijn?
Henk van Faassen

|
|