tussen taal en beeld



Roland Barthes [1915-1980]





 

.

Semiotiek
De leer van de aard en het gebruik van taal
die gesproken of met gebaren tussen mensen funktioneerd.
Of de taal die met een handschrift of in een oplage gedrukt is met lerttertekens, verspreidt wordt.

De leer is onder te verdelen in:
syntactisch: wat tekens onderling met elkaar te maken hebben,
semantisch: relaties tussen die tekens en dingen waar ze naar verwijzen. pragmatisch: relaties tussen tekens en de gebruikers ervan.

Feministische mediastudies
Die zijn bij semiotiek populair om de mogelijkheid stucturen in betekenis te ontdekken over de aan- of afwezigheid van vrouwen in de media.

.



Barthes en De Saussure
Hij bouwde de theorie van De Saussure
verder uit door in te gaan op de betekenis
en samenstelling van een teken.
Hij concludeert dat een teken, meer
specifiek, een beeld, op twee niveaus
betekenis kan krijgen:

De denotatieve betekenis is dan op het
letterlijke, beschrijvende vlak;
de connotatieve betekenis is afhankelijk
van de culturele en historische context
van het beeld en de persoonlijke ervaring
en kennis van de kijker op dat gebied.

Elk teken is opgebouwd uit twee componenten:
de betekenisgever (signifier)
en het betekenisgevende object (signified).

De signifier is het daadwerkelijke geluid, woord of beeld en met de signified gaat het
om het concept dat door dat geluid, woord, of beeld wordt opgeroepen.

Volgens Barthes kan elk teken op deze manier ontleed worden en betekenis krijgen


De Saussure:
De ontologische status der dingen kregen door diens opmerkelijk taal en tekentheorie een geheel nieuwe wending.

to on betekent het zijnde
Op zoek gaan naar het antwoord op de vraag wat de meest fundamentele bestanddelen van de werkelijkheid zijn en hoe die volgens de veronderstellingen van filosofie en de wetenschap in elkaar zitten.

Er zijn dingen die niet zintuiglijk waar te nemen zijn, zoals 'het zijn'
Wat betekent dat?
Het teken valt uiteen in dat wat betekend wordt, het betekende of de betekenis: siginifié en dat wat betekent, het betekenende of betekenaar: signifiant

Zijn tekensystemen riten?
In zoverre taal een systeem van tekens is, is zij vergelijkbaar met andere tekensystemen zoals riten, gebruiken of signalen in het leger en politieke organisaties.

Semiotische analyse
Semiologie is de leer van de betekenissen.
De Saussure verklaarde dat er slechts een arbitrair verband bestaat tussen een teken en de betekenis van dat teken.
Een teken bestaat volgens hem uit een betekenaar
het ‘fysiek’ bestaan van het teken in onze taal, ofwel de signifier en
het betekende
het bedacht concept, ofwel de signified.

Barthes is een grensbewoner
Hij heeft nooit definitief kunnen of willen
kiezen tussen het onpersoonlijke van de
theorievorming, de institutionalisering, en het persoonlijke van het schrijven en het daarmee gepaard gaande isolement.

Hij is altijd een contrabandier geweest,
die het strenge en soms esoterische
lexicon van de wetenschap, zoals
linguïstiek, psychoanalyse en sociologie binnensmokkelde in de essayistiek.
Andersom voerde hij literaire elegantie en
dilettantisme binnen de wetenschap in..

Een intellectuele biografie van Barthes zou
dan ook rekening moeten houden met de
historische ontwikkelingen binnen de
mens-wetenschap en de literatuur in het Frankrijk van de jaren 1940-1970..





LE PLAISIR AU TEXTE
De schrijver is hooguit een opwekker van dubbelzinnigheid
Roland Barthes

‘Het kwartetje van waarden ziet er dus zo uit:
‘stijf worden’ en ‘los raken’ zijn goede waarden
(het gladde, het geoliede, het overgotene zijn gunstig, afdrijven is gerechtvaardigd);
maar ‘stollen’ en ‘schiften’ zijn slechte waarden, (onleesbaar)
wijzen vooruit naar de dood door mummificatie (reïficatie) of ontbinding.’


(onuitgegeven fragment uit Roland Barthes par Roland Barthes)

Knipogend
Roland Barthes hield van chocola en van amfibolieën.
Een amfibolie is een soort verbale praline.
Een gelaagde uitspraak die inspeelt op de potentiële dubbelzinnigheid van een woord.
Telkens wanneer hij zo’n woord met dubbele lading tegenkomt,
houdt Barthes de twee betekenissen vast, alsof één ervan naar de andere een
knipoog geeft en de betekenis van het woord in dat knipogen besloten ligt.

Eén en hetzelfde woord kan zo in één en dezelfde zin tegelijkertijd twee verschillende dingen betekenen.
Je geniet, semantisch, van de ene betekenis via de andere.

In het fragment ‘Amfibolieën’, uit Roland Barthes door Roland Barthes,
geeft hij een hele waslijst van zulke dierbare dubbelzinnigheden:
aanhalen (lief doen en citeren),
achterover drukken (naar achteren duwen en ontvreemden),
afwezigheid (afwezigheid van de persoon en geestelijke verstrooidheid) enzovoort.
Hij noemt ze zelfs ‘kostelijk dubbelzinnig’ (précieusement ambigus),
omdat de amfibolie geactualiseerd kan worden ‘door een soort gelukkig toeval,
niet van de taal maar van het discours’.

Barthes is zelf erg aanwezig

Het is een pars pro toto voor zijn conceptuele, thematische en strategische ambiguïteit.
Zichzelf opvoeren in de derde persoon (een romaneske stijlvorm),
een definitie geven en een lijst opmaken (een wetenschappelijke bekommernis);
een gewichtig begrip op speelse wijze ontleden;
een oude retorische figuur actualiseren en
‘genieten’ van de erin vervatte betekenissen; die betekenissen laten ‘knipogen’
en zich zo verweren tegen de conceptuele verstarring van een binaire dialectiek
(‘binair’ is een besmet woord, het kleeft, en Barthes had een hekel aan kleverigheid,
al hield hij dan van chocola).

Maar bovenal: ambiguïteit omhelzen.
Ambiguïteit in taalkundige zin duidt simpelweg op een meervoud van betekenissen,
maar het woord kan ook een levenshouding karakteriseren en verwijst dan naar
wendbaarheid, raffinement en intelligentie,
ofwel naar wankelmoedigheid, grilligheid en onbetrouwbaarheid.

Het woord ambiguïteit is met andere woorden zelf ambigu.
Barthes’ ambiguïteit slaat op de complexiteit van een oeuvre,
maar tegelijk ook op de ongrijpbaarheid van een publiek personage
en op de grilligheid van een maatschappelijk parcours.

Barthes’ ambigue grondhouding moet worden teruggeplaatst in de context
van de nooit opgeloste spanning tussen de twee sociale velden waarin hij actief was,
(mens-) wetenschap en literatuur.


Le Déjeuner Struktualiste / Foucault / Lacan / Lévi Strauss / Roland Barthes





Verlangen doet schrijven en lezen,
Barthes heeft die gedachte altijd
hooggehouden.
Ook de wetenschap vloeit voort uit een verlangen. Dat verlangen of het nu
esthetisch of wetenschappelijk is heeft voor
hem altijd iets erotisch en iets tastbaars:

Schrijven en daarbij het papier voelen,
een pen tussen je vingers laten bewegen en vasthouden. Soms even los van het
papier willekeurige bewegingen maken om
beter te kunnen denken.

Lezen is bladzijden beduimelen en
aantekeningen in de marge krabbelen. Denken en beelden voor je zien, stemmen beluisteren en met je lichaam te voelen dat je iets wil weten.

De mens is een zintuiglijk wezen, veel
meer dan een producent van verstandelijke
activiteit.
Kinderen zijn wezens die praten, schrijven
en tekenen. Ze geven betekenis aan de dingen waar ze aan denken.
Ze kunnen ernaar verlangen om te schrijven en te lezen.
Ze friemelen aan het papier en willen graag
een schrijfstift vasthouden.
De bladzijden die ze lezen beduimelen ze
en krassen er op.
Als ze dat doen is het niet meer dan
waarschijnlijk dat ze daarbij stemmen in
hun hoofd horen en met hun lichaam het
verlangen voelen om iets te weten te
komen.

Leren lezen en schrijven krijgt op die
manier vorm.
Onderwijzen in lezen en schrijven is
begeleiden van dit verlangen van de kinderen.

Als leerkrachten het schrijven loskoppelen van de verbeeldingskracht van de kinderen omdat ze denken te moeten vasthouden aan schrijfcodes die stuk voor stuk slechts een bemiddelende functie hebben, verstoren ze een belangrijk proces.

Handen van kinderen kunnen vaak
genoeg geduld opbrengen om het
nadenken over spelling en grammatica
er bij te houden.


laat iedereen schrijven met het lichaam dat hij heeft

Schrijven: een soort handenarbeid

Theoretische tegenstelling tussen schrijven en spreken?
Ik dacht dat spreken uit het lichaam voortkwam als onmiddellijke expressie,
als intimidatie of verleiding, kortom als theater.

Schrijven daarentegen leek me te ontstaan uit alles dat verband houdt met het imaginaire (andermans of eigen imago),
Schrijven is gezuiverd en gebonden aan een reeks van codes die stuk voor stuk een
bemiddelende functie hebben, zoals stijl, beknoptheid, ambiguïteit, en het geduld van de hand, die de snelheid van het denken niet kan bijhouden.

Daarom ook zou ik er nooit mee hebben ingestemd om een tekst uit te spreken zonder
die eerst neer te schrijven:
Interviews (op bandrecorders) heb ik altijd met tegenzin gegeven.
Het ging met:à mon corps défendant, met fysieke afkeer.
        
Tegenwoordig ben ik van die tegenstelling niet meer zo zeker

Ik weet dat in het verleden schrijvers als Flaubert of Gide een creatieve waarde toekenden
aan het declameren van hun zinnen.
En ik ken hedendaagse schrijvers die bij wijzen van spreken met de bandrecorder
schrijven.
Dat stemt me tot ruimdenkendheid: laat ieder schrijven met het lichaam dat hij heeft, op zijn eigen manier.


Maar net als elk ruimdenkend mens verval ik, nadat ik het recht op verschil de verschuldigde eerbied heb bewezen, weer in mijn slechte gewoonte:
ik hou van schrijven, niet van spreken,
en als ik schrijf doe ik dat met de hand en niet met een machine.

Die keuze heeft een hele reeks achtergronden.
Allereerst: mijn lichaam weigert hardop te praten tegen... niemand.

Het antwoordapparaat
Als ik niet zeker weet dat een ander lichaam naar me luistert, stokt mijn stem,
kan ik geen woord meer uitbrengen;
Als ik tijdens een gesprek merk dat iemand zijn oor van me afwendt, val ik stil;
Het lukt mij niet om een boodschap in te spreken op een antwoordapparaat.
Dat is iets waar ik vermoedelijk niet alleen in sta.
In je eentje een bandrecorder inspreken, terwijl elke stem gemaakt is om de ander te ontmoeten, lijkt me ondraaglijk frustrerend:
Mijn stem wordt dan letterlijk afgesneden, gecastreerd.
Het wil me niet lukken de aangesprokene van mijn eigen stem te zijn, zoals bij een bandrecorder, terwijl wat ik schrijf meteen voor iedereen bestemd is.
En verder voel ik me beschermd door de traagheid van het schrijven: het onbenullige woord, dat meestal 'spontaan' opwelt, schort ik bijtijds op door mijn pen van het papier te lichten.

Schrijven is als schilderen
Er is een grote afstand tussen mijn hoofd en mijn hand, en die afstand benut ik om iets
anders te zeggen dan wat me als eerste te binnen schoot.
Maar bovenal, en dat is misschien wel de echte reden voor mijn keuze, put ik uit het
neerschrijven van woorden op papier een waar plastisch genot.
Als ik het plezierig vond mijn eigen stem te horen, dan zou dat alleen uit narcisme zijn;
maar schrijven is voor mij wat schilderen voor een schilder is.
Ik heb er mijn spieren bij nodig, ik geniet van een soort handenarbeid.
Ik beoefen twee 'kunsten' tegelijk, de tekstuele en de grafische.


Een taal om naar te kijken
Dit alles is waarschijnlijk alleen aanvaardbaar voor wie het principe van de taalpluraliteit onderschrijft.
Ik zelf denk dat het goed is dat er verschillende, duidelijk gescheiden talen zijn,
een taal voor het spreken en een andere voor het schrijven.
Ik denk dat het een luxe is die we moeten verdedigen:het bestaan van een kunstmatige
taal, die er alleen is in geschreven vorm, een taal die direct is ontworpen om te worden gezien.


Roland Barthes:
'Une sorte de travail manuel' in: Les Nouvelles littéraires, 1977,


Mijn geboorte
Ik ben geboren in de oorlog van '14-'18

Op 12 november 1915, in Cherbourg,
Een stad die ik niet ken omdat ik er niet
één stap heb gezet, ik was pas twee
maanden oud toen ik er wegging.

Mijn vader was marineofficier; hij is gedood
in 1915, in het Nauw van Calais bij een
gevechtshandeling op zee; ik was elf
maanden oud.

Mijn milieu
Je kunt, denk ik, zeggen dat de klasse
waartoe ik behoor de bourgeoisie is.
Het milieu waaruit ik afkomstig ben bestaat
voor een kwart uit gegoede burgerij, voor
een kwart uit oude adel en twee kwart uit
vrijdenkende bourgeoisie.
Het was een bourgeoisie die of
krenterig of arm was, soms op het randje
van armoede.



Mijn jeugd
Toen ik tien was heeft mijn moeder toen ze
oorlogsweduwe geworden was en ik naar
een staatsschool ging, een handwerk
geleerd, boekbinden, waarvan we in Parijs
maar met moeite konden rondkomen.

Mijn vakanties
Maar de drie schoolvakanties was ik altijd
bij mijn grootmoeder en tante in Bayonne.
Ze woonde in een huis met een grote tuin,
het overblijfsel van een voormalige
touwslagerij.
Ik las daar veel, alle romans die ik maar te
pakken kon krijgen in de leesbibliotheek.
Vooral speelde ik veel muziek.
Mijn tante was pianolerares, zodra de
piano vrij was ging ik er achter zitten om
van het blad te spelen.
Ik heb stukjes gecomponeerd nog voordat ik kon schrijven.

Mijn zang
Later, voordat ik ziek werd, kreeg ik
zangles van Charles Panzera, voor wie ik
een geweldige bewondering heb.
Het overkomt me wel eens dat ik literair
theoretische ideeën probeer te formuleren
die eigenlijk weinig met klassieke muziek
te maken hebben, maar opeens moet ik
weer aan Panzera denken, aan zijn adviezen, zijn manier van zingen, van articuleren en dat hij de psychologische
uiting van gevoelens teniet deed door puur
alleen maar muziek te maken voor zijn
plezier.

Mijn middelbare school
Dat was eerst het lyceum van Bayonne.
In Parijs het lyceum Montaigne
en ik heb mijn studie afgemaakt aan het
lyceum Louis-le-Grand.

Mijn ziekte
Twee maanden voor mijn baccalaureaat
filosofie, op 10 mei 1934, had ik een
bloedspuwing en moest voor een speciale
kuur naar de Pyreneeën, naar Bedous in
het dal van de Aspe.
Die vervelende gebeurtenis heeft een eind
gemaakt aan mijn roeping.
Omdat ik goed in letterkunde was, wilde ik,
tot ik ziek werd, naar de Ecole Normale
Supérieur, maar toen ik in 1935 in Parijs
terugkwam heb ik me nog alleen maar
beziggehouden met klassieke letteren.
Dat had weinig om het lijf en als
compensatie heb ik samen met een vriend,
die later vermoord is door de nazi's,
Jacques Veil, de theatergroep Théâtre
Antique aan de Sorbonne opgericht.
Daar was ik tot ongeveer 1939 actief bij
betrokken, ten koste van het halen van mijn
diploma's. 

Mijn oorlog
Vrijwel de hele oorlog heb ik in een
sanatorium doorgebracht. Ik was van
militaire dienst vrijgesteld vanwege mijn
eerste tuberculose.
Toen de oorlog uitbrak kreeg ik een
aanstelling als leraar aan het Lyceum van
Biarritz.
Na de nederlaag in Parijs teruggekeerd,
ben ik surveillant geweest aan het lyceum
Voltaire en het lyceum Carnot.
In 1941 heb ik opnieuw tuberculose
gekregen en ben voor een kuur naar het
studenten sanatorium in Saint-Hilaire-du-
Touvet, aan de Isère, gegaan.
Na een tijdje in Parijs werd ik weer ziek
en ging in 1943 ik voor herstel naar Leysin
in Zwitserland. Ik was daar tot 1946.
Dat is een lange periode die grotendeels
samenvalt met de bezettingstijd.

Mijn sanatorium
In het sanatorium was ik gelukkig, behalve
tegen het eind toen het ziekenhuisregiem
me de keel begon uit te hangen. Ik las veel
en ik besteedde tijd en energie aan mijn
vriendschappen.
Een tijdje heb ik overwogen mijn
letterenstudie op te geven en medicijnen te
gaan studeren. Ik wilde in de psychiatrie.
Tijdens mijn verblijf in het sanatorium heb
ik een paar artikelen geschreven voor het
blad van het sanatorium, onder andere over
'De Vreemdeling van Camus, dat net
verschenen was. Daarin heb ik voor het
eerst iets over de opvatting van het blanco
schrijven gezegd, over de nulgraad er van.

Mijn Marxisme
In het Zwitserse Leysin, in de
universiteitskliniek waar we met een
dertigtal mensen verpleegd werden, heeft
een vriend, Fournié, me op een
overtuigende manier over het marxisme
verteld. Hij was een voormalig typograaf,
een militante trotskist die gedeporteerd
was geweest. De intelligentie,
wendbaarheid en kracht van zijn politieke
analyses, zijn ironie en wijsheid, en een
zekere vrijheid op moreel gebied, boeide
mij. Zijn persoonlijkheid waaraan niets
mankeerde en die volstrekt geen last
scheen te hebben van politieke
overspannenheid, dat alles heeft me een
zeer hoge dunk gegeven van de
marxistische dialectiek.
Of liever gezegd: wat ik dankzij Fournié in
het marxisme heb ontdekt was die
dialectiek.
Een dergelijke fascinatie heb ik daarna
nog alleen ervaren bij het lezen van
Bertolt Brecht.
Anderzijds was 1945-1946 de tijd dat we
Sartre ontdekten.
Bij de wapenstilstand was ik dus sartreiaan
en marxist.
Ik probeerde de literaire vorm te
‘engageren’ en het engagement van Sartre
te marxiseren of, en dat is wellicht een
tekortkoming geweest, er een marxistische
rechtvaardiging voor te vinden.
Deze tweeledige opzet is nog vrij goed
zichtbaar in de Nulgraad van het schrijven.

Mijn Japan
De schetsjes in l'Empire des signes zijn
gelukkige Mythologieën,
misschien omdat in Japan, mijn
kunstmatige situatie van een verloren
toerist, en uiteindelijk van etnograaf,
mij in staat heeft gesteld de Japanse
kleinburgerij te vergeten.
De druk die men ongetwijfeld daar uitoefent
op de gewoonten en gebruiken, op de wijze
van leven en de stijl van de dingen.
De mythologiese walging is me bespaard
gebleven.

Mijn land
Bovendien zal ik, omdat ik Fransman ben,
in zekere zin mijzelf moeten
‘psychoanalyseren’, achterhalen wat ik
afstoot, wat ik van mijn herkomst
accepteer en wat ik transformeer.


Mijn werk
Een van mijn toekomstige projecten zal
precies hieruit bestaan, het Franse
kleinburgerdom te vergeten en de paar
genoegens te behandelen waarover ik,
levend in Frankrijk, kan beschikken
.
Dat boek zal ik, als het ooit zover komt,
de titel 'Notre France' geven, wat een
verwijzing is naar Michelet die een boek
heeft nagelaten met dezelfde titel.
Het zal natuurlijk dialectisch werk vereisen,
want ik kan Frankrijk niet, zoals ik met
Japan heb gedaan, abstraheren van zijn politieke geschiedenis.

IMijn program
k heb nog nooit zomaar een tekst
geschreven, behalve mijn eerste opstel in
1946. Dat is nooit gepubliceerd,
Ik heb er wel voor gezorgd dat er andere
volgden.
Behalve die eerste nultekst, zijn die
op verzoek geschreven als ik maar zelf het onderwerp kon bepalen.
Ik schrijf ook op bestelling als het maar een onderwerp is waar ik geen al te groot bezwaar tegen heb.
Uiteindelijk heb ik altijd geschreven als
reactie op de uitnodiging van iemand.
Naarmate het leven vordert, heb ik steeds meer werk voor me en loop ik altijd achter.
Ik verdoe mijn tijd met schema's in de
magische hoop dat als je een plan op
papier zet je het hebt uitgevoerd.
Ik hang die schema's ergens op en haal ze weer weg omdat ze niet meer bij zijn.

Mijn vak
Er bestaat in het vak van een intellectueel, want het is een vak, een bekend
duizelingwekkend gevoel dat het gevolg is
van de contradictie die ontstaat tussen
allerlei dringende zaken waardoor je een
illusie van vitaliteit krijgt, alsof je iemand
bent die nodig is.
Aan de andere kant is er een gebrek van
gemotiveerdheid van het schrijfproces, door
voortdurend tegen jezelf te zeggen dat het
schrijven een politieke taak is, werk dat de
Geschiedenis van je vraagt.

Een middel om dat tegen te gaan zonder
terecht te komen in het imaginaire van de
rationalisaties is, het schrijfwerk te
bureaucratiseren.
Organiseren volgens een strenge
tijdsindeling.
Zo probeer ik, hoe dan ook, iedere morgen
vrij te houden voor schrijfwerk.
Schrijven om te voldoen aan een opdracht
is een ‘taak’.
Ik spring van taak naar taak, wat het genot
van het schrijven helemaal niet uitsluit,
zelfs niet zijn ‘dromen’.
Een droomschriftuur hoeft niet perse
gesloten te zijn.
Het plan voor een boek komt niet op een
weloverwogen, bewuste, verantwoorde
manier tot stand.
Eerder via brokstukken verlangens en
opwellingen van zin naar aanleiding van
allerlei zaken in het leven die niet perse
betrekking hoeven te hebben op belangrijke
ideeën.

Mijn nageslacht
Het ‘nageslacht’ is een dood woord.
Het krijgt pas geldigheid bij mijn eigen dood.
Ik heb tot nu toe heel goed geleefd,
gelukkig, ontspannen, in staat om te
genieten.
Een individuele tijdgenoot bestemd om een
aantal vormen van taal uit te sluiten en uiteindelijk dood en begraven in de archieven te worden.
Ik zal ik er misschien een keer even uitkomen, als een getuige van de afdeling Onderzoek naar strukturalisme, semiologie
en literaire kritiek.
Stelt u zich eens voor dat iemand daarvoor leeft, werkt, verlangt!
De de enige opstandings gedachte zou mijn overleven betreffen.

Als ooit eens de relatie tussen een
individuele persoon en de wereld
veranderen, zullen er enkele woorden uit het lexicon worden geschrapt. .
Zoals dat bij een Melanesiese stam,
telkens als iemand sterft, ten teken van rouw gedaan wordt.
Bij ons zal dat dan eerder een teken van
vreugde zijn, of die woorden gaan naar een
archeologisch museum als materiaal voor
kinderen in de kinderwerkplaats.

Daar hoort dan zeker het woord nageslacht en het woord dood zelf bij.

Mijn woord
Kan men zich niet een samenleving
voorstellen, die zelfs bij alle religies
onbekend is, waar eenzaamheid van de
dood onmogelijk is?
Zal er ooit een socialistische oplossing
voor doodsangst komen?
Ik zie niet in waarom de dood geen
socialistisch probleem zou kunnen zijn.
Een uitspraak van Lenin of van Trotzky was
‘En als de zon burgerlijk is, zullen we de
zon tot stilstand brengen’.
Dat is een typisch revolutionaire uitspraak.
Welke marxist zou nu durven roepen:
Als de dood burgerlijk is, zullen we de
dood tot stilstand brengen
?

Mijn band met Brecht
Wilt u zeggen dat u met uw werk wacht op
de socialistische praktijk en die
voorbereidt? .
De vraag gaat voorbij aan het onbewuste.
Toch wil ik er dit op zeggen, als er om te
leven en te werken absoluut de voorstelling
van een einde nodig is, dat men vreemd
genoeg, soms oorzaak noemt.
Bertolt Brecht ken aan intellectuelen taken toe in een niet-revolutionaire periode:
vernietigen en theoretiseren.
Die taken verbindt hij steeds met elkaar.




Roland Barthes in gesprek met Roland Barthes

Ik beschouw het Zuid-Westen van Frankrijk als mijn thuisland
Het is de streek van mijn familie van vaderskant, de streek van mijn jeugd en van mijn vakanties. Ik kom er nog regelmatig, zonder dat ik er nog familie of vrienden heb. Bayonne, waar mijn grootouders van vaderskant woonden, is een stad die in mijn verleden een proustiaanse rol heeft gespeeld, ook wel een balzaciaanse, want daar heb ik, tijdens uitgebreide bezoeken, de gesprekken aangehoord van een bepaalde kleinsteedse bourgeoisie. Daarnaar te luisteren heb ik een prettige bezigheid gevonden en het heeft me niet eens zozeer benauwd.


Welk ‘milieu’ heeft u gevormd?

Wat is een milieu? Het is een wereld waar een bepaalde taal gesproken wordt, een net van contacten en van voorbeelden van mensen die elkaar helpen. In die zin had ik geen milieu, ik heb mijn adolescentie alleen samen met mijn moeder doorgebracht.
Zij was sociaal ‘gedesintegreerd’, om de eenvoudige reden dat zij werkte.
Mijn enige milieu was dat van school, het lyceum; ik had alleen contact met mijn klasgenoten. De omgeving van mijn grootouders in Bayonne vormde ongetwijfeld een milieu, maar dat was voor mij een schouwspel. Dat wil niet zeggen dat ik niet gevormd ben door een bepaalde, burgerlijke, levensstijl, ondanks de armoede. Daar zorgt de opvoeding wel voor, zeker wanneer het uitsluitend een opvoeding door een moeder is. Je kunt concluderen dat de Moeder los staat van het milieu, zij is ervan vrijgesproken, zij heeft geen deel aan de hebbelijkheden ervan. Zij is op zichzelf een goed milieu, in elk geval is zij een soort filter ervoor. In zekere zin heft zij maatschappelijke vervreemding op.
Mijn culturele omgeving was eerst en vooral een schriftelijke cultuur: de boeken die ik in
huis vond, de klassieken, Anatole France, Proust, Gide, Valéry, de romans uit de jaren
'20-'30; geen surrealisme, filosofie, essays, en zeker geen marxisme,
Men las l'Oeuvre, een radicaal socialistische, pacifistische en antiklerikale krant en een,
voor die tijd, ‘linkse’ krant.

Wisselvalligheid
In de jaren 1955 tot 1963 heb ik op mijn vakgebied een zekere wisselvalligheid gekend.
Ik was begonnen aan een dissertatie over lexikologie, maar al snel stuitte ik op
methodische problemen die ik niet kon oplossen en waarvan ik toen zelfs niet eens
vermoedde dat ze ‘interessant’ waren.

Ik kwam niet vooruit en mijn beurs werd ingetrokken.
Mijn vriend Robert Voisin heeft mij geïntroduceerd bij uitgeverij l'Arche.
En dankzij de steun van Lucien Febvre en Georges Friedman ben ik weer door de
universiteit aangenomen, maar dit keer voor sociologie.
Ik ben daar een socio-semiologiese studie van kleding begonnen.
Daaruit is later het boek 'Système de la mode' ontstaan.

Sociologie en tekens
Enkele jaren later ben ik voor de tweede keer naar de Ecole des Hautes Études gegaan als onderzoeksassistent.
In 1962 ben ik studieleider geworden. Mijn plan was een seminar te geven over de
Sociologie van tekens, de symbolen en wat zij voorstelden.
Die titel was een compromis, want ik wilde me met semiologie bezighouden,
maar ik kon mij ook niet losmaken van de sociologie, vandaar de ‘collectieve
voorstellingen’
, een term die uit de sociologie komt.

Semasiologische wetenschap
Intellectueel gezien geloof ik niet dat er in die tijd een crisis was, integendeel zelfs;
ik weet trouwens niet of de productie van boeken stagneert door een crisis.
Veel eerder door een gemis aan zelfvertrouwen, drukke bezigheden en grote aandacht
voor onderzoekstaken. Bij mij is het vooral dat laatste geweest.
De Saussure heeft me de kans gegeven om met behulp van het semantische
schema van de connotatie een definitie voor ideologie te vinden, althans dat geloofde ik,.
Ik was er stellig van overtuigd dat er mogelijkheden bestonden om mij te integreren in een
semasiologische wetenschap.
Ik leefde in een euforische droom van wetenschappelijkheid.
Het was niet zo belangrijk om boeken te schrijven, ik had alle tijd.
Verder publiceerde ik veel artikelen, zodat het schrijven door bleef gaan en de zin in
schrijven niet verdween.

Inter-tekst
Dat is wat aandrang uitoefent op het werk dat je onderhanden hebt en wat op de deur klopt om binnengelaten te worden.
De hele cultuur, de eindeloze hoeveelheid teksten die je leest en gesprekken die je voert.
Zelfs al gaat het om niet meer dan vluchtige en nauwelijks begrepen brokstukken,
kortom, de zogenoemde inter-tekst.

Het schema van de connotatie
Alle eigenschappen van een begrip, heb ik verder kunnen uitwerken en formaliseren.
Het is een begrip dat voor mij zeer belangrijk is gebleven, hoewel er een zeker gevaar
bestaat dat de denotatie, alle dingen die onder een begrip vallen, worden voorgesteld als
een natuurlijke toestand en de connotatie als een culturele toestand van de taal.

Trillingen
Om eerlijk te zijn interesseer ik mij nu pas, rijkelijk laat, voor Chomsky.
Maar van alle linguïsten die ik heb gelezen blijft Benveniste voor mij bovenaan staan,
volkomen ten onrechte is hij tegenwoordig vergeten.
Aan de oppervlakte van zijn linguïstische theorie voel je een trilling, die des te meer indruk
maakt omdat ze nauwelijks merkbaar is, zoals water trilt wanneer het gaat koken:
Die kracht, de hitte die de wetenschap naar iets anders drijft is datgene wat ik het
schrijven noem.

Vele disciplines
We komen hier bij een ontwikkeling die zeer actueel is: Lévi-Strauss, Lacan, Derrida, en anderen.
Het mag dan waar zijn dat de linguïstiek het operationele kader voor de semiologie heeft
aangegeven, toch heeft die zich alleen kunnen veranderen en verdiepen onder
invloed van andere disciplines, andere denkwijzen, zoals etnologie, filosofie,
marxisme, psychoanalyse, de theorie van het schrijven en de tekst.
Even onjuist zou het zijn die disciplines te ‘herleiden’ tot de semiologie, omdat men nu eenmaal semioloog is.

Modebladen
Aanvankelijk was ik van plan een serieuze socio-semiologie van alle kleding uit te werken, Ik ben zelfs met een paar onderzoeken begonnen.
Na een privé opmerking van Lévi-Strauss, heb ik besloten mij te beperken tot hoe
modebladen er over schrijven.
Mijn genot bestond voornamelijk uit de uitwerking, uit de montage van het systeem.
Het leek soms dat ik met de oplossing van een natuurkundig probleem bezig was,
of het in elkaar knutselen van een ingewikkeld en nutteloos voorwerp.

Système de la Mode ging over een behoefte aan wetenschappelijkheid.
Ik was indertijd van mening dat als de theorie eenmaal van de grond kwam, er meer
gerichte semiotiek moest worden opgezet, toegepast op bestaande bundelingen van
culturele objecten zoals voedsel, kleding, de vertelling, de stad enz.
Die opvatting vond ik achteraf toch wat al te naïef. Het gezonde verstand, dat een
dergelijke onderneming leek voor te schrijven, had eerder te maken met de denkbeeldige
orde van de geleerde.
Ik gebruik het woord imaginair steeds in de zin van Lacan
Niet het tegendeel van werkelijk, maar het register, de dimensie van alle beelden, bewust of onbewust, waargenomen of ingebeeld.
Met andere woorden, naïef was het geloof in de meta-taal.

Balzac
Waarom heeft u twee jaar besteed aan de novelle van Balzac, terwijl u toch zelf zegt dat
opeens weer de noodzaak van ideologiekritiek opduikt?
Ideologiekritiek is het lievelingsgerecht van de nieuwe universiteit; daar is iedereen het met elkaar over eens.
De moeilijkheid begint pas wanneer je moet uitmaken wanneer er sprake is van ideologie,
of liever, of er een plaats is waar die niet aanwezig is.
Men zou dan doen alsof men buiten de ideologie staat, zonder zich allereerst af te vragen
waar is die en waar niet.

Inter-tekst
Het begrip inter-tekst heeft vooral een polemische strekking.
Het is gericht tegen de Wet van de context.
Iedereen weet dat de context van een boodschap, de materiële omgeving ervan, de
polysemie, een begrip uit de taalkunde, dat aangeeft dat een taalteken meerdere
betekenissen kan hebben, ervan beperkt.
Als u het hebt over ‘jumelles’, een dubbelzinnig woord in het Franse lexicon,
dan moet in het verloop van de zin één van de twee betekenissen uitgeschakeld worden.
Gaat het over verrekijker of tweelingzusjes.
De context brengt de betekenisgeving [signification], of de betekening [signifiance] terug
tot alleen maar communicatie.
Rekening houden met de context is altijd een positieve aangelegenheid
De context is uiteindelijk een a-symbolisch object.
Neem willekeurig iemand die de context erbij haalt en je hoeft maar even door te vragen
en je stuit onvermijdelijk op een weerstand tegen het symbool, een ontbreken van gevoel
voor symbolen.

De inter-tekst is helemaal geen reservoir van invloeden of bronnen, waarmee men een
werk of auteur zou moeten vergelijken.
Het is meer het gebied waarop iets plaatsvindt, de doorkruising van het schrijven.
De tekst als iets dat doorkruist en doorkruist wordt.
In de vergelijking van actief en passief vind je de eigenlijke spreekwijze van het onbewuste
terug. Dat wil onder meer zeggen dat de inter-tekst geen verdeling in genres toestaat.

Wat de 18e eeuw betreft
Tot dusver heb ik nog nooit de aanvechting gehad om auteurs uit de achttiende eeuw
auteurs te lezen. Dat kan ik nog altijd doen.
Het is een genoegen dat ik bewust voor mezelf te goed houd,
Een tekst raakt mij direct, op een ultieme manier, door zijn taal.
De taal van de 18e eeuw is volgens mij niet gemarkeerd. Ik zie geen code of wat dan ook.
Daarom wordt die tijd waarschijnlijk elegant genoemd.
Het is de periode in de geschiedenis waarin de klassentaal een natuurlijk aanzien krijgt.
Dan ontstaat die grote verplaatsing: de taal waarvan ik geniet is niet de taal uit de tijd van
de vooruitgang. Niet de taal van de bourgeoisie die alle intellectuele macht veroverd heeft,
maar de taal van het autoritaire tijdperk, de ingewikkelde, gecodeerde en omslachtige taal
met geweldige geledingen van de intellectueel in opkomst zijnde bourgeoisie.
Het proza van de 17de eeuw.

Zen

Het schrijven is uiteindelijk, op zijn manier, een satori.
Deze Zen gebeurtenis is een min of meer krachtige, maar geen plechtige, schok die de
kennis, het subject, van zijn stuk brengt. Er ontstaat een woordleegte.
En het is ook een woordleegte die het schrijven ervan uitmaakt.

Wat is dat schrijven vergeleken met de Nulgraad?
Van het schrijven in de Nulgraad naar het schrijven zoals we dat nu opvatten heeft zich
een verschuiving voorgedaan. Een verwisseling van noemers.
In de Nulgraad is het schrijven vooral een sociologisch, in elk geval sociolinguïstisch
begrip: het ideolekt van een collectiviteit, van een intellectuele groep, een sociolect dat,
op het vlak van groepen, gelegen is tussen de taal, het systeem van een volk, en de stijl,
het systeem van een individu.

Tegenwoordig zou ik die manier van schrijven liever écrivance willen noemen, naar
analogie van de tegenstelling schrijver - scribent.
Het schrijven in de concrete zin van het woord ontbreekt.
Het schrijven, volgens de nieuwe opvattingen, zou eerder op de plaats moeten komen van
wat ik stijl heb genoemd.
Volgens de traditionele betekenis verwijst stijl naar uitspraakmodellen.
Zelf heb ik in 1947 het begrip een existentiële betekenis, ‘body’ willen geven.
Tegenwoordig gaan we veel verder: het schrijven is geen persoonlijk idiolect,
zoals de stijl vroeger was, maar het is een spreekhandeling en niet een manier van
uitspraak waardoor het subject zijn verdeeldheid bespeelt door zich te verstrooien.

De schrijver wil zich dwars over het toneel van de witte pagina werpen.
Een begrip dat daarom weinig te maken heeft met de oude stijl, maar veel meer met de
nieuwe inzichten van het materialisme, de ideeen over produktiviteit en over de
psychoanalyse. De splitsing van het subject.

Verbeelding
Voor je het concept voor een boek hebt, of zelfs maar voordat je een vaag idee hebt van
wat het zal worden of zelfs dat het er ooit zal komen, kun je in je verbeelding een
onderdeel van het boek al helemaal klaar voor je zien.
Een stuk zin waarvoor je het boek zult maken, of een bladspiegel die je voor je ziet.
Ik geloof dat een tekst alleen maar goed kan aflopen, wanneer men het typografisch
geschrift waarin die getransformeerd zal worden, voor je ziet, ik zou haast zeggen
hallucineert.

De laatste tijd droom ik twee dingen:
Aan de ene kant dat ik een ‘vrije’ tekst schrijf zonder dat er iemand om vraagt, of sterker
nog, waarvoor men zou terugschrikken, zodat ik kan experimenteren met de vorm.
Men vraagt je nooit om een vorm.
De tijd is voorbij dat je gevraagd wordt om een sonnet te schrijven.
De experimenten die zich op mijn eigen niveau, binnen mijn eigen grenzen afspelen en
niet volgens modellen die uit de avant-garde afkomstig zijn.

Aan de andere kant droom ik dat ik met hart en ziel iets nieuws ga leren: een taal, een
wetenschap of een onderwerp dat ik heel goed, door en door, leer kennen.
Maar daarvoor moet je een onderwerp vinden dat niet al te vrijblijvend of futiel is zoals het
verzamelen van postzegels.
Het zou niet te dicht bij het hedendaagse taalgebruik moeten staan en niet te snel ertoe
verplichten over de moderniteit of de verantwoordelijkheid ervan na te denken.

Die dromen zijn niet onuitvoerbaar

Wat ze in de weg staat is het bewustzijn dat ze uiteindelijk afhankelijk zijn van een
imaginaire orde en dat de waarheid van mijn werk voornamelijk te vinden is als een
welomschreven vraag, afkomstig is van de collectiviteit zoals die is, rechtstreeks en naïef,
zonder tussenschakels, zonder alibi's, zonder transcendentie.
Het moet in mijn program het verlangen van de ander inbrengen.
Daardoor kan ik, uiteraard afhankelijk van mijn eigen psychische gesteldheid, zelf de
betekenaar blijven en hoef ik me niet al te snel teleurgesteld te voelen wanneer die
telkens weer opschrikt.
In die korte sprong schrijf ik.

Een gesprek op televisie
Wat is de waarde van dit gesprek en voor wie is het als televisieprogramma bestemd?
Ik zou van het vraaggesprek als zodanig aan de orde willen stellen.
Niet over dit gesprek omdat het van biografische aard is en dus acceptabel.
In het gesprek kan iets aan de orde komen dat de schrijver, omdat het zijn macht te
boven gaat, niet aan kan.
Ik heb het dan niet over geschreven gesprekken, vragenlijsten waarbij het antwoord bij voorbaat wordt uitgelokt.
Ik heb het over het gebruikelijke vraaggesprek, dat vastgelegd en vervolgens afgeschreven,maar niet opgeschreven wordt.
Een dergelijk gesprek is tegenwoordig erg in zwang.
Daar is ongetwijfeld een economische reden voor, ook als dat niet een financiële is.
Het vraaggesprek is een artikel op een koopje.
Hebt u geen tijd om voor ons een artikel te schrijven? Geef ons dan een interview!

Hier duikt de oude tegenstelling op tussen gedachte en vorm, of liever hun economie, hun
bedrieglijke medeplichtigheid.
Het denken wordt voor een rechtstreeks iets gehouden, men gaat ervan uit dat daarvoor
geen enkele voorbereiding nodig is, het kost niets, men kan er direct over beschikken.

Het vraaggesprek
De vorm van een artikel is bewerkelijk, het kost tijd, moeite, is dus duur.
Men doet alsof je het denken niet hoeft te corrigeren, en de stijl wel.
Het is letterlijk een volstrekt burgerlijke opvatting.
Want er is in Frankrijk een wet, sinds de Revolutie ingesteld, die het bezit van de vorm, maar niet het bezit van ideeën beschermt.
Dat is een merkwaardige truc, het denken vermindert in waarde, wordt anoniem
terwijl er in het vraaggesprek uitdrukkelijk naar gevraagd wordt en het à titre personnel
wordt vastgelegd.

Een theatraal gebeuren
Het vraaggesprek is het zichtbare teken van het feit dat de auteur denkt.
Het spreken (parole) wordt opgevat als denken in zuivere toestand.
Iemands woorden optekenen zonder ze op te schrijven geeft het spreken het aanzien
van een gewichtige, verantwoordelijke, handeling. Uw woorden worden opgetekend, dus u bent aan het denken. De auteur doet alsof hij denkt.
Het gaat niet over de kwaliteit en resultaten van de gedachte.
Ik kan niet ontkennen dat sommige interviews goed doordacht zijn en soms nuttig zijn.
Maar aan de andere kant betekent het systematisch weigeren van vraaggesprekken
dat men voor een andere rol kiest.
De rol van iemand die bezig is in het geheim, in het wilde weg, asociaal zit te te denken.

Wat het schrijven betreft blijkt het vraaggesprek nog nietszeggender, op het absurde af.
Het veronderstelt dat de schrijver, hoewel hij een boek geschreven heeft, verder nog iets
over het boek te zeggen heeft.
Wat dan? Iets dat hij vergeten is, of iets dat overgebleven is?
Men stelt de gebruikelijk vraag nog eens te vertellen, of nog erger nog, in een duidelijke
vorm uit te spreken wat de schrijver in een gecomprimeerde al geschreven heeft.

De ambivalentie van de betekenis, de ellips, de dubbelzinnigheid, de figuur, de
woordspeling, het anagram die het schrijven uitmaken, het zijn geen stijlkwesties,
maar een spreekhandeling van iemand die in een gevecht met de taal verwikkeld is.
Het schrijven is precies datgene wat het gesproken woord te boven gaat.
Het gesproken woord kan niets toevoegen aan de schrijfhandeling.

Geschreven of gesproken
Waarover geschreven is moet verboden gebied zijn voor het gesproken woord.
Wat moet de schrijver nog meer of beter zeggen?
Het gesproken woord loopt altijd achter loopt bij het geschtevene.
Als het vraaggesprek over het privéleven gaat ben je altijd, per definitie, dommer, naïever dan wat je er over geschreven hebt. Je bent ben niet zoals je schrijft.
Het enige soort vraaggesprek dat eventueel zou kunnen, is dat waar de auteur gedwongen wordt te zeggen wat hij niet kan schrijven.

Een goede interviewer moet iemand zijn die ervan afziet om aan de auteur weer eens de onderwerpen van zijn boeken voor te leggen.
Het moet iemand zijn die een goed inzicht heeft in de scheidslijn tussen het gesproken-
en het geschreven woord.
Die vragen kan stellen over alles wat het geschrevene hem verbiedt.

Wat de schijvende nooit schrijft is Ik.
Wat de prater altijd zegt is Ik,
Wat de interviewer moet aanspreken is de denkbeeldige orde van de auteur,
de verzamelde gedachtestromen, voor zover die daar over kan nadenken en zeggen in het
kwetsbare stadium van het interview.
Dat zou dan het hoogtepunt van het geïnterviewde gesproken woord kunnen zijn.
Het geprek zou contouren hebben om onder woorden gebracht te kunnen worden.


Guilio Macchi, Roland Barthes en Umberto Eco spelen een spelletje kaart

De vragen in deze tekst zijn oorspronkelijk door Jean Thibaudeau aan Barthes gesteld.
Ze waren bestemd voor een televisie uitzending die nooit tot stand gekomen is.
De antwoorden zijn door Barthes herschreven.
Fragmenten uit het gesprek verschenen in het tijdschrift Tel Quel 47, 1971




Waar begint het schrijven en waar het schilderen?



Yoku Yayu (1702-1783) Paddenstoelen plukken,

Een Haigaschilderij dat altijd aan een haiku is gekoppeld.
Tekst met inkt op rijstpapier gecalligrafeerd. :

Begerig wordt ook hij,
De blik geslagen
Op de paddenstoelen


De Sukiyaki is een ragout waarvan de ingrediënten allemaal bekend en herkenbaar zijn,
omdat hij terwijl je die eet, zonder onderbreking voor je op tafel wordt klaargemaakt.
De rauwe produkten zijn wel geschild en gewassen, maar met een esthetische naaktheid
bekleed (...)
Ze worden op je bord verzameld alsof je zelf op de markt bent.(...)
Veel exotischer dan de manier waarop in een Hollands stilleven de groente vaak
afgebeeld wordt.(...)

De sukiyaki, een gerecht dat eindeloos toebereid, gegeten en als het ware 'geconserveerd' kan worden, heeft, niet door een technisch probleem,
maar doordat het in zijn aard ligt op te raken naarmate het gekookt wordt,
en het zich dientengevolge herhaalt, de sukiyaki heeft een uitgesproken begin
(het geschilderd tableau van eten op het dienblad);
eenmaal 'van start' zijn er geen bijzondere momenten of plaatsen meer:
hij wordt excentrisch, als een ononderbroken tekst.

Fragment Roland Bartes, Het excentrische eten.Uit:Het rijk van de tekens 1970






De staatsie van de brief:
Een vrouw die zich
op het schrijven van een brief
voorbereidt