|
Jacques
Derrida maakte
deel uit van de school van het Franse
structuralisme, een stroming die in het begin van de
jaren zestig ontstond in Parijs.
Het structuralisme gaat ervan uit dat alles wat bestaat en gebeurt
een structuur heeft, en dat filosofen die structuur en de functie
van die structuur moeten blootleggen.
De Franse
antropoloog Claude Lévi-Strauss
is 3 nov 2009 op honderdjarige leeftijd overleden. Hij gold als
de aartsvader van het Franse structuralisme.
Hij was de meest originele en waarschijnlijk de invloedrijkste
Franse denker van de vorige eeuw. Toch verwierf hij bij het grotere
publiek nooit zo'n brede faam als Derrida
of zijn generatiegenoot Sartre.
Volgens Lévi-Strauss
krijgt een samenleving pas ordening doordat er scheidslijnen getrokken
worden. Maar tegelijk wordt de samenhang ervan slechts gegarandeerd
doordat die lijnen worden overschreden: vooral in de meest fundamentele
'ruil' die een gemeenschap kent: het huwelijk.
Daarom valt het incestverbod volgens hem samen met het ontstaan
van de beschaving. Exogamie,
de verplichting te trouwen met iemand van een andere groep, is
daarvan het verlengstuk - maar daartoe moeten er tussen of binnen
de clans eerst grenzen worden geschapen.
In een notendop is dit het wetenschappelijk programma dat Lévi-Strauss
zijn leven lang is blijven volgen.
Betekenis krijgt de wereld pas dankzij een structuur, die bestaat
uit onderling tegengestelde elementen. Binnen dat rasterwerk is
het individu niet meer dan een 'teken', dat de hem toegeschreven
plaats inneemt in de tekst die de cultuur is.
Het is dus niet het individu dat de wereld zijn betekenis geeft,
zoals het op dat ogenblik in Frankrijk nog altijd populaire existentialisme
wil.
Het individu krijgt zelf pas betekenis doordat het is opgenomen
in een netwerk dat hem overstijgt.
Literatuurwetenschap:
taal verwijst naar taal
Derrida
ontwikkelde het basisidee van het structuralisme
verder voor de literatuurwetenschap.
Hij ging er daarbij vanuit dat taal alleen naar taal verwijst
en niet in relatie staat tot een werkelijkheid daarbuiten.
Het is volgens Derrida mogelijk dat die werkelijkheid er is, maar
hij acht het irrelevant daarnaar te zoeken.

Alle
woorden verwijzen naar andere woorden
Die woorden verwijzen op zich ook weer naar andere woorden, waardoor
een oneindige keten van woorden ontstaat, die een immense, nooit
voltooide tekst vormen.
Doordat alle woorden op elkaar inwerken, is het volgens Derrida
onmogelijk de betekenis van een woord of een reeks van woorden
vast te leggen.
Elke interpretatie van een tekst is daarom in principe goed.
In zijn filosofie probeert Derrida, het begrip
differentie serieus te nemen.
Dit leidt in de eerste plaats tot een nieuwe filosofie van de
taal, in het bijzonder van de verhouding tussen gesproken taal
en schrift.
De ethische, esthetische en politieke aspecten van het nieuwe
differentiebegrip zijn eveneens van groot belang
Antisubjectfilosofie
Derrida wordt met Foucault,
Lacan en Lyotard
gerekend tot de belangrijkste representanten van de
stroming in Franse filosofie die de antisubjectfilosofie
genoemd wordt.
Deze filosofie is een reactie op het traditionele eenheidsdenken
ook wel identiteitsfilosofie genoemd.
De antisubjectfilosofie verwerpt
het idee dat de individuele mens als grondslag kan dienen voor
het filosofisch denken.
Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap
zou kunnen krijgen, vinden zij een grenzeloze overschatting van
de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen
kunnen denken.
Kortom het idee van de mens als subject van de geschiedenis vormt
een misvatting.
De taal is in het werk van deze filosofen een belangrijk aanknopingspunt.
De mens die er prat opgaat, dat hij spreekt, is in feite horig
aan de orde die de taal sticht.
Vier verschillen
De verschillen tussen deze filosofen spitsen zich vervolgens vooral
toe op een viertal aspecten:
Het samenvallen
van de taal en het vertoog (Foucault)
De plaats
die het individuele spreken kent ten opzichte van de taal (Lacan)
Het verschil
tussen spreken en schrijven (Derrida)
De pragmatiek
van de verhalende kennis en de zelflegitimatie van de wetenschappelijke
kennis (Lyotard).
Tekenleer
Derrida neemt de tekenleer van Ferdinand
de Saussure (1916) als uitgangspunt.
Deze tekenleer die dateert van het begin van de 20e eeuw vormt
een bron van inspiratie voor de Franse filosofen.
Overigens voornamelijk door zich er tegen af te zetten. Zo ook
voor Derrida.
Zie ook: De
Saussure
Derrida
draait de taalconstructie van De Saussure
om
Hij stelt dat elke manier van denken en spreken de eigenschap
van een tekst kent.
Deze eigenschap is de afwezigheid van wat er niet gezegd (niet
`betekend') is.
Ieder denken of spreken wordt gekenmerkt door een meervoudige
afwezigheid.
De tekst die bij De Saussure juist het `positieve geheugen' vormt
`van wat er te zeggen valt',
is bij Derrida de creatie die ons het uitzicht belemmert op `wat
er allemaal gezegd had kunnen zijn'.

Teksten gaan een eigen leven leiden:
spreken en denken hechten zich aan elkaar
`tekens-van-tekens-van-tekens-van-tekens
enzovoort'.
Deconstructies
Derrida dringt er op aan te letten op wat er niet staat.
Hij duidt zijn manier van werken als `schrijven in de marge'.
Zijn werk `deconstrueert' de tekst (het denken en spreken).
Naast de filosofische en theoretische reflecties kent met name
het latere werk van Derrida allerlei voorbeelden van deze deconstructies.
In feite `ontdekt' Derrida opnieuw de kunst op het punt waar deze
probeert de bestaande relaties tussen teken en betekenis uit elkaar
te pluizen.
Het latere `kunstzinnige werk' van Derrida is dan ook beroemder
dan de gedachtegang waarop het gebaseerd is.
naar
boven
|