|
Jaarrede
door Gerrit Borgers
In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde,
1974
Mijn
bouwstof, het onderwerp waarover ik u enkele dingen wilde zeggen,
is de concrete poëzie en haar uitlopers:
de visuele en de auditieve dichtkunst
De concrete poëzie, die nu juist twintig jaar onder die naam
bestaat, is een nieuwe ontwikkeling in de letterkunde en lijkt
me als zodanig van belang voor de schrijvers onder onze leden,
ook al is hier maar één concreet dichter bij voor
zover ik weet en dat nog pas sedert het 'jaar van de ironie'.
Maar deze poëzie, die bij uitstek op het hanteren van het
taalmateriaal en de moderne communicatiemiddelen en -methoden
is gericht, stelt eveneens interessante problemen aan de taalkundigen,
de literatuurwetenschappers, de comparatisten en de kunst- en
cultuurhistorici.
Als we aan mogen nemen dat de filosofen en psychologen zich voor
álle menselijke uitingen interesseren, komen we zo een
heel eind.
De
poëzie als taalkunstwerk
Die
heeft zich natuurlijk altijd al bediend van het taalmateriaal,
het schriftbeeld en de klank. Maar juist in dit woordje 'bediend'
zit het verschil met de concrete poëzie. De semantische betekenis
van het woord of de zin stond steeds in de dichtkunst centraal
en deze betekenis werd overgedragen door letter- en leestekens
of door klanken als hulpmiddelen. Hulpmiddelen die er soms - dat
geldt vooral voor de klank - nog toe bij konden dragen het gedicht
te versterken, zodat bijvoorbeeld over de 'klankrijkdom' van de
tekst gesproken werd.
Beeldende kracht
Bij een ander, met waardering genoemd, kenmerk van poëzie,
namelijk de 'beeldende kracht' ervan, werd gedacht aan de beelden
die de betekenissen van de gebruikte woorden opriepen en niet
aan de geschreven of gedrukte letter- of woordbeelden.
De essentiële verschuiving in de concrete poëzie
Deze bestaat hierin, dat het schriftbeeld en de taalklank niet
langer ondergeschikt geacht worden aan de betekenis en gevoelswaarde
der woorden, maar dat de woordbetekenis, de woordvorm en de woordklank
als volkomen gelijkwaardige en elkaar ook in gelijke mate beïnvloedende
elementen bij het maken van een gedicht worden gehanteerd.
Het meest opvallende voor de traditioneel ingestelde lezer of
toehoorder is dan ook het uiterlijk of de klank van deze concrete
teksten, waarbij de gebruikelijke 'inhoud' van het gedicht voor
zijn gevoel in het niet zinkt.
Doorgaans blijkt dit laatste echter slechts
schijnbaar het geval te zijn, tengevolge van de ongewone accentverschuiving
naar het direct waarneembare. Maar niet altijd is dit gezichts-
of klankbedrog.
C. de Deugd constateerde in
het eerste deel van een artikel over Sonische poëzie
dat bepaalde klankgedichten, zoals Tellby toech tarra... van
Lucebert en Oote van Jan Hanlo door het ontbreken van
het rationele element 'zich op de uiterste rand van het poëtische
vlak bewegen'.
Klankgedichten
zijn ook poëzie
Indien we ervan uitgaan dat onder poëzie een taalkunstwerk
wordt verstaan, vallen deze gedichten zelfs óver die rand,
want klanken zijn geen taal, evenmin als bakstenen een huis zijn,
al behoren menselijke klanken wel tot het taalmateriaal.
De Deugd rekent deze teksten echter toch, op grond van categorieën
die voor de esthetica en de literaire ideeëngeschiedenis
gelden, nog net tot de poëzie, en wel een poëzie waarin
het mimesisprincipe ten opzichte van natuurgeluiden tot zijn uiterste
consequentie is gevoerd. Maar hij voegt eraan toe dat het esthetisch
gehalte van dit soort gedichten relatief laag ligt en dat ze tot
niet veel meer in staat zijn dan het suggereren van slechts enkele,
alleen in zeer algemene termen als vreugde en verdriet te omschrijven,
stemmingen.
Hierbij zijn twee opmerkingen te maken. In de eerste plaats lijkt
het me onaannemelijk dat er in deze gevallen van mimesis ten opzichte
van natuurgeluiden sprake is: hier worden geen natuurgeluiden
voorgesteld, dit zìjn - menselijke - natuurgeluiden (nog
afgezien van het feit dat Lucebert zijn afschuw voor het verfoeilijke
vak handelsrekenen, met zijn getel en zijn termen als 'tarra',
in Tellby toech tarra... 'verklankt' schijnt te hebben).
In de tweede plaats - en dit is voor het vervolg van mijn verhaal
veel belangrijker - legt De Deugd bij zijn poging deze klankgedichten
binnen de gangbare grenzen van de poëzie te houden, geen
enkel verband met de muziek, die haar eigen esthetica heeft. Indien
men constateert, dat hieraan ontleende technieken als 'omkering',
'herhaling', 'doorwerking' en dergelijke in Tellby en Oote toegepast
zijn, stijgen hun esthetische papieren aanzienlijk.
Wat is er op tegen om deze gedichten als
een mengvorm van taalkunst en muziek te zien? En visuele gedichten
een mengvorm van taalkunst en beeldende kunst te noemen?
Het is een algemeen verschijnsel in de moderne kunsten die experimenteren
en grenzen aftasten, dat er mengvormen optreden, die in bepaalde
gevallen zich tot nieuwe kunstvormen met eigen technieken en esthetische
kenmerken kunnen ontwikkelen.
Een klassiek voorbeeld hiervan is de filmkunst, maar er zijn ook
tal van minder opvallende voorbeelden, waartoe ook zeker de concrete
poëzie behoort.
Wat
zijn de kenmerken van het gebruik van taalmateriaal
Is het een volwaardige bouwstof, die een min of meer algemene
geldigheid hebben voor het gehele, zo sterk gedifferentieerde
terrein van de concrete poëzie?
In de eerste plaats de objectiviteit
Concrete gedichten geven weinig informatie
over de persoonlijke ervaringen van de dichter, maar vooral over
de mogelijkheden van het zicht- en hoorbare taalmateriaal.
Onder de vele namen die men in de loop der jaren aan deze poëzie
heeft gegeven, komt dan ook de term 'objectieve poëzie' voor,
die bijvoorbeeld voor een tentoonstelling in 1963 te Antwerpen
gebruikt werd.
Het 'ik' is uit deze gedichten verdwenen. In dit opzicht sluiten
zij zich aan - zij het met een ander uitgangspunt - bij punt 11
uit Marinetti's Technisch manifest van de futuristische literatuur
uit 1912, waarin gedecreteerd wordt 'Men moet het 'ik' in de literatuur
vernietigen.'
Meer overeenkomst in uitgangspunt is te vinden in de woorden van
Van Ostaijen uit 1925:
'Niet de dichter is gewichtig, wel het gedicht. Het Ik blijft
het hoogste goed, doch niet het Ik van de dichter, maar wel het
Ik van het gedicht.'
Eugen Gomringer gaat zelfs zover over het concrete gedicht
te noteren:
'sie nennt die 'allzu menschlichen', sozialen und erotischen
probleme nicht, wenn diese probleme nicht weitgehend im leben
gelöst werden können, gehören sie vielleicht in
die fachliteratur.'
Het zou echter voorbarig zijn hieruit te concluderen dat deze
poëzie slechts steriele esthetische bouwsels zou opleveren.
Immers een groot deel van de concrete gedichten, vooral van de
Brazilianen, maar ook van talrijke Europeanen, zoals het bekende
'sau aus usa' van Hansjörg Mayer, valt onder wat men
geëngageerde poëzie pleegt te noemen.
Typerend is echter weer, dat de concrete dichter er de voorkeur
aan geeft niet van 'geëngageerde', maar van 'engagerende'
poëzie te spreken.
Zoals dikwijls
bij vernieuwingspogingen in de kunst, is er
zelfs hier en daar een zeer hoog gespannen verwachting geweest
omtrent de uitwerking van de concrete poëzie op de maatschappij,
een verwachting die inmiddels na twintig jaar praktijk wel wat
is geluwd. Een van de redeneringen hierbij is, dat de traditionele
geëngageerde poëzie de consumptiemaatschappij te lijf
wil gaan, maar daarbij de voorgevormdheid van de taal die zij
gebruikt, onaangetast laat.
Alleen de kritische reflexie op de verhouding tussen taal en werkelijkheid,
die inherent is aan de concrete poëzie, kan de door de gangbare
taal bewerkte manipulaties doorbreken.
Een
tweede kenmerk van de nieuwe dichtkunst is de reductie
Die betekent tevens een vereenvoudiging en concentratie.
Ik laat weer even Gomringer
aan het woord:
'unsere sprachen befinden sich auf dem weg der formalen vereinfachung.
es bilden sich reduzierte, knappe formen. oft geht der inhalt
eines satzes in einen einwort-begriff über, oft werden längere
ausführungen in form kleiner buchstabengruppen dargestellt.
es zeigt sich auch die tendenz, viele sprachen durch einige wenige,
allgemeingültige zu ersetzen.'
Niet alleen het aantal woorden wordt beperkt,
maar ook wordt de syntaxis vervangen door de rangschikking der
woorden, letters of tekens binnen het gedichtbeeld.
Men leest niet meer noodzakelijk van links naar rechts en van
boven naar beneden, maar het zijn, in de zin van Marinetti,
'woorden in vrijheid' geworden.
Het lezen van het gedicht heeft plaats gemaakt voor het bekijken
van het gedicht,
of zoals Max Bense het uitdrukt:
'nicht das nacheinander der wörter im bewusstsein [...]
sondern ihr miteinander in der wahrnemung'
wordt beoogd.
Natuurlijk dient de rangschikking van de taaltekens niet uitsluitend
ter vervanging van de syntaxis, aangezien alleen bij gebruik van
betekenisdragende woorden van een te vervangen syntaxis sprake
kan zijn.
De rangschikking, dus het opbouwen van het tekenbeeld, heeft in
de concrete poëzie nog vele andere functies.
Laat ik met één voorbeeld hiervan volstaan: een
tekst van Ernst Jandl geeft een vierkant van o's te zien
dat door een rechthoekige driehoek van e's doorkruist wordt. Overal
waar de o's met de e's zouden samenvallen zijn ze door het teken
o-umlaut (ö) vervangen. Hier is een linguïstisch verschijnsel,
buiten de taaltheorie om, direct aanschouwelijk gemaakt.
De
achtergrond van de reductie en concentratie in de concrete poëzie
Er is behoefte een vernieuwde taal te creëren, die aan de
huidige leefsituatie is aangepast en die niet in de eerste plaats
de lezer-kijker onderhoudt, maar hem fascineert.
Hiermee komt men in de buurt van de reclameteksten, hetgeen de
woorden van Van Ostaijen
uit 1926 in de herinnering roept:
'Beste reclamechef! indien u nog eens lacht om moderne lyriek,
bedenk dan dat een dichter niet dommer is dan een reclamechef.
Gewoonlijk is hij werkelijk iets op de reclamechef vooruit, juist
in het zien van de reële samenhang der dingen.
De dichter heeft het oog van een businessman. Hij is een zakenman
die geen zaken doet.'
Poging
tot het creëren van een vernieuwde taal
Die kan binnen het semantische vlak blijven: door reductie en
concentratie wordt de taal vanuit haar materialen als het ware
opengebroken om opnieuw met onconventionele betekenis geladen
te kunnen worden.
Maar men kan ook verder gaan - immers grensoverschrijdingen worden
niet geschuwd, integendeel - en van de semantiek naar de semiotiek
overstappen door andere dan taaltekens te gebruiken.
Deze semiotische gedichten kunnen zijn samengesteld uit tot nu
toe onbestaande letters, maar ook uit figuren, afbeeldingen, objecten,
ja zelfs gebaren, en markeren de overgang van concrete naar visuele
poëzie.
Een
gemeenschappelijk kenmerk
Ik wil even stil staan bij het internationale karakter van de
concrete poëzie. In het algemeen is de literatuur van alle
kunsten, tengevolge van de gebezigde taal, maar niet op grond
van haar intentie, het meest nationaal gebonden en is een adequate
overdracht naar andere taalgebieden, ondanks voortreffelijke vertalingen,
nooit helemaal mogelijk. Ook in dit opzicht vormt de concrete
poëzie een uitzondering - zij benadert immers de muziek en
de beeldende kunst, waarvoor geen taalgrenzen bestaan. In sterke
mate gold dit reeds van het begin af voor de sonische
of auditieve poëzie en, naarmate de ontwikkeling
van concrete naar semiotische en visuele poëzie zich voltrekt
hanteert ook deze dichtkunst steeds meer een mondiale tekentaal.
Maar zelfs voor de concrete poëzie die uit betekenisdragende
zinnen of woorden is opgebouwd vallen de taalbarrières
grotendeels weg: men hoeft doorgaans maar een paar woorden of
karakters in het woordenboek op te zoeken om alle dimensies van
het aangeboden tekstbeeld te kunnen waarnemen.
Ik geef toe dat dit enigszins westers gedacht is, want niet iedereen
zal in staat zijn een Japanse dictionaire te raadplegen, hoewel
juist in dat land de concrete poëzie sterk vertegenwoordigd
is.
Als ik nu
ter afsluiting een globaal overzicht van de ontwikkeling en verspreiding
der besproken poëzievormen geef, zal hieruit duidelijk blijken
dat het internationale karakter van deze dichtkunst niet tot de
theoretische mogelijkheden behoort, maar van het begin af een
realiteit geweest.
De verbindende schakel tussen het futurisme en de audio-visuele
dichtkunst
Die werd door een late leerling van Marinetti, de Milanees
Carlo Belloli gelegd, wiens na de oorlog gepubliceerde
werk een duidelijke aankondiging was van wat later als concrete
poëzie bekend zou worden, waaraan hij trouwens tot heden
toe zijn bijdrage is blijven leveren.
1953
kunnen we beschouwen als het jaar waarin de concrete poëzie
is ontstaan, die vrijwel gelijktijdig in drie ver uiteenliggende
centra tot stand kwam.
In Zweden publiceerde de in Brazilië geboren Öyvind
Fahlström een Manifest voor concrete poëzie, dat
hij inleidde met een citaat uit Marinetti's Technisch manifest
van de futuristische literatuur:
'Remplacer le psychologie de l'homme... par l'obsession lyrique
de la matière.'
Naar
aanleiding van de toen nieuwe kritische structuuranalyse merkt
hij op dat men poëzie ook als structuur kan scheppen en wel
als concrete structuur, uitgaande van de taal als concrete materie.
Hij formuleert enkele basistechnieken voor de concrete poëzie
en wijst - wat ook daarna de Zweedse klankdichters uit de Stockholmse
studio Fylkingen zijn blijven doen - op de magische mogelijkheden
der taalmiddelen.
Door zijn vergelijking van de door hem voorgestane poëtische
werkwijze met die in de concrete muziek van Pierre Schaeffer,
komt hij er toe van concrete poëzie te spreken.
Het
tweede centrum lag aanvankelijk in Zwitserland
Daar richtte de uit Bolivië
geboortige Eugen Gomringer met Marcel Wyss en Diter
Rot het tijdschrift Spirale en de Spiral-press op, die zijn
eerste bundel Konstellationen uitgaf.
Tot 1956 is Gomringer de secretaris geweest van Max Bill,
een Bauhausleerling die rector van de Hochschule für Gestaltung
in Ulm was geworden.
Bill was een voorvechter van de concrete kunst, zoals die door
Theo van Doesburg in zijn manifest uit 1930 werd voorgestaan en
bracht Gomringer ertoe op dezelfde grondslagen tot concrete poëzie
te komen.
Gomringer noemde zijn teksten 'Konstellationen'
Dat is een term, ontleend aan Stéphane
Mallarmé, waarover hij later schreef:
'unter konstellation verstehe ich die gruppierung von wenigen
worten, so dass ihre gegenseitige beziehung nicht vorwiegend durch
syntaktische mittel entsteht, sondern durch ihre materielle, konkrete
anwesenheit im selben raum. dadurch entstehen statt der einen
beziehung meist deren mehrere in verschiedenen richtungen, was
dem leser erlaubt in der vom dichter (durch die wahl der worte)
bestimmten struktur verschiedene sinndeutungen anzunehmen und
auszuprobieren. die haltung des lesers der konstellation ist die
des mitspielenden, die des dichters, die des spielgebenden.'
In
Brazilië lag het derde centrum
Een drietal studenten uit São Paulo, de gebroeders Augusto
en Heraldo de Campos en Decio Pignatari, stichtten de zogenoemde
Noigandres-groep en gaven een tijdschrift van die naam uit.
Ook zij zagen, in de lijn van Van Doesburg, het concrete gedicht
als een 'voorwerp voor geestelijk gebruik', dat niet anders meedeelt
dan zijn eigen structuur en geen voorstelling is van een daarbuiten
gelegen object en nog minder van subjectieve gevoelens.
Wat zij hun 'ideogrammen' noemden, vertoont een grote overeenkomst
met Gomringers Konstellationen.
Pignatari, die later hoogleraar in de informatietheorie werd,
kwam al gauw in contact met Gomringer, doordat hij naar Ulm reisde
om de colleges van Bill over concrete kunst te volgen.
In 1958 publiceerde de Noigandresgroep in haar tijdschrift een
Plan pilote pour la poésie concrète, waaruit onder
meer duidelijk wordt van welke ontwikkelingslijn zij zich de voortzetters
voelden, doordat zij hierin als hun voorlopers opsomden: Mallarmé
(Un coup de dés, 1897), Ezra Pound, James Joyce, Edward
Cummings, Guillaume Apollinaire (Caligrammes, 1918), futuristen
en dadaïsten en de Brazilianen Oswald de Andrade en Joao
Cabral de Melo Neto. Voor de klankpoëzie vermeldden zij Von
Webern, Boulez, Stockhausen en de concrete en electronische muziek
in het algemeen.
Buiten
en ten dele ook vanuit de genoemde centra - vooral Ulm en São
Paulo - breidde het experimenteren met taaltekens en tekentaal
zich verder uit
Nog vóór 1960 sloeg de concrete poëzie over
naar Japan door het contact dat Haroldo de Campos had gelegd met
Kitasono Katue, de oprichter en redacteur van het tijdschrift
Vou, dat in zijn novembernummer van 1957 het eerste Japanse concrete
gedicht publiceerde.
In die tijd ontstonden bovendien in het Duitse taalgebied nieuwe,
zeer actieve en uitstralende kernen, die zich zowel theoretisch
als praktisch met de nieuwe dichtkunst bezig hielden. In de eerste
plaats kwam in Stuttgart een groepering tot stand rondom Max Bense,
die in 1950 hoogleraar aan de Technische Hochschule was geworden
en wiens tekst-theorieën internationale bekendheid kregen.
Verder behoorden tot de Stuttgarter Gruppe, Helmut Heissenbüttel,
Reinhard Döhl en de typografen Klaus Burckhardt en Hansjörg
Mayer. Laatstgenoemde, de meester-drukker van de concrete poëzie,
stichtte een eigen uitgeverij, de Edition Hansjörg Mayer,
waaraan in het najaar van 1968 het Haags Gemeentemuseum een hele
tentoonstelling heeft gewijd.
Zowel voor de ambachtelijk-typografische als voor de wetenschappelijke
benadering van het taalkunstwerk heeft de Stuttgarter Gruppe steeds
grote belangstelling getoond en het was ook in Stuttgart dat de
eerste uitgebreide tentoonstelling van concrete poëzie in
1959 georganiseerd werd.
Daarnaast
ontstond de Darmstadter Kreis
Daar werd van 1957 tot 1959 het tijdschrift Material uitgegeven,
met figuren als Daniel Spoerri, Claus Bremer, de later naar IJsland
vertrokken Diter Rot en de Amerikaan Emmet Williams, die na zijn
terugkeer in New York de eerste bloemlezing van concrete poëzie
in 1967 samenstelde, welke bundel door Hansjörg Mayer verzorgd
werd.
In Wenen vormde
zich een derde kring
In de jaren 1958 en 1959 met een literair cabaret dat de concrete
poëzie presenteerde. Ongeveer gelijktijdig met de Wiener
Gruppe begon de nieuwe ontwikkeling zich in Tsjecho-Slowakije
te manifesteren, waarbij de humor een grotere rol kreeg toebedeeld
dan elders het geval was.
In het tweede decennium neemt de verspreiding en de verdere ontwikkeling
van de nieuwe dichtkunst nog sterker toe. Frankrijk, Engeland,
Italië, Portugal, Spanje, Denemarken, Polen, Joegoslavië,
Mexico, Argentinië, een tweede generatie in Brazilië,
Uruguay, de Verenigde Staten en Canada (ik sta niet in voor de
volledigheid!) sluiten zich aan en ook in het Nederlands taalgebied
verschijnen de eerste concrete gedichten.
In
Frankrijk hebben het poëtische lettrisme en ook de Cobrabeweging
als wegbereiders gefungeerd
In 1962 gaf Julien Benda, Les Carnets de l'Octéor uit en
later Ailleurs, Approches en Rhobo, in welke tijdschriften vooral
het reeds besproken sémiotisme aan bod kwam.
In 1963 onderging het tijdschrift Les Lettres onder leiding van
Pierre Garnier een metamorfose tot 'Revue du Spatialisme'.
Het is merkwaardig om te zien hoe sedert de tijd van het Franse,
vrij zakelijke, kubisme tegenover het Duitse, ten dele zeer idealistische,
expressionisme de rollen nu zijn omgedraaid: de concrete poëzie
in de Duitse centra steekt thans nuchter af tegen de universele
idealen van het met dactylo- en typografische middelen werkende
spatialisme, dat zijn derde manifest, geschreven door de Japanner
Niikuni en de Fransman Garnier, afsluit met de uitspraken:
'L'activité du poète rejoint celle du savant
et de l'astronaute dans la découverte d'une esthétique
linguistique et d'un langage commun à toute l'humanité.
Ce faisant le poète prend part à la genèse
d'une humanité qui vient de crever son enveloppe terrestre'.
Voor de ontwikkeling van de auditieve poëzie in Frankrijk
is Henri Chopin een belangrijke figuur geweest met de door
hem opgerichte tijdschriften Cinquième Saison en Ou.
Het
zou te ver voeren de ontwikkeling land voor land te volgen. Dikwijls
is hierbij sprake van een internationaal contact dat de vonk doet
overspringen. Zo deelt Dom Silvester Houédard, een der
Engelse visuele en fonetische dichters mee, dat hij met zijn Schotse
vriend Edwin Morgan door correspondentie met de Portugees De Castro,
die in 1962 een brief in de Times Litterary Supplement gepubliceerd
had, tot het schrijven van concrete poëzie is gekomen.
Nederlandse
taalgebied
Ik wil een uitzondering maken voor het Nederlandse taalgebied
en dit overzicht besluiten met enkele gegevens over de concrete,
auditieve en visuele poëzie in Nederland en Vlaanderen.
Om te beginnen kan deze dichtkunst wijzen op een aantal wegbereiders
van internationale betekenis.
Dat zijn in de eerste plaats de reeds ter sprake gebrachte Theo
van Doesburg en Paul van Ostaijen, waarvan de eerste meer invloed,
de tweede meer literair talent en een scherper theoretisch oordeel
gehad heeft.
Verder kunnen van de meer ambachtelijke kant genoemd: Hendrik
Nicolaas Werkman, de 'drukker van het paradijs', die zowel met
zijn typografische teksten voor de reeks The next call als met
zijn schrijfmachinecomposities pionierswerk heeft verricht, evenals
de grafische ontwerper Piet Zwart, van wie talrijke taalobjecten
- zoals dat later genoemd zou worden - afkomstig zijn.
Bovendien zijn er, als meer recente voorgangers, de experimentele
dichters, die echter tegelijkertijd een stimulerende en een afremmende
vaderrol hebben gespeeld. Zij experimenteerden weliswaar niet
zozeer met het taalmateriaal in concrete zin - behalve dan in
de besproken klankgedichten van Lucebert en Hanlo - en bleven
met hun proefondervindelijke gedichten binnen het gebied van de
semantiek, al verbraken zij daarin talrijke tradities met hun
associatieve en directe beeldvorming, hun beeldrijm en vooral
hun eigentijdse opvatting van dichten als een wijze van leven.
Enerzijds zijn zij met hun werk echter ongetwijfeld baanbrekers
geweest voor verdere experimenten, anderzijds viel het de 'zestigers',
zoals de na hen komende jongeren een tijdlang geheten hebben,
bijzonder moeilijk de ook kwalitatief zeer intense explosie van
de Vijftigers nabij te komen, laat staan te overstemmen.
Met
het woord 'concreet' ontstonden moeilijkheden.
Een deel der 'zestigers', aanvankelijk rondom het tijdschrift
Gard Sivik, noemden hun werk 'concrete gedichten' en doelden hiermee
op een nieuwrealistische en met bestaande teksten werkende poëzie,
zoals ook uit een latere verklaring in het tijdschrift De Nieuwe
Stijl blijkt:
'niet de fiktie, maar de realiteit dient tot kunst te worden
verklaard.'
Zij sloten zich hier bij aan bij het werk van Sybren Polet, die
in 1958 zijn Machinale gedichten publiceerde, welke hij later
in een verzamelbundel met de titel Konkrete poëzie heeft
opgenomen.
Tentoonstelling
van Objectieve poëzie
De concrete poëzie in de eerstgenoemde, internationaal gangbare
betekenis, kwam hier pas goed van start door de reeds in het begin
gesignaleerde tentoonstelling van Objectieve poëzie in het
begin van 1963 te Antwerpen, die door Henri Chopin en Paul de
Vree was ingericht.
Een der bezoekers, een van de redacteuren van het tijdschrift
Kentering, Frans van der Linde, liet in dit tijdschrift reeds
twee maanden later Chopin aan het woord met een artikel Les Mutations
Poétiques, waarna in enkele volgende nummers van deze jaargang
een uitgebreidere presentatie van concrete poëzie gegeven
werd, met o.m. audiovisuele gedichten van De Vree en Van der Linde.
Nadat laatstgenoemde met zijn mederedacteuren in conflict kwam,
richtte hij in 1966 een eigen tijdschrift Vers-Univers op, in
welke titel het universele ideaal van de Franse spatialisten doorklinkt.
Van de medewerkers noem ik: De Vree, Herman de Vries, lid van
de Nul / Zero-groep en de jongeren Hans Clavin, Herman Damen en
Robert Joseph.
Eveneens
in 1966 verscheen een geheel aan de concrete poëzie gewijd
nummer van De Vree's eigen tijdschrift De Tafelronde en begon
Herman Damen zijn 'Tijdschrift voor Verbaal-Plasticisme' AH uit
te geven, waarvan tien nummers verschenen zijn. Inmiddels was
de uit Gard Sivik voortgekomen Nul / Zero-groep uiteen gevallen:
de nieuw-realisten schaarden zich om De Nieuwe Stijl en Herman
de Vries liet daarnaast zijn eigen blad Intégration uitkomen.
Na
het explosieve jaar 1966
Een drietal nieuwe tijdschriften voor visuele poëzie: in
1968 richtten Robert Joseph, Ruud van Aarssen en G.J. de Rook
Bloknoot op, in 1970 volgde Subvers van Hans Clavin en eind 1972
verscheen pzh, een uitgave van het poëziehuis van Robert
Joseph.
Volledigheidshalve moet ik u nog enkele namen noemen en wel die
van de Vlamingen Ivo Vroom, Leon van Essche (beiden oprichters
van het tijdschrift Labris) en Mark Insingel en van de Noordelingen
Maarten Mourik, Cor Doesburg, Nahl Nucha, Ton Luiting en Peter
Meijboom, die samen met een aantal reeds eerder genoemde visuele
dichters aan het begin van dit jaar hun werk hebben tentoongesteld
in het kunstcentrum De Vaart te Hilversum.
lees
ook >>
|
|