Dada kunstenaars


> startpagina


 

tussen taal en beeld






 

# Kurt Schwitters
# Hans Arp
# Tristan Tsara

# Hugo Ball
# Richard Huelsenbeck
# Marcel Janco
# Frances Picabia
# Theo van Doesburg
# John Heartfield
# Johannes Baader
# Joh. Th. Baargeld
# Marcel Duchamp
# Man Ray


 
             
 





De eerste collage die bekend is, Hansi, doet sterk denken aan Arp's werk. De titel is ontleend aan de wikkel van 'Hansi Chocolade' waarop de collage geplakt is


Das Undbild [1919]

Schwitters zegt dat als je uit de wereld van beeldende vormen een enkel detail plukt en het uit de context haalt, een een ritme van denken ontstaat dat ook door anderen kan worden herkend als een kunstwerk.

 
Kurt Schwitters [1887-1948]

Schwitters werd in 1887 Hannover geboren.
Hij begon zijn studie aan de School voor Toegepaste Kunst in Hannover in 1908, en van1909 tot 1914 aan de Kunstacademie in Dresden.

Bij het begin van de Wereldoorlog I keerde Schwitters terug naar Hannover. Hij werd niet goedgekeurd voor militaire dienst en ging schilderen en maakte gedichten. In beide gevallen werd hij beïnvloed door het Kubisme en het Expressionisme. Hij voelde ook de invloed van de Duitse romantische traditie.

In 1918 maakte hij kennis met Herwarth Walden van de Kestner Society. Hij exposeerde twee abstracte schilderijen op een tentoonstelling in de Sturm Gallery.
In de winter van 1918 begon Schwitters abstracte assemblages en collages van gevonden materialen te maken. Hij gebruikte daarvoor distributiebonnen, touwtjes, papieren poppetjes, krantenknipsels, tramkaartjes en dat soort dingen.

Schwitters noemde zijn nieuwe schilderijen 'Merzkunst', naar een fragment van de naam 'KomMERZ und Privatbank'
Hij exposeerde zijn werk in de Sturm Gallery en schreef een programmatisch stuk in Der Sturm.
Zijn betrokkenheid bij Sturm en het voeren van een eigen merknaam zorgde ervoor dat hij meteen bij de Belijnse dadaïsten opgenomen werd en vriendschap kon sluiten met Raoul Hausmann en Hannah Höch.

Onvermoeibaar was de Merz promotie voor het populaire gedicht 'Anna Blume', dat als een poster in de straten van Hannover hing en in een speciale editie van Der Sturm gepubliceerd werd.
In 1923 lanceerde Schwitters ook een Merz Magazine. De eerste aflevering was geheel geweid aan de De Stijl-Dada Veldtocht die hij samen met Theo van Doesburg in Holland organiseerde.

In 1921 ontmoette Schwitters de Nederlandse kunstenaar Theo van Doesburg. Via Van Doesburg leerde hij de schoenmaker en kunstenaar Thijs Rinsema en zijn broer Evert Rinsema uit Drachten kennen. Samen met Thijs werkte Schwitters aan zijn collages, kistjes en doosjes.
Drachten is daarmee de plek waar in Nederland de Stijl en Dada elkaar ontmoetten.
In het voorjaar van 1923 houdt Schwitters een Dada avond in de Phoenix in Drachten.
Een kleine maar opvallende advertentie in de Drachter Courant is op een dada manier gedrukt.
Schwitters brengt bij die gelegenheid zijn 'Ur-sonate' ten gehore.

Hannah Höch was ook hecht bevriend met Kurt Schwitters. Toen ze in Den Haag woonde en met Kurt Schwitters samenwerkte, had ze een relatie met de schrijfster Til Brugman zonder dat die lesbisch genoemd mocht worden.
Behalve als een medium voor uitwisseling van ideeën tussen dadaïsten, functioneerde Merz ook als een kruispunt tussen Dada en het internationale constructivisme.

Een van de doelen van Schwitters met Merz was de totstandbrenging van een 'Gesamtkunstwerk', een geheel dat moest bestaan uit schilderijen, gedichten, beeldhouwwerken, theater en architectuur.



Rond 1923 begon hij te werken aan zijn 'Merzbau', een installatie in zijn woning in Hannover, het negentiende-eeuws huis van zijn ouders. Stukje bij beetje nam de Merzbau zijn atelier en alle andere kamers in zijn huis in beslag. Hij maakte een serie grotten die hij vulde met, van familie en vrienden geleende en gestolen, voorwerpen, verwerkt in de rest van de constructie.
De Merzbau werd een levenslang project van accumulatie en het opslaan van gedachten.

Kurt Schwitters stierf in 1948 in Kendall, Engeland.


 
         

Een recensie van Arp als een gedicht:

De aarde is niet rond
Nee, rond bestaat niet
Perfect gebalanceerd bestaat
alleen in het hoofd
Want het hoofd is rond
Rond zijn de gedachten
Er was een beeldhouwer
Een beeldhouwer met woorden
Met de aarde in zijn hoofd
Een gebalanceerde ronde aarde
Maar balans is breekbaar
door gedachten en gevoel
Gevoel maakt alles breekbaar
Toch begon de beeldhouwer
aan een beeld van de aarde
De beeldhouwer sprak woorden
Woorden werden vorm
Zo vormde sensuele lijnen
Uitgerekte lijnen van woorden
Ronde lijnen van de beeldhouwer
vervormd door de woorden van gevoel
Daarom is de aarde niet rond



Fles en vogel [1925]


Hans(Jean) Arp [1886-1966]

Jean Arp, meer bekend als Hans Arp, was een Duits-Franse beeldhouwer, schilder en dichter. Hij werd geboren op 16 september 1886 in Straatsburg, Frankrijk.
Hij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de moderne kunst en was één van de voormannen van de Dada-beweging.
Met zijn poëtische 'biomorphe' vormentaal sloeg hij een brug tussen het dadaïsme, het surrealisme en de abstracte kunst.

Hij begon zijn carrière als dichter. Later ging hij werken als schilder, beeldhouwer en graficus.
In 1908 ging hij naar de Académie Julian in Parijs. Arp was in de jaren die daarop volgden lid van verschillende kunstenaarsgroepen.

Hij was één van de initiatiefnemers bij de oprichting van de kunstbeweging Dada in Zürich. Hij was ook lid van de constructivistisch georiënteerde groep Cercle et Carré en van de Association des artistes révolutionaires.

Een bekend voorbeeld van zijn werk zijn de snippers papier die hij liet vallen en vastplakte op de plek waar ze neervielen, al hielp hij het toeval ook een handje als het mooier was om de snippers net iets anders te plaatsen. In zijn collages van papiersnippers ligt ‘toevallig’ geen enkel snippertje over een ander heen.

Eigenlijk is er over het werk van Arp alleen maar dichterlijk te schrijven.


Francois was een broer van Hans Arp. Hij beheerde de nalatenschap van zijn broer.
Maar dan is niets minder abstract dan de abstracte kunst.
Daarom kwamen Theo van Doesburgen Wassily Kandinskymet de opvatting dat abstracte kunst eigenlijk Concrete kunstmoest heten.
De werken zijn geconstrueerd met lijnen, vlakken, vormen en kleuren. Zij willen iets bereiken voorbij de menselijke waarden en ze raken het eeuwige en het oneindige. Ze zijn een ontkenning van het menselijk egoïsme.

Concrete kunst is een elementaire, natuurlijke en gezonde kunst die de sterren van vrede, liefde en poëzie doet vonken in de hersenen van de mens. Overal waar de Concrete kunst binnenkomt verdwijnt de melancholie en sjouwt zijn grijze valiezen weg, volgestouwd met zwarte zuchten.


"Dada wil voor alles actief zijn. Het wil geen stemming, maar beroering wekken..."

Hoe geheel anders klinkt echter de regel uit een gedicht van Hans Arp, geschreven bij de dood van Theo van Doesburg:

"(Er) beisst keinen Biss mehr in einen Imbiss (vrij vertaald: hij kauwt geen kroket meer weg bij een patatkraam).

Arp is overleden op 7 juni 1966 in Bazel, Zwitserland.

 







To Make a Poem

Take a newspaper
Take a pair of scissors
Choose from the paper an article as long as you are planning to make your poem
Cut the article out
Next carefully cut out each of the words that make up the article and put them in a bag
Shake gently
Next take each clipping out one after another in the order in which they left the bag
Copy conscientiously
The poem will look like you
And there you are -- an infinitely original author endowed with a charming sensibility though beyond the understanding of the vulgar.

Tristan Tzara

 


Tristan Tarza [1895-1962]

Dichter en onvermoeibaar propagandist voor Dada.
Tristan Tzara (pseudoniem voor Samuel Rosenstock), werd geboren in een gefortuneerde Joodse familie in Roemenië (1896).
Op de middelbare school was hij bevriend met Ion Vinea en Marcel Janco, met wie hij zijn interesse in Franse poëzie deelde. Samen richtten ze het literaire tijdschrift Simbolul op, waarin Tzara, onder pseudoniem S. Samyro, een serie gedichten, in het Roemeens, publiceerde. De gedichten waren beïnvloed door het Franse symbolisme.


In 1915 sturen Tzara's ouders hem baar Zurich, waar hij op de universiteit Filosofie studeert. Zijn eerste gedicht ondertekent hij met Tristan Tzara (tzara is Roemeens voor land). Kort na zijn aankomst in Zurich, is hij volgens het dagboek van Hugo Ball, met zijn broers Janco en Georges, bij de première van het Cabaret Voltaire. In het verloop van 1916 leest Tzara in het Cabaret zijn gedichten, en die van anderen voor.
Hij organiseert verschillende Dada opvoeringen. Hij raakt, waarschijnlijk onder invloed van Richard Huelsenbeck, geïnteresseerd in Afrikaanse poëzie. De soirées nègres in het Cabaret Voltaire zijn het begin van een levenslange verzameling van Afrikaanse en Oceanische kunst.

Op 23 juli 1918, Leest Tzara het Manifest Dada in de Meise Hall van Zurich voor dat in Dada 3 gepubliceerd werd. Dit radicale dadaïstische pamflet bereikte André Breton in Parijs. Op deze manier kwam Dada en Tzara een jaar later in Parijs terecht.
Door de invloed van Tzara kreeg Dada een internationaal aandacht. Hij is beschreven als de belichaming van de verspreiding van Dada in de groep rond Breton.



Hij publiceerde Sept manifestes Dada (1924) en was redacteur van Dada, dat tot 1922 in Frankrijk verscheen.
De samenhang van de Dada beweging in Parijs verbrokkelde, Tzara publiceerde Le coeur à barbe, een krant die tegen Breton en Francis Picabia gericht was.
Hij werd lid van een avant-garde groep die in 1930 het Surrealisme aanhing. Daarmee verbrak hij in 1922 zijn relatie met Breton.

In 1937 werd hij lid van de Franse Communistische Partij en was betrokken bij het verzet tijdens WOII.
Hij schreef experimentele en anarchistische poëzie.

Tristan Tzara stierf in Paris in 1963.


 
         
 






 


Hugo Ball

Ball is geboren in 1886 in Pirmasens. deelstaat Rijnland Pals.
Hij studeerde Duitse literatuur, filosofie en historie aan de universiteiten van München en Heidelberg. In 1910, verhuisde hij naar Berlijn om toneelspeler te worden.
Hij werkte samen met Max Reinhardt als directeur en regisseur bij verschillende theatergroepen in Berlijn, Plauen, and München.
Hij begon ook te schrijven voor verschillende expressionistische tijdschriften zoals Die Neue Kunst en Die Aktion, die wat stijl, vorm en inhoud betreft vooruit liepen op de latere dada tijdschriften.

Vlak na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog emigreerde hij samen met Emmy Hennings, een cabaret zangeres die hij in München ontmoet had en met wie hij in 1920 trouwde, naar Zurich in Zwitserland.



In februari 1916 richtte hij 'Cabaret Voltaire' in the Spiegelgasse op.
Daar kwam hij samen met Hans Arp, Marcel Janco, Tristan Tzara, en later Richard Huelsenbeck en Walter Serner.

In zijn autobiografische dagboek Die Flucht aus der Zeit beschrijft Hugo Ball zijn bekering tot het katholicisme aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog en zijn aandeel in de opkomst van Dada

In juli 1916 verliet Ball de Dada groep in Zurich om te herstellen in de Zwitserse bergen.
Hij kwam januari 1917 terug om Galerie Dada te helpen organiseren. De expositieruimte werd in maart geopend. In de Galerie werden lezingen, performances, dansavonden, weekend soirées, en rondleidingen gehouden.
Hoewel Ball de educatieve doelen van de Galerie steunde, was hij het niet eens met de ambitie van Tzara om er een internationale beweging met een systematische dada doctrine van te maken.
Hij verliet Zurich in mei 1917 en nam niet meer deel aan de dada activiteiten.

Hugo Ball overleed in Sant Abbondio, Zwitserland, 14 september 1927.


 
 



Huelsenbeck [links] met Raoul Hausmann in de Dada Almanach [1920]



 


Richard Huelsenbeck

Huelsenbeck werd in 1892 geboren. In 1912 ging hij naar München waar hij medicijnen studeerde voor hij zijn studie Duitse literatuur en Kunst begon. Hij ontmoette daar Hugo Ball, die een betekenisvolle invloed op zijn intellectuele ontwikkeling had.
Toen Huelsenbeck een semester filosofie aan de Sorbonne volgde schreef hij als Parijse correspondent voor het blad Revolution, dat door Ball en diens vriend Hans Leybold opgericht was.

In 1914 volgde hij Ball naar Berlijn, waar hij verder ging met zijn studie Duitse literatuur. Hij publiceerde gedichten, essays en boekrecensies voor Die Aktion.
Huelsenbeck en Ball kwamen steeds meer in opstand tegen de oorlog en de opkomst van het Duits Nationalisme. In de lente van 1915, organiseerden ze verschillende protestbijeenkomsten tegen de oorlog waarbij ze de gesneuvelde dichters herdachten.
De deelnemers verwachtten een eenvoudige herdenking en waren geschokt toen Huelsenbeck 'Negro' gedichten ging voordragen.

Op verzoek van Ball kwam Huelsenbeck naar Zurich om mee te doen in het Cabaret Voltaire.
Ball schreef in zijn dagboek:
"Huelsenbeck wilde een sterker Neger ritme. Het liefst wilde hij literatuur de grond in stampen. In zijn gedichten viel hij de kerk, het vaderland en de canon van de Duitse Literatuur van Schiller en Goethe, aan. Zijn optreden werd meestal begeleid door grote drums, geschreeuw, gefluit en lachsalvo's.

Na het vertrek van Ball uit Zurich in 1916 kreeg Huelsenbeck maagklachten en sprak steeds over zijn terugkeer naar Duitsland. Begin 1917 was hij terug in Berlijn, waar hij de organisator, promotor en historicus van Dada werd. Hij hield voordrachten en bracht een manifest uit.
Hij stelde de Dada Almanach, en het eerste Dada overzicht, En avant Dada, samen.
Hij gaf ook de 'Historie van het Dadaïsme' uit. Daarmee gaf hij aan dat het Dadaïsme afgelopen was.

Gedurende al zijn Dada jaren bleef hij medicijnen studeren en bracht die in 1920 ook in praktijk. Maar hij ambieerde ook een carrière in de journalistiek. Hij werd correspondent voor verschillende Berlijnse kranten en schreef populaire verslagen over zijn reizen als scheepsarts. In 1939 begon hij een praktijk voor geneeskunde en psychiatrie in Long Island, New York, onder de naam Charles R. Hulbeck.

Zijn 'Memoirs of a Dada Drummer', geschreven in 1969, geeft een levendig overzicht van al zijn Dada belevenissen.

Richard Huelsenbeck stierf in 1974 in Minusio, Zwitserland.
 
 



Dobbelen [1924]

In veel stillevens van Janco komen dobbelsten voor.


 

Marcel Janco [1895-1984]

Janco werd als Marcel Iancu in 1895 in Boekarest geboren.
Hij kreeg tekenlessen van de Joodse kunstenaar Iosif Iser [1881-1958] die met André Derain en Constantin Brancusi in Parijs gewerkt had.
Janco maakte tekeningen en deed de lay-out voor Simbolul, een tijdschrift dat uitgegeven werd door twee vrienden van de middelbare school, Ion Iovanaki, die later bekend werd als Ion Vinea, en Samy Rosenstock die zich Tristan Tzara ging noemen.


In 1914 verhuisde Janco naar Zurich om wis- en natuurkunde te studeren aan de Eidgenössische Technische Hochschule (ETH). Een jaar later besloot hij architectuur te gaan studeren, ook aan de ETH, samen met Karl Moser. In Zurich zette hij zijn vriendschap met Tristan Tzara en Hans Arp voort.

Samen met de hele groep kunstenaars, Arp, Tzara, Huelsenbeck, Ball en zijn vrouw Emmy Hennings, deed hij mee bij de opening van het beroemde Cabaret Voltaire. Hij gaf meteen zijn eerste voorstelling en een jaar later exposeerde hij in de Dada galerie samen met Arp, Giorgio de Chirico, Paul Klee, and Tzara.

In 1918 werd hij lid van 'Das Neue Leben', een groep kunstenaars Basel waar Arp, Fritz Baumann, Augusto Giacometti, Oscar Lüthy, Otto Morach, en Sophie Täuber ook lid van waren.
Na een ruzie met Tzara, stichtte hij de 'Radikale Künstler'. Ze hadden een groepsexpositie in het museum in Zurich waar Janco abstracte reliefs in de muren maakte.


In december 1921 ging hij naar Parijs en Béthune en korte tijd later keerde hij, samen met zijn broer Jules, terug naar Bukarest. Daar opende hij 1922, het Bureau voor Moderne Studies, een architectuur studio.
Dat zelfde jaar werd hij artistiek directeur en redacteur van Contimporanul, een uitgave van Ion Vinea. Het tijdschrift werd het meest belangrijke avant-garde tijdschrift van Roemenië.


Janco hielp Vinea en M.H. Maxy bij de organisatie van the First International Art Exhibition of Contimporanul, in Bukarest [1924]
Behalve voor Contimporanul, werkte Janco ook voor verschillende andere tijdschriften zoals het avant-garde magazine Punct.

Volgens Marcel Janco was het dat alleen de daad van het abstraheren de kunst kon bevrijden van een 'sentimentele slavernij'. Abstractie zou een einde maken aan het gif van de 'zuivere Hoge kunst', 'net zoals SO4H2 vlooien doodt' (Marcel Janco: 'TSF Dialogue entre le bourgeois mort et l'apòtre de la vie nouvelle.1925)

Na zijn Dada jaren werkte Janco als architect.
Hij emigreerde naar Palestina in 1941, samen met zijn tweede vrouw Medi en hun twee dochters. Daar werkte hij aan de restauratie van monumenten. In 1953, richtte hij de kunstenaars kibboets Ein Hod op.


Marcel Janco stierf in 1984 in Israël.

 
 






Stilleven / Picabia



het cacodylate oog / Picabia [1921]

 


Francis Picabia (ook wel genoemd: Carefoot, Pharamousse)

Picabia werd in Parijs geboren [1879]
Hij was al vroeg van plan om kunstschilder te worden en ging in 1895 naar de 'Ecole des Arts Decoratifs'. Eerst schilderde hij Spaanse figuristische landschappen maar rond 1902 kwam hij onder de invloed van de post-impressionistische schilders Alfred Sisley en Camille Pissarro en volgde die stijl. Maar later experimenteerde hij met verschillende combinaties van kubisme, fauvisme, en orphisme.
In 1913 kon hij zich financieel permitteren zijn werk in The Armory Show, die gehouden werd in de wapenopslag van het 69e Infanterieregiment van de National Guard in New York, op te hangen. Zijn abstracte werk en radicale esthetische theorieën trokken veel aandacht.


Na de Eerste Wereldoorlog pendelde Picabia tussen Europa en New York. Tijdens een verblijf in Barcelona in 1917, publiceerde hij de eerste editie van het tijdschrift 391, als een hommage aan Stieglitz' 291.
Na een bezoek aan Zurich waar hij samen met Tristan Tzara Dada 4-5 schreef kwam het achtste nummer van 391 uit.
Picabia keerde terug naar Parijs waar hij de belangrijkste Dada protagonist was.


Dochter zonder moeder geboren / Picabia [1917]

Zijn mechano-morphische schilderijen waren de zichtbare identiteit van dadaïstische kunst in Parijs. Daarmee werd de algemene controverse en opwinding van al zijn dadaïstische activiteiten duidelijk.
Zelfs voor dat L'Oeil cacodylate, een gemeenschappelijk kunstwerk van handtekeningen en graffiti van meer dan vijftig vrienden en kunstenaars van Picabia, in 1921 te zien was deden berichten over de provocerende bedoelingen ervan de ronde.

Na die tijd kreeg Picabia langzamerhand genoeg van het gekibbel van de Parijse dadaïsten, voornamelijk van de ruzies tussen Tzara en André Breton, dat hij een serie artikelen schreef in een speciaal nummer van 391 waarin hij afstand van de beweging. Daarmee beledigde hij Tzara en Breton enorm.
In de jaren twintig en dertig ging, hij met uitzondering van één serie abstract werk, voornamelijk figuratief schilderen.

Francis Picabia stierf in 1953 in Parijs.



Francis Picabia en zijn drie vrouwen (inclusief Gabrielle Buffet en Germaine Everling met Vincente Picabia). Golfe-Juan [1928]

Gabriëlla Buffet-Picabia

Gabriëlla Buffet is geboren in Fontainebleau in 1881 en overleden in Parijs in 1985
Ze was een intelligente componist en bevriend met de componist Edgar Varèze. Ze had veel invloed op de kunst van Francis Picabia en trouwt in 1909 met hem. Voor Picabia was ze zijn intellectuele mentor, observatrice, leidster en communicatiemedewerker.
Ze inspireert ook Marcel Duchamp, Guillaume Apollinaire en later Igor Stravinsky. Zij had veel connecties in het avant-garde milieu. Maar gedurende haar lange leven zal ze in de schaduw van de publiciteit blijven.

De huwelijksreis ging eerst naar Saint-Tropez en na een maand naar Sevilla. Het echtpaar Picabia woonde in een atelierwoning in de Rue de Lille en op 18 januari 1910 werd daar dochter Laure Marie Cataline geboren. In februari 1911 verhuisde het gezin Picabia van de Avenue Tourville 19 naar de Avenue Charles Floquet 32, waar op 28 februari 1911 zoon Pancho Gabriel François werd geboren.
In mei 1913 keerden ze naar Parijs terug, waar op 18 juni 1913 dochter Gabrielle Cécile, roepnaam Jeannine, werd geboren. In november 1913 brachten Picabia, Gabrielle en Marcel Duchamp voor het eerst een bezoek aan Gertrude Stein.

Aan het begin van de eerste wereldoorlog werd Picabia chauffeur van de Franse generaal Boissons, die een oude vriend van zijn schoonvader was. Gabrielle ging het Rode Kruis helpen. Na de Duitse doorbraak verplaatste de regering zich naar Bordeaux en de generaal en zijn chauffeur ook. Met hulp van zijn oom werd Picabia op een militaire missie naar Cuba gestuurd in verband met het inkopen van rietsuikerstroop. Op 27 mei 1915 vertrok Picabia met de Espagne naar New York. Marcel Duchamp, die op 15 juni was aangekomen, richtte samen met Picabia in 1915 een Dada-groep op. Gabrielle, die de kinderen had achtergelaten in Gstaad, kwam denkelijk in oktober 1915 ook naar New York en haalde Picabia over toch naar Cuba te gaan. Na het afsluiten van de militaire missie in Cuba keerden Picabia en Gabrielle in december 1915 terug naar New York.
In juni 1916 kwamen de Picabia's vanuit New York met de Canopic naar Algeciras. De Picabia's vestigden zich in Barcelona. Terwijl Gabrielle naar Gstaad ging om de kinderen op te halen, bracht Picabia veel tijd door met Marie Laurencin.
In september 1917 gingen Picabia en zijn vrouw Gaby Buffet tijdelijk uit elkaar. Picabia ging naar Spanje en Gaby naar haar kinderen in Frankrijk.
In 1918 verbleef Picabia enige maanden in Zwitserland. Hij pendelde tussen zijn vrouw Gaby, die met de kinderen in Gstaad woonde, en zijn nieuwe liefde Germaine Everling, die in Lausanne verbleef. Later woonde iedereen in hetzelfde hotel. Op 15 september 1919 werd bij Gaby Picabia's vierde kind (Vincent) geboren. Germaine Everling verwachtte in januari ook een kind van Picabia.

In 1932 werd Germaine zich bewust dat haar plaats naast Picabia werd overgenomen door Olga Mohler en probeerde zij werk te vinden voor een onafhankelijk bestaan. Eind 1932 leefden Olga en Picabia samen.
Gabriëlle beschrijft in haar boek 'Aires Abstraites' het werk van de Dada-beweging in New York.
Over haar echtgenoot schrijft ze: “Rond 1940 schilderde Francis Picabia merkwaardige schilderijen”, het waren een soort pin-ups. Dat noemde hij zijn peinture alimentaire, zijn levensmiddelenkunst. In de oorlog had hij namelijk geld nodig voor de dagelijkse maaltijd. De sultan van Marokko heeft veel van zijn erotische schilderijen gekocht om in zijn harem op te hangen. Voor hem heeft hij ze speciaal gemaakt."


 
       
 



Theo van Doesburg en Nelly van Doesburg (Pétro) [1923]










Untitled / van Doesburg [1922]

 


Theo van Doesburg 

Christian Emil Marie Küpper werd op 30 augustus 1883 in Utrecht geboren. Zijn moeder werd door de fotograaf Küpper in de steek gelaten en zij hertrouwde met de Amsterdammer Theodorus Doesburg. Christian liet zich al op jeugdige leeftijd Theo van Doesburg noemen. Hij zou deze naam zijn verdere leven blijven gebruiken.
De jonge Theo van Doesburg volgde aanvankelijk toneellessen, maar voor zijn twintigste jaar was hij al vastbesloten zowel schrijver als schilder te worden.
In 1908 had hij zijn eerste grote expositie in de Haagse Kunstkring. Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam hij nog deel aan de 'Salon des Indépendants' in Parijs.


Theo van Doesburg publiceerde vanaf 1912 regelmatig literair en kritisch proza in het weekblad Eenheid, dat een klankbord wilde zijn voor de meest uiteenlopende maatschappelijke en geestelijke stromingen.
Agnita Feis, met wie Van Doesburg in 1910 was gehuwd, debuteerde een jaar later in hetzelfde blad. In de jaren daarna worden Van Doesburgs publicatiemogelijkheden vergroot doordat hij dan ook gaat meewerken aan het dagblad De Avondpost en het weekblad De Controleur.



Theo van Doesburg in dienst, naast hem Evert Rinsema met fiets


In militaire dienst ontmoet Van Doesburg de Friese schoenmaker en schrijver Evert Rinsema uit Drachten. De overlevering wil dat Van Doesburg hem leerde kennen omdat hij geïntrigeerd raakte door het feit dat de compagnie-schoenmaker Socrates las. Het typeert Van Doesburg, oorlog of geen oorlog, hij koos zijn eigen vrienden. En met succes: met Rinsema sloot hij een vriendschap voor het leven, zoals hij dat ook deed met Antony Kok en de vrouw die zijn Muze werd, Helena Milius.

Theo van Doesburg, gaf in 1916 zijn eerste college over moderne kunst. Daarin liet hij zien dat kunst de samenleving naar een hoger spiritueel koninkrijk kon brengen waar de tegenstellingen tussen politiek en economie opgelost zouden zijn.
Tussen 1916 en 1917 formuleerde Van Doesburg een kunstopvatting waarin een soort coöperatie van architectuur en de kunsten een nieuwe universele en transcendale stijl zou ontstaan gebaseerd op vereenvoudigde geometrische elementen.
Hij verspreidde van zijn ideeën door middel van zijn invloedrijke tijdschrift De Stijl, en in 1918 richtte hij met Piet Mondriaan en anderen, de kunstenaarsgroep onder diezelfde naam op.



Theo van Doesburg en Nelly van Doesburg in hun atelier [1923]

Dada kwam in december 1919 voor het eerst voor in De Stijl, toen Van Doesburg gewag maakte van zijn opvatting over de Dada uitgangspunten zoals geformuleerd door Tristan Tzara. In februari publiceerde hij een citaat uit het 'Manifeste Dada 1918'.
Van Doesburg ging naar Parijs, waar hij en Mondriaan Dada soirees en exposities met werk van de Parijse Dada-groep bezocht. Die bestond toen uit: Jean Crotti, Suzanne Duchamp, Francis Picabia en Georges Ribemont-Dessaignes. In 1920 maakte Van Doesburg kennis met Dada groepen in Berlijn en Parijs en ontving tekstmateriaal van Richard Huelsenbeck en Picabia, dat hij gebruikte voor een artikel in De Nieuwe Amsterdammer (mei 1920) waarin hij de Dada ideologie in Nederland presenteerde.
In dat jaar schreef hij onder het pseudoniem I.K. Bonset Dada-gedichten en maakte collages voor De Stijl.

In 1922 zette hij het Dada tijdschrift Mécano op, waarin hij zelf als kunst- en literair uitgever onder de naam Bonset optrad.

In Den Haag wilde Theo ook een Dada-congres organiseren en nodigde zijn dadaïstische vrienden Hans Arp, Francis Picabia, Georges Ribemont-Dessaignes en Tristan Tzara uit. Alleen Kurt Schwitters kwam omdat hij die winter toch in Rotterdam moest zijn voor een tentoonstelling.
De Dada-veldtocht bestond uit een reeks Dada soirees en één Dada matinee.

In 1923 organiseerde Van Doesburg met Kurt Schwitters een Dada Veldtocht door Holland.

Dada was in Nederland nog onbekend.

Het publiek kwam dus tamelijk onbevangen naar de eerste Dada soiree in Den Haag op 10 januari. Toen Schwitters vanuit de zaal begon te blaffen was het publiek geschokt. De pers sprak er schande van en dat zorgde er weer voor dat iedereen erbij wilde zijn.
Theater Bellevue in Amsterdam was afgeladen en men betaalde hoge prijzen om binnen te komen. Men verwachtte provocatie en veel tumult. Tijdens Van Doesburgs voordracht begon het publiek zelf al te blaffen, te kraaien en te miauwen, waardoor Schwitters in Amsterdam zijn mond maar hield. Eveneens in Amsterdam werd Nelly van Moorsel onder luid gebrul een boeket bloemen aangeboden en Huszars 'Simultaneïstisch-méchanische dans' door een 'Hup Ajax!' beantwoord.
Het was geweldig dat in Utrecht, het publiek plotsklaps ophield toeschouwer te zijn en als wurmen het toneel op kropen. Dada kreeg een verweerde grafkrans aangeboden en er kwam een hele groentenstal op het podium.


De ideeën voor de veldtocht leidden tot succesvolle Mécano soirees in Weimar tijdens het International Congress of Constructivists and Dada, en andere avonden in Jena en Hannover. De Dada veldtocht in Holland kwam in een twaalftal steden. Het was de bedoeling Dada voor een geïnteresseerd publiek te introduceren. Het werd in samenwerking met plaatselijke kunstenaars georganiseerd. Van Doesburg's pamflet 'Wat is Dada?', was na de voorstelling te koop.

Na de Dada veldtocht verdampte de aandacht voor Dada snel. Van Doesburg ging wel door met publicaties in De Stijl. In 1931, het jaar waarin hij stierf, bracht hij nog een nieuw tijdschrift uit, Art concret, dat gewijd was aan een zoektocht naar een universele vorm. Het laatste nummer van De Stijl, ter nagedachtenis van Van Doesburg, verscheen in januari 1932.

 
 


xxx

 


 
         


xxx


John Heartfield

John Heartfield werd geboren als Helmut Franz Josef Herzfeld [1891].
In 1905 studeerde hij aan de Koninklijke Beierse School voor Toegepaste Kunst. Dat was in die tijd het centrum van Duitse kunst in München. In 1914 kreeg hij de eerste prijs voor het ontwerpen van een muurschildering in Keulen. Dat jaar werd hij ook opgeroepen voor militaire dienst. Als protest tegen het Duitse anti Engelse- oorlogszucht 'John Heartfield'.


Wieland Herzfelde en John Heartfield publiceerdenregelmatig hun pacifistische inzichten in het tijdschrift Neue Jugend. [1916] In 1917 hielp Heartfield zijn broer met het oprichten van de Malik uitgeversgroep.
Hoewel Heartfield officeel tijdens de oorlog verbonden was aan de Militaire Educatieve Filmdienst, later genoemd UFA, waar hij animatie propagandafilms maakte, keerde hij zich toch tegen het heersende regime.

Na de Russische revolutie in 1917 werd hij lid van de pas opgerichte Duitse Communistische Partij en sloot zich aan bij de Berlijnse Dada Club. Vanwege zijn betrokkenheid stond het bekend als 'Dadamonteur'. Hij droeg steeds blauwe overalls bij zijn werk met fotomontages. Hij toonde daarmee een verbondenheid met de fabrieksarbeiders. Hij was mederedacteur van het blad: Jedermann sein eigner Fussball, dat bij het verschijnen van het eerste nummer meteen verboden werd wegen de 'ontvlambare' inhoud. Samen met George Grosz, richtte hij het satirische politieke tijdschrft Die Pleite op. Het was een combinatie van sociaal kritische reportages en karikaturen, meestal van de hand van Grosz. In 1919 raakte Heartfield bevriend met Otto Dix. Heartfield and Grosz publiceerden in 1920 een artikel 'Der Kunstlump' in Der Gegner. Door dat stuk ontstond een verhitte discussie over de rol van de schone kunsten en de proletarische kunst.


Heartfield hielp de eerste Internationale Dada Beurs, die op 1 april 1920 opende. Heartfield ontwierp de catalogus.
Na zijn bemoeienis met de Berlijnse Dada ontwierp Heartfield boekomslagen en verzorgde de typografie en werkte hij voor de Duitse Kommunistische Partij als redacteur en designer. In 1930 begon hij politieke fotomontages te maken voor de populaire communistische krant de Arbeiter Illustrierte Zeitung, Met zijn anti-Nazi montages ging hij door toen hij na 1933 naar Praag vluchtte. Tien de Nazis Tsjecho-Slowakije binnenvielen vluchtte hij naar Engeland. Hij ging in 1951 terug naar zijn broer in de DDR.

John Heartfield stierf op 26 april 1968 in Berlijn, West Duitsland.






Johannes Baader

Baaders is 22 juni 1875 in Stuttgart geboren. Hij was architect en schrijver. Op 15 januari 1955 is hij in Slot Adelsdorf, Beieren gestorven.
Na zijn studie architectuur aan de Nationale School van Stuttgart en een stage als bouwkundige en metselaar, werkt Baader als lid van de Unie van kunstenaars aan het monumentale grafsculptuur van Dresden.

Voor militaire dienst is hij ongeschikt wegens manisch-depressieviteit.
In 1914 schreef hij 'Veertien brieven aan Christus', waarin hij zich uitgeeft als diens reïncarnatie. Hij gaf een verklaring over de oorlog, stuurde die naar Wilhelm II en verbood hem om de strijd voort te zetten. Hij kreeg twee jaar gevangenisstraf. Hij maakt tekeningen met utopische, messiaanse metafysische en monumentale proporties, die hij 'spirituele architectuur' noemt.
Hij ontmoet Raoul Hausmann en in 1917 richten ze samen het tijdschrift 'Der Dada' op en leiden spectaculaire acties zoals het starten van een 'kerk-heiligdom' om deserteurs te beschermen. Eind 1918 verschijnt het manifest 'AK12', waarin hij een parallel trekt tussen de verzen van de Apocalyps en de datum van de wapenstilstand en de nederlaag van Duitsland. Hij roept zichzelf uit als 'Oberdada, veroorzaakt een schandaal door in de kathedraal van Berlijn 'Christus ist euch Wurst' voor te dragen. Hij werd gearresteerd voor godslastering, maar beriep zich op zijn recht op de vrijheid van meningsuiting.

In 1919 kondigt hij met Hausmann, de geboorte van de republiek dadaïstische Nikolassee aan.
In reactie op het Verdrag van Versailles [28 juni 1919] publiceert hij het 'Buch des Weltfriedens van Oberdada-Handbuch'. Tijdens de oprichting van de Republiek van Weimar, strooit hij folders tegen de 'Weimar dadaïsten' in de Nationale Assemblee en noemt zichzelf 'president van de wereld en het heelal'.
Na zijn Dada periode studeerde hij bij Walter Gropius in het Bauhaus. In 1920 gaat hij als journalist naar Hamburg. In de jaren dertig werd hij wegens zijn voorliefde voor mythologie ten onrechte voor een nazi gehouden.

Johannes Baader als dadaïst blijft een onbekende als gevolg van de vernietiging van een groot deel van zijn manuscripten en collages. Voor hij Berlijn verlaat ze vertrouwt hij ze aan een vriend toe. In 1939, werd het huis waar ze verstopt waren, geplunderd door het Rode Leger. De documenten zijn wel in Berlijn bewaard gebleven tijdens de vernietiging van de hoofdstad.

Wat dada is weten niet eens de dadaïsten, maar alleen de opperdada en die vertelt het aan niemand.


xxx


Johannes Theodor Baargeld

Baargeld [pseudoniem van Alfred Emanuel Ferdinand Gruenwald] werd op 9 oktober 1892 in Stettin geboren. Hij groeide op in Keulen. Na het gymnasium, studeerde hij van 1912 tot 1913 rechten en economie in Oxford en daarna aan de universiteit in Bonn. Toen de oorlog in 1914 uitbrak diende hij in het leger als reserve luitenant. In 1917 begon hij lyrische en politieke teksten voor het blad van Pfemfert Die Aktion. te schrijven. In 1918 werd Baargeld lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij Duitsland (USPD).
Samen met Max Ernst, richtte Baargeld, die zich ook 'Zentrodada' noemde, in Keulen een Dada-groep op. Eerder financierde hij een links georiënteerd blad Der Ventilator. De krant werd het satirisch, politiek en artistiek platform van de Keulse Dada activiteiten.
Na Der Ventilator, hield Baargeld zich, samen met Ernst, vooral bezig met publicaties zoals Bulletin D en die Schammade, a compilatie van dada activiteiten in Keulen, Parijs en Zurich. Ondanks dat zijn oorspronkelijke bijdragen voornamelijk politieke teksten en poëzie waren maakte hij, als autodidact, ook visuele kunst. Hij had een voorkeur voor niet-traditionele media zoals de collage, fotomontage, assemblage, en typografie. Zijn dadaïstische werken voorzag hij van die typische provocatieve raadselachtige teksten en uitgeknipte illustraties en foto's.

Op 17 of 18 augustus 1927 kwam Baargeld in het Montblanc-massief om het leven. Hij was toen vijfendertig jaar oud. Zijn ouders gooiden al zijn anarchistische en dadaïstische werken weg.



xxx


Marcel Duchamp [1887-1968]

Duchamp was de kleinzoon van een kunstschilder. Hij had twee broers, Raymond Duchamp-Villon en Jacques Villon, en een zus, Suzanne Duchamp, die allemaal ook kunstenaar waren. Maar in tegenstelling tot zijn familie ontwikkelde hij een ironische sceptische houding tegenover kunst. Dat leidde tot een bijzondere carrière met een opmerkelijk geringe productie.

Toen hij zestien was ging hij naar Parijs om met zijn broers kunst te studeren. Van 1905 tot1910 tekende hij cartoons voor Franse bladen. In 1911 was hij lid van een groep kunstschilders, La Section d'Or samen met Léger, Metzinger, Picaba en anderen. Hij begon zijn familie te portretteren. Daarna bleek dat hij meer geïnteresseerd was in de Kubistische stroming en thema's van het Italiaanse Futurisme. In 1912 schilderde hij: 'Naakt dat de trap af gaat No.2' dat een hit werd op de The Armory Show, die gehouden werd in de wapenopslag van het 69e Infanterieregiment van de National Guard in New York.

Hij wisselde van schilderen naar drie dimensionaal werken. Duchamp presenteerde dagelijkse voorwerpen zoals een fietswiel en een flessenrek als zogenoemde 'ready mades'. In 1915 ging hij voor de eerste keer naar New York waar hij het middelpunt werd van een groep schilders rond de 'Stieglitz' Gallery. De groep nam een 'anti-kunst' houding aan te vergelijken met de Dada-beweging in Europa. In die jaren werkte hij aan: 'La Mariée mise à nu par ses célibataires, même', dat vaak werd beschouwd als zijn enige, meest belangrijke, werk.

Met durf en zelfvertrouwen stuurde hij een pisbak getiteld 'Fountain' en gesigneerd 'R. Mutt' naar een tentoonstelling van werk van onafhankelijke kunstenaars. Ondanks dat hij zelf betrokken was bij de oprichting van de groep, werd het werk geweigerd. Hij verliet die club. Dat zelfde gebeurde bij een Dada expositie in Parijs in 1920 waar Duchamp een kleurenreproductie van de Gioconda aanbood waarop hij Mona Lisa een baard en snor gaf. Hij noemde het werk: 'L.H.O.O.Q. dat staat voor: 'Elle a chaud au cul' (Ze is geil).

Een zekere dame, Rrose Sélavy trad op als een populair lid van de New Yorkse Dada. Volgens Duchamp is Rrose in New York geboren in de zomer van 1920 toen hij behoefte had aan een andere identiteit. Die uitspraak was eigenlijk op zichzelf een ready made die hij 'Fresh Widow' noemde. Rrose Sélavy is de Engelse verbastering van C'est la vie. En eros is het leven.

Samen met Katherina Dreier richtte hij de 'Société anonyme' op om moderne kunst in Amerika te promoten. Een voorwaarde was dat het niet-traditioneel, kubistisch, futuristisch en dadaïstisch werk was.

Na 1923 keerde Duchamp terug naar Parijs. In feite stopte hij met kunst en hield zich met schaken bezig. Maar ook experimenteerde hij met 'Rotary demisphere precision optics', in samenwerking met de films van Man Ray, en maakte 'Rotoreliefs'. Dat waren ronde schijven die op de draaitafel van een grammofoon een drie dimensionaal beeld te zien gaven.

In 1942 keerde hij naar New York terug. Duchamp werd het middelpunt van inactiviteit, in het bijzonder op exposities waar zijn eigen werk ook te zien was. Zijn werk was zo controversieel, en in het algemeen zo onacceptabel voor de toenmalige autoriteiten, dat hij pas in 1963, toen hij al vijfenzeventig was, een belangrijke overzichtstentoonstelling kreeg, maar niet in New York of Parijs, maar in Pasadena.

Na zijn dood, 2 oktober 1968, vond men in zijn atelier het schilderij 'Étant données', waar hij jarenlang in het geheim aan gewerkt had.


xxx


Man Ray

Ray is geboren als Michael Emmanuel Radnitzky [1890]
Hij groeide op in Philadelphia, later in Brooklyn. In 1908 begon hij te schilderen, eerst als amateur, maar later volgde hij lessen aan de National Academy of Design, en de the Art Students League. Op een voorstel van zijn broer veranderde de hele familie in 1912 hun naam van Radnitzky in Ray. Sindsdien signeerde Michael zijn werk met Man Ray.
In 1913 verhuisde hij naar de kunstenaars kolonie in Ridgefield, New Jersey, tegenover de Hudson River bij Manhattan. Daar raakte hij geïnspireerd, maar eerder overdonderd, door het werk dat hij zag op de Internationale Tentoonstelling voor Moderne Kunst, The Armory Show, die gehouden werd in de wapenopslag van het 69e Infanterieregiment van de National Guard in New York.
Man Ray schilderde toen voornamelijk volgens het kubisme.
In 1915 schreef hij een anti-oorlogs pamflet, the Ridgefield Gazook.>Walter Arensberg, een rijke dichter en liefhebber van moderne kunst, nam Marcel Duchamp mee naar Ridgefield om Man Ray te leren kennen.

Man Ray verhuisde naar Manhattan en werd opgenomen in de kring van avant-garde kunstenaars, schrijvers en intellectuelen rond Arensberg.

In april 1920 exposeerde Ray drie werken in de eerste expositie van de Société Anonyme van Duchamp en Katherine Dreier.

In 1921 gaven ze het enige nummer van New York Dada uit. Een paar maanden later schreef hij naar Tristan Tzara dat Dada niet levensvatbaar was in NY. "Heel New York is al dada en accepteert geen concurrentie".

Nog voor hij in Parijs aankwam werden zijn schilderijen al in de Galerie Montaigne opgehangen. Zes maanden later had hij een solo-expositie in de boekhandel Librairie Six. Alle belangrijke dadaïsten in Parijs zoals Paul Eluard, Louis Aragon, en Tzara, schreven een inleiding in de catalogus.

Man Ray experimenteerde verder met fotografie, waar hij in New York mee begonnen was. Behalve dat hij al het werk van Duchamp documenteerde fotografeerde hij ook het dagelijks leven, maar dan vanuit ongebruikelijke invalshoeken.

Begin 1922 begon hij met fotogrammen te werken. Hij noemde dat 'Rayographs' of 'Rayograms'.

De fotografische experimenten van Man Ray lieten geheimzinnige, verwarrende en vaak sexueel geladen beelden zien. Ze plaatsten hem in het centrum van het Parijse surrealisme van die tijd.

De rest van zijn leven, alleen onderbroken door de Tweede Wereldoorlog, bracht hij door in Parijs, waar hij in 1976 overleden is.