Dada kunstenaars


> startpagina


 

tussen taal en beeld

# Kurt Schwitters
# Hans Arp
# Tristan Tzara
# Hugo Ball
# Richard Huelsenbeck
# Marcel Janco
# Frances Picabia
# Theo van Doesburg
# John Heartfield
# Johannes Baader
# Joh. Th. Baargeld
# Marcel Duchamp
# Man Ray



 



# André Breton
# Til Brugman
# Paul Citroen
# Max Ernst
# George Grosz
# Raoul Hausmann

# Elsa Freytag
# Emmy Hennings
# Hannah Höch
# Filippo Tommaso Marinetti
# Hans Richter
# Eric Sati



 
             
 





De eerste collage die bekend is, Hansi, doet sterk denken aan Arp's werk. De titel is ontleend aan de wikkel van 'Hansi Chocolade' waarop de collage geplakt is


Das Undbild [1919]

Schwitters zegt dat als je uit de wereld van beeldende vormen een enkel detail plukt en het uit de context haalt, een een ritme van denken ontstaat dat ook door anderen kan worden herkend als een kunstwerk.

 
Kurt Schwitters [1887-1948]

Schwitters werd in 1887 Hannover geboren.
Hij begon zijn studie aan de School voor Toegepaste Kunst in Hannover in 1908, en van1909 tot 1914 aan de Kunstacademie in Dresden.

Bij het begin van de Wereldoorlog I keerde Schwitters terug naar Hannover. Hij werd niet goedgekeurd voor militaire dienst en ging schilderen en maakte gedichten. In beide gevallen werd hij beïnvloed door het Kubisme en het Expressionisme. Hij voelde ook de invloed van de Duitse romantische traditie.

In 1918 maakte hij kennis met Herwarth Walden van de Kestner Society. Hij exposeerde twee abstracte schilderijen op een tentoonstelling in de Sturm Gallery.
In de winter van 1918 begon Schwitters abstracte assemblages en collages van gevonden materialen te maken. Hij gebruikte daarvoor distributiebonnen, touwtjes, papieren poppetjes, krantenknipsels, tramkaartjes en dat soort dingen.

Schwitters noemde zijn nieuwe schilderijen 'Merzkunst', naar een fragment van de naam 'KomMERZ und Privatbank'
Hij exposeerde zijn werk in de Sturm Gallery en schreef een programmatisch stuk in Der Sturm.
Zijn betrokkenheid bij Sturm en het voeren van een eigen merknaam zorgde ervoor dat hij meteen bij de Belijnse dadaïsten opgenomen werd en vriendschap kon sluiten met Raoul Hausmann en Hannah Höch.

Onvermoeibaar was de Merz promotie voor het populaire gedicht 'Anna Blume', dat als een poster in de straten van Hannover hing en in een speciale editie van Der Sturm gepubliceerd werd.
In 1923 lanceerde Schwitters ook een Merz Magazine. De eerste aflevering was geheel geweid aan de De Stijl-Dada Veldtocht die hij samen met Theo van Doesburg in Holland organiseerde.

In 1921 ontmoette Schwitters de Nederlandse kunstenaar Theo van Doesburg. Via van Doesburg leerde hij de schoenmaker en kunstenaar Thijs Rinsema en zijn broer Evert Rinsema uit Drachten kennen.
Samen met Thijs werkte Schwitters aan zijn collages, kistjes en doosjes.
Drachten is daarmee de plek waar in Nederland de Stijl en Dada elkaar ontmoetten.
In het voorjaar van 1923 houdt Schwitters een Dada avond in de Phoenix in Drachten.
Een kleine maar opvallende advertentie in de Drachter Courant is op een dada manier gedrukt.
Schwitters brengt bij die gelegenheid zijn 'Ur-sonate' ten gehore.

Hannah Höch was ook hecht bevriend met Kurt Schwitters. Toen ze in Den Haag woonde en met Kurt Schwitters samenwerkte, had ze een relatie met de schrijfster Til Brugman zonder dat die lesbisch genoemd mocht worden.
Behalve als een medium voor uitwisseling van ideeën tussen dadaïsten, functioneerde Merz ook als een kruispunt tussen Dada en het internationale constructivisme.

Een van de doelen van Schwitters met Merz was de totstandbrenging van een 'Gesamtkunstwerk', een geheel dat moest bestaan uit schilderijen, gedichten, beeldhouwwerken, theater en architectuur.



Rond 1923 begon hij te werken aan zijn 'Merzbau', een installatie in zijn woning in Hannover, het negentiende-eeuws huis van zijn ouders. Stukje bij beetje nam de Merzbau zijn atelier en alle andere kamers in zijn huis in beslag. Hij maakte een serie grotten die hij vulde met, van familie en vrienden geleende en gestolen, voorwerpen, verwerkt in de rest van de constructie.
De Merzbau werd een levenslang project van accumulatie en het opslaan van gedachten.

Kurt Schwitters stierf in 1948 in Kendall, Engeland.


 
         

Een recensie van Arp als een gedicht:

De aarde is niet rond
Nee, rond bestaat niet
Perfect gebalanceerd bestaat
alleen in het hoofd
Want het hoofd is rond
Rond zijn de gedachten
Er was een beeldhouwer
Een beeldhouwer met woorden
Met de aarde in zijn hoofd
Een gebalanceerde ronde aarde
Maar balans is breekbaar
door gedachten en gevoel
Gevoel maakt alles breekbaar
Toch begon de beeldhouwer
aan een beeld van de aarde
De beeldhouwer sprak woorden
Woorden werden vorm
Zo vormde sensuele lijnen
Uitgerekte lijnen van woorden
Ronde lijnen van de beeldhouwer
vervormd door de woorden van gevoel
Daarom is de aarde niet rond



Fles en vogel [1925]


Hans(Jean) Arp [1886-1966]

Jean Arp, meer bekend als Hans Arp, was een Duits-Franse beeldhouwer, schilder en dichter. Hij werd geboren op 16 september 1886 in Straatsburg, Frankrijk.
Hij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de moderne kunst en was één van de voormannen van de Dada-beweging.
Met zijn poëtische 'biomorphe' vormentaal sloeg hij een brug tussen het dadaïsme, het surrealisme en de abstracte kunst.

Hij begon zijn carrière als dichter. Later ging hij werken als schilder, beeldhouwer en graficus.
In 1908 ging hij naar de Académie Julian in Parijs. Arp was in de jaren die daarop volgden lid van verschillende kunstenaarsgroepen.

Hij was één van de initiatiefnemers bij de oprichting van de kunstbeweging Dada in Zürich. Hij was ook lid van de constructivistisch georiënteerde groep Cercle et Carré en van de Association des artistes révolutionaires.

Een bekend voorbeeld van zijn werk zijn de snippers papier die hij liet vallen en vastplakte op de plek waar ze neervielen, al hielp hij het toeval ook een handje als het mooier was om de snippers net iets anders te plaatsen. In zijn collages van papiersnippers ligt ‘toevallig’ geen enkel snippertje over een ander heen.

Eigenlijk is er over het werk van Arp alleen maar dichterlijk te schrijven.


Francois was een broer van Hans Arp. Hij beheerde de nalatenschap van zijn broer.
Maar dan is niets minder abstract dan de abstracte kunst.
Daarom kwamen Theo van Doesburg en Wassily Kandinskymet de opvatting dat abstracte kunst eigenlijk Concrete kunstmoest heten.
De werken zijn geconstrueerd met lijnen, vlakken, vormen en kleuren.
Zij willen iets bereiken voorbij de menselijke waarden en ze raken het eeuwige en het oneindige. Ze zijn een ontkenning van het menselijk egoïsme.

Concrete kunst is een elementaire, natuurlijke en gezonde kunst die de sterren van vrede, liefde en poëzie doet vonken in de hersenen van de mens. Overal waar de Concrete kunst binnenkomt verdwijnt de melancholie en sjouwt zijn grijze valiezen weg, volgestouwd met zwarte zuchten.


"Dada wil voor alles actief zijn. Het wil geen stemming, maar beroering wekken..."
Hoe geheel anders klinkt echter de regel uit een gedicht van Hans Arp, geschreven bij de dood van Theo van Doesburg:

"(Er) beisst keinen Biss mehr in einen Imbiss (vrij vertaald: hij kauwt geen kroket meer weg bij een patatkraam).

Arp is overleden op 7 juni 1966 in Bazel, Zwitserland.
 

 







To Make a Poem

Take a newspaper
Take a pair of scissors
Choose from the paper an article as long as you are planning to make your poem
Cut the article out
Next carefully cut out each of the words that make up the article and put them in a bag
Shake gently
Next take each clipping out one after another in the order in which they left the bag
Copy conscientiously
The poem will look like you
And there you are -- an infinitely original author endowed with a charming sensibility though beyond the understanding of the vulgar.

Tristan Tzara

 

 


Tristan Tzara [1895-1962]

Dichter en onvermoeibaar propagandist voor Dada.
Tristan Tzara (pseudoniem voor Samuel Rosenstock), werd geboren in een gefortuneerde Joodse familie in Roemenië (1896).
Op de middelbare school was hij bevriend met Ion Vinea en Marcel Janco, met wie hij zijn interesse in Franse poëzie deelde. Samen richtten ze het literaire tijdschrift Simbolul op, waarin Tzara, onder pseudoniem S. Samyro, een serie gedichten, in het Roemeens, publiceerde. De gedichten waren beïnvloed door het Franse symbolisme.


In 1915 sturen Tzara's ouders hem baar Zurich, waar hij op de universiteit Filosofie studeert. Zijn eerste gedicht ondertekent hij met Tristan Tzara (tzara is Roemeens voor land). Kort na zijn aankomst in Zurich, is hij volgens het dagboek van Hugo Ball, met zijn broers Janco en Georges, bij de première van het Cabaret Voltaire. In het verloop van 1916 leest Tzara in het Cabaret zijn gedichten, en die van anderen voor.
Hij organiseert verschillende Dada opvoeringen. Hij raakt, waarschijnlijk onder invloed van Richard Huelsenbeck, geïnteresseerd in Afrikaanse poëzie. De soirées nègres in het Cabaret Voltaire zijn het begin van een levenslange verzameling van Afrikaanse en Oceanische kunst.

Op 23 juli 1918, Leest Tzara het Manifest Dada in de Meise Hall van Zurich voor dat in Dada 3 gepubliceerd werd. Dit radicale dadaïstische pamflet bereikte André Breton in Parijs. Op deze manier kwam Dada en Tzara een jaar later in Parijs terecht.
Door de invloed van Tzara kreeg Dada een internationaal aandacht. Hij is beschreven als de belichaming van de verspreiding van Dada in de groep rond Breton.



Hij publiceerde Sept manifestes Dada (1924) en was redacteur van Dada, dat tot 1922 in Frankrijk verscheen.
De samenhang van de Dada beweging in Parijs verbrokkelde, Tzara publiceerde Le coeur à barbe, een krant die tegen Breton en Francis Picabia gericht was.
Hij werd lid van een avant-garde groep die in 1930 het Surrealisme aanhing. Daarmee verbrak hij in 1922 zijn relatie met Breton.

In 1937 werd hij lid van de Franse Communistische Partij en was betrokken bij het verzet tijdens WOII.
Hij schreef experimentele en anarchistische poëzie.

Tristan Tzara stierf in Paris in 1963.


 
         
 






 


Hugo Ball

Ball is geboren in 1886 in Pirmasens. deelstaat Rijnland Pals.
Hij studeerde Duitse literatuur, filosofie en historie aan de universiteiten van München en Heidelberg. In 1910, verhuisde hij naar Berlijn om toneelspeler te worden.
Hij werkte samen met Max Reinhardt als directeur en regisseur bij verschillende theatergroepen in Berlijn, Plauen, and München.
Hij begon ook te schrijven voor verschillende expressionistische tijdschriften zoals Die Neue Kunst en Die Aktion, die wat stijl, vorm en inhoud betreft vooruit liepen op de latere dada tijdschriften.

Vlak na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog emigreerde hij samen met Emmy Hennings, een cabaret zangeres die hij in München ontmoet had en met wie hij in 1920 trouwde, naar Zurich in Zwitserland.



In februari 1916 richtte hij 'Cabaret Voltaire' in the Spiegelgasse op.
Daar kwam hij samen met Hans Arp, Marcel Janco, Tristan Tzara, en later Richard Huelsenbeck en Walter Serner.

In zijn autobiografische dagboek Die Flucht aus der Zeit beschrijft Hugo Ball zijn bekering tot het katholicisme aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog en zijn aandeel in de opkomst van Dada

In juli 1916 verliet Ball de Dada groep in Zurich om te herstellen in de Zwitserse bergen.
Hij kwam januari 1917 terug om Galerie Dada te helpen organiseren. De expositieruimte werd in maart geopend. In de Galerie werden lezingen, performances, dansavonden, weekend soirées, en rondleidingen gehouden.
Hoewel Ball de educatieve doelen van de Galerie steunde, was hij het niet eens met de ambitie van Tzara om er een internationale beweging met een systematische dada doctrine van te maken.
Hij verliet Zurich in mei 1917 en nam niet meer deel aan de dada activiteiten.

Hugo Ball overleed in Sant Abbondio, Zwitserland, 14 september 1927.


 
 



Huelsenbeck [links] met Raoul Hausmann in de Dada Almanach [1920]



 


Richard Huelsenbeck

Huelsenbeck werd in 1892 geboren.
In 1912 ging hij naar München waar hij medicijnen studeerde voor hij zijn studie Duitse literatuur en Kunst begon. Hij ontmoette daar Hugo Ball, die een betekenisvolle invloed op zijn intellectuele ontwikkeling had.
Toen Huelsenbeck een semester filosofie aan de Sorbonne volgde schreef hij als Parijse correspondent voor het blad Revolution, dat door Ball en diens vriend Hans Leybold opgericht was.

In 1914 volgde hij Ball naar Berlijn, waar hij verder ging met zijn studie Duitse literatuur. Hij publiceerde gedichten, essays en boekrecensies voor Die Aktion.
Huelsenbeck en Ball kwamen steeds meer in opstand tegen de oorlog en de opkomst van het Duits Nationalisme. In de lente van 1915, organiseerden ze verschillende protestbijeenkomsten tegen de oorlog waarbij ze de gesneuvelde dichters herdachten.
De deelnemers verwachtten een eenvoudige herdenking en waren geschokt toen Huelsenbeck 'Negro' gedichten ging voordragen.

Op verzoek van Ball kwam Huelsenbeck naar Zurich om mee te doen in het Cabaret Voltaire.
Ball schreef in zijn dagboek:
"Huelsenbeck wilde een sterker Neger ritme. Het liefst wilde hij literatuur de grond in stampen. In zijn gedichten viel hij de kerk, het vaderland en de canon van de Duitse Literatuur van Schiller en Goethe, aan. Zijn optreden werd meestal begeleid door grote drums, geschreeuw, gefluit en lachsalvo's.

Na het vertrek van Ball uit Zurich in 1916 kreeg Huelsenbeck maagklachten en sprak steeds over zijn terugkeer naar Duitsland. Begin 1917 was hij terug in Berlijn, waar hij de organisator, promotor en historicus van Dada werd. Hij hield voordrachten en bracht een manifest uit.
Hij stelde de Dada Almanach, en het eerste Dada overzicht, En avant Dada, samen.
Hij gaf ook de 'Historie van het Dadaïsme' uit. Daarmee gaf hij aan dat het Dadaïsme afgelopen was.

Gedurende al zijn Dada jaren bleef hij medicijnen studeren en bracht die in 1920 ook in praktijk. Maar hij ambieerde ook een carrière in de journalistiek. Hij werd correspondent voor verschillende Berlijnse kranten en schreef populaire verslagen over zijn reizen als scheepsarts. In 1939 begon hij een praktijk voor geneeskunde en psychiatrie in Long Island, New York, onder de naam Charles R. Hulbeck.

Zijn 'Memoirs of a Dada Drummer', geschreven in 1969, geeft een levendig overzicht van al zijn Dada belevenissen.

Richard Huelsenbeck stierf in 1974 in Minusio, Zwitserland.
 
 




Dobbelen [1924]

In veel stillevens van Janco komen dobbelsten voor.


 

Marcel Janco [1895-1984]

Janco werd als Marcel Lancu in 1895 in Boekarest geboren.
Hij kreeg tekenlessen van de Joodse kunstenaar Iosif Iser [1881-1958] die met André Derain en Constantin Brancusi in Parijs gewerkt had.
Janco maakte tekeningen en deed de lay-out voor Simbolul, een tijdschrift dat uitgegeven werd door twee vrienden van de middelbare school, Ion Iovanaki, die later bekend werd als Ion Vinea, en Samy Rosenstock die zich Tristan Tzara ging noemen.


In 1914 verhuisde Janco naar Zurich om wis- en natuurkunde te studeren aan de Eidgenössische Technische Hochschule (ETH). Een jaar later besloot hij architectuur te gaan studeren, ook aan de ETH, samen met Karl Moser. In Zurich zette hij zijn vriendschap met Tristan Tzara en Hans Arp voort.

Samen met de hele groep kunstenaars, Arp, Tzara, Huelsenbeck, Ball en zijn vrouw Emmy Hennings, deed hij mee bij de opening van het beroemde Cabaret Voltaire. Hij gaf meteen zijn eerste voorstelling en een jaar later exposeerde hij in de Dada galerie samen met Arp, Giorgio de Chirico, Paul Klee, and Tzara.

In 1918 werd hij lid van 'Das Neue Leben', een groep kunstenaars Basel waar Arp, Fritz Baumann, Augusto Giacometti, Oscar Lüthy, Otto Morach, en Sophie Täuber ook lid van waren.
Na een ruzie met Tzara, stichtte hij de 'Radikale Künstler'. Ze hadden een groepsexpositie in het museum in Zurich waar Janco abstracte reliefs in de muren maakte.


In december 1921 ging hij naar Parijs en Béthune en korte tijd later keerde hij, samen met zijn broer Jules, terug naar Bukarest. Daar opende hij 1922, het Bureau voor Moderne Studies, een architectuur studio.
Dat zelfde jaar werd hij artistiek directeur en redacteur van Contimporanul, een uitgave van Ion Vinea. Het tijdschrift werd het meest belangrijke avant-garde tijdschrift van Roemenië.


Janco hielp Vinea en M.H. Maxy bij de organisatie van the First International Art Exhibition of Contimporanul, in Bukarest [1924]
Behalve voor Contimporanul, werkte Janco ook voor verschillende andere tijdschriften zoals het avant-garde magazine Punct.

Volgens Marcel Janco was het dat alleen de daad van het abstraheren de kunst kon bevrijden van een 'sentimentele slavernij'. Abstractie zou een einde maken aan het gif van de 'zuivere Hoge kunst', 'net zoals SO4H2 vlooien doodt' (Marcel Janco: 'TSF Dialogue entre le bourgeois mort et l'apòtre de la vie nouvelle.1925)

Na zijn Dada jaren werkte Janco als architect.
Hij emigreerde naar Palestina in 1941, samen met zijn tweede vrouw Medi en hun twee dochters. Daar werkte hij aan de restauratie van monumenten. In 1953, richtte hij de kunstenaars kibboets Ein Hod op.


Marcel Janco stierf in 1984 in Israël.

 
 






Stilleven / Picabia



het cacodylate oog / Picabia [1921]

 


Francis Picabia (ook wel genoemd: Carefoot, Pharamousse)

Picabia werd in Parijs geboren [1879]
Hij was al vroeg van plan om kunstschilder te worden en ging in 1895 naar de 'Ecole des Arts Decoratifs'. Eerst schilderde hij Spaanse figuristische landschappen maar rond 1902 kwam hij onder de invloed van de post-impressionistische schilders Alfred Sisley en Camille Pissarro en volgde die stijl. Maar later experimenteerde hij met verschillende combinaties van kubisme, fauvisme, en orphisme.
In 1913 kon hij zich financieel permitteren zijn werk in The Armory Show, die gehouden werd in de wapenopslag van het 69e Infanterieregiment van de National Guard in New York, op te hangen. Zijn abstracte werk en radicale esthetische theorieën trokken veel aandacht.


Na de Eerste Wereldoorlog pendelde Picabia tussen Europa en New York. Tijdens een verblijf in Barcelona in 1917, publiceerde hij de eerste editie van het tijdschrift 391, als een hommage aan Stieglitz' 291.
Na een bezoek aan Zurich waar hij samen met Tristan Tzara Dada 4-5 schreef kwam het achtste nummer van 391 uit.
Picabia keerde terug naar Parijs waar hij de belangrijkste Dada protagonist was.


Dochter zonder moeder geboren / Picabia [1917]

Zijn mechano-morphische schilderijen waren de zichtbare identiteit van dadaïstische kunst in Parijs. Daarmee werd de algemene controverse en opwinding van al zijn dadaïstische activiteiten duidelijk.
Zelfs voor dat L'Oeil cacodylate, een gemeenschappelijk kunstwerk van handtekeningen en graffiti van meer dan vijftig vrienden en kunstenaars van Picabia, in 1921 te zien was deden berichten over de provocerende bedoelingen ervan de ronde.

Na die tijd kreeg Picabia langzamerhand genoeg van het gekibbel van de Parijse dadaïsten, voornamelijk van de ruzies tussen Tzara en André Breton, dat hij een serie artikelen schreef in een speciaal nummer van 391 waarin hij afstand van de beweging. Daarmee beledigde hij Tzara en Breton enorm.
In de jaren twintig en dertig ging, hij met uitzondering van één serie abstract werk, voornamelijk figuratief schilderen.

Francis Picabia stierf in 1953 in Parijs.



Gabriëlla Buffet-Picabia

Gabriëlla Buffet is geboren in Fontainebleau in 1881 en overleden in Parijs in 1985
Ze was een intelligente componist en bevriend met de componist Edgar Varèze. Ze had veel invloed op de kunst van Francis Picabia en trouwt in 1909 met hem. Voor Picabia was ze zijn intellectuele mentor, observatrice, leidster en communicatiemedewerker.
Ze inspireert ook Marcel Duchamp, Guillaume Apollinaire en later Igor Stravinsky. Zij had veel connecties in het avant-garde milieu. Maar gedurende haar lange leven zal ze in de schaduw van de publiciteit blijven.

De huwelijksreis ging eerst naar Saint-Tropez en na een maand naar Sevilla. Het echtpaar Picabia woonde in een atelierwoning in de Rue de Lille en op 18 januari 1910 werd daar dochter Laure Marie Cataline geboren. In februari 1911 verhuisde het gezin Picabia van de Avenue Tourville 19 naar de Avenue Charles Floquet 32, waar op 28 februari 1911 zoon Pancho Gabriel François werd geboren.
In mei 1913 keerden ze naar Parijs terug, waar op 18 juni 1913 dochter Gabrielle Cécile, roepnaam Jeannine, werd geboren. In november 1913 brachten Picabia, Gabrielle en Marcel Duchamp voor het eerst een bezoek aan Gertrude Stein.

Aan het begin van de eerste wereldoorlog werd Picabia chauffeur van de Franse generaal Boissons, die een oude vriend van zijn schoonvader was. Gabrielle ging het Rode Kruis helpen. Na de Duitse doorbraak verplaatste de regering zich naar Bordeaux en de generaal en zijn chauffeur ook. Met hulp van zijn oom werd Picabia op een militaire missie naar Cuba gestuurd in verband met het inkopen van rietsuikerstroop. Op 27 mei 1915 vertrok Picabia met de Espagne naar New York. Marcel Duchamp, die op 15 juni was aangekomen, richtte samen met Picabia in 1915 een Dada-groep op. Gabrielle, die de kinderen had achtergelaten in Gstaad, kwam denkelijk in oktober 1915 ook naar New York en haalde Picabia over toch naar Cuba te gaan. Na het afsluiten van de militaire missie in Cuba keerden Picabia en Gabrielle in december 1915 terug naar New York.
In juni 1916 kwamen de Picabia's vanuit New York met de Canopic naar Algeciras. De Picabia's vestigden zich in Barcelona. Terwijl Gabrielle naar Gstaad ging om de kinderen op te halen, bracht Picabia veel tijd door met Marie Laurencin.
In september 1917 gingen Picabia en zijn vrouw Gaby Buffet tijdelijk uit elkaar. Picabia ging naar Spanje en Gaby naar haar kinderen in Frankrijk.
In 1918 verbleef Picabia enige maanden in Zwitserland. Hij pendelde tussen zijn vrouw Gaby, die met de kinderen in Gstaad woonde, en zijn nieuwe liefde Germaine Everling, die in Lausanne verbleef. Later woonde iedereen in hetzelfde hotel. Op 15 september 1919 werd bij Gaby Picabia's vierde kind (Vincent) geboren. Germaine Everling verwachtte in januari ook een kind van Picabia.

In 1932 werd Germaine zich bewust dat haar plaats naast Picabia werd overgenomen door Olga Mohler en probeerde zij werk te vinden voor een onafhankelijk bestaan. Eind 1932 leefden Olga en Picabia samen.
Gabriëlle beschrijft in haar boek 'Aires Abstraites' het werk van de Dada-beweging in New York.
Over haar echtgenoot schrijft ze: “Rond 1940 schilderde Francis Picabia merkwaardige schilderijen”, het waren een soort pin-ups. Dat noemde hij zijn peinture alimentaire, zijn levensmiddelenkunst. In de oorlog had hij namelijk geld nodig voor de dagelijkse maaltijd. De sultan van Marokko heeft veel van zijn erotische schilderijen gekocht om in zijn harem op te hangen. Voor hem heeft hij ze speciaal gemaakt."


 
       
 



Theo van Doesburg en Nelly van Doesburg (Pétro) [1923]










Untitled / van Doesburg [1922]

 


Theo van Doesburg 

Christian Emil Marie Küpper werd op 30 augustus 1883 in Utrecht geboren. Zijn moeder werd door de fotograaf Küpper in de steek gelaten en zij hertrouwde met de Amsterdammer Theodorus Doesburg. Christian liet zich al op jeugdige leeftijd Theo van Doesburg noemen. Hij zou deze naam zijn verdere leven blijven gebruiken.
De jonge Theo van Doesburg volgde aanvankelijk toneellessen, maar voor zijn twintigste jaar was hij al vastbesloten zowel schrijver als schilder te worden.
In 1908 had hij zijn eerste grote expositie in de Haagse Kunstkring. Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam hij nog deel aan de 'Salon des Indépendants' in Parijs.


Theo van Doesburg publiceerde vanaf 1912 regelmatig literair en kritisch proza in het weekblad Eenheid, dat een klankbord wilde zijn voor de meest uiteenlopende maatschappelijke en geestelijke stromingen.
Agnita Feis, met wie Van Doesburg in 1910 was gehuwd, debuteerde een jaar later in hetzelfde blad. In de jaren daarna worden Van Doesburgs publicatiemogelijkheden vergroot doordat hij dan ook gaat meewerken aan het dagblad De Avondpost en het weekblad De Controleur.



Theo van Doesburg in dienst, naast hem Evert Rinsema met fiets


In militaire dienst ontmoet Van Doesburg de Friese schoenmaker en schrijver Evert Rinsema uit Drachten. De overlevering wil dat Van Doesburg hem leerde kennen omdat hij geïntrigeerd raakte door het feit dat de compagnie-schoenmaker Socrates las. Het typeert Van Doesburg, oorlog of geen oorlog, hij koos zijn eigen vrienden. En met succes: met Rinsema sloot hij een vriendschap voor het leven, zoals hij dat ook deed met Antony Kok en de vrouw die zijn Muze werd, Helena Milius.

Theo van Doesburg, gaf in 1916 zijn eerste college over moderne kunst. Daarin liet hij zien dat kunst de samenleving naar een hoger spiritueel koninkrijk kon brengen waar de tegenstellingen tussen politiek en economie opgelost zouden zijn.
Tussen 1916 en 1917 formuleerde Van Doesburg een kunstopvatting waarin een soort coöperatie van architectuur en de kunsten een nieuwe universele en transcendale stijl zou ontstaan gebaseerd op vereenvoudigde geometrische elementen.
Hij verspreidde van zijn ideeën door middel van zijn invloedrijke tijdschrift De Stijl, en in 1918 richtte hij met Piet Mondriaan en anderen, de kunstenaarsgroep onder diezelfde naam op.



Theo van Doesburg en Nelly van Doesburg in hun atelier [1923]

Dada kwam in december 1919 voor het eerst voor in De Stijl, toen Van Doesburg gewag maakte van zijn opvatting over de Dada uitgangspunten zoals geformuleerd door Tristan Tzara. In februari publiceerde hij een citaat uit het 'Manifeste Dada 1918'.
Van Doesburg ging naar Parijs, waar hij en Mondriaan Dada soirees en exposities met werk van de Parijse Dada-groep bezocht. Die bestond toen uit: Jean Crotti, Suzanne Duchamp, Francis Picabia en Georges Ribemont-Dessaignes. In 1920 maakte Van Doesburg kennis met Dada groepen in Berlijn en Parijs en ontving tekstmateriaal van Richard Huelsenbeck en Picabia, dat hij gebruikte voor een artikel in De Nieuwe Amsterdammer (mei 1920) waarin hij de Dada ideologie in Nederland presenteerde.
In dat jaar schreef hij onder het pseudoniem I.K. Bonset Dada-gedichten en maakte collages voor De Stijl.

In 1922 zette hij het Dada tijdschrift Mécano op, waarin hij zelf als kunst- en literair uitgever onder de naam Bonset optrad.

In Den Haag wilde Theo ook een Dada-congres organiseren en nodigde zijn dadaïstische vrienden Hans Arp, Francis Picabia, Georges Ribemont-Dessaignes en Tristan Tzara uit. Alleen Kurt Schwitters kwam omdat hij die winter toch in Rotterdam moest zijn voor een tentoonstelling.
De Dada-veldtocht bestond uit een reeks Dada soirees en één Dada matinee.

In 1923 organiseerde Van Doesburg met Kurt Schwitters een Dada Veldtocht door Holland.

Dada was in Nederland nog onbekend.

Het publiek kwam dus tamelijk onbevangen naar de eerste Dada soiree in Den Haag op 10 januari. Toen Schwitters vanuit de zaal begon te blaffen was het publiek geschokt. De pers sprak er schande van en dat zorgde er weer voor dat iedereen erbij wilde zijn.
Theater Bellevue in Amsterdam was afgeladen en men betaalde hoge prijzen om binnen te komen. Men verwachtte provocatie en veel tumult. Tijdens Van Doesburgs voordracht begon het publiek zelf al te blaffen, te kraaien en te miauwen, waardoor Schwitters in Amsterdam zijn mond maar hield. Eveneens in Amsterdam werd Nelly van Moorsel onder luid gebrul een boeket bloemen aangeboden en Huszars 'Simultaneïstisch-méchanische dans' door een 'Hup Ajax!' beantwoord.
Het was geweldig dat in Utrecht, het publiek plotsklaps ophield toeschouwer te zijn en als wurmen het toneel op kropen. Dada kreeg een verweerde grafkrans aangeboden en er kwam een hele groentenstal op het podium.


De ideeën voor de veldtocht leidden tot succesvolle Mécano soirees in Weimar tijdens het International Congress of Constructivists and Dada, en andere avonden in Jena en Hannover. De Dada veldtocht in Holland kwam in een twaalftal steden. Het was de bedoeling Dada voor een geïnteresseerd publiek te introduceren. Het werd in samenwerking met plaatselijke kunstenaars georganiseerd. Van Doesburg's pamflet 'Wat is Dada?', was na de voorstelling te koop.

Na de Dada veldtocht verdampte de aandacht voor Dada snel. Van Doesburg ging wel door met publicaties in De Stijl. In 1931, het jaar waarin hij stierf, bracht hij nog een nieuw tijdschrift uit, Art concret, dat gewijd was aan een zoektocht naar een universele vorm. Het laatste nummer van De Stijl, ter nagedachtenis van Van Doesburg, verscheen in januari 1932.

 
         




zelfportret met politiecommissaris



DADA-Amerika


John Heartfield

John Heartfield werd geboren als Helmut Franz Josef Herzfeld [1891].
In 1905 studeerde hij aan de Koninklijke Beierse School voor Toegepaste Kunst. Dat was in die tijd het centrum van Duitse kunst in München. In 1914 kreeg hij de eerste prijs voor het ontwerpen van een muurschildering in Keulen. Dat jaar werd hij ook opgeroepen voor militaire dienst. Als protest tegen het Duitse anti Engelse- oorlogszucht 'John Heartfield'.


Wieland Herzfelde en John Heartfield publiceerdenregelmatig hun pacifistische inzichten in het tijdschrift Neue Jugend. [1916] In 1917 hielp Heartfield zijn broer met het oprichten van de Malik uitgeversgroep.
Hoewel Heartfield officeel tijdens de oorlog verbonden was aan de Militaire Educatieve Filmdienst, later genoemd UFA, waar hij animatie propagandafilms maakte, keerde hij zich toch tegen het heersende regime.

Na de Russische revolutie in 1917 werd hij lid van de pas opgerichte Duitse Communistische Partij en sloot zich aan bij de Berlijnse Dada Club. Vanwege zijn betrokkenheid stond het bekend als 'Dadamonteur'. Hij droeg steeds blauwe overalls bij zijn werk met fotomontages. Hij toonde daarmee een verbondenheid met de fabrieksarbeiders. Hij was mederedacteur van het blad: Jedermann sein eigner Fussball, dat bij het verschijnen van het eerste nummer meteen verboden werd wegen de 'ontvlambare' inhoud. Samen met George Grosz, richtte hij het satirische politieke tijdschrft Die Pleite op. Het was een combinatie van sociaal kritische reportages en karikaturen, meestal van de hand van Grosz. In 1919 raakte Heartfield bevriend met Otto Dix. Heartfield and Grosz publiceerden in 1920 een artikel 'Der Kunstlump' in Der Gegner. Door dat stuk ontstond een verhitte discussie over de rol van de schone kunsten en de proletarische kunst.


Heartfield hielp de eerste Internationale Dada Beurs, die op 1 april 1920 opende. Heartfield ontwierp de catalogus.
Na zijn bemoeienis met de Berlijnse Dada ontwierp Heartfield boekomslagen en verzorgde de typografie en werkte hij voor de Duitse Kommunistische Partij als redacteur en designer. In 1930 begon hij politieke fotomontages te maken voor de populaire communistische krant de Arbeiter Illustrierte Zeitung, Met zijn anti-Nazi montages ging hij door toen hij na 1933 naar Praag vluchtte. Tien de Nazis Tsjecho-Slowakije binnenvielen vluchtte hij naar Engeland. Hij ging in 1951 terug naar zijn broer in de DDR.

John Heartfield stierf op 26 april 1968 in Berlijn, West Duitsland.






Johannes Baader

Baaders is 22 juni 1875 in Stuttgart geboren. Hij was architect en schrijver. Op 15 januari 1955 is hij in Slot Adelsdorf, Beieren gestorven.
Na zijn studie architectuur aan de Nationale School van Stuttgart en een stage als bouwkundige en metselaar, werkt Baader als lid van de Unie van kunstenaars aan het monumentale grafsculptuur van Dresden.

Voor militaire dienst is hij ongeschikt wegens manisch-depressieviteit.
In 1914 schreef hij 'Veertien brieven aan Christus', waarin hij zich uitgeeft als diens reïncarnatie. Hij gaf een verklaring over de oorlog, stuurde die naar Wilhelm II en verbood hem om de strijd voort te zetten. Hij kreeg twee jaar gevangenisstraf. Hij maakt tekeningen met utopische, messiaanse metafysische en monumentale proporties, die hij 'spirituele architectuur' noemt.
Hij ontmoet Raoul Hausmann en in 1917 richten ze samen het tijdschrift 'Der Dada' op en leiden spectaculaire acties zoals het starten van een 'kerk-heiligdom' om deserteurs te beschermen. Eind 1918 verschijnt het manifest 'AK12', waarin hij een parallel trekt tussen de verzen van de Apocalyps en de datum van de wapenstilstand en de nederlaag van Duitsland. Hij roept zichzelf uit als 'Oberdada, veroorzaakt een schandaal door in de kathedraal van Berlijn 'Christus ist euch Wurst' voor te dragen. Hij werd gearresteerd voor godslastering, maar beriep zich op zijn recht op de vrijheid van meningsuiting.

In 1919 kondigt hij met Hausmann, de geboorte van de republiek dadaïstische Nikolassee aan.
In reactie op het Verdrag van Versailles [28 juni 1919] publiceert hij het 'Buch des Weltfriedens van Oberdada-Handbuch'. Tijdens de oprichting van de Republiek van Weimar, strooit hij folders tegen de 'Weimar dadaïsten' in de Nationale Assemblee en noemt zichzelf 'president van de wereld en het heelal'.
Na zijn Dada periode studeerde hij bij Walter Gropius in het Bauhaus. In 1920 gaat hij als journalist naar Hamburg. In de jaren dertig werd hij wegens zijn voorliefde voor mythologie ten onrechte voor een nazi gehouden.

Johannes Baader als dadaïst blijft een onbekende als gevolg van de vernietiging van een groot deel van zijn manuscripten en collages. Voor hij Berlijn verlaat ze vertrouwt hij ze aan een vriend toe. In 1939, werd het huis waar ze verstopt waren, geplunderd door het Rode Leger. De documenten zijn wel in Berlijn bewaard gebleven tijdens de vernietiging van de hoofdstad.

Wat dada is weten niet eens de dadaïsten, maar alleen de opperdada en die vertelt het aan niemand.






Johannes Theodor Baargeld

Baargeld [pseudoniem van Alfred Emanuel Ferdinand Gruenwald] werd op 9 oktober 1892 in Stettin geboren.
Hij groeide op in Keulen. Na het gymnasium, studeerde hij van 1912 tot 1913 rechten en economie in Oxford en daarna aan de universiteit in Bonn.

Toen de oorlog in 1914 uitbrak diende hij in het leger als reserve luitenant. In 1917 begon hij lyrische en politieke teksten voor het blad van Pfemfert Die Aktion. te schrijven.
In 1918 werd Baargeld lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij Duitsland (USPD).
Samen met Max Ernst, richtte Baargeld, die zich ook 'Zentrodada' noemde, in Keulen een Dada-groep op.
Eerder financierde hij een links georiënteerd blad Der Ventilator. De krant werd het satirisch, politiek en artistiek platform van de Keulse Dada activiteiten.
Na Der Ventilator, hield Baargeld zich, samen met Ernst, vooral bezig met publicaties zoals Bulletin D en die Schammade, a compilatie van dada activiteiten in Keulen, Parijs en Zurich.

Ondanks dat zijn oorspronkelijke bijdragen voornamelijk politieke teksten en poëzie waren maakte hij, als autodidact, ook visuele kunst.
Hij had een voorkeur voor niet-traditionele media zoals de collage, fotomontage, assemblage, en typografie.
Zijn dadaïstische werken voorzag hij van die typische provocatieve raadselachtige teksten en uitgeknipte illustraties en foto's.

Op 17 of 18 augustus 1927 kwam Baargeld in het Montblanc-massief om het leven. Hij was toen vijfendertig jaar oud.
Zijn ouders gooiden al zijn anarchistische en dadaïstische werken weg.







Naakt daalt de trap af (1912)



Fountain (1917)


Weduwe van een wielrenner


Marcel Duchamp [1887-1968]

Duchamp was de kleinzoon van een kunstschilder. Hij had twee broers, Raymond Duchamp-Villon en Jacques Villon, en een zus, Suzanne Duchamp, die allemaal ook kunstenaar waren. Maar in tegenstelling tot zijn familie ontwikkelde hij een ironische sceptische houding tegenover kunst. Dat leidde tot een bijzondere carrière met een opmerkelijk geringe productie.

Toen hij zestien was ging hij naar Parijs om met zijn broers kunst te studeren. Van 1905 tot1910 tekende hij cartoons voor Franse bladen. In 1911 was hij lid van een groep kunstschilders, La Section d'Or samen met Léger, Metzinger, Picaba en anderen. Hij begon zijn familie te portretteren. Daarna bleek dat hij meer geïnteresseerd was in de Kubistische stroming en thema's van het Italiaanse Futurisme. In 1912 schilderde hij: 'Naakt dat de trap af gaat No.2' dat een hit werd op de The Armory Show, die gehouden werd in de wapenopslag van het 69e Infanterieregiment van de National Guard in New York.

Hij wisselde van schilderen naar drie dimensionaal werken. Duchamp presenteerde dagelijkse voorwerpen zoals een fietswiel en een flessenrek als zogenoemde 'ready mades'. In 1915 ging hij voor de eerste keer naar New York waar hij het middelpunt werd van een groep schilders rond de 'Stieglitz' Gallery. De groep nam een 'anti-kunst' houding aan te vergelijken met de Dada-beweging in Europa. In die jaren werkte hij aan: 'La Mariée mise à nu par ses célibataires, même', dat vaak werd beschouwd als zijn enige, meest belangrijke, werk.

Met durf en zelfvertrouwen stuurde hij een pisbak getiteld 'Fountain' en gesigneerd 'R. Mutt' naar een tentoonstelling van werk van onafhankelijke kunstenaars. Ondanks dat hij zelf betrokken was bij de oprichting van de groep, werd het werk geweigerd. Hij verliet die club.

Wie heeft het gedaan?

Overigens is het nooit zeker geworden dat Duchamp de maker / bedenker van het werk was. In het kunsttijdschrift 'See All This' is beschreven dat The Fountain gemaakt is door de Dadakunstenares barones Elise von Freitag-Loringhoven.
In ieder geval is de mystificatie, door Duchamp de wereld in gestuurd, een reden om nog eens na te denken over verwisselbare kunst. Wie 'maakt' een Piece of Art of wie bedenkt een 'concept'.
Voor het tweede nummer van The Blind Man werd een foto gemaakt door Alfred Stieglitz. Zo is de gebeurtenis weergegeven en voor de toekomst bewaard gebleven.

Dat zelfde gebeurde bij een Dada expositie in Parijs in 1920 waar Duchamp een kleurenreproductie van de Gioconda aanbood waarop hij Mona Lisa een baard en snor gaf. Hij noemde het werk: 'L.H.O.O.Q. dat staat voor: 'Elle a chaud au cul' (Ze is geil).

Een zekere dame, Rrose Sélavy trad op als een populair lid van de New Yorkse Dada. Volgens Duchamp is Rrose in New York geboren in de zomer van 1920 toen hij behoefte had aan een andere identiteit. Die uitspraak was eigenlijk op zichzelf een ready made die hij 'Fresh Widow' noemde. Rrose Sélavy is de Engelse verbastering van C'est la vie. En eros is het leven.

Samen met Katherina Dreier richtte hij de 'Société anonyme' op om moderne kunst in Amerika te promoten. Een voorwaarde was dat het niet-traditioneel, kubistisch, futuristisch en dadaïstisch werk was.

Na 1923 keerde Duchamp terug naar Parijs. In feite stopte hij met kunst en hield zich met schaken bezig. Maar ook experimenteerde hij met 'Rotary demisphere precision optics', in samenwerking met de films van Man Ray, en maakte 'Rotoreliefs'. Dat waren ronde schijven die op de draaitafel van een grammofoon een drie dimensionaal beeld te zien gaven.

In 1942 keerde hij naar New York terug. Duchamp werd het middelpunt van inactiviteit, in het bijzonder op exposities waar zijn eigen werk ook te zien was. Zijn werk was zo controversieel, en in het algemeen zo onacceptabel voor de toenmalige autoriteiten, dat hij pas in 1963, toen hij al vijfenzeventig was, een belangrijke overzichtstentoonstelling kreeg, maar niet in New York of Parijs, maar in Pasadena.

Na zijn dood, 2 oktober 1968, vond men in zijn atelier het schilderij 'Étant données', waar hij jarenlang in het geheim aan gewerkt had.







le violon d'Íngres / de vriendin van Ray, Kiki de Montparnasse (1924)


The Gift (1921)


Man Ray

Ray is geboren als Michael Emmanuel Radnitzky [1890]
Hij groeide op in Philadelphia, later in Brooklyn. In 1908 begon hij te schilderen, eerst als amateur, maar later volgde hij lessen aan de National Academy of Design, en de the Art Students League.
Op een voorstel van zijn broer veranderde de hele familie in 1912 hun naam van Radnitzky in Ray. Sindsdien signeerde Michael zijn werk met Man Ray.
In 1913 verhuisde hij naar de kunstenaars kolonie in Ridgefield, New Jersey, tegenover de Hudson River bij Manhattan. Daar raakte hij geïnspireerd, maar eerder overdonderd, door het werk dat hij zag op de Internationale Tentoonstelling voor Moderne Kunst, The Armory Show, die gehouden werd in de wapenopslag van het 69e Infanterieregiment van de National Guard in New York.

Man Ray schilderde toen voornamelijk volgens het kubisme.
In 1915 schreef hij een anti-oorlogs pamflet, the Ridgefield Gazook.
Walter Arensberg, een rijke dichter en liefhebber van moderne kunst, nam Marcel Duchamp mee naar Ridgefield om Man Ray te leren kennen.


Man Ray verhuisde naar Manhattan en werd opgenomen in de kring van avant-garde kunstenaars, schrijvers en intellectuelen rond Arensberg.

In april 1920 exposeerde Ray drie werken in de eerste expositie van de Société Anonyme van Duchamp en Katherine Dreier.
In 1921 gaven ze het enige nummer van New York Dada uit. Een paar maanden later schreef hij naar Tristan Tzara dat Dada niet levensvatbaar was in NY. "Heel New York is al dada en accepteert geen concurrentie".
Nog voor hij in Parijs aankwam werden zijn schilderijen al in de Galerie Montaigne opgehangen.
Zes maanden later had hij een solo-expositie in de boekhandel Librairie Six. Alle belangrijke dadaïsten in Parijs zoals Paul Eluard, Louis Aragon, en Tzara, schreven een inleiding in de catalogus.


Man Ray experimenteerde verder met fotografie, waar hij in New York mee begonnen was. Behalve dat hij al het werk van Duchamp documenteerde fotografeerde hij ook het dagelijks leven, maar dan vanuit ongebruikelijke invalshoeken.
Begin 1922 begon hij met fotogrammen te werken. Hij noemde dat 'Rayographs' of 'Rayograms'.
De fotografische experimenten van Man Ray lieten geheimzinnige, verwarrende en vaak sexueel geladen beelden zien. Ze plaatsten hem in het centrum van het Parijse surrealisme van die tijd.

De rest van zijn leven, alleen onderbroken door de Tweede Wereldoorlog, bracht hij door in Parijs, waar hij in 1976 overleden is.







Manifeste du Surrealisme en Poisson Soluble is geschreven door Andre Breton en gepubliceerd in 1924. / ill. van Max Ernst frottage-werk op de frontispice.




André Breton

De Franse schrijver André Breton werd in februari 1896 geboren in Tinchebray. Hij studeerde medicijnen. Schrijver Paul Valéry, de schilder Gustave Moreau en de geschriften van Guilliaume Apollinaire waren van groot belang voor zijn ontwikkeling.
Hij werd in 1916 lid van de Dadabeweging, maar al snel bezocht de eerste surrealistische bijeenkomsten.

André Breton kwam via Apollinaire in contact met de schilders Giorgio de Chirico, André Derain en Pablo Picasso en de dichter Philippe Soupault. Met Soupault en Louis Aragon vormde Breton de redactie van het tijdschrift 'Littéraire'. Dit tijdschrift droeg bij aan het succes van prominente Dadakunstenaars.
De psychologische theorieën van Breton werden gevoed door Dada begrippen zoals laat alles achter je, je vrouw, je maîtresse, je hoop en angsten. Laat je kinderen in het bos achter. Laat je mooie gemakkelijke leven en wat het je voor de toekomt gegeven heeft, achter je. Ga op pad.

In 1921 organiseerde Breton in Parijs een symposium over Dada. Later stuitte hij op tegenstand van Tristan Tzara die zich als een 'Dada-Tsaar' opstelde en de 'Paus' van het surrealisme Breton. Dat was de oorzaak dat Breton zich van het dadaïsme afkeerde.
Breton definieerde Surrealisme als puur psychisch automatisme, zoals hij dat in zijn eerste 'Manifest van het Surrealisme' beschreef.

Het tweede manifest ging over: "Het geestelijke standpunt waaruit het leven en de dood, het werkelijke en het denkbeeldige, verleden en toekomst, overdraagbaar en onbetaalbaar, hoog en laag, niet meer als tegenstrijdigheden worden gezien."
In navolging van Sigmund Freud hield hij zich bezig met allerlei proefnemingen op het gebied van hypnose en psychoanalyse.
Deze theorieën speelden een grote rol in zijn 'Manifeste du surréalisme-Poisson soluble' [1924] en 'Le Surréalisme et la Peinture'.

Volgens Breton moest een schilderij meer verbeelden dan wat men op het eerste gezicht kan zien. Ook lanceerde hij ook het beruchte pamflet 'Le Cadavre', naar aanleiding van de dood van Anatole France.

Na al deze manifesten ging Breton verder met het publiceren van gedichten zoals 'Mad Love' een soort Cinderella sprookje.
'Nadja', is de belangrijkste roman van André Breton. Deze roman, een soort dagboek van Breton over een verwarde vrouw, werd geprezen en verworpen maar is één van de belangrijkste surrealistische geschriften.

Van 1927 tot 1935 was Breton lid van de Franse Communistische Partij, maar daar brak hij mee toen het Stalinisme met zijn showrechtbanken ontstond. Hij bleef wel Marxist.
Samen met Trotsky schreef hij in Mexico een 'Manifest voor onafhankelijke Revolutionaire Kunst.

Het begon met "zonder overdrijving kan gesteld worden dat de menselijke samenleving bedreigd wordt door vele gevaren, speciaal die in Nazi Duitsland en Stalinistisch Rusland.
Onze conclusie is dat het belangrijkste doel is de onafhankelijkheid van de kunsten die zal leiden tot ieders persoonlijke onafhankelijkheid.
Toen de Nazi's Frankrijk binnenvielen moesten Breton, Max Ernst en Marcel Duchamp naar de Verenigde Staten vluchten. Breton kreeg een baan bij een omroep en organiseerde een surrealistische expositie in Yale in 1942.

Na de oorlog keerde hij terug naar Frankrijk. De laatste jaren van zijn leven gebruikte hij vooral voor het schrijven van de publicatie 'L'Art Magique' [1957]. In dit werk beschreef hij het magische in de kunst, zowel bij oude meesters als Jeroen Bosch, Albrecht Düreren Francisco de Goya, als bij de surrealisten uit de twintigste eeuw.
André Breton overleed op 28 september 1966 in Parijs.







Uit: De Stijl, jrg. 6 (1923)




Collage / Til Brugman



Til Brugman en Hannah Höch



Til Brugman

Til Brugman werd in 1888 geboren als oudste dochter in een welgesteld, streng katholiek gezin. Van haar vader, vertegenwoordiger in wijnen, erfde zij de literaire begaafdheid en het talent voor talen; van haar moeder de wilskracht en de principiële levenshouding. De principes van de dochter stonden echter haaks op die van de moeder, wat van meet af aan tot conflicten leidde. Op haar twaalfde werd Til dan ook naar een meisjes pensionaat gestuurd, waar ze voornamelijk leerde bidden en borduren. Op haar zestiende kwam zij bij haar moeder in de huishouding. In haar vrije tijd leerde zij zichzelf typen, steno en handelscorrespondentie in verschillende talen. Dat kwam haar goed van pas toen haar ouders haar, na de zoveelste botsing, definitief de deur wezen. Zij ging op kamers wonen in Amsterdam en werd correspondente vreemde talen.

In 1917 verhuisde Til Brugman naar Den Haag, waar zij ging samenwonen met de zangeres Sienna Masthoff.

Brugman verdiende de kost als handelscorrespondent en later als particulier lerares vreemde talen.

Zij had literaire ambities en begon met het schrijven van klankgedichten, daartoe geïnspireerd door de internationale avant-garde kringen waarin ze verkeerde.

De schilder Piet Mondriaan had zij al rond 1908 op dansles leren kennen in Amsterdam. Later kwam zij via hem in contact met Stijl-kunstenaars en -architecten als Theo van Doesburg, J.J.P. Oud, Cornelis van Eesteren en Vilmos Huszár.

Ze was ook secretaresse van Kurt Schwitters voor zijn Merz Magazin.

De klankgedichten van Til Brugman - klankconstructies waarbij het gaat om typografie, ritme en klankkleur, zonder verwijzingen naar de werkelijkheid - zijn gebaseerd op de Stijl-principes en vertonen overeenkomsten met de 'letterklankbeelden' van I.K. Bonset.

Haar plaats in de Stijl-beweging is organisatorisch en minder een erkenning van haar werk als schrijfster.

In 1926 leerde Til Brugman de Duitse dadaïste Hannah Höch kennen, met wie zij ruim negen jaar samenleefde. Onder haar invloed begon ze Grotesken te schrijven, gedichten met een mengsel van het realistische met het fantastische. Zij schreef ze in het Nederlands en later ook in het Duits. Brugman zelf noemde het in een brief aan de dichter Victor van Vriesland 'de humor veroverd op de bitterheid'.

Til Brugman schreef honderden grotesken, maar kreeg ze moeilijk gepubliceerd. Het bleef bij een bundel Scheingehacktes. Grotesken mit Zeichnungen von Hannah Höch, en een postuum verschenen bundel 'Spiegel en lachspiegel'.

In 1936 gingen Til Brugman en Hannah Höch uit elkaar. In de zomer van 1939 keerde zij terug naar Nederland, samen met haar nieuwe, negentien jaar jongere vriendin Hans Mertineit-Schnabel. ze woonden op een flatje in de Amsterdamse Rivierenbuurt, maar moesten daar tijdens de Duitse bezetting wegens hulp aan joden en verzetsmensen 'het veld ruimen'. Zij doken onder in Breukelerveen.

Na de bevrijding zwierven Brugman en Mertineit een tijdlang heen en weer tussen Amsterdam, Breukelerveen en Den Haag. In 1948 gingen ze in een houten vakantiehuisje aan de Reeuwijkse plassen wonen.

Til Brugman leed aan een chronische nierziekte leed, waar in 1946 nog angina pectoris bijkwam. Ze schreef meestal in haar bed voor het raam, uitkijkend over de plas. Haar eerste roman Bodem werd wegens zijn vermeende anticlericale strekking door de katholieke media zwaar verketterd en als verboden lectuur bestempeld. Uitgeverij De Bezige Bij besloot het contract met haar te verbreken. Ze moest haar Stijlcollectie, met kunstwerken van Mondriaan, Lizzitzky en Kurt Schwitters, verkopen. Ze ging kinderboeken, novellen, documentaire romans en een cultuurgeschiedenis van de kat, schrijven.

In 1952 kreeg Til Brugman de Novellenprijs van de stad Amsterdam en werd haar de Marianne Philipsprijs toegekend voor haar oeuvre. Veel meer erkenning voor haar werk heeft zij tijdens haar leven niet gekregen. Volgens velen was zij ook niet in de eerste plaats als schrijfster origineel, maar veeleer als mens. Pas ruim 25 jaar na haar dood in 1958 ontstond er weer enige belangstelling voor Til Brugman. Vooral haar leven als lesbische vrouw in de marge van de avant-garde werd herontdekt. 'Alleen de kunstenaar leeft thans nog een zinrijk, een waarachtig leven', schreef ze in 1950, 'ploeterend aan 's mensen en tevens dus aan eigen beterschap' [Kroniek van Kunst en Kultuur] [bron: Marleen Slob, NRC 17 2 1995]






Metropolis 1923


Paul Citroen

Paul Citroen werd in 1896 geboren in Berlijn. Zijn vader was een Amsterdamse bonthandelaar. Paul werd volgens het Duitse Bildungs-ideaal opgevoed.
Al jong tekende hij talentvol. p zijn veertiende verliet hij het gymnasium en ging naar een tekenschool. Twee jaar later, in 1912, ging hij naar de Studien-Ateliers für Malerei und Plastik te Berlijn. Daar leerde tekenaar de natuur volgens de traditionele academische onderwijsmethode, onder meer van schilders en grafici Max Liebermann en Adolphe Menzel.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog kwam Citroen op de kunstacademie voor het eerst in aanraking met moderne kunst.
In de schilderkunst werd in die tijd naar een nieuwe beeldtaal gezocht.
De moderne stroming het Expressionisme, verklaarde de naturalistische en impressionistische schilderkunst tot burgerlijk en ouderwets.
Het was een cultuurschok voor Citroen maar hij was er nieuwsgierig naar.

Via Georg Muche kwam hij in 1914 in contact met Herwarth Walden, van kunsthandel Der Sturm. Dat was ook een kunstenaarsbeweging met een tijdschrift. Citroen, achttien jaar, probeerde ook zo te schilderen, maar abstractie lag hem niet zo en hield op met tekenen en kwam in dienst bij de boekhandel van Walden. Op die manier leerde hij veel kunststromingen en kunstenaars kennen.
Hij begon vroeg met het verzamelen van werken van kunstenaars als Kandinsky, Klee en Kokoschka.
Paul Ciroen had een goede neus voor de kunsthandel.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog moest hij in het Nederlandse leger omdat zijn vader Nederlander was. Toen hij afgekeurd werd, besloot hij in Nederland te blijven en kwam weer het boekenvak terecht. Hij begon ook weer te tekenen.
Na de oorlog ging hij weer naar Berlijn en raakte verzeild in de anarchistische Dada-beweging.
Hij maakte zijn eerste collages en montages. Hij experimenteerde met knippen en plakken maar vond het toch maar 'Spielerei'.
Toen hij in 1920 weer naar Amsterdam kwam was hij de onofficiële vertegenwoordiger van Dada voor Nederland.

In Holland is aanvankelijk nog weinig te merken van de gebeurtenissen in Zürich.
Paul Citroen schrijft al in 1920 een open brief in de Dada Almanach onder de titel 'Eine Stimme aus Holland'. Hij adviseert niet naar Holland met zijn kaas en tulpen te komen. 'De koningin ziet op haar zomerverblijf de koeien op de telegraafdraden schaak spelen' . En er zijn toch maar drie dadaïsten in Holland, aldus 'Citroen-dada'


Op aanraden van Muche, docent bij het Bauhaus, de kunstschool van Walter Gropius in Weimar, ging Citroen in 1922 naar die opleiding, met beroemde leraren als Kandinsky en Klee.
Die legden sterk de nadruk op de persoonlijke ontplooiing van leerlingen. Zijn belangrijkste leermeester was Kandinsky, die er lessen in analyse en synthese gaf.
Na twee jaar vertrok Citroen weer omdat in het Bauhaus de nadruk lag op het constructieve en niet op het expressieve. Het was de tweede keer dat hij de aansluiting bij de moderne kunst miste. De discrepantie tussen het willen en kunnen maken van moderne kunst heeft hem jarenlang dwarsgezeten.
Zijn jaren te midden van de avant-garde in het bruisende Berlijn en het modernisme van het Bauhaus zijn zo bepalend en van blijvende waarde geweest, dat hij hier vaak op terugkwam.
Jongere kunstenaars vroegen hem jaren later voortdurend en niet tevergeefs naar zijn Dada episode en het Bauhaus. Op die manier hield hij zijn roemrijke geschiedenis in leven.

Met de schrijver Arthur Lehning haalde Citroen herinneringen op aan hun gemeenschappelijke periode in het Berlijn van de jaren twintig. Ze hadden een vergelijkbare achtergrond. Beiden waren uit Duitsland afkomstig en beiden beleefden invloedrijke jaren te midden van de modernistische kunst en waren pleitbezorgers van de avant-garde kunst

Na zijn Bauhaus periode keerde Citroen in 1924 terug naar Berlijn en leerde hij fotograferen van fotograaf en vriend Otto Umbehr (‘Umbo’)
Hij paste moderne en nieuw verworven Bauhaus inzichten toe bij het fotograferen, maar erg serieus nam hij het nog niet.
De fotocollage ‘Metropolis’ uit 1923 zou hem later internationaal bekend maken.
Hij reisde een tijdje voor de kost door Europa als bont- en kunsthandelaar.

Vijf jaar later, in 1929, pakte hij de fotografie weer op na een verblijf in Parijs bij Marianne Breslauer, een Berlijnse vriendin, die bij Man Ray leerde fotograferen.
Zijn eerste camera kreeg hij bij zijn huwelijk met Céline Bendien in 1929. Hij werd professionele portretfotograaf en fotografeerde bekende kunstenaars. Hij kwam op die manier in de jaren dertig terecht in de kring van de jonge avant-gardistische en politiek vaak links gerichte Amsterdamse kunstenaars bohème.
Hij fotografeerde danseres Estella Reed, cabaretière Erika Mann, de beeldhouwers John Rädecker en Hildo Krop, architect Gerrit Rietveld, kunstenaar-emigrant László Moholy-Nagy, de schilders, Thijs Rinsema en Carel Willink en de schrijver Rein Blijstra.

Regelmatig publiceerde hij beschouwingen over eigentijdse beeldende kunst, in Duits en Nederlands. Zijn eerste artikel, over Marc Chagall, stond al in De Sturm.







Max Ernst [1891-1976]

Max Ernst werd 2 april 1891 in Brühl, in de buurt van Bonn geboren. Hij studeerde aan de universiteit kunstgeschiedenis, psychologie, filosofie, filologie, en literatuur. In de zomer en herfst van 1912 was hij actief betrokken bij een groep kunstenaars rond de expressionistische schilder August Macke en begon kritieken voor de krant de Volksmund te schrijven.
Een jaar later exposeerde hij voor het eerst met de 'Die Rheinischen Expressionisten' in Bonn en in de Eerste Duitse Herfstsalon van de 'Sturm Galerie' van Herwerth Walden in Berlijn.


In zijn vroege werk worstelde hij met de invloeden van het kubisme, futurisme en expressionisme. Tijdens een bezoek aan een tentoonstelling in Keulen ontmoette hij Hans Arp, die een grote indruk op hem maakte.
Er ontstond een betekenisvolle artistieke vriendschap.
In Berlijn maakte hij kennis met George Grosz en Wieland Herzfelde. Tijdens de oorlog ging hij door met het publiceren van artikelen in Der Sturm over de Betekenis van Kleur.


Op 17 oktober 1918, een maand voor het einde van de Eerste Wereldoorlog trouwde Ernst met Louise Amelie Straus, een kunsthistorica. Herzfelde was één van de bruiloftsgasten.

Na de oorlog kwam Ernst in contact met de opkomende socialistische en avant-gardistische kunstenaarsgroepen, zoals de groep van Karl Niendorf en 'Der Strom'.
Hij werkte ook samen met Johannes Baargeld aan Der Ventilator.
In de zomer van 1919, tijdens een bezoek aan het atelier van Paul Klee in München kwam hij in contact met de dadaïsten Hugo Ball en Emmy Hennings exposeerde hij in Zurich en schreef publicaties voor de galerie en boekwinkel van Goltz.

De Keulse Dada-groep met Baargeld, Hans Arp, Angelika en Heinrich Hoerle, Willy Fick, Anton Raderscheidt, en Franz Seiwert, volgden.
Ernst en Baargeld organiseerden een expositie van de 'Bulletin D' groep in 1919. De show en de catalogus waren de eerste manifestatie van Dada in Keulen en dat trok de aandacht van kunstenaar en verzamelaar Katherine Dreier, die het nieuws weer doorgaf naar Parijs.

In 1920, kwaad omdat ze niet mee mochten doen met een jury-vrije museum-expositie, huurden Baargeld en Ernst de binnenplaats van café Brauhaus Winter, en hielden daar hun eigen Dadashow. In oktober 1920 werkten Ernst en Arp samen aan: FaTaGaGa, de afkorting betekende zoiets als Fabricage van Tableaux, en een Garantie voor een paar Grappen.
In mei 1921 opende de 'Exposition Dada Max Ernst' in 'Au Sans Pareil', in Parijs, met in de catalogus een voorwoord van André Breton.

In 1922, toen het onmogelijk was de nodige papieren te krijgen, ging Ernst illegaal naar Frankrijk. Hij liet zijn vrouw en zoon achter. Hij vormde daar een krachtige surrealistische groep.

Max Ernst stierf op 1 april 1976 in Parijs.






George Grosz [1893-1959]

George Grosz is geboren als Georg Ehrenfried Gross in Berlijn in 1893.
Hij ging naar een school die verbonden was aan het Museum voor Toegepaste kunst waar hij les kreeg van de art nouveau ontwerper Emil Orlik.
In november 1914 werd Gross voor militaire dienst opgeroepen, maar zes maanden later om medische redenen ontslagen.
In 1915 kwam Gross in contact met John Heartfield en Wieland Herzfelde. Datzelfde jaar publiceerde hij een geillustreerd gedicht in het tijdschrift van Franz Pfemfer Die Aktion.

Uit protest tegen het nationalisme veranderde hij zijn naam van Georg Gross in George Grosz.

In 1917, door bemiddeling van de diplomaat en kunstliefhebber graaf Harry Kessler, werkte Grosz met Heartfield bij de Militaire Educatieve Filmdienst, later genoemd UFA, waar hij animatie propagandafilms maakte.
Dat jaar verscheen bij de uitgeverij van Herzfelde, Malik Verlag de Erste George Grosz-Mappe en de Kleine Grosz-Mappe, twee verzamelingen van kritische litho's.
Grosz, Herzfelde en Heartfield werden lid van de Duitse Communistische Partij na het eerste Partij Congres, 30 december 1918.
Grosz werd ook lid van een linkse groepering van kunstenaars de 'Novembergruppe'.


Behalve de karikaturen die Grosz in zijn Dada periode tekende, maakt hij ook fotomontages die in satirische bladen werden gepubliceerd.
In 1919 was Grosz medeoprichter van het satirische tijdschrift, 'Jedermann sein eigner Fussball'dat onmiddelijk een verschijningsverbod kreeg.
Grosz en Herzfelde begonnen ongestoord met 'Die Pleite', dat tot januari 1920 verscheen.
De eerste one-man show was in München in april 1920, en een maand later deed hij mee aan de internationale Dada 'Messe'.
Hij trouwde met Eva Peter.


In april 1920 publiceerden Grosz en Heartfield een artikel getiteld: 'Der Kunstlump' in Der Gegner. Het leidde tot enorme publieke debatten over kunst en revolutie.
In juni 1920, gaf Malik Verlag een portfolio uit met de titel: Gott mit uns, daarvoor werden Grosz en Herzfelde veroordeeld wegens belediging van de Duitse Weermacht. Het was de eerste van drie rechtszaken inzake openbare beledigingen.


'Tekenen waar het pijn doet’, zo zou je de activiteit van Georg Grosz tussen 1917 en 1932 het best kunnen omschrijven.
Dat zijn werk hard aankwam bleek uit de veroordelingen wegens smaad, belediging, obsceniteit en godslastering.
Hij werd als 'cultuur-bolsjewist' Duitsland uitgejaagd.
Met een aantal kunstenaars en dadaïsten opende Grosz de aanval op Keizer, Kerk, Leger, Justitie en de Grootindustrie, de 'steunpilaren van de liberale maatschappij’.
In de pentekening Christus mit der Gasmaske (Jezus aan het kruis met een gasmasker op en soldatenlaarzen aan) bracht Grosz communistische woede, dada en christendom onnavolgbaar samen.


Na Dada raakte Grosz steeds meer betrokken bij de Communistische Partij.
Met de opkomst van het Nazi regime, vestigde Grosz zich met zijn familie in de Verenigde Staten.
George Grosz stierf op 6 Juli1959, kort na zijn terugkeer in Berlijn.






Raoul Hausmann

Raoul Hausmann is geboren in Wenen [1886]. Toen hij veertien was verhuisde hij met zijn familie naar Berijn.

In 1905 ontmoette Hausmann zijn toekomstige vrouw, de violiste Elfriede Schaeffer en maakte hij kennis met Johannes Baader.

Tussen 1908 en 1911 had hij een baan bij het Atelier voor schilderen en beeldhouwen van Arthur Lew-Funcke in Berlijn-Charlottenburg.

Hij begon een affaire met de dada kunstenares Hannah Höch, dat een artistiek productief, maar ook een turbulent verbond was dat tot 1922 voortduurde.

Als 'Dadasoph', en medeoprichter van de Club Dada in Berlijn, schreef Hausmann verschillende prominente Dadaïstische Manifesten, en teksten samen met onder andere Huelsenbeck en Baargeld. Hij was ook de redacteur van het blad Der Dada.

Hij stelde de grote atlas Dadaco samen, maar dit project mislukte wegens moeilijkheden bij het uitgeven ervan. [1919]

Behalve dat alles speelde Hausmann een belangrijke rol in het organiseren van Dada evenementen, inclusief de eerste Dada Messe samen met John Heartfield en George Grosz.

De kunstzinnige bijdragen aan Dada waren wisselend, hij was steeds op zoek naar het verwijderen van grenzen tussen visuele kunst, poëzie, muziek en dans. Zijn 'optophonetic' gedichten zijn een fusie tussen lyrische teksten en een expressieve typografie. De rol van taal moest zowel visueel als akoestisch zijn.

Na zijn betrokkenheid bij Dada richtte hij zich voornamelijk op fotografie. Hij fotografeerde portretten, naakten en landschappen. Hij publiceerde over de naoorlogse Dada in Courier Dada, [1958] en Am Anfang war Dada [1972].

Raoul Hausmann stierf op 1 februari 1971, in Limoges.





Elsa Freytag-Loringshove [1874-1927]

Ze is geboren als Elsa Plöz en werd de moeder van de Dada-beweging in New York. Ze woonde met haar man, baron Freitag-Loringhoven, in het Ritz Hotel. Maar die pleegde zelfmoord als protest tegen de Eerste Wereldoorlog.
De barones trad op als danseres in de kunstgalerieën, schaars gekleed in bizarre typische Dada-kostuums, kaalgeschoren met een kolenkit op haar hoofd. Ze maakte ook collages en assemblages geïnspireerd door wolkenkrabbers en industriële ontwikkelingen in de USA.

Ze moet na de dood van haar man haar brood verdienen met naakt poseren voor Man Ray en Marcel Duchamp. Dat was indertijd niet zo gebruikelijk in het preutse Amerika.

In 1923 keert ze op kosten van vrienden terug naar Duitsland maar ze heeft de pest aan Duitsers gekregen en gaat in 1926 naar Parijs.

Ze sterft een jaar later door het verkeerd gebruik van een gaskachel.




Emmy en Hugo Ball



Emmy Hennings

Emmy Hennings werd in 1885 in Flensburg onder de naam Emmy Cordsen geboren. In 1913 woonde ze in München waar ze zich tussen de expressionistische dichters, toneelschrijvers en romanciers bewoog die de kunstenaarswijk bevolkten en die in het Café Simplizissimus populaire cabaretliederen zongen en hun gedichten voordroegen. Een van haar vrijers was Hugo Ball, die ze ontmoet had toen ze in het café zong. Ze is later met hem getrouwd.

Ze ging in 1914 met Ball naar Berlijn, waar ze in restaurants optrad en als schildersmodel poseerde. Om het opkomend nationalisme te ontvluchten vertrokken Ball en Hennings in mei 1915 naar Zürich. Ze kwamen daar met een vals paspoort aan en hadden geen verblijfsvergunning. Emmy is aan morfine verslaafd en moet tippelen, zeer tegen de zin van Hugo in. Geheel platzak leefden ze van de hulp van Hennings' literaire vrienden tot ze werk vonden in een vaudeville theatergroep. In 1916 besloten ze een eigen cabaret te beginnen. Dat was Cabaret Voltaire.

Samen met Ball aan de piano treedt ze op als danseres van Ausdrucktanz in vreemde kostuums van kartonnen kokers.
Ze zingt met iel meisjesstemmetje mystieke liederen en draagt gedichten voor

Hennings was een van de ster attracties. Haar uitgebreide repertoire bevatte ook populaire songs uit Denemarken, Parijs en Berlijn, Chinese ballades, volksliederen en haar eigen gedichten en die van andere dadaïsten. Hennings charisma als voordrachtskunstenares en haar cabaret ervaring zorgden voor een succesvolle onderneming.

De gedichten van Hennings gingen over haar leven buiten dat van de veilige bourgeois gemeenschap. Ze waren gericht op expressionistische thema's zoals eenzaamheid, extase, onvrijheid, ziekte en dood. Hennings was instaat om haar ervaringen op plaatsen zoals in gevangenissen, ziekenhuizen, cabarets en het straatleven van prostitutie en drugverslaving sterk op te roepen. Verschillende van haar gedichten werden, hoewel ze niet strikt dadaïstisch waren, toch in de Dada tijdschriften gepubliceerd.

Hennings sprak zelden over haar ervaringen met het Katholicisme. Ze wilde liever nadruk leggen op haar intense bewondering voor Ball.

Na diens dood in 1927, portretteerde ze zijn leven als een intellectuele zoektocht naar het absolute dat hij in het Katholicisme vond en kleineerde zijn dadaperiode als een jeugdig misverstand. Na de dood van Hugo moet ze haar geld in een fabriek verdienen en schrijft 's nachts gedichten.

Emmy Hennings stierf in Tessin in 1948.




Hannah en haar poppen

Hannah Höch

Hannah Höch is geboren in 1889, in Gotha. In 1910 ging ze naar de School voor Toegepaste kunst in Berlijn Charlottenburg. ze studeerde glasontwerpen bij Harold Bengen tot de school bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gesloten werd.

In Januari 1915 zette ze haar studie voort aan de school van het Koninklijk Museum voor Toegepaste kunst. Dat zelfde jaar ontmoette ze Raoul Hausmann, waar ze tot 1922 een heftige en moeilijke erotische relatie mee had. Ze was ook hecht bevriend met de Merzkunstenaar Kurt Schwitters. Toen ze in Den Haag woonde en met Kurt Schwitters samenwerkte, had ze een relatie met de schrijfster Til Brugman zonder dat die lesbisch genoemd mocht worden. In 1936 gingen Til Brugman en Hannah Höch uit elkaar.

Tien jaar lang werkte Höch voor de Ullstein Verlag. In de zomer van 1918, toen Höch en Hausmann met vakantie aan de Oostzee waren beweerden ze dat ze het principe van de fotomontage ontdekt hadden, naar de uitgeknipte plaatjes die de soldaten aan het front naar hun familie stuurden. Fotomontage werd het ideale medium voor de sociale kritiek van de jaren 1920. Samen met de krantenfoto's gebruikte Höch kant en andere handwerk patronen in haar montages, op deze manier verbond de traditionele taal van vrouwen handwerkjes met die van de moderne cultuur. Zie bijvoorbeeld 'Schnitt met dem Kuchenmesser'

Hannah Höch werd wel 'Das Klebemädchen mit Schneiderschere' genoemd. De exotische vlinder met vrouwelijk charisma en ordenend vermogen bleek voor Duitse beeldende kunst van belang te zijn. Kritiek verstomde en interesse ontstond.

Hannah Höch was de enige vrouw bij Dada Berlijn die met alle grote en kleine evenementen meedeed. Ze maakte ook dadapoppen, marionetten die vaak een rol spelen in de Dada voorstellingen. Hoewel ze regelmatig in hun kring te vinden was beschouwt ze zichzelf niet als een Dadaïste. Haar betrokkenheid was soms beperkt, zoals het spelen op een tinnen deksel in de anti-symfonie van Jefim Golyscheff op de eerste Dada tentoonstelling in Berlijn april 1919. Op the Eerste Internationale Dada Jaarbeurs van 1920, in kunstgalerij van Burchard, de grootste van alle Dada tentoonstellingen, exposeerde Höch haar sociaal kritische fotomontages samen met haar Dada-poppen die beslist geen kinderspeelgoed zijn. Ze laat daarmee de diversiteit van kunstzinnige ingrepen in haar Dadakunst zien. In hetzelfde jaar sloot ze zich aan bij de linkse Novembergruppe. Ze was van 1938 tot 1944 met pianist Kurt Matthies getrouwd. In Duitsland werd ze als 'ontaarde' kunstenaar beschouwd.

Hannah Höch stierf in Berlijn op 31 mei 1978.








Manifesto of Futurism



Filippo Tommaso Marinetti

Marinetti is geboren in Alexandrië, 22 december 1876. Zij ouders waren Italiaans.

Al jong was hij een bekende dichter in Parijs. Daarna woonde hij in Genua en Pavia. Na een niet ernstig auto-ongeluk in 1908 begon hij alle mogelijke manifesten te schrijven.
Zijn eerste manifest verscheen in 1909 als Manifesto della partito futurista Italianoin Le Figaro waarin hij verklaarde 'In Italië zijn we begonnen aan een omslag van brandend geweld, dit manifest waarmee we het Futurisme willen oprichten omdat we Italië willen verlossen van een wildgroei van professoren, archeologen, gidsen en antiquaren.

Het idee was om te breken met de negetiende-eeuwse romantiek door een snelle en moderne revolutie in alle vormen van het leven te organiseren, waaronder kunst, architectuur, muziek, poëzie, films, mode, natuurkunde en technologie. Niet verrassend waren zijn gekozen symbolen: het vliegtuig, de bioscoop en de telefoon en vooral de auto. Als een beweging verspreidde Futurisme zich snel naar Duitsland, Rusland en Amerika.

In bijna alle belangrijke thema's van het Futurisme worden Marinetti's theorieën over voedsel aangeboden. Samen met Luigi Colombo 'Fillìa', met wie hij een kookboek had geschreven, opende hij een avant-garde restaurant in Turijn, Taverna Santopalato ('Taverna van de Heilige Paleis '). Ontworpen door de futuristische architect Nicola Diulgheroff, een gebouw van boven tot onder van aluminium.

Marinetti's hoofddoel was om deegwaren af te schaffen. Hij geloofde dat pasta de 'Italianen' mentaal verlamde 'en lethargisch, pessimistisch en sentimenteel maakte. Hij vond dat degenen die de pasta verdedigden, 'als dwangarbeiders een ketting aan hun been, of als archeologen hun ruïnes in hun maag moesten meedragen. Anti-pasta is een onderdeel van het anti-verleden.

Het Futurisme wilde de oorlog verheerlijken als de enige genezing voor de wereld. Marinetti werd aangetrokken tot het fascisme en werd een persoonlijke vriend van Mussolini. In 1920, keerde de futuristische beweging zich echter onder leiding van Marinetti, weer tegen Mussolini en het opkomende fascisme. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht hij als vrijwilliger bij het 8e Italiaans regiment in Rusland. In 1935 nam Marinetti deel aan de oorlog in Ethiopië.

Hoewel het futurisme als actieve stroming slechts kort heeft bestaan, hebben de ideeën van de beweging grote invloed uitgeoefend op andere Europese avant-garde bewegingen, zoals het Russische constructivisme en het eerder dadaïsme.

Filippo Tommaso Marinetti overleed in 1944 in Bellagio.




Hans Richter

Johannes Siegfried (Hans) Richter is in 1888 geboren. Hij volgde een studie aan de Kunstacademie in Berlijn en Weimar plus een korte periode in Parijs.
Richter kwam in de belangrijkste expressionistische cirkels in 1913 en nam in 1914 deel aan een tijdschrift 'Die Aktion', gemaakt door een groep rond Franz Pfemfert.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte Richter ernstig gewond en werd hij uit de actieve militaire dienst ontslagen.

Richter's betrokkenheid bij Dada in Zurich was voornamelijk gebaseerd op het manifest van Hans Leybold: Revolution met de indringende invloed vanHugo Ball en Richard Huelsenbeck, de sleutelfiguren van Dada.

Ook van belang waren zijn politiek\ radicale contacten met Theodor Däubler en de radicale socialist Ludwich Rubine met zijn 'Radicale Kunstenaars Groep', die zich richtte op de Dada opvattingen van het belang van de Russische Revolutie van 1917.

Van 1917 tot 1919 was Richter intens bezig met Dada evenementen, tentoonstellingen, en publicaties. Hij exposeerde zijn eerste schilderijen in Galerie Corray. Hij produceerde drie of vier schilderijen per dag die hij 'visionaire portretten'noemde.

In 1918 introduceerde Tristan Tzara bij Viking Eggeling, een Zweedse schilder die een systematische theorie voor abstracte kunst ontwikkeld had. Richter, die experimenteerde met Dadakoppen die zwart tegenover wit, en positief tegenover negatief stelden, vond een vriend en medestander in Eggeling. ze maakten er samen films over.

In 1923 begon Richter het tijdschrift G, waarin het werk van de dadaïsten vergeleken werd met De Stijl en het Constructivisme.

Omdat hij lid van de 'Verzamelde Revolutionaire Kunstenaars' was Richter gedwongen Duitsland te verlaten. Hij emigreerde naar de Verenigde Staten waar hij les gaf aan het 'Film Institute of City College' in New York.

In 1962 keerde hij naar Locarno in Zwitserland terug. Hij stierf in 1976.






Gymnopedie nr.1 / fragment


Eric Sati

Eric Satie was een buitenbeentje bij de dadaïsten. Hoewel hij er niet de man naar was om zich bij een beweging aan te sluiten, kreeg hij die kans niet eens van de dadaïsten, ondanks zijn 'Stukken in de vorm van een peer' en 'Meubelmuziek'.

In het blad de Dadaphone werd Satie bespot en beschimpt door voorman Tristan Tzara. En zo zijn Raoul Hausmann en Kurt Schwitters hun hele leven gebrouilleerd geweest omdat Hausmann achteraf het auteurschap van Schwitters’ beroemde Sonate in Urlauten opeiste. Je kunt dus wel vaststellen dat de beweging uit een stelletje heethoofden bestond die er prat op gingen niets serieus te nemen — behalve zichzelf.