|
D
Doventaal: communicatie doormiddel van met de hand gegeven
tekens.
E
Eufemisme: verbloemende, verhullend taalgebruik.
F
Fonografie: doormiddel van een klanktekening opgeroepen
en uitgedragen visuele beelden.
Fonetisch gedicht: een vers dat voorgedragen wordt en waarbij
klank en betekenis van de gebruikte woorden gescheiden zijn. Het
klinken van de woorden is belangrijker dan hun inhoudelijke betekenis.
Fotografische beelden: beelden uit de werkelijkheid die
op lichtgevoelig materiaal vastgelegd zijn. De keuze van het moment
en de uitsnede van de werkelijkheid bepalen de inhoudelijke overdracht.
Functioneel analfabeet: iemand die in principe wel kan
lezen en schrijven maar er in de praktijk zoveel moeite mee heeft
dat hij de omgang met taal beperkt.
Fictioneel: fantasie die op de lange duur voor waarheid
doorgaat. Een verborgen ideologische boodschap, zoals die bijvoorbeeld
in de reclame toegepast wordt, gaat een eigen leven leiden.
G
Grafische taal: met behulp van grafische middelen ontstane
en overgedragen boodschappen en inhouden. Niet te verwarren met
de boodschappen die met grafische middelen gereproduceerd en verspreid
worden.
Graffiti: de kunst van de 'tags', de op de muren en treinen
gespoten tekens en afbeeldingen. Voornaamste bedoeling is kenbaar
te maken dat de maker op die onmogelijke plek was. De vergelijking
met 'schuttingwoord' gaat wel op, hoewel bij graffiti een boodschap
in het algemeen ontbreekt.
Geheimtaal: door het veranderen van de taalcodes van een
boodschap kunnen normaal ogende teksten een verborgen boodschap
bevatten die uitsluitend ontcijferd kan worden door de houder
van de sleutel van de code.
Gedicht: een tekst met een bijzondere vorm, inhoud en zeggingskracht.
Grafisch lezen en schrijven: de vaardigheid om de op grafische
manier ontstane beelden en teksten te gebruiken in de dagelijkse
omgang met taal.
H
Handtekening: een unieke schrijfwijze van de eigen naam
als waarmerk voor de authenciteit van een document.
Hiëroglyfen: het monumentale schrift van de Egyptenaren
zoals dat in steen en hout gekerfd is. Vluchtiger teksten zijn
op potscherven en kleitabletten te vinden.
Hyperbool: sterke overdrijving
I
Ideogram: zinnebeeldig schriftteken, ideeteken.
Ideografisch schrift: beeldschrift om moeilijk afbeeldbare
zaken of abstracties aan te geven. Onder ideografiek vallen ook
pictogrammen en mnemogrammen.
Iconografie: afbeeldingschrift dat een gedachtecomplex
als een geheel weergeeft. Ook synthetisch schrift, samengesteld
schrift genoemd.
Idioom: taaleigenheid
Image: beeld in het denken, vaak niet concreet herkenbaar
maar af te leiden uit meerdere omstandigheden en situaties.
Ironie: uitdrukking van iets wat tegenovergesteld is aan
wat bedoeld is.
K
Kalligrafie: de kunst van het schoonschrijven. In tegenstelling
tot een persoonlijk handschrift is kalligrafie veelal gebonden
aan traditionele lettertypen met een speciale techniek.
Koldergedichten: gedichten die de lezer vermaken door een
onsamenhangend, meestal op klanken gevormd, vers.
Kijkgedichten: verzen die gemaakt zijn met de bedoeling
een visuele ervaring op te roepen.
L
Letterteken: een op afspraken gebaseerde vorm die in principe
één klank weergeeft. Door samenvoeging van meerdere
lettertekens zoals die in een alfabet voorkomen ontstaan woorden
en zinnen.
Lettergraniet: een door Bert Schierbeek gebruikte term
voor grafische beelden die ontstaan door het samensmelten van
lettervormen.
Lichaamstaal: betekenissen die zonder bemiddeling van talige
hulpmiddelen door het menselijk lichaam overgedragen worden.
Litotes: afzwakking van een eigenschap met de bedoeling
die juist te benadrukken.
M
Media: de middelen die gebruikt worden om met grote delen
van de bevolking in contact te treden. Ze worden ook wel massamedia
genoemd. Radio, TV, dag- en weekbladen vallen er onder.
Media alfabeet: iemand die in staat de indringende werking
van de media te doorzien en die met behoud van eigen mening en
identiteit de producten van de massamedia kan consumeren.
Massa communicatie: de behoefte van individu om een samenleving
deelgenoot te maken van zijn mededelingen.
Merchandising: het ten gelde maken van bekendheid die een
bepaalde uiting in de media tot stand bracht.
Metafoor: beeldspraak doormiddel van een vergelijking
Mnemogram: een herinneringsteken dat toegevoegd wordt en
waarvan de betekenis afgesproken is zoals een driehoekig verkeersbord
voor het begrip gevaar.
Muurgedichten: gedichten, van bekende en onbekende dichters
uit Nederland en daar buiten, op muren van gebouwen aangebracht.
In Leiden zijn de eerste en meeste teksten te vinden.
naar
boven
|