|
tussen
taal en beeld
muziek,
taal en betekenis

Jos
Kunst (1936-1996)
Er zijn nogal
wat musicologen die zich met name de laatste twintig jaar intensief
beziggehouden hebben met het probleem van de communicatie via
muziek. Het is er dan ook een van de eerste orde: niet alleen
de gewone probleemstellingen van de muziekesthetiek en het historische
begrijpen van componisten en stukken veronderstellen, al of niet
stilzwijgend, dat er een of andere vorm van reële communicatie
plaatsvindt, maar ook de muzieksociologie zal op een gegeven moment
zowel zijn toetsbaarheid als zijn verklarende kracht mede moeten
baseren op een bruikbare theorie over muzikale communicatie. Aan
de andere kant kan zo'n theorie over muzikale communicatie de
muzieksociologie ook onderzoeksinstrumenten verschaffen: ze zal
namelijk, om überhaupt bruikbaar te zijn, een kader moeten
bieden waarin uiteenlopende wijzen van begrijpen van (naar fysische
maatstaven) "dezelfde" muziek verklaarbaar en zelfs
voorspelbaar worden.
Bij het zoeken
naar zo'n theorie is men in veruit de meeste gevallen uitgegaan
van taalcommunicatie als model voor muziekcommunicatie. Ik geloof
niet dat dit altijd goed is gebeurd; het is daarom verstandig
eens precies te gaan kijken wat voor soorten theorieën men
zoal over taal kan maken, en ons daarbij telkens af te vragen
wat de mogelijke relevantie ervan zou kunnen zijn voor muziek.
We zullen daarbij spreken over A) syntactische theorieën,
B) semantische theorieën, en C) pragmatische theorieën.
A) De syntactische
beschrijving van een taalsysteem levert de criteria voor de juist-gevormdheid
van uitingen binnen dat taalsysteem. Ze doet dat door het opstellen
van regels. Zoals uit het woord "juistgevormdheid" blijkt
zijn die regels normatief: ze zeggen simpelweg wat er wel en wat
er niet door de beugel kan. Als wij een taal goed kennen hebben
wij die regels in ons beschikbaar en passen we ze onbewust toe:
alleen als er iets fout gaat trekken ze onze aandacht. In beginsel
is het dan ook zo dat deze regels de vorm moeten kunnen krijgen
van een computerprogramma: voor logische talen (kunsttalen) is
dat geen probleem; voor de natuurlijke talen ligt het ingewikkelder,
maar de chomskyaanse generatieve grammatica werkt eraan, en de
menselijke hersenen (een organische computer) bevatten enkele
jaren na de geboorte al het complete systeem.
Als wij ons
nu, zoals beloofd, gaan afvragen wat de mogelijke relevantie hiervan
is voor muziek, dan duiken er al gauw problemen op. Als ik de
vraag naar de juistgevormdheid betrek op de muziek tout court
(kàn dat geluid muzikaal?) dan krijg ik geen regel meer
op papier: de muziek zonder meer sluit misschien wel geen enkel
geluid uit. En als ik binnen de muziek deelgebieden ga afbakenen
en mijn juistgevormdheidsregels daarop betrekken, dan blijkt het
onmogelijk die gebieden zó af te grenzen dat 1) de regels
altijd een helder ja of nee antwoord garanderen, en 2) de regels
generatief blijven, dwz een oneindig groot aantal concrete uitingen
blijven beschrijven. Simpel gezegd: 1) werkelijk scherp karakteriseren
wat Bach allemaal had kunnen schrijven kàn niemand; en
2) karakteriseren wat hij allemaal geschreven heeft kan via een
simpele verwijzing naar de Verzeichnis van zijn werken, en wordt
zodoende triviaal.
Hebben we
dan niets aan een parallel met de taal? Toch wel. Want we zien
dat de problemen die in het geval van de muziek onoplosbaar worden
dat óók zijn, en door analoge oorzaken, in het geval
van literatuur: generatieve regels opstellen voor poëzie
of romans is om dezelfde redenen ofwel onmogelijk, ofwel veel
te gemakkelijk, als voor muziek.
De door een eventuele generatieve grammatica beschreven syntactische
competentie voor, in ons geval, het gewone Nederlands, zit ergens
in, of onder, onze competentie voor Nederlandse literatuur, en
is er noodzakelijk, maar zeker niet altijd voldoende voor. Is
er ook zoiets in, of onder, onze muzikale competentie te vinden?
Een redelijke kandidaat lijkt wat je onze algemene "hoorcompetentie"
zou kunnen noemen: het aangeleerde vermogen van een mens via het
gehoor informatie over zijn omgeving te verzamelen. Voor iedere
"vertrouwde" omgeving (waarvan ik de "geluidstaal"
ken!) lijkt het inderdaad gemakkelijk langs experimentele weg
regels op te stellen die bepalen welke geluiden, wat mij betreft,
erin thuishoren en welke niet. Die regels kunnen dan heel goed
"generatief" zijn in die zin dat ze steeds nieuwe informatieve
combinaties toelaten. Dus: een onderscheid tussen "kunst"
en "niet-kunst", ook voor geluid; we komen erop terug.
B) Een semantische
beschrijving van een taalsysteem richt zich op de juistgevormde
zinnen (of op zinnen voorzover ze juistgevormd zijn: bij de zin:
"ik wil wel 'n k-kopje k-koffie" negeert ze het stotteren)
en stelt de vraag naar de waarheidsvoorwaarden. Die waarheidsvoorwaarden
worden gegeven door de verzameling modellen ("mogelijke werelden")
vast te leggen waarvoor de zin waar is. Zo is de zin uit het voorbeeld
boven waar in alle "mogelijke werelden" waarin degene
die hem uitsprak een kopje koffie wilde. Via de semantische beschrijving
krijgen we een idee van de informativiteit van taaluitingen: alle
"mogelijke werelden" waarin hij géén kopje
koffie wilde doen niet meer mee.
We houden
ons aan ons nieuwe uitgangspunt dat kunst van niet-kunst onderscheidt,
en vragen ons af niet of muziek via waarheidsvoorwaarden beschrijfbaar
is, maar of geluiden dat zijn. Het antwoord is dan bevestigend:
geluiden, zoals ik ze horen en begrijpen kan, d.i. zoals mijn
hoorcompetentie ze "pakt", zijn informatief en als zodanig
analoog aan taaluitingen. Als ik niet-kunst-geluiden begrijp,
verbind ik er waarheidsvoorwaarden aan: als ik een kast hoor omvallen
en mijn oren bedriegen mij niet, ze "spreken de waarheid",
dan valt er een kast om.
Wat gebeurt
er met die waarheidsvoorwaarden binnen op taal gebaseerde kunst:
binnen literatuur? Voor (gewone) romans zou ik zeggen: waarheidsvoorwaarden
zijn er en ze functioneren, zij het met een (pragmatische) restrictie
die we onder C) zullen specificeren. Voor gedichten zou ik zeggen:
ze bestaan, ze functioneren, maar er is niet altijd even makkelijk
aan te komen. Verder geldt ook hier de restrictie waar we het
nog over moeten hebben. Het is duidelijk dat we de gewone taalbeschrijving
niet zonder meer kunnen transplanteren naar de kunstbeschrijving.
Tenslotte
dan ons aller liefde, de muziek. Hebben muzikale geluiden waarheidsvoorwaarden?
Als ik mijn buurmeisje fagot hoor spelen, en mijn oren bedriegen
mij niet, speelt ze fagot, ook als ze dat in een orkest doet en
in een muziekstuk. Hetzelfde geldt voor al haar hoorbare detailhandelingen
op haar instrument. En niemand zal ontkennen, denk ik, dat die
relevant zijn voor de muziek waarin ze meespeelt. Maar niet voor
alle muzieken, of voor alle relevante muzikale acties, is het
even gemakkelijk achter dit soort waarheidsvoorwaarden te komen,
en dat is ook niet in alle gevallen even nodig: tenslotte wordt
muziek, laten we dat niet vergeten, niet (of in ieder geval niet
uitsluitend) voor vaklieden gemaakt. Muziek kan wel degelijk werken,
ook als ik niet alle geluiden die erin voorkomen even gemakkelijk
kan duiden. En dat geldt, geloof ik, ook voor bijvoorbeeld gedichten.
C) Het idee
van de werking van een uiting brengt ons naar onze laatste soort
theorie over taal: de pragmatische. We zagen dat de syntactische
beschrijving de meest normatieve was, ze werkte met regels waaruit
volgde of iets juist was of niet. De semantische beschrijving
formuleert al voorzichtiger: ze werkt met voorwaarden: ze beschrijft
de modellen (gevallen) waarin een gegeven zin waar is. De pragmatiek
tenslotte beschrijft alleen nog maar; ze kan op zijn hoogst tot
"gepastheids"- of "adequaatheids"-voorwaarden
komen, die dan uitdrukkelijk betrokken moeten worden op het doel
dat men met de uiting-als-handeling wil bereiken. Daarom kunnen
we zeggen dat de pragmatische beschrijving het effect van een
uiting weergeeft; ze kan dat doen door het beschrijven van de
erdoor teweeggebrachte verandering, bijvoorbeeld door een confrontatie
tussen "voor" en "na".
Laten we eens
kijken wat dat oplevert voor gewone (niet-kunst-)taal. De zin:
"'t regent" is juistgevormd. Hij is waar voor al die
"mogelijke werelden" (gevallen) waarin 't regent. Tenslotte:
als iemand deze zin tot mij richt, kan hij daarmee een verandering
teweegbrengen in het idee dat ik van de wereld heb; ik kan, vóór
ik uitga, mijn paraplu gaan zoeken.
Parallel hiermee
kan ik het geluid van de regen construeren. Als ik het in mijn
leven heb leren kennen, en het is een mogelijk geluid in een door
mij geleerde geluidscontext, dan zal ik het een "juistgevormd"
geluid vinden. Ik kan er waarheidsvoorwaarden aan verbinden, en,
zelfs als het alleen maar een bandopname is, tegen mijzelf zeggen:
dit is het geluid van de regen. Tenslotte kan het mijn idee van
de wereld veranderen, en mijn gedrag beïnvloeden zoals de
taalzin dat deed.
De zin: "'t
regent" voorkomend in bijvoorbeeld een roman verschilt pas
op pragmatisch niveau beslissend van dezelfde zin voorkomend buiten
een kunstcontext. Hij verandert hoogstens mijn idee van een fictionele
wereld; zijn mogelijke relevantie voor de werkelijke wereld ontstaat
alleen via zijn aandeel in de roman als totaal. En die kan, geloof
ik, wel degelijk mijn idee van de wereld, mijn voorstelling van
wat er in mogelijk is, beïnvloeden. Pretendeert dat soms
ook uitdrukkelijk, in het geval van geëngageerde romans.
Wat literatuur
met taalzinnen doet, doet muziek met geluiden. Geluiden worden
in muziek alleen maar "gespeeld" (ik geloof meestal
niet zo in etymologie, maar deze is te mooi om te laten liggen).
Ze worden door muziek losgeweekt uit hun onmiddellijke pragmatische
werkingen. Zoals literaire taalzinnen (in onze westerse en 20ste-eeuwse
cultuur) voorkomen in boeken en daar mee losgeraakt zijn uit een
onmiddellijke context, zo zijn ook muzikale geluiden op platen
verkrijgbaar zonder hun muzikale werking te verliezen, en worden
stukken op speciale, sterk geritualiseerde gelegenheden als concerten
ten gehore gebracht, "hetzelfde" stuk op verschillende
plaatsen en tijden: het is, doordat het een stuk is, mobiel geworden
t.o.v. zijn onmiddellijke context.
Hoe kan zoiets als een literatuur-boek, of een muziekstuk, dan
nog betekenis hebben? Met andere woorden: hoe denken die geëngageerde
romanciers dan wel dat ze met hun boeken iets uithalen?
Mensen, dat
wil zeggen die mensen die toegang hebben tot het soort cultuur
waarin literaire werken en muziekstukken functioneren, besteden
aan kunstproducten een aandacht die ze in de regel aan talen en
geluidsomgevingen niet geven. De sleutelvraag is dan: wàt
voor activiteit ontplooien ze?... Die activiteit eist ze voor
zich op op een manier die ze aangenaam vinden. Ze ontwikkelen
voorkeuren, en herlezen, of herbeluisteren, bepaalde (soorten)
boeken l stukken. Op de een of andere manier blijkt het ondergaan
van de pragmatische betekenis, van de effectiviteit, van literatuur
en muziek "spannend" te zijn.
Ik denk dat
men stellen mag dat het begrijpen, het "doorkrijgen"
van iets, wat het dan ook is, altijd een integratieproces is.
Als ik literatuur begrijp, ben ik bezig de wereld van het boek
te integreren in mijn wereld, ik construeer verbindingen tussen
mijn wereld ("de wereld") en die van het boek, ik annexeer
een nieuwe denkruimte. Een boek waar ik veel aan heb levert waarschijnlijk
vele en op vitale punten aansluitende verbindingen op. Dàt
maakt dat de mij door zo'n boek geleverde simulatieruimte (die
een denkruimte altijd is) erg vruchtbaar en belangrijk wordt.
Het leggen
van die verbindingen is altijd een proces van gemotiveerd overwinnen
van dubbelzinnigheid. Als zodanig lijkt het op het oplossen van
een puzzel (laten we maar rustig aannemen dat er puzzels mogelijk
zijn die wat minder kaal en mechanisch zijn dan wat op de puzzelpagina
te vinden is). In deze gedachtegang zouden we, voor kunst, komen
tot het verwerpen van het gangbare communicatieschema:
zender ------>
bericht --------> ontvanger
_____
code
we zouden
het (voorlopig) kunnen vervangen door
puzzelontwerper -----> puzzel -------> puzzeloplosser
_____
berichten
_____
codes
en het is
duidelijk dat we van een semantische probleemstelling zijn overgestapt
op een pragmatische.(Een puzzel heeft, in tegenstelling tot een
bericht, géén waarheidsvoorwaarden!)
Tenslotte
weer de muziek. De moeilijkheid is hier dat muziek werkt met in
overgrote meerderheid niet verbale concepten, en dat we die per
definitie moeilijk bespreekbaar kunnen krijgen. Doordat ons bewuste
denken over de wereld, bijvoorbeeld onze politieke meningsvorming,
zich in woorden afspeelt, geloven we vaak dat muziek geen praktische
relevantie kan hebben. Ik stel daartegenover dat dat zeer naïef
gedacht is. Niet alleen is het onzinnig niet-verbale concepten
te scheiden van verbale (onderscheiden is iets anders dan scheiden)
maar ook (in de praktische politiek zijn ze daar al langer achter)
worden onze meningen vaak duidelijk (mede)bepaald door niet-verbale
factoren, die op zijn best achteraf een verbale legitimatie (rationalisatie)
meekrijgen.
Het idee dat een muziekstuk een integratiepuzzel zou zijn, in
de hierboven aangeduide betekenis van het woord, verdient op zijn
minst nader onderzoek.
Dat voert
ons dan terug naar het begin van dit opstel. Voor wetenschappelijk
onderzoek van muzikale communicatie zal het nodig zijn een greep
te krijgen op de niet-verbale conceptualiseringen van muziek,
en op de verbindingen die deze hebben, of via de muziek krijgen,
met andere concepten. Mijn (dit jaar voltooid) proefschrift doet
daar concrete voorstellen voor.
Mensen die
muziek analyseren, en daarmee waarschijnlijk een geïdealiseerd
model van luisteren ontwerpen, zoeken in de regel binnen een stuk
(of soort stukken) de criteria voor de "decodering"
ervan. Als men gelooft in de geldigheid van het eerste schema
uit 4.2 leidt dat onmiddellijk tot de paradox van Münchhausen
die zichzelf bij zijn pruikje met paard en al uit het moeras trekt.
Als integendeel het tweede schema geldig is, is er geen paradox
meer. Ik denk daarom dat de analysepraktijk gebruik maakt van
intuïtieve kennis die bij de gebruikers van schema 1 nog
niet theoretisch was gereflecteerd.
Tenslotte:
alles wat ik hier over muziek heb betoogd geldt, wat mij betreft,
voor alle soorten muziek binnen onze huidige cultuur. Daarbuiten
zijn zeker aanpassingen nodig (en, denk ik, ook mogelijk).
Jos
Kunst 1977
naar
boven
|