|
tussen
taal en beeld

Het Sranantongo kent de zogenaamde seriële constructie
Dat is de mogelijkheid om werkwoorden aaneen te schakelen tot
een soort ketting,
zonder voegwoorden.
De constructie wordt gebruikt om aan te geven dat acties direct
in elkaars verlengde liggen, bijvoorbeeld als de tweede het
inherente gevolg van de eerste is:
A dyompo fadon kon na gron
[Hij sprong viel kwam op de grond]
Afrikaans erfgoed
Deze constructie is uniek.
Nederlandse en andere Indo-europese talen hebben deze mogelijkheid
niet.
Die moeten zich behelpen met omslachtige bijzinnen met voegwoorden.
Zie hoe dwingend-beeldend
Slory
deze constructie gebruikt in de aanhef van zijn gedicht
Orfeu negro:
Mi
sa singi a son opo kon
Ik zal
zingen
om de zon
te laten opkomen.
De woord-voor-woord-vertaling is:
Ik zal zingen de zon rijst komt te voorschijn.
In de Sranan regel staan singi, a son en opo kon onmiddellijk
naast elkaar; zo beeldt de constructie uit dat het opkomen van
de zon het onmiddellijke, inherente gevolg van het zingen van
mi is, althans in de vaste overtuiging van de jongen die hier
aan het woord is.
Slory
boft natuurlijk, dat zijn taal, het Sranan, deze
constructie heeft - maar het is zijn
dichterschap die deze mogelijkheid zo expressief weet te gebruiken.
Poëzie een zoektocht naar zin
Goede poëzie heeft het in zich dat zij het particuliere overstijgt
en loskomt van de maker; dat de troost of aanvaarding die de
dichter vond in taal, ook de lezer kan troosten met een misschien
wel heel ander verlies.
Laat ons
langzaam
eenvoudig
wijs
grijs worden
buigen
erkennen
toegeven
het leven,
nieuw in het gezicht.
Shrinivási
[uit: Dilákár, 1970]
lag mijn liefde
op je hart als sneeuw
op de takken,
blijf toch stil, laat haar liggen.
wit was ze getrokken, de kou.
geen wind
mag je raken,
geen hete adem geen tocht.
zo wankel lig ik op jou tot last.
smolt ik
en stroomde zij door je hart
tot de uiteinden,
voor de rillingen wil ik me verontschuldigen.
of liet jij de takken schommelen?
verwaaid werd ik tot meer verdriet.
Jit
Narain
[uit: Waar ben je daar, 1987]
Negerschap
is als bloeiende vanille
hoog in de bomen van het bos;
in wijde omtrek
laat de geur niemand los,
hij dwingt een ieder
om naar hem
omhoog te kijken.
mij wikkelt
het
in geur'ge, warme dekens,
mij smaakt het beter
dan 't lekkerste gourmet-banket.
't is mij
een bron
van trots:
mijn vlag,
mijn vuist,
mijn zon.
Eugène
Rellum
[uit Kren / Klim, 1961]
Taal is als muziek
Al maken dichters gebruik van het tweedimensionale karakter van
geschreven of gedrukte taal,
het lineaire blijft een essentiële eigenschap.
Net als muziek speelt taal zich in de tijd af, is daardoor beweging,
heeft ritme - ook als zij niet uitgesproken wordt.
Door het ritme
kan taal als expressievorm gaan werken als muziek.
Wan bari odi van Michaël Slory
is
daar een prachtig voorbeeld van.
Het begint met Ala mi dyaso en profiteert meesterlijk van de reduplicaties
die het Sranan rijk is:
tinga tinga, tukatuka, langilangi, pepepepe.
De dichter als echte liefhebber van zijn taal.
|
|
Surinaamse
gedichten
Dichters
houden van hun eigen taal
door Geert
Koefoed *]
De houding van de Surinaamse dichters tegenover taal doet
denken aan die van een ambachtsman, bijvoorbeeld een meubelmaker,
die zijn gereedschap koestert en zijn materiaal door en door kent.
Voor de dichter is taal gereedschap en materiaal tegelijk.
De ambachtelijke dichter maakt daar expressief gebruik van en
schrijft niet:
"Ik heb dit land gekozen" maar:
"Dit land heb ik gekozen".
Door de hand van de dichter die zijn taal onderzoekt en aftast,
kunnen de grammaticale constructies een bepaalde expressiviteit
krijgen,
een beeldende kwaliteit.
bro
no
pori mi prakseri noyaso,
no kari mi fu luku no wan pe,
tide mi ati trusu mi fu go
te na wan tiri kriki farawe.
no tak'
na lon mi wani lon gowe
fu di mi frede strei èn krei nomo,
ma kondre b'bari lontu mi so te,
san mi mu du, mi ati wani bro.
na kriki-sei
dren kondre mi sa si,
pe alasani moro swit' lek dya
èn skreki-tori no sa trobi mi.
te m'drai
kon baka sonten mi sa tron
wan p'kinso moro betre libisma,
di sabi lafu, sabi tek' fonfon.
Trefossa
[uit Trotyi, 1957]
vertaling:
rust
verstoor
mijn denken niet op dit moment
en roep mij niet om waar dan ook te kijken
vandaag drijft mijn hart mij te gaan
tot aan een stille kreek, ver weg.
zeg niet
dat ik alleen maar weg wil lopen
omdat ik bang zou zijn voor strijd en pijn
maar het rumoer van mensen dringt zo om mij heen,
wat moet ik doen? mijn bloed wil ademen
daar, aan
de kreek, zal ik een droomland zien
waar alles zoeter is dan hier
en schrikverhalen mij niet verontrusten.
als ik
teruggekeerd ben, zal ik misschien
een beetje beter mens geworden zijn
die weet te lachen, slaag weet te verdragen.
Bro moet een
sonnet zijn geweest nog voordat het geschreven werd.
Als er één gedicht is in de Surinaamse literatuur
dat het criterium: "vorm en inhoud zijn één"
waarmaakt, dan is het bro van Trefossa.
Bro heeft niet de vorm van een sonnet, het is een sonnet, door en
door, in al zijn vezels.
boda
son
mi son
mi eigi-eigi son,
yu fes' e puru soso mamanten.
san yongu moro mamanten?
san krakti moro mamanten?
son
mi son
mi eigi-eigi son,
kanti yu wagi na Sranan mofo-doro.
mamanten mu fesa na foto,
mu wowoyo na watra,
mu bogo-bogo na busi.
son
mi son
mi eigi-eigi son,
wi na prapi,
krabasi, ten-ten.
furu wi
nanga mamanten.
Trefossa
[uit Trotji, 1957]
Vertaling:
feest
zon
mijn zon
mijn eigen-eigen zon,
je gezicht schenkt enkel morgen uit.
wat is jonger dan de morgen?
wat is krachtiger dan de morgen?
zon
mijn zon
mijn eigen-eigen zon,
kantel je wagen op Suriname's erf.
morgen moet feesten in de stad,
moet krioelen op het water,
moet overvloedig zijn in het bos.
zon
mijn zon
mijn eigen-eigen zon,
wij zijn kruiken,
kalebassen, blikjes.
vul ons
met morgen.
Din ke ham
kám kari, rát ke dekhi sapná,
ájá ke surat láge, thorá-thorá
apná.
Hamár
jahajwá ke nám ná Lálá Rookhwá
deswá ke nám bhail Nederland, babuá.
K.L.M.
se urli ham chorli Sarnamwá
yád jab tor áil khoje calli itihaswá
Ekar kathá
ke ras ná hai pancámritwá
kathwá ke kassak kas ke kasle bá mor citwá
Káhen
u Bhárat choris, ito ham samjhilá
Bhárat oke náhi choris, uto ham sahilá
Jit
Narain
Werken overdag, s avonds dromen
zo lijkt Ajas verschijning enigszins op de mijne.
Mijn schip
heette geen Lalla Rookh
en de naam van mn land werd Nederland, meneer.
Met de
KLM vloog ik, Suriname verliet ik.
Toen de herinnering aan jou kwam,
ging ik op zoek naar de geschiedenis.
Het sap
van dit verhaal is geen heilige nectar,
het gevoel dat het geeft houdt mijn geest in de greep.
Waarom
hij India verliet, dat kan ik begrijpen;
dat India hem nooit verliet, daar moet ik onder lijden.
Uit: Agni ke yad / yad ke rakhi.
Ter Herinnering aan Agni / de as van de herinnering, SSN, Den
Haag / Paramaribo, 1991.
*] Het
geheim van de dichter
lezing door Geert Koefoed in Tori-Oso, Paramaribo,14 oktober 2005.
De gehele tekst kunt u opvragen:

|