
Theo
Thijssen [L] en Jan Ligthart [R]
Twee
onderwijsmensen uit de Jordaan
De twee mannen die voor het onderwijs aan
arbeiderskinderen een bijzondere betekenis gehad hebben.
Beide opgegroeid in slechte omstandigheden maar zich ontwikkelend als
bevlogen besnorde onderwijzers.
O,
waarde vrienden, schreef Theo
Thijssen
Ik ken de solide verontwaardiging over die 'verslappende
pedagogiek'.
"Niet de letters van
den man aan de schrijftafel, de daden van den man voor de klasse zijn
paedagogiek"
Ik ken dat gewaarschuw: maak het de jeugd niet zo gemakkelijk, durf
wat van de kinderen te eisen, laat ze gerust maar eens ploeteren, da's
versterkend.
Ik ken die opschepperij van: wij hebben het in onzen tijd óók
niet zo gemakkelijk gehad, wij werden heus niet zo met zijden handschoentjes
aangepakt als de kinderen van tegenwoordig.
Maar al die goedkope fermiteit van veilige volwassenen, voor negentig
procent trouwens nog fantasie van mensen die in werkelijkheid niet zo
hard werden aangepakt, al die zogenaamde gezonde hardheid is een stuk
zielkundige stommiteit.
Ik wil het kind niet 'sparen', ik wil het laten werken harder dan ooit
iemand kan hebben gewild.
Maar het werk moet passen bij de kinderaard, het moet mogelijk zijn
voor het kind.
Aldus Theo Thijssen in 'Het
grijze kind'
Een onderwijsvernieuwer
Jan
Ligthart was een onderwijzer en pedagoog die zich ontwikkelde tot één
van de origineelste onderwijsvernieuwers van Nederland.
Vooral omdat hij het belang van individualisering van het lager onderwijs
op een nuchtere en praktische wijze aangaf.
In een opvoedingsrelatie kan volgens Ligthart steeds weer
een nieuw begin gemaakt worden en de basis gelegd worden voor een betere
wereld. Als deze wereld nog te redden is dan moet die te vinden zijn
bij het kind en zijn opvoeder.
Theo
Thijssen [1879-1943]
Het geboortehuis van Theo Thijssen is nu een
Museum
Net als zijn beroemde romanheld Kees de jongen,
groeide Theo Thijssen op in de Jordaan
Zijn vader had een schoenwinkel met werkplaats.
Tot zijn tiende woonde hij in de Eerste Leliedwarsstraat, daarna twee
jaar in de Runstraat.
Theo Thijssen verloor al vroeg zijn vader.
Na de bewaarschool in het Koning Willemshuis
in de Leliedwarsstraat gaat hij naar de Tussenschool G aan de Prinsengracht
239.
Hij
kreeg les van meester Blokker, de grootvader van Jan Blokker.
Er waren vier lokalen, gescheiden door glazen wanden. De onderste ramen
waren wit geschilderd, maar de jongens hadden er kijkgaatjes in gekrabd.
In iedere ruimte zaten twee klassen bij elkaar.
In de hogere klas gaf een meester met een baard les. Die tekende een
ronde pannenkoek op het bord en probeerde de kinderen te leren hoe die
in stukken te verdelen.
Theo zat naar die lessen te luisteren terwijl hij zelf in een lagere
klas zat.
Hij vond de kinderen maar stom in het verdelen en de meester kwaad werd
en moest schreeuwen om het nog eens uit te leggen. De kinderen uit de
lagere klas konden daardoor bijna niet verder lezen in hun boekjes.
Tijdens gymnastiek moest Theo figuren lopen. De gymmeester begeleidde
het marcheren door ritmisch met een stok te tikken. Een van die figuren
beschreef hij later als de Zwembadpas.
Theo studeert met een beurs aan de Rijkskweekschool voor Onderwijzers
in Haarlem.
In zijn studíetijd publiceerde Theo artikelen in het schoolblad
'Baknieuws' en werd hoofdredacteur. Door zijn inzet werd het al snel
een landelijk kwekelingenblad. Hij schreef gedichten en beschouwingen
over de Tachtigers.
Hij was een bewonderaar van Lodewijk van Deyssel. in zijn artikelen
was al sprake van sociale betrokkenheid.
De kweekschooldirecteur vond de inhoud van het blad 'subversief' en
verbood het.
[1898-1921]
Theo Thijssen
onderwijzer in Amsterdam
Na de kweekschool trok weer in bij zijn moeder, broers en zussen, die
inmiddels waren verhuisd naar Amsterdam-West.
Hij kreeg zijn eerste betrekking in Amsterdam-Oost. Zestien jaar werkte
hij op een 'kosteloze' openbare school voor kinderen uit arbeidersgezinnen.
Hij was een geboren onderwijzer en kon zich goed
inleven in wat kinderen bezighield, in hun gedachten en hun verlangens.
Wat hij in de klas meemaakte legde hij vast in zijn de romans Schoolland
en De gelukkige klas.

De
beroemde zwembadpas van Kees de Jongen.
Op 16 juni 2001 als wedstrijd bij de Westerkerk
De
schrijver Thijssen
Hij haalt
zijn kweekschooldiploma met een 9 voor Nederlands.
Dat cijfer wijst al vooruit op het schrijverschap van Theo.
Zijn
bekendste roman is Kees
de jongen, over
het leven van een Jordaanse jongen die doormiddel van 'fantasieën'
boven de grauwheid van zijn bestaan uit komt.
Een paar bruggen in de Jordaan zijn naar kinderen uit zijn boeken genoemd.
[1905
- 1917]
De Nieuwe school
Thijssen richt, samen met kweekschoolvriend
Piet Bol, het rebelse onderwijzersblad De Nieuwe School op,
waarin hij fel van leer trekt tegen alles wat een bedreiging voor goed
onderwijs was. Zij eisten meer waardering en maximale autonomie voor
de gewone klassenonderwijzer. Die werd volgens hen door autoritaire
schoolhoofden, schoolopzieners klein gehouden.
Ze gingen ook tekeer tegen generaliserende boekjes over onderwijs en
opvoeding. Binnen het domein van de eigen klas moest de klasonderwijzer
de grootste pedagogische autoriteit zijn.
[1914]
Fort Uithoorn
Op 1 augustus 1914 moeten militie en landweer zich met spoed melden.
Het is vijftien jaar geleden dat Theo zijn militaire dienst vervulde
en nu is hij weer korporaal Thijssen in
plaats van schoolmeester. Hij komt in het Fort Uithoorn terecht.
Het valt hem op dat hij tijdens zijn mobilisatie alle belangstelling
voor politiek en literatuur verliest.
Toch schrijft hij stukjes voor 'de Nieuwe School' en 'Het Volk' over
zijn tijd in het fort.
Eigenzinnige aanpak
Thijssen kende uit eigen ervaring de sociale omstandigheden van zijn
leerlingen.
De pedagogiek wordt in zijn tijd voornamelijk bepaald door het gemiddelde
van de klasse en de persoonlijkheid van de onderwijzer.
De onderwijzer met eigen inzichten heeft aan de algemene aanpak niets.
Hij moet het hebben van zijn intuïtie, waarmee hij de kinderen
beoordeelt naar eigen individualiteit. De klas geeft dan vanzelf aan
als hij het mis heeft.
Hij is voor spellingvereenvoudiging.
Dat is wat anders dan het dorsen van leeg stro, zoals Jan
Ligthart het indertijd noemde.
De enige manier om tot houvast in het onderwijs te komen is een vereenvoudigde
spelling. De bestaande spelling, van de Vries en te Winkel, is een didactische
onmogelijkheid.
Zijn boeken Het taaie ongerief en
Het grijze kind zijn voorbeelden
hoe hij dacht over de verschillen tussen arbeiders en regenten en hoe
arbeiderskinderen daar de dupe van werden.
[1921-1939]
Gemeenteraadslid
en Volksvertegenwoordiger
Thijssen stond sympathiek tegenover dat socialisme.
Zijn vader was een van de eerste Amsterdamse aanhangers van Domela
Nieuwenhuis.
Toch sloot hij zich pas na 1909 bij de Sociaal-democratische Arbeiderspartij
(SDAP) aan.
De felle richtingenstrijd tussen links en minder links vond hij maar
niets. Hij hield zijn leven lang een grondige hekel aan dogmatisme en
sektarisme.
Hij was bezoldigd bestuurder van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers
en zat hij voor de SDAP van 1933 tot 1940 in de Tweede
Kamer en komt met voorkeurstemmen van 1935 tot 1941 in de Amsterdamse
gemeenteraad. Behalve de algemene en nationale onderwijs onderwerpen
houdt hij zich bezig met de schoolmelkverstrekking, het geven van schoenen
in plaats van klompen aan arme kinderen, het ophogen van een voetbalveld
en Sint Nicolaasfeesten op scholen.
Vernieuwingen
en niet op klompen
Hij zat in de Onderwijscommissie van de SDAP,
waar het ging over schoolhervorming, met name de waarde van het Montessori-
en het Daltonsysteem. Thijssen was daar tamelijk sceptisch over. Meer
aandacht voor de individualiteit van de leerling werd al lang en breed
in praktijk gebracht, meende Thijssen. Hij was voor het klassikale onderwijs
als middel tot socialisatie van de leerlingen. Hij sprak er schande
van dat kinderen met ouders 'in de steun' op klompen naar school gingen.
De gemeente stelde die als ondersteuning in natura ter beschikking.
Die kinderen werden daardoor in een isolement gedrongen, betoogde Thijssen:
'Een echte Amsterdammer draagt géén klompen!'
De geestdriftige ontmaskeraar van pedagogische autoriteiten werd echter
steeds meer zelf een autoriteit, in ieder geval een van de bekendste
onderwijsmensen in Nederland
[1941]
Februaristaking
Hij wordt door de Duitsers gearresteerd. Ze denken dat hij als oud-vakbondsleider
de staking mee heeft georganiseerd.
Hij zit zes weken in de gevangenis aan de Amstelveenseweg. Na zijn vrijlating
in april nam Thijssen zich voor om een roman te schrijven over de lotgevallen
van een joods gezin, maar verder dan acht velletjes met aantekeningen
is dit plan niet gekomen.
[1943]
Overleden
In de winter van 1943 werd hij getroffen door een acute longontsteking,
gevolgd door een hartinfarct en een hersenbloeding. Hij overleed in
december 1943.
[1995]
Thijssenmuseum
Thijssens geboortehuis, in de Eerste Leliedwarsstraat 16, wordt ingericht
als Theo Thijssen Museum.

Theo
Thijssenschool Anjelierstraat / Gevelsteen
Natuurlijk
is er een Theo Thijssenschool In
de Anjelierstraat en een dependance in de Palmstraat
De gevelsteen van
de school moet het opnemen tegen graffiti.
Het is niet bekend hoe de denkbeelden van Theo in de hoofden van de
hedendaagse schoolgaande jeugd aankomen.

Een
beeld
Op de Lindengracht staat een bronzen beeld, door de beeldhouwer
Hans Bayens
(1924-2003) gemaakt.
Theo als schoolmeester, liefdevol gebogen over een van zijn leerlingen.
Het beeld is onthuld op een zaterdag toen er markt was, een niet zo
handig gekozen tijdstip.
Ergerlijk was het dat de kinderen van de Theo
Thijssenschool er nauwelijks aan te pas kwamen om hun bloemetjes
te leggen.
Theo zou het zelf zo geregeld hebben dat de kinderen juist het middelpunt
waren.
Als er markt is dringen de mensen zich tussen hem en de viskramen door.
Een enkele keer waagt een marktkoopman het een dekzeil van zijn kraam
aan het beeld te knopen. Maar als er geen markt is staat het beeld er
in volle glorie.
naar
boven
Gerard
Jan Ligthart [1859-1916]
Onderwijsvernieuwer
Jan Ligthart was een onderwijzer en pedagoog
die zich ontwikkelde tot één van de origineelste onderwijsvernieuwers
van Nederland. Vooral omdat hij het belang van individualisering van
het lager onderwijs op een nuchtere en praktische wijze aangaf.
Hij zag als geen ander dat de arbeiderskinderen onderwijs moesten krijgen
dat aansloot op een ambacht dat ze, meestal al op twaalf jarige leeftijd,
moesten aanpakken.
Hij had medestanders, maar ook veel tegenstanders, waaronder zelfs
Theo Thijssen.
De een ziet in hem een filosoof, de ander alleen maar een pedagogisch
artiest, een goed opvoeder, maar van weinig betekenis voor de ontwikkeling
van de padagogiek. Ligthart was in ieder geval een man die met een warm
hart midden in zijn tijd tussen de kinderen stond.
Jeugdherinneringen
Jan is geboren op de hoek van de Tuinstraat
en de Prinsengracht.
Hij zat op de school ter bevordering van Christelijk onderwijs aan de
Lindengracht 82 - 85.
Er waren drie lokalen met grote ramen en zes toiletten. Dat was heel
wat beter dan de Armenscholen die, volstrekt ongeschikt, in voormalige
suikerfabrieken ondergebracht waren. Op school
nr. 6
aan de Bloemgracht zaten 600 leerlingen in één
ruimte.
De overvolle scholen waren broeinesten van kinderziekten.
"Wat ademen ze nu in?
Zuivere lucht? Neen de onzuivere lucht heeft den tijd niet gehad zich
te verwijderen. Zij zitten zo digt opeen dat ieder kind bij elke inademing
een groot gedeelte van de lucht binnen krijgt die zoo even de longen
van zijne makkers verlaten heeft".
Zijn kinderjaren uitgebreid
beschreven
De grachten waren open riolen en stonken ontzettend. Behalve aan de
hoofdgrachten, zoals de Bloemgracht en de Rozengracht, waren de huizen
klein en in veel van de straatjes vervallen.
Overal heerste armoede. In de winter felle kou, een jaarlijks terugkerende
'hongerwinter'. Veel kinderen en jonge
mensen werden ziek en stierven.
Jans vader leed aan epileptische toevallen. Vaak was hij daar als kind
getuige van. De kruidenierswinkel waarin Jan opgroeide ging door de
onzakelijke onkunde van zijn vader twee keer failliet.
Gratis
opleiding
Ligtharts moeder was de dochter van een vrijzinnig protestants predikant.
Ze was de spil van het gezin van vijf kinderen. Zij deed er alles aan
om haar zoons een sociaal en financieel betere toekomst te geven dan
zij zelf had gekend.
Ligthart had als kind al een zwak gestel, zodat hij bijvoorbeeld geen
timmerman kon worden. Zijn talenten lagen meer op het intellectuele
vlak.
Als begaafde jongen uit dit gezin dat in 'nette
armoede' leefde, kreeg Ligthart na de lagere school de gelegenheid kwekeling
te worden aan de Bijzondere School van de Afgescheiden Gemeente
aan de Bloemgracht waar hij een kleine vergoeding kreeg.
Na drie maanden ging Ligthart over naar de gemeentelijke Stadsarmenschool
nr.14 in de Jodenbreestraat. De gemeente Amsterdam betaalde een beter
salaris en vulde het kwekelingenwerk aan met een onderwijzersopleiding
in de avonduren.
Dat betekende een omkeer in zijn leven. Hij maakte al op jonge leeftijd
zijn entree in een intellectuele en politieke cultuur.
Hij leerde op School 14 ook zijn latere echtgenote, de onderwijzeres
Marie Lion Cachet, kennen en dat maakte
zijn positie in het onderwijs nog steviger. Zijn vrouw kwam uit een
familie van tot het protestantisme bekeerde joden, een familielid van
vaderszijde was Raap, burgemeester van Amsterdam.
Dit joodse element in zijn familie wekte bij hem het verlangen naar
het zuivere, het absolute, met een afkeer voor schijnwaarden.
Op
School 14 zaten alleen kinderen uit het joodse proletariaat
In de context van sociale ellende in de joodse
buurt nam Ligthart afstand van zijn geloof en kreeg hij sympathie voor
het socialisme, zoals dat in de Jordaan van de jaren tachtig opkwam.
Hoewel Ligthart openlijk sympathiseerde met de Sociaal-democratische
Arbeiderspartij, werd hij nooit partijpoliticus.
Ook binnen de schoolwereld was hij zowel als pedagoog maar ook als ethicus
veel meer een man van de daad. Zoals veel linkse onderwijzers werd Ligthart
geïnspireerd door de cultuurkritiek die in het werk van Multatuli
vinden was.
Later, in de jaren negentig, werd Ligthart meer door het Spinozisme,
het Vitalisme en het werk van Frederik van Eeden beïnvloed
en was hij niet meer zo positief over Multatuli.
[1885]
Naar Den Haag
Ligthart wordt hoofd van de Openbare School voor
Onvermogenden in Den Haag.
Op deze school, waar vooral arbeiderskinderen zitten, blijft hij tot
zijn dood werken.
Hij is actief in het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap Hij zet zich
in voor een pensioenregeling, de verhoging van onderwijzerssalarissen
en vooral voor het vraagstuk van de 'baldadigheid der straatjeugd'.
Ligthart hield schoolvergaderingen waarbij ieder stemrecht had. Dat
was ongekend omdat in die tijd schoolpersoneel bij wet verplicht was
de bevelen van het hoofd op te volgen.
Dat experiment trok de aandacht van de sociaal-democratisch georiënteerde
Bond van Nederlandsche Onderwijzers.
[1897]
Breuk met Thijssen
In startte Ligthart samen met de joodse onderwijzer
Eli Heimans en C.F.A. Zernike het tijdschrift Oud en
Nieuw.
Het tijdschrift was gericht op de verbetering van de didactiek van schoolvakken,
in het bijzonder de zaakvakken.
Theo Thijssen en Piet Bol , twee rebelse onderwijzers, begonnen
in 1905 hun eigen kritische blad, De Nieuwe School.
Dat zou wel eens de oorzaak kunnen zijn dat Ligthart met Theo
Thijssen breekt.
Deze breuk lijkt toch meer een kwestie van stijl, vooral van levensstijl
te zijn geweest.
Thijssen en Bol genoten van sigaren, hielden van een goed glas wijn
en tekenden met scherpe pen graag een karikatuur van de onderwijzers
uit die tijd.
Ligthart was vegetariër en geheelonthouder,
droeg de oecumenische gedachte uit en stond, ook in daden, sympathiek
tegenover het feminisme.
Het was in de schoolwereld ongebruikelijk om vrouwelijke schrijvers
aan het woord te laten. Ligthart deed dit van meet af aan wel. Dat leidde
tot een verbetering van het onderwijs in het belang van het arbeiderskind.

"Dag
Sien," zegt Moe-der.
"Dag Me-vrouw!" zegt Sien.
"Moe-der is mijn paard," roept Ot.
Ja, dat ziet Sien wel.
Ot
en Sien
"Haal altijd de kinderen naar je toe, zorg er voor de potentiële
deugd reëel te maken", betoogt Ligthart, maar trek, waarschuwt
hij, de morele grenzen scherp.
Over het algemeen is Ligthart gematigd in zijn woordkeus, maar over
liefdeloze "opvoeders" schreef hij: "schoften zijn het".
In zijn beste werk Jeugdherinneringen,
heeft hij geen methode, maar een houding nagelaten.
Maar zijn grootste betekenis ligt toch in wat hij door zijn Ot en Sien
boekjes voor opgroeiende kinderen is geweest. Verouderd zijn die eigenlijk
alleen wat de entourage betreft, maar ze boeien een hedendaags kind
nog altijd.
Aansluiting
bij het kind zelf
In een opvoedingsrelatie kan volgens Ligthart steeds weer een nieuw
begin gemaakt worden en de basis gelegd worden voor een betere wereld.
Als deze wereld nog te redden is dan moet die te vinden zijn bij het
kind en zijn opvoeder.
"In ieder kind bloeit,
stil verborgen, een wonderbloem", schrijft hij
ergens.
Het is echter slechts één aspect van zijn opvatting.
Zijn ervaring met zijn eigen kinderen en die van anderen hadden hem
ook een andere kant van de mens laten zien: "arglistig in ons hart",
tegenover het "onschuldige kinderhart".
Hij is het niet eens met Pestalozzi
en Fröbel,
die kinderen zich lieten ontwikkelen volgens de eigen natuur: wat zou
daar van terecht komen? Ligthart is voor een strenge
morele opvoeding.
We moeten wel gebruik maken van de mogelijkheden in een kind, een natuurlijke
drang tot activiteit, verlangen naar kennen en kunnen, en altijd op
zoek naar belangwekkende zaken in het leven.
We moeten nooit negatief, maar steeds positief te werk gaan, niet
"Jantje blijf af, maar Jan geef aan".
Horen,
zien en doen
Een mens moet horen om te vernemen; zien, om beter te onthouden; maar
doen, om teb volle te verstaan.
Wat maken wij, wijze paedagogen, echter onderscheid tussen de leerwijze
van het woord, die der aanschouwing en die der daad, alsof alleen de
eerste op mededelen uit was en de beide andere niet. Is het wellicht
geen mededeling, wanneer de beelden het ons ziende zeggen, of als de
ervaring het ons levende leert? Aldus Ligthart in 1916

Schoolplaten
in het echte alledaagse leven liggen volgens Ligthart de kiemen voor
een zinvolle didactiek: kijk maar om je heen, naar de bomen, de dieren
en de dingen. Zoals de primitieve mens de kunst van de natuur heeft
afgekeken, moeten ook wij te werk gaan: tanden van de dieren leren ons
hoe een spade te maken en een ploeg: ,,want wat is die ploeg anders
dan een spa, waarvan de steel horizontaal is en het blad is omgeslagen?
Zo eenvoudig zijn de dingen, de eg, een hark, een kam, een rijtje gekromde
vingers. Het is zaakonderwijs,
een kind kan dit begrijpen.
Zo zijn de schoolplaten ontstaan, voor elke maand één,
platen die in onervaren handen van sommige onderwijzers echter geleid
hebben tot gemakzuchtig 'plaatvertellen'. Maar niet bij Ligthart die
de, wondere tovermacht van het verhaal
kende.
Ligthart
en het kind van zijn tijd
Wil je de betekenis van Ligthart begrijpen moet je wel bedenken dat
de kinderen in een totaal andere wereld leefden. Er heerste indertijd
een simpele patriarchale structuur. Daar was wel kritiek op, maar die
was nog niet tot de brede lagen van het volk doorgedrongen. Er wordt
aan zedelijke orde en haar vertegenwoordigers niet getwijfeld.
De wereld biedt veiligheid en zekerheid voor de kinderen, alles is eenvoudig
en overzichtelijk. De ambachtelijke activiteiten die ze dagelijks om
zich heen zien zijn interessant. Dat is een reden waarom het zaakonderwijs
van Ligthart zo aanslaat.
Vraag nu eens aan een kind wat zijn vader doet 'op kantoor of 't fabriek',
ze hebben er geen notie van. "Hij is machinesteller". "Wat
is dat, machinesteller?" Geen antwoord.
Zo blijft de wereld van vader en alle andere volwassenen hem vreemd
terwijl het toch ook zijn wereld moet worden.
Geen wonder, dat we het moeten opnemen tegen de verveling, het antwoord
van vele kinderen op het ongrijpbare van de maatschappij.
De aanpak van Ligthart is simpel: naar de natuur en het leven om je
heen kijken, kinderen observeren en gewone dingen doen. Praten met,
en luisteren naar gewone mensen, die nog niet bedorven zijn door pseudo-wijsheid.
Daarom kon een beginnend onderwijzer zich beter tot hen wenden en zien
hoe zij het deden, dan dat hij een hele encyclopedie uit het hoofd leerde.
Een
gewone schoolmeester
Als we zijn pedagogische verhandelingen nog eens lezen valt op dat ze
zo vanzelfsprekend zijn. In zekere zin is dit voor Ligthart een compliment,
want hij heeft er toe bijgedragen dat wij anders zijn gaan staan tegenover
het kind.
Maar het is de tragiek van mensen zoals hij, dat ze geen methodeontwerpers
zijn geweest, maar gewone onderwijzers. Ze krijgen dan ook weinig erkenning.
De arbeiders verdwijnen, maar het door hen gemaakte werk blijft bestaan.
Dit geldt ook voor Ligthart.
Letten we niet alleen op denkbeelden en stelsels, maar ook op de gewone
onderwijzer voor de klas, dan valt Ligthart onmiddellijk op als een
der grootste. In zijn levensbeschouwing was hij echter te vaag, te weinig
omlijnd te subjectivistisch, in zijn antropologie te rationalistisch.
Daarom kon zijn zaakonderwijs zo gemakkelijk ontaarden in een droge
technische uitstalling van details en weetjes. Teveel ook stond de oefening
der zintuigen centraal en kwamen gevoel en verbeelding in zijn onderwijs
niet genoeg tot hun recht. Zo begreep hij weinig van de waarde van sprookjes
en had hij ook weinig inzicht in het wezen van het kinderlied, dit ondanks
zijn grote literaire belangstelling.
Geen
methode maar een houding
De grootste verdienste van Ligthart is, dat hij de eerste opvoeder van
betekenis was die het kind zelf als uitgangspunt heeft genomen. Hieruit
is ook zijn afkeer van droge wetenschap te verklaren.
Hij heeft zijn pedagogiek gegrondvest op het scheppen van een situatie,
waarin opvoeder en kind elkaar ontmoetten in een medemenselijke solidariteit.
Die gelijkwaardigheid van volwassene en kind was bij Ligthart geen thema
dat het goed deed, maar een werkelijkheid gegrond op zijn geloof.
Ligtharts belangrijkste bijdrage aan de verbetering van de positie van
de arbeiders ligt vooral in zijn werk als onderwijsvernieuwer. Hij was
zich bewust van het klassenkarakter van het lager onderwijs. Hij was
van mening dat de schoolboeken en de methodiek nauwelijks aansloten
bij de praktische behoeften van arbeiderskinderen. Die kinderen gingen,
of ze het onderwijs hadden afgemaakt of niet, als ze twaalf waren van
school om te gaan werken bij een baas.
De curriculumeisen waren vooral afgestemd op kinderen die naar de Hoogere
Burger School of het gymnasium zouden gaan. Ligthart bedacht projecten
die gericht waren op kennis van en inzicht in ambachten waar ze zelf
zouden gaan werken.

Taal
voor arbeiderskinderen
Ligthart was ook voorstander van spellingsvereenvoudiging
en zag af van de naamvallen, die nog waren gebaseerd op de achttiende-eeuwse
schrijftaal van de hogere klassen.
Zijn boekjes waren geschreven in algemeen beschaafde spreektaal. Hoewel
de verhaaltjes zich ten dele afspeelden in de gegoede burgerlijke standen,
wilde Ligthart expliciet de Nederlandse taal voor het arbeiderskind
ontsluiten.
Zijn taalmethodiek sloot aan bij het gegeven dat arbeiderskinderen dialecten
en sociolecten spraken.
Het zaak-, lees- en taalonderwijs moest aansluiting zoeken bij deze
'achterstand'.
Ligthart
schreef graag
Zijn werk laat zich kenmerken door relativeringsvermogen, een mild ironische
stijl en toegankelijk taalgebruik.
Toch had hij achter alle luchtigheid te kampen met somberheid, depressiviteit,
hartklachten en extreme vermoeidheid.
Vanaf zijn veertigste raakte hij om de zeven jaar overspannen, moest
zich dan samen met zijn vrouw voor maanden terugtrekken in een klein
pension in Het Gooi of in Gelderland.
Hofonderwijzer
Het plotselinge verlies van zijn negenjarig zoontje
Jan in 1905 maakte hem als pedagogisch auteur veel ernstiger.
Zijn wereldbeeld werd na dit jaar pessimistischer, moralistischer en
uitgesproken ethisch-christelijk.
Maar ondertussen trok hij wel de aandacht van vele Europese en Amerikaanse
onderwijsvernieuwers.
In Nederland werd zijn werk vooral in burgerlijke kringen door vrouwen
hoog gewaardeerd. Koningin
Wilhelmina bezocht
incognito zijn school in de Haagse Tullinghstraat. Zij vroeg hem het
onderwijs voor prinses
Juliana
te verzorgen.
Ligthart voelde zich hiervoor op dat moment te vermoeid en stuurde daarom
een van zijn onderwijzeressen.
Ondanks al dit succes was Ligthart teleurgesteld in zijn eigen kring,
het openbaar lager onderwijs, waaraan hij zo veel te danken had gehad.
Een
somber einde
Binnen de Nederlandse schoolwereld werd zijn levenswerk, het zaakonderwijs,
kritisch ontvangen.
De navolging van zijn methodiek bleef beperkt, juist omdat hij de onderwijzers
als zelfstandige en vindingrijke personen had benaderd.
Toen in 1914 de eerste Wereldoorlog uitbrak bleef Nederland neutraal
maar moest Ligthart zien te leven met het besef van een onmenselijke
wereldoorlog. Hij herstelde niet meer van zijn somberheid en kwalen.
Tijdens de watersnoodramp van februari 1916 viel hij bij zijn dagelijkse
wandeling in het Kanaal bij Laag Soeren. Een schipper die toevallig
voorbij kwam schoot te hulp, maar de vermagerde man, die volgens de
overlevering nog een droge baard had, was op slag dood.
Thijssen
over Ligthart
"Zijn 'Jeugdherinneringen' zijn natuurlijk prachtig en alleen al
door Ot en Sien is hij belangrijk geweest.
Maar hij is ook het boegbeeld geworden van een massa halfbakken
bewonderaars.
Een gezond mens moet toch walgen van al die vieze zedelijkheid die dat
soort lui verkopen. Er is een verband tussen de malle smoelen van de
lui op Walden, de pantoffelvegetariërs, de manchester loodgieterpakkies,
de rare hoedjes, de blote nekken, de grote dassen, de plotselinge kinbaarden,
het partijgenootje spelen van achttienjarige marxisten, het venten van
brochures door zestienjarigen, vrijen en het eten van rauwe dingen en
kruimelige sportbeschuiten. Het eten van bruinbrood is tegenwoordig
een principe waarmee gegeurd wordt, net zo goed als met geheelonthouding".
naar
boven

14e
Montessorischool De Jordaan
Een school van vandaag
Als Montessorischool hecht men grote waarde aan het scheppen van een
optimaal leef- en werkklimaat binnen een kindvriendelijke, veilige en
geordende omgeving, waarin kinderen uitgedaagd worden om veel te leren
en vooral om samen veel te leren.
Maria Montessori had bij het ontwikkelen
van haar denkbeelden zeker wel kinderen voor ogen zoals die indertijd
in de Jordaan leefden. Ze was ook bij de school van Jan Ligthart
op bezoek geweest.
De kinderen van vandaag zijn niet de arbeiderskinderen van toen. Ze
hebben het beter maar blijven in principe gelijk. Ze willen zich graag
ontwikkelen en daarin zelf een actieve rol spelen. Vandaar dat de kinderen
op de Montessorischool de ruimte krijgen om zelf actief te zijn en eigen
initiatief te ontplooien. Uiteindelijk gaat het er om dat kinderen zich
op alle terreinen optimaal ontwikkelen. Van de ouders wordt gevraagd
een actieve rol in de school als gemeenschap vervullen.
Uitbreiding
De school staat in de Elandsstraat en heeft ook de Mariaschool van de
Zusters van 'de Voorzienigheid'
in gebruik genomen.
De school groeit nog steeds en men zoekt naar meer plaats voor uitbreiding.
De annexatie van het gebouw van speeltuinvereniging
'Ons Genoegen' stuit
op veel verzet.
Deze bestaat al 93 jaar en men is boos dat de plannen van het stadsdeel
voorbij gaan aan het belang van deze buurtvoorziening.
Voorlopig bouwt men een verdieping boven op de school.
Maar in 2010 start nieuwbouw waarbij de school wordt uitgebreid met
3 klaslokalen, ruimten voor naschoolse opvang, een gymnastieklokaal
en ruimte voor een speeltuinvereniging. Deze functies worden ondergebracht
in een nieuw, zelfstandig gebouw dat enerzijds aan de Elandsstraat ligt
en anderzijds grenst aan een openbare binnenplaats waarin een speeltuin
is gelegen en de speelplaats voor de schoolkinderen.
Over
Montessori in de Jordaan
In 1942 werd tegen zuster
Hippolyte, van de congregatie 'de
Voorzienigheid' gezegd: "U
gaat de opleiding volgen voor het Montessorionderwijs". In Amsterdam
was het Montessorionderwijs alleen in het Openbare Onderwijs te vinden.
De congregatie begon met twee Montessori-kleuterklassen op de Lauriergracht
aan de rand van de Jordaan, er kwamen zowel kinderen uit de Jordaan
als van de Grachtengordel. Uit de Jordaan als de ouders de extra schoolbijdrage
er voor over hadden, de grachtengordel kwam speciaal op het schooltje
af.
In die tijd betekende het dat je kinderen van 4 tot bijna 7 jaar bij
elkaar had. Het hele jaar door voegden kinderen in die 4 jaar waren
geworden in.
Het principe van Montessori is dat er orde moet zijn, anders is er geen
ontwikkeling mogelijk. Binnen die orde wordt dan veel vrijheid geboden.
De kinderen kiezen zelf, maar jij moet dan opletten dat ze op hun eigen
niveau werken. Na de oorlog waren er wel klassen van 40 kinderen, dat
was niet gemakkelijk. Het systeem was ingesteld op ongeveer 25 kinderen.
Op den duur kwamen er minder kinderen, door veranderingen in de samenstelling
van de bevolking.
in Amsterdam was er indertijd geen vervolg op de Montessoriaanpak in
het lager onderwijs. Wel was er samenwerking met de onderwijzers van
de 1e klas van de lagere school. De kinderen zouden zich snel kunnen
gaan vervelen in het gewone, strak klassikale, onderwijs. In het Montessorionderwijs
boden we die kinderen een ontwikkeling die voor een volkswijk bijzonder
was. Ze leerden om goed voor zichzelf op te komen, vanuit hun eigen
kunnen dingen aan te pakken. Tegelijk was het een heel sociale opvoeding,
waarin ze veel samen met anderen leerden doen, elkaar moesten helpen,
telkens weer nieuwe kinderen moesten opnemen in een groep met groot
leeftijdsverschil. Die kinderen brachten verschillende culturen mee.
Dat zagen ze van elkaar en daarin leerden ze van elkaar. Ze vonden elkaars
verschillen gewoon. Bovendien kon ieder zich in z'n eigen tempo ontwikkelen.
Ik denk dat we daar de basis legden voor heel open, tolerante mensen.
naar
boven

Taallessen
met de leesplank
[1855]
Licht in de Jordaan
Bittere
armoe, dronkenschap, hier en daar kinderen die slechts op handen en
voeten konden lopen.
Dat was de Jordaan halverwege de negentiende eeuw. Hier woonde de alleronderste
laag van de stadsbevolking.
Hier huisden de armen en verminkten en kreupelen en blinden uit Lukas
14.
De kerk, het christendom, had afgedaan. Socialisme en anarchisme vonden
breed weerklank.
In deze buurt werd, in 1855, de vereeniging Tot
Heil des Volks opgericht.
Geestelijke
vernieuwing
In diezelfde periode ontstond er een beweging
van geestelijke vernieuwing die later zou worden aangeduid als het
Réveil. Staatsman Groen van Prinsterer, dichter
Isaäc da Costa en dominee O.G. Heldring waren drie
van de voormannen van deze beweging. Verschillende predikanten die al
jaren de christelijk boodschap preekten.. Eén van hen was dominee
Jan de Liefde.
Bijbellezingen
Samen met een ouderling staat hij daar, op een van de vele bruggetjes
in de Jordaan: de Reveilprediker ds.Jan
de Liefde.
Geschreeuw alom. Een doordringende vislucht. Her en der verwaarloosde
kinderen. Grauwheid.
,,Hoe zouden we Christus kunnen brengen in deze duisternis?" .
Ds. De Liefde laat er geen gras over groeien.
Hij stapt op een vrouw af die een eindje verderop haar viskisten aan
het schoonmaken is en vraagt haar of hij in haar huis bijbellezingen
mag gaan houden. Ze heeft er geen bezwaar tegen. De volgende avond zitten
in de woning van vrouw
Schouten vijf arbeidersvrouwen: en een blinde orgeldraaier
onder zijn gehoor.
De
'Christelijke Bewaarschool voor Havelooze kinderen'
De bewaarschool die in januari 1855 werd opgericht in de Willemsstraat,
was de eerste vrucht van de evangelisatiedrang.
naar
boven
Eben
Haëzerschool, Inrichting voor Havelooze Kinderen
Bijzonder Lager Onderwijs,
Bloemstraat 191

Leerkrachten van de Inrichting voor Havelooze
Kinderen
Rechts zittend het schoolhoofd Dhr. van Zwieten. Rechts staand
J. de Haan, de grootvader van Lya Dordregter, die herinneringen
uit de familie verzamelde.
Volgens de akte van benoeming heeft haar grootvader daar van 1 januari
1915 tot 1 mei 1921 les gegeven.
Een bekend schrijver, dichter en verzetsman, H.M.
van Randwijk is eveneens onderwijzer op de school
geweest. De ellende van de crisis greep Van Randwijk aan. Hierover schreef
hij in 1936 het boek Burgers
in Nood. Door dit boek had hij moeite een betrekking
als onderwijzer te vinden. Voor de 'rooie' van Randwijk was geen plaats
op christelijke scholen. Met hulp van Ds. J.J.
Buskes kreeg hij in 1937 werk op de Eben Haëzerschool.
In
de oorlog was Van Randwijk betrokken bij de illegaliteit. Zijn schuilnaam
was Sjoerd van Vliet. Hij was één van de oprichters
van het illegale blad Vrij Nederland. Na de oorlog zou hij ook
hoofdredacteur van het blad blijven.
In 1942 werd hij door de Duitsers gearresteerd en zes weken lang verhoord.
Hij ontkende stug en hield vol dat iemand met zijn theologische opvattingen
geen verzetsblad kon uitgeven. Hij werd vrijgelaten met de uitroep:
"U bent òf onschuldig, òf de grootste leugenaar die
er bestaat".
Nieuwe
kleren
De school was in het begin bedoeld voor haveloze kinderen die in grote
armoede leefden en nooit enig onderwijs hadden ontvangen. Haveloos is
een benaming voor mensen zonder bezit, maar ook voor armoedig en slordig
gekleed.
De kinderen kregen op school vaak nieuwe kleding. Het gebeurde nogal
eens dat het kind de volgende dag weer in z'n oude kloffie kwam omdat
de nieuwe kleding naar de pandjesbaas was gebracht. Dat leverde immers
weer geld op.
Regelmatig werd er een kind uit de klas gehaald vanwege luizen. De jongens
kwamen dan kaalgeschoren terug.
Een meisje kreeg een verband waar een of ander goedje gesmeerd was om
de luizen te doden. Zo'n verband noemde men "pedikelkap"
of "luizenkap"
De kinderen
waren erg aanhankelijk, als zij op school kwam hingen er altijd wel
kinderen aan de arm van mijn grootmoeder of sloegen hun armen om haar
nek. Ondank dat zij het daarmee wel eens moeilijk had vanwege de vlooien
en luizen begreep zij dat de kinderen veel liefde nodig hadden omdat
zij dat thuis vaak misten.
Streng maar rechtvaardig
Mijn grootvader had goed contact met Opoe
Kabalt. Opoe runde het hele gezin. Vader had een orgel,
was orgeldraaier en moeder ging altijd met hem mee. Alle kinderen Kabalt
zaten bij mijn grootvader op school. Opoe Kabalt kwam daar nog al eens
en zei dan altijd tegen mijn grootvader: "vreten de kinderen
wat uit, geef ze dan op hun lazer".
Tussen de middag
gingen de kinderen naar de Willemsstraat om daar in een zaal van het
Willemshuis warm te eten. Tijdens de warme maaltijd moest er altijd
een van de leerkrachten toezicht houden. Dat liep nogal een uit de hand.
Het eten zat wel eens op de muren. Wie kon het hards met zijn vork eten
tegen de muur kwakken. Mijn grootvader werd daar altijd heel erg kwaad
over en dreigde hun ouders ter verantwoording te roepen waarna men ook
geen maaltijd meer kreeg aangeboden.
Ik heb mijn grootvader nog goed gekend, heel rechtvaardig maar je mocht
beslist niets verspillen.
De
kinderen gingen wel eens op een schoolreisje
Hier
een uitstapje naar de witte herberg Kraantje Lek' in Overveen aan de
voet van duintop 'de Blinkert'
Daar
zijn in de loop der jaren al heel wat kinderen met schoolreisje naar
toe geweest.
Schoolreisje naar Kraantje Lek in Overveen
Leerkrachten en hun partners in Kraantje Lek
De beroemde holle boom van Kraantje Lek
Achteraan in de boom mijn grootvader en grootmoeder, een pas getrouwd
stel. Zij hebben elkaar in Utrecht ontmoet en toen zij trouwden moest
mijn oma haar baan als leerkracht opzeggen. Zo ging dat nu eenmaal in
die tijd.
Rechts zittend de heer en mevrouw van Zwieten.
Achter hen, Dien Hofer
(met plat kapje).
Dien Hofer was een leerkracht. Waarom zij een plat kapje en de leerkracht
naast haar een puntkapje droeg, was volgens mijn tante heel persoonlijk.
Mijn oma droeg bijvoorbeeld niets op haar hoofd. Mijn opa heeft op diverse
scholen les gegeven en op foto's met leerkrachten ben ik die kapjes
nergens tegengekomen. Dien Hofer is verhuisd naar Rotterdam, is gehuwd
met Cor Slijper en zij hadden 4 kinderen. Na het bombardement
in de oorlog hebben zij tijdelijk bij mijn grootouders in Scheveningen
gewoond.
naar
boven
[1876]
Da
Costaschool

Da Costaschool op de Rozengracht
Behalve op de Rozengracht
was er ook een Da Costaschool op de Elandsgracht op de plek waar nu
het buurthuis Claverhuis is.
Een dramatische herinnering aan de school:
Op de school werd ons vanaf de eerste Meidagen in '40 al duidelijk gemaakt
nergens over te praten en ook niet verder te vertellen wat je ouders
met elkaar bespraken of deden.
Tijdens de Februaristaking werd de deur 's middags om 12 uur door de
meester geopend om ons naar huis te laten gaan.
Toen we naar buiten gingen verscheen de hoofdonderwijzer in de deuropening
en werd op hetzelfde moment voor onze ogen doodgeschoten.
Een
kruikenruiker
Bij de Erven Lucas Bols fabriek, naast
de school, was iets vreemds te zien.
Daar was namelijk een kruikenruiker in dienst.
Het bijzondere aan hem was dat hij twee kruiken tegelijk kon besnuffelen
en feilloos wist te sorteren.
Het ging er om of de kruiken nog geschikt waren voor de drank, want
er werd soms ook wel een litertje petroleum voor het petroleumstelletje
in gehaald.
Die ruiker heb ik vanaf de speelplaats aan het werk gezien. Er lagen
hopen met kruiken om hem heen.
naar
boven
Een
armenschool
[1851]
Sint-Vicentiusvereniging
In 1848 start men activiteiten in Amsterdam
De eerste armenschool voor jongens werd in de Jordaan gesticht, en wel
in de Nieuwe Leliestraat.
[1845]
De Vereniging tot Weldadigheid van de Allerheiligste
Verlosser
Men zag ook een taak in de bevordering van katholiek onderwijs voor meisjes.
Deze vereniging stichtte haar eerste school, in de jaren 1845-1847, aan
de Anjeliersgracht na demping de Westerstraat.
Het onderwijs werd toevertrouwd aan de Zusters
van Liefde, uit Tilburg.
Het
opregte verlangen om meisjes onderwijs te geven
'Bij
deze heb ik de eer Ued. Te berichten, dat ik eergisteravond het pakhuis
Java met den nevenstaanden stal zeer voordelig gekocht heb, met het
doel, om daar eene Bewaar- en Meisjesleerschool op te rigten.
Het zijn dezelfde percelen, in 't hart van de Jordaan gelegen Egelantiersgracht
tusschen de laatste dwarsstraat en de baangracht, op welker aankoop
ik tegen het einde des vorigen jaars bij de geachte Vereeniging, aan
wier hoofd Ued. Staat, heb aangedrongen.
Met het opregte verlangen bezield om met Uw Bestuur samen te werken,
en tevens eene geschikte gelegenheid te openen, waardoor in de dringende
behoefte zal worden voorzien, om aan alle meisjes en de kinderen boven
de twee jaar een katholieke opleiding te kunnen geven, hernieuw ik thans
het verzoek, dat het de Vereeniging, die in verscheidene andere streken
der stad zoo ijverige pogingen voor dit doel aanwendt, behagen moge
de bovenvermelde lokalen van mij over te nemen en tot eene ruime school
in te rigten'.
[1877]
St Ignatiusschool
School van de Vereniging tot Weldadigheid,
Sint-Ignatiusschool, onder leiding van de zusters van Tilburg.
naar
boven

Sint
Vincentiusschool [1815] / Nieuwe Leliestraat 169 [2000]
Sint
Vincentius Armenschool
Theo
Thijssen schreef in zijn dagboek van 13 augustus 1921
k
Loop door de Nieuwe Leliestraat in Amsterdam. Een oude Jordaanstraat.
Dichtbij het eind is een schoolpoort die ik me uit mijn jongenstijd
nog herinner. St. Vincentius Armen-School stond er indertijd
boven die poort, in stenen letters.
En de kinderen die ik door die poort zag gaan, waren voor mij toppunten
van schooierachtigheid.
Ik raak aan t nadenken: wat n brutale wreedheid toch, wat
n ongeneerdheid , om het zo in stenen letters te zetten: Armen-school.
Om hele geslachten kinderen dát aan te doen, ze onder die letters
elke dag te laten doorgaan
Daar is de poort; daar zijn weer de stenen letters
Maar wat zie
ik? Het woordje Armen is weggehakt.
De open plek is er nog en daarop staat nog de moet en heel
flauw is zo nog te zien wat er vroeger zo brutaal stond.
Een klein beetje schijnt de wereld toch wel vooruit te gaan, denk ik
onder t verder lopen:
men gaat zich schamen voor sommige ongerechtigheden tegenover het kind.
naar
boven
|