de Jordaan

> Jordaan index

> Theo Thijssen

# Zwembadpas

# De Nieuweschool
# In de Gemeenteraad
# Het Tijssenmuseum
# Standbeeld van Theo

tussen taal en beeld



> Gerrit Jan Ligthart


# Onderwijsvernieuwer
# Joodse proletariaat
# Ot en Sien
# Thijssen over Ligthart

Twee onderwijsmensen uit de Jordaan



Theo Thijssen en Gerrit Jan Ligthart


[L:] Theo Thijssen [R:] Jan Ligthart

De twee mannen die voor het onderwijs aan arbeiderskinderen een bijzondere betekenis gehad hebben.
Beide opgegroeid in slechte omstandigheden maar zich ontwikkelend als bevlogen besnorde onderwijzers.

Theo Thijssen schreef in 'Het grijze kind' :
O, waarde vrienden,
Ik ken de solide verontwaardiging over die 'verslappende pedagogiek'.
"Niet de letters van den man aan de schrijftafel, maar de daden van den man voor de klasse zijn paedagogiek"
Ik ken dat gewaarschuw: maak het de jeugd niet zo gemakkelijk, durf wat van de kinderen te eisen, laat ze gerust maar eens ploeteren, da's versterkend.
Ik ken die opschepperij van: wij hebben het in onzen tijd óók niet zo gemakkelijk gehad, wij werden heus niet zo met zijden handschoentjes aangepakt als de kinderen van tegenwoordig.
Maar al die goedkope fermiteit van veilige volwassenen, voor negentig procent trouwens nog fantasie van mensen die in werkelijkheid niet zo hard werden aangepakt, al die zogenaamde gezonde hardheid is een stuk zielkundige stommiteit.
Ik wil het kind niet 'sparen', ik wil het laten werken harder dan ooit iemand kan hebben gewild.
Maar het werk moet passen bij de kinderaard, het moet mogelijk zijn voor het kind.

Jan Ligthart was een onderwijzer en pedagoog
Hij ontwikkelde zich tot één van de origineelste onderwijsvernieuwers van Nederland.
Vooral omdat hij het belang van individualisering van het lager onderwijs op een nuchtere en praktische wijze aangaf.
In een opvoedingsrelatie kan volgens Ligthart steeds weer een nieuw begin gemaakt worden en de basis gelegd worden voor een betere wereld. Als deze wereld nog te redden is dan moet die te vinden zijn bij het kind en zijn opvoeder.



Theo Thijssen [1879-1943]


[L:] Theo Thijssen Museum in het geboortehuis / Eerste Leliedwarsstraat 16 [R:] familie Thijssen


Net als zijn beroemde romanheld Kees de jongen, groeide Theo Thijssen op in de Jordaan.
Theodorus Johannes Thijssen werd op 16 juni 1879 geboren.
Zijn ouders noemden hem Do.
Zijn vader had een schoenwinkel met een werkplaats.
Zijn moeder, Alida Fiegen, was vroeger dienstbode geweest.
Tot zijn tiende woonde hij in de Eerste Leliedwarsstraat, daarna twee jaar in de Runstraat.

Theo Thijssen verloor al vroeg, in december 1890, zijn vader die aan tuberculose leed.


Na de bewaarschool in het Koning Willemshuis in de Leliedwarsstraat gaat Theo Thijssen naar de Tussenschool G aan de Prinsengracht 239.
Hij kreeg les van meester Blokker, de grootvader van Jan Blokker.
Er waren vier lokalen, gescheiden door glazen wanden. De onderste ramen waren wit geschilderd, maar de jongens hadden er kijkgaatjes in gekrabd. In iedere ruimte zaten twee klassen bij elkaar.
In de hogere klas gaf een meester met een baard les.
Die tekende een ronde pannenkoek op het bord en probeerde de kinderen te leren hoe die in stukken te verdelen.
Theo zat naar die lessen te luisteren terwijl hij zelf in een lagere klas zat.
Hij vond de kinderen maar stom in het verdelen en de meester die kwaad werd en moest schreeuwen om het nog eens uit te leggen.De kinderen uit de lagere klas konden daardoor bijna niet verder in hun boekjes lezen.


De Zwembadpas
Tijdens gymnastiek moest Theo figuren lopen. De kinderen droegen daarbij een soort pantoffeltjes. De gymmeester begeleidde het marcheren door ritmisch met een stok te tikken. Een van die figuren beschreef hij later als de Zwembadpas. Je moest dan schaatsachtige bewegingen maken en stevig met je armen zwaaien om een goed ritme te ontwikkelen.
Kees de Jongen gebruikt die pas om snel van school naar het zwembad te komen. Maar het was ook een manier om bij je schoolkameraden stoer over te komen.
Later hebben een groot aantal 'deskundigen' zich gebogen over deze manier van voortbewegen en zijn er in 2001 aan de voet van de Westertoren wedstrijden in het rennen in de zwembadpas gehouden.


De beroemde zwembadpas van Kees de Jongen.
Op 16 juni 2001 als wedstrijd bij de Westerkerk


Theo studeert met een beurs aan de Rijkskweekschool voor Onderwijzers in Haarlem.
In zijn studietijd publiceerde Theo artikelen in het schoolblad 'Baknieuws' en werd er hoofdredacteur van.
Door zijn inzet werd het al snel een landelijk kwekelingenblad. Hij schreef gedichten en beschouwingen over de Tachtigers. Hij was een bewonderaar van Lodewijk van Deyssel. In zijn artikelen was al sprake van sociale betrokkenheid.
De kweekschooldirecteur vond de inhoud van het blad 'subversief' en verbood he
t. Theo droeg het hoofdredacteurschap voor de vorm over aan een student van de kweekschool in Amsterdam, maar bleef er onder schuilnamen artikelen voor schrijven.



[1898-1921]

Theo Thijssen als onderwijzer in Amsterdam
Na de kweekschool trok weer in bij zijn moeder, broers en zussen, die inmiddels waren verhuisd naar Amsterdam-West. Hij kreeg zijn eerste betrekking in Amsterdam-Oost. Zestien jaar werkte hij op een 'kosteloze' openbare school voor kinderen uit arbeidersgezinnen, in de Tweede Boerhaavestraat.
Hij was een geboren onderwijzer en kon zich goed inleven in wat kinderen bezighield, in hun gedachten en hun verlangens.

Wat hij in de klas meemaakte legde hij vast in zijn de romans Schoolland en De gelukkige klas.
Hij haalt zijn kweekschooldiploma met een 9 voor Nederlands. Dat cijfer wijst al vooruit op het schrijverschap van Theo. Zijn bekendste roman is Kees de jongen, over het leven van een Jordaanse jongen die door middel van 'fantasieën' boven de grauwheid van zijn bestaan uit komt.
Een paar bruggen in de Jordaan zijn naar kinderen uit zijn boeken genoemd.

De laatste regels van "De gelukkige klas", een roman in dagboekvorm van Theo Thijssen zijn:

M'n heerlijke, lieve, lastige stel,
ik weet eigenlijk maar één ding:
de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben,
behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn.
En de rest is nonsens hoor,
al zal ik dat jullie nooit zeggen.


[1905 - 1917]
De Nieuwe school

Thijssen richt, samen met kweekschoolvriend Piet Bol, het rebelse onderwijzersblad De Nieuwe School op, waarin hij fel van leer trekt tegen alles wat een bedreiging voor goed onderwijs was. Zij eisten meer waardering en maximale autonomie voor de gewone klassenonderwijzer. Die werd volgens hen door autoritaire schoolhoofden, schoolopzieners klein gehouden.
Ze gingen ook tekeer tegen generaliserende boekjes over onderwijs en opvoeding. Binnen het domein v
an de eigen klas moest de klasonderwijzer de grootste pedagogische autoriteit zijn.


[1914]
Korporaal in Fort Uithoorn
Op 1 augustus 1914 moeten militie en landweer zich met spoed melden. Het is vijftien jaar geleden dat Theo zijn militaire dienst vervulde en nu is hij weer korporaal Thijssen in plaats van schoolmeester. Hij komt in het Fort Uithoorn terecht.
Het valt hem op dat hij tijdens zijn mobilisatie alle belangstelling voor politiek en literatuur verliest.
Toch schrijft hij stukjes voor 'de Nieuwe School' en 'Het Volk' over zijn tijd in het fort.

Een eigenzinnige aanpak
Thijssen kende uit eigen ervaring de sociale omstandigheden van zijn leerlingen.
De pedagogiek wordt in zijn tijd voornamelijk bepaald door het gemiddelde van de klasse en de persoonlijkheid van de onderwijzer.
De onderwijzer met eigen inzichten heeft aan de algemene aanpak niets. Hij moet het hebben van zijn intuïtie, waarmee hij de kinderen beoordeelt naar eigen individualiteit. De klas geeft dan vanzelf aan als hij het mis heeft.
Hij is voor s
pellingvereenvoudiging.
Dat is wat anders dan het dorsen van leeg stro, zoals Jan Ligthart het indertijd noemde.
De enige manier om tot houvast in het onderwijs te komen is een vereenvoudigde spelling. De bestaande spelling, van de Vries en te Winkel, is een didactische onmogelijkheid.

Zijn boeken Het taaie ongerief en Het grijze kind zijn voorbeelden hoe hij dacht over de verschillen tussen arbeiders en regenten en hoe arbeiderskinderen daar de dupe van werden.



[1921-1939]
Theo Thijssen als Gemeenteraadslid en Volksvertegenwoordiger

Thijssen stond sympathiek tegenover het socialisme.
Zijn vader was een van de eerste Amsterdamse aanhangers van Domela Nieuwenhuis.
Toch sloot hij zich pas na 1909 bij de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) aan.
De felle richtingenstrijd tussen links en minder links vond hij maar niets. Hij hield zijn leven lang een grondige hekel aan dogmatisme en sektarisme.
Hij was bezoldigd bestuurder van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers en zat hij voor de SDAP van 1933 tot 1940 in de Tweede Kamer en komt met voorkeurstemmen van 1935 tot 1941 in de Amsterdamse gemeenteraad.
Behalve de algemene en nationale onderwijs onderwerpen houdt hij zich bezig met de schoolmelkverstrekking, het geven van schoenen in plaats van klompen aan arme kinderen, het ophogen van een voetbalveld en Sint Nicolaasfeesten op scholen
.

Vernieuwingen en kinderen niet op klompen
In de Onderwijscommissie van de SDAP, ging het over schoolhervorming, met name de waarde van het Montessori- en het Daltonsysteem. Thijssen was daar tamelijk sceptisch over.
Meer aandacht voor de individualiteit van de leerling werd al lang en breed in praktijk gebracht, meende Thijssen. Hij was voor het klassikale onderwijs als middel tot socialisatie van de leerlingen. Hij sprak er schande van dat kinderen met ouders 'in de steun' op klompen naar school gingen. De gemeente stelde die als ondersteuning in natura ter beschikking. Die kinderen werden daardoor in een isolement gedrongen, betoogde Thijssen:
'Een echte Amsterdammer draagt géén klompen!'

De geestdriftige ontmaskeraar van pedagogische autoriteiten werd echter steeds meer zelf een autoriteit, in ieder geval een van de bekendste onderwijsmensen in Nederland.

Dagboek
Theo Thijssen schreef op 13 augustus 1921
:
’k Loop door de Nieuwe Leliestraat in Amsterdam. Een oude Jordaanstraat.
Dichtbij het eind is een schoolpoort die ik me uit mijn jongenstijd nog herinner. ‘St. Vincentius Armen-School’ stond er indertijd boven die poort, in stenen letters.
En de kinderen die ik door die poort zag gaan, waren voor mij toppunten van schooierachtigheid.
Ik raak aan ’t nadenken: wat ’n brutale wreedheid toch, wat ’n ongeneerdheid , om het zo in stenen letters te zetten: Armen-school.
Om hele geslachten kinderen dát aan te doen, ze onder die letters elke dag te laten doorgaan…
Daar is de poort; daar zijn weer de stenen letters…Maar wat zie ik? Het woordje ‘Armen’ is weggehakt.
De open plek is er nog en daarop staat nog de ‘moet’ en heel flauw is zo nog te zien wat er vroeger zo brutaal stond.
Een klein beetje schijnt de wereld toch wel vooruit te gaan, denk ik onder ’t verder lopen:
men gaat zich schamen voor sommige ongerechtigheden tegenover het kind.


[1941]
Februaristaking
Hij wordt door de Duitsers gearresteerd. Ze denken dat hij als oud-vakbondsleider de staking mee heeft georganiseerd.
Hij zit zes weken in de gevangenis aan de Amstelveenseweg. Na zijn vrijlating in april nam Thijssen zich voor om een roman te schrijven over de lotgevallen van een joods gezin, maar verder dan acht velletjes met aantekeningen is dit plan niet gekomen.

[1943]
Overleden
In de winter van 1943 werd hij getroffen door een acute longontsteking, gevolgd door een hartinfarct en een hersenbloeding. Hij overleed in december 1943.


[1995]
Theo Thijssenmuseum
Thijssens geboortehuis, in de Eerste Leliedwarsstraat 16, wordt ingericht als Theo Thijssen Museum.

Een standbeeld voor een schoolmeester
Op de Lindengracht staat een bronzen beeld, door de beeldhouwer Hans Bayens (1924-2003) gemaakt.
Theo als schoolmeester, liefdevol gebogen over een van zijn leerlingen.
Het beeld is onthuld op een zaterdag toen er markt was, een niet zo handig gekozen tijdstip.
Ergerlijk was het dat de kinderen van de Theo Thijssenschool er nauwelijks aan te pas kwamen om hun bloemetjes te leggen.
Theo zou het zelf zo geregeld hebben dat de kinderen juist het middelpunt waren.
Als er markt is dringen de mensen zich tussen hem en de viskramen door. Een enkele keer waagt een marktkoopman het een dekzeil van zijn kraam aan het beeld te knopen. Maar als er geen markt is staat het beeld er in volle glorie.

naar boven



[1859-1916]

Gerard Jan Ligthart


Onderwijsvernieuwer
Jan Ligthart was een onderwijzer en pedagoog die zich ontwikkelde tot één van de origineelste onderwijsvernieuwers van Nederland. Vooral omdat hij het belang van individualisering van het lager onderwijs op een nuchtere en praktische wijze aangaf.
Hij zag als geen ander dat de arbeiderskinderen onderwijs moesten krijgen dat aansloot op een ambacht dat ze, meestal al op twaalf jarige leeftijd, moesten aanpakken.
Hij had medestanders, maar ook veel tegenstanders, waaronder zelfs Theo Thijssen.
De een ziet in hem een filosoof, de ander alleen maar een pedagogisch artiest, een goed opvoeder, maar van weinig betekenis voor de ontwikkeling van de padagogiek. Ligthart was in ieder geval een man die met een warm hart midden in zijn tijd tussen de kinderen stond.


Jeugdherinneringen:
Jan is op 11 januari 1859 geboren op de hoek van de Tuinstraat en de Prinsengracht.
Hij zat op de school ter bevordering van Christelijk onderwijs aan de Lindengracht 82 - 85.
Er waren drie lokalen met grote ramen en zes toiletten.
Dat was heel wat beter dan de Armenscholen die, volstrekt ongeschikt, in voormalige suikerfabrieken ondergebracht waren.
Op school nr. 6 aan de Bloemgracht zaten 600 leerlingen in één ruimte.
De overvolle scholen waren broeinesten van kinderziekten.
"Wat ademen ze nu in? Zuivere lucht? Neen de onzuivere lucht heeft den tijd niet gehad zich te verwijderen. Zij zitten zo digt opeen dat ieder kind bij elke inademing een groot gedeelte van de lucht binnen krijgt die zoo even de longen van zijne makkers verlaten heeft".

Zijn kinderjaren uitgebreid beschreven:
De grachten waren open riolen en stonken ontzettend. Behalve aan de hoofdgrachten, zoals de Bloemgracht en de Rozengracht, waren de huizen klein en in veel van de straatjes vervallen.
Overal heerste armoede. In de winter felle kou, een jaarlijks terugkerende 'hongerwinter'. Veel kinderen en jonge mensen werden ziek en stierven.
Jans vader leed aan epileptische toevallen. Vaak was hij daar als kind getuige van. De kruidenierswinkel waarin Jan opgroeide ging door de onzakelijke onkunde van zijn vader twee keer failliet.

Gratis opleiding
Ligtharts moeder was de dochter van een vrijzinnig protestants predikant. Ze was de spil van het gezin van vijf kinderen. Zij deed er alles aan om haar zoons een sociaal en financieel betere toekomst te geven dan zij zelf had gekend.
Ligthart had als kind al een zwak gestel, zodat hij bijvoorbeeld geen timmerman kon worden. Zijn talenten lagen meer op het intellectuele vlak.
Als begaafde jongen uit dit gezin dat in 'nette armoede' leefde, kreeg Ligthart na de lagere school de gelegenheid kwekeling te worden aan de Bijzondere School van de Afgescheiden Gemeente aan de Bloemgracht waar hij een kleine vergoeding kreeg.
Na drie maanden ging Ligthart over naar de gemeentelijke Stads Armenschool nr.14 in de Jodenbreestraat. De gemeente Amsterdam betaalde een beter salaris en vulde het kwekelingenwerk aan met een onderwijzersopleiding in de avonduren.
Dat betekende een omkeer in zijn leven. Hij maakte al op jonge leeftijd zijn entree in een intellectuele en politieke cultuur.
Hij leerde op School 14 ook zijn latere echtgenote, de onderwijzeres Marie Lion Cachet, kennen en dat maakte zijn positie in het onderwijs nog steviger. Zijn vrouw kwam uit een familie van tot het protestantisme bekeerde joden, een familielid van vaderszijde was Raap, burgemeester van Amsterdam.
Dit joodse element in zijn familie wekte bij hem het verlangen naar het zuivere, het absolute, met een afkeer voor schijnwaarden.

Stads Armenschool 14
Op deze school zaten alleen kinderen uit het joodse proletariaat.
In de context van sociale ellende in de joodse buurt nam Ligthart afstand van zijn geloof en kreeg hij sympathie voor het socialisme, zoals dat in de Jordaan van de jaren tachtig opkwam. Hoewel Ligthart openlijk sympathiseerde met de Sociaal-democratische Arbeiderspartij, werd hij nooit partijpoliticus.
Ook binnen de schoolwereld was hij zowel als pedagoog maar ook als ethicus veel meer een man van de daad. Zoals veel linkse onderwijzers werd Ligthart geïnspireerd door de cultuurkritiek die in het werk van Multatuli vinden was.
Later, in de jaren negentig, werd Ligthart meer door het Spinozisme, het Vitalisme en het werk van Frederik van Eeden beïnvloed en was hij niet meer zo positief over Multatuli.


[1885]
School voor onvermogenden

Ligthart wordt hoofd van deze school in Den Haag.
Op deze school, waar vooral arbeiderskinderen zitten, blijft hij tot zijn dood werken.
Hij is actief in het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap Hij zet zich in voor een pensioenregeling, de verhoging van onderwijzerssalarissen en vooral voor het vraagstuk van de 'baldadigheid der straatjeugd'.

Ligthart hield schoolvergaderingen waarbij ieder stemrecht had. Dat was ongekend omdat in die tijd schoolpersoneel bij wet verplicht was de bevelen van het hoofd op te volgen.
Dat experiment trok de aandacht van de sociaal-democratisch georiënteerde Bond van Nederlandsche Onderwijzers.


[1897]
Breuk met Thijssen

Ligthart startte, samen met de joodse onderwijzer Eli Heimans en C.F.A. Zernike het tijdschrift Oud en Nieuw. Het tijdschrift was gericht op de verbetering van de didactiek van schoolvakken, in het bijzonder de zaakvakken.

Theo Thijssen en Piet Bol , twee rebelse onderwijzers, begonnen in 1905 hun eigen kritische blad, De Nieuwe School.

Dat zou wel eens de oorzaak kunnen zijn dat Ligthart met Theo Thijssen breekt.
Deze breuk lijkt toch meer een kwestie van stijl, vooral van levensstijl te zijn geweest.
Thijssen en Bol genoten van sigaren, hielden van een goed glas wijn en tekenden met scherpe pen graag een karikatuur van de onderwijzers uit die tijd.
Ligthart was vegetariër en geheelonthouder, droeg de oecumenische gedachte uit en stond, ook in daden, sympathiek tegenover het feminisme.
Het was in de schoolwereld ongebruikelijk om vrouwelijke schrijvers aan het woord te laten. Ligthart deed dit van meet af aan wel. Dat leidde tot een verbetering van het onderwijs in het belang van het arbeiderskind.



Ot en Sien

"Dag Sien," zegt Moe-der.
"Dag Me-vrouw!" zegt Sien.
"Moe-der is mijn paard," roept Ot.
Ja, dat ziet Sien wel.

"Haal altijd de kinderen naar je toe, zorg er voor de potentiële deugd reëel te maken", betoogt Ligthart, maar trek, waarschuwt hij, de morele grenzen scherp.
Over het algemeen is Ligthart gematigd in zijn woordkeus, maar over liefdeloze "opvoeders" schreef hij: "schoften zijn het".
In zijn beste werk, Jeugdherinneringen, heeft hij geen methode, maar een houding nagelaten.
Maar zijn grootste betekenis ligt toch in wat hij door zijn Ot en Sien boekjes voor opgroeiende kinderen is geweest. Verouderd zijn die eigenlijk alleen wat de entourage betreft, maar ze boeien een hedendaags kind nog altijd.

Aansluiting bij het kind zelf
In een opvoedingsrelatie kan volgens Ligthart steeds weer een nieuw begin gemaakt worden en de basis gelegd worden voor een betere wereld. Als deze wereld nog te redden is dan moet die te vinden zijn bij het kind en zijn opvoeder.
"In ieder kind bloeit, stil verborgen, een wonderbloem", schrijft hij ergens.
Het is echter slechts één aspect van zijn opvatting. Zijn ervaring met zijn eigen kinderen en die van anderen hadden hem ook een andere kant van de mens laten zien: "arglistig in ons hart", tegenover het "onschuldige kinderhart".
Hij is het niet eens met Pestalozzi en Fröbel, die kinderen zich lieten ontwikkelen volgens de eigen natuur: wat zou daar van terecht komen? Ligthart is voor een strenge morele opvoeding.
We moeten wel gebruik maken van de mogelijkheden in een kind, een natuurlijke drang tot activiteit, verlangen naar kennen en kunnen, en altijd op zoek naar belangwekkende zaken in het leven.
We moeten nooit negatief, maar steeds positief te werk gaan, niet "Jantje blijf af, maar Jan geef aan".

Horen, zien en doen.
Een mens moet horen om te vernemen; zien, om beter te onthouden; maar doen, om teb volle te verstaan.
Wat maken wij, wijze paedagogen, echter onderscheid tussen de leerwijze van het woord, die der aanschouwing en die der daad, alsof alleen de eerste op mededelen uit was en de beide andere niet. Is het wellicht geen mededeling, wanneer de beelden het ons ziende zeggen, of als de ervaring het ons levende leert? Aldus Ligthart in 1916



Schoolplaten


In het echte alledaagse leven liggen volgens Ligthart de kiemen voor een zinvolle didactiek: kijk maar om je heen, naar de bomen, de dieren en de dingen. Zoals de primitieve mens de kunst van de natuur heeft afgekeken, moeten ook wij te werk gaan: tanden van de dieren leren ons hoe een spade te maken en een ploeg: ,,want wat is die ploeg anders dan een spa, waarvan de steel horizontaal is en het blad is omgeslagen? Zo eenvoudig zijn de dingen, de eg, een hark, een kam, een rijtje gekromde vingers. Het is zaakonderwijs, een kind kan dit begrijpen.
Zo zijn de schoolplaten ontstaan, voor elke maand één, platen die in onervaren handen van sommige onderwijzers echter geleid hebben tot gemakzuchtig 'plaatvertellen'. Maar niet bij Ligthart die de, wondere tovermacht van het verhaal kende.

Ligthart en het kind van zijn tijd
Wil je de betekenis van Ligthart begrijpen moet je wel bedenken dat de kinderen in een totaal andere wereld leefden. Er heerste indertijd een simpele patriarchale structuur. Daar was wel kritiek op, maar die was nog niet tot de brede lagen van het volk doorgedrongen. Er wordt aan zedelijke orde en haar vertegenwoordigers niet getwijfeld.
De wereld biedt veiligheid en zekerheid voor de kinderen, alles is eenvoudig en overzichtelijk. De ambachtelijke activiteiten die ze dagelijks om zich heen zien zijn interessant. Dat is een reden waarom het zaakonderwijs van Ligthart zo aanslaat.
Vraag nu eens aan een kind wat zijn vader doet 'op kantoor of 't fabriek', ze hebben er geen notie van. "Hij is machinesteller". "Wat is dat, machinesteller?" Geen antwoord.
Zo blijft de wereld van vader en alle andere volwassenen hem vreemd terwijl het toch ook zijn wereld moet worden.
Geen wonder, dat we het moeten opnemen tegen de verveling, het antwoord van vele kinderen op het ongrijpbare van de maatschappij.
De aanpak van Ligthart is simpel: naar de natuur en het leven om je heen kijken, kinderen observeren en gewone dingen doen. Praten met, en luisteren naar gewone mensen, die nog niet bedorven zijn door pseudo-wijsheid.
Daarom kon een beginnend onderwijzer zich beter tot hen wenden en zien hoe zij het deden, dan dat hij een hele encyclopedie uit het hoofd leerde.

Een gewone schoolmeester
Als we zijn pedagogische verhandelingen nog eens lezen valt op dat ze zo vanzelfsprekend zijn. In zekere zin is dit voor Ligthart een compliment, want hij heeft er toe bijgedragen dat wij anders zijn gaan staan tegenover het kind.
Maar het is de tragiek van mensen zoals hij, dat ze geen methodeontwerpers zijn geweest, maar gewone onderwijzers. Ze krijgen dan ook weinig erkenning.
De arbeiders verdwijnen, maar het door hen gemaakte werk blijft bestaan. Dit geldt ook voor Ligthart.
Letten we niet alleen op denkbeelden en stelsels, maar ook op de gewone onderwijzer voor de klas, dan valt Ligthart onmiddellijk op als een der grootste. In zijn levensbeschouwing was hij echter te vaag, te weinig omlijnd te subjectivistisch, in zijn antropologie te rationalistisch. Daarom kon zijn zaakonderwijs zo gemakkelijk ontaarden in een droge technische uitstalling van details en weetjes. Teveel ook stond de oefening der zintuigen centraal en kwamen gevoel en verbeelding in zijn onderwijs niet genoeg tot hun recht. Zo begreep hij weinig van de waarde van sprookjes en had hij ook weinig inzicht in het wezen van het kinderlied, dit ondanks zijn grote literaire belangstelling.


Geen methode maar een houding
De grootste verdienste van Ligthart is, dat hij de eerste opvoeder van betekenis was die het kind zelf als uitgangspunt heeft genomen. Hieruit is ook zijn afkeer van droge wetenschap te verklaren.
Hij heeft zijn pedagogiek gegrondvest op het scheppen van een situatie, waarin opvoeder en kind elkaar ontmoetten in een medemenselijke solidariteit. Die gelijkwaardigheid van volwassene en kind was bij Ligthart geen thema dat het goed deed, maar een werkelijkheid gegrond op zijn geloof.
Ligtharts belangrijkste bijdrage aan de verbetering van de positie van de arbeiders ligt vooral in zijn werk als onderwijsvernieuwer. Hij was zich bewust van het klassenkarakter van het lager onderwijs. Hij was van mening dat de schoolboeken en de methodiek nauwelijks aansloten bij de praktische behoeften van arbeiderskinderen. Die kinderen gingen, of ze het onderwijs hadden afgemaakt of niet, als ze twaalf waren van school om te gaan werken bij een baas.
De curriculumeisen waren vooral afgestemd op kinderen die naar de Hoogere Burger School of het gymnasium zouden gaan. Ligthart bedacht projecten die gericht waren op kennis van en inzicht in ambachten waar ze zelf zouden gaan werken.

Taal voor arbeiderskinderen
Ligthart was ook voorstander van spellingsvereenvoudiging en zag af van de naamvallen, die nog waren gebaseerd op de achttiende-eeuwse schrijftaal van de hogere klassen.
Zijn boekjes waren geschreven in algemeen beschaafde spreektaal. Hoewel de verhaaltjes zich ten dele afspeelden in de gegoede burgerlijke standen, wilde Ligthart expliciet de Nederlandse taal voor het arbeiderskind ontsluiten. Zijn taalmethodiek sloot aan bij het gegeven dat arbeiderskinderen dialecten en sociolecten spraken. Het zaak-, lees- en taalonderwijs moest aansluiting zoeken bij deze 'achterstand'.

Ligthart schreef graag.
Zijn werk laat zich kenmerken door relativeringsvermogen, een mild ironische stijl en toegankelijk taalgebruik. Toch had hij achter alle luchtigheid te kampen met somberheid, depressiviteit, hartklachten en extreme vermoeidheid. Vanaf zijn veertigste raakte hij om de zeven jaar overspannen, moest zich dan samen met zijn vrouw voor maanden terugtrekken in een klein pension in Het Gooi of in Gelderland.

Hofonderwijzer
Het plotselinge verlies van zijn negenjarig zoontje Jan in 1905 maakte hem als pedagogisch auteur veel ernstiger. Zijn wereldbeeld werd na dit jaar pessimistischer, moralistischer en uitgesproken ethisch-christelijk. Maar ondertussen trok hij wel de aandacht van vele Europese en Amerikaanse onderwijsvernieuwers.
In Nederland werd zijn werk vooral in burgerlijke kringen door vrouwen hoog gewaardeerd. Koningin Wilhelmina bezocht incognito zijn school in de Haagse Tullinghstraat. Zij vroeg hem het onderwijs voor prinses Juliana te verzorgen.
Ligthart voelde zich hiervoor op dat moment te vermoeid en stuurde daarom een van zijn onderwijzeressen.
Ondanks al dit succes was Ligthart teleurgesteld in zijn eigen kring, het openbaar lager onderwijs, waaraan hij zo veel te danken had gehad.

Een somber einde
Binnen de Nederlandse schoolwereld werd zijn levenswerk, het zaakonderwijs, kritisch ontvangen.
De navolging van zijn methodiek bleef beperkt, juist omdat hij de onderwijzers als zelfstandige en vindingrijke personen had benaderd.
Toen in 1914 de eerste Wereldoorlog uitbrak bleef Nederland neutraal maar moest Ligthart zien te leven met het besef van een onmenselijke wereldoorlog. Hij herstelde niet meer van zijn somberheid en kwalen.
Tijdens de watersnoodramp van februari 1916 viel hij bij zijn dagelijkse wandeling in het Kanaal bij Laag Soeren. Een schipper die toevallig voorbij kwam schoot te hulp, maar de vermagerde man, die volgens de overlevering nog een droge baard had, was op slag dood.



Thijssen over Ligthart
"Zijn 'Jeugdherinneringen' zijn natuurlijk prachtig en alleen al door Ot en Sien is hij belangrijk geweest.
Maar hij is ook het boegbeeld geworden van een massa halfbakken bewonderaars.
Een gezond mens moet toch walgen van al die vieze zedelijkheid die dat soort lui verkopen.
Er is een verband tussen de malle smoelen van de lui op Walden, de pantoffelvegetariërs, de manchester loodgieterpakkies, de rare hoedjes, de blote nekken, de grote dassen, de plotselinge kinbaarden, het partijgenootje spelen van achttienjarige marxisten, het venten van brochures door zestienjarigen, vrijen en het eten van rauwe dingen en kruimelige sportbeschuiten.
Het eten van bruinbrood is tegenwoordig een principe waarmee gegeurd wordt, net zo goed als met geheelonthouding".

naar boven



> Jordaan index

Aanvullingen en verbeteringen graag hier

Bronnen
o.a.
Marijke Carasso-Kok in: Geschiedenis van Amsterdam, uitg. SUN
Stadsarchief Amsterdam /