Imposante
kerken worden gebouwd
De
grote monumenten van Amsterdam zijn de kerken
Kijk naar de Oude Kerk, het oudste gebouw van Amsterdam. Rond 1300 stond
er op die plek al een kerkje. De Nieuwe Kerk op de Dam is jonger.
Daarnaast waren er nog vele kapellen, de Olofskapel, Kloosterkapellen,
de Agnietenkapel, de Engelse Kerk en Waalse Kerk. De Middeleeuwse gotische
kerken en kapellen zijn van oorsprong katholiek, maar werden na de Alteratie
protestants. De 17de eeuwse kerken zijn gebouwd in de stijl van de renaissance.
Godsdienstige levendigheid
De officiële kerken uit deze periode, de kerken met torens, waren
gereformeerd. Niet-gereformeerden mochten geen publieke godsdienstoefeningen
houden. De overheid gedoogde dat ze bijeen kwamen in gebouwen zolang
die er van buiten niet als kerk uitzagen. Maar iedereen wist waar die
waren en je kon de orgelklanken en het gezang op straat duidelijk horen.
Dat waren de schuilkerken, zoals Onze Lieve Heer op Solder.
De eerste
kerken die speciaal voor het protestantisme werden gebouwd zijn de Zuiderkerk,
Noorderkerk en Westerkerk.
Tijdens de renaissance wordt de centraalbouw beschouwd als een ideale
vorm, omdat de heldere, geometrische opzet het meest aansluit bij de
humanistische principes. De Ronde Lutherse Kerk, de Koepelkerk, heeft
een bijzondere, cirkelvormige bouw.
Voorgangers komen en gaan, raken van hun geloof af of raken slaags,
met elkaar of met de socialisten.
Kerkgebouwen krijgen wisselende gelovigen
In de 19de eeuw mogen de katholieken
weer kerken bouwen zoals de Mozes en Aäronkerk op het Waterlooplein
en de Sint Nicolaaskerk op de Prins Hendrikkade.
Maar kerkgebouwen veranderen ook van functie, een rooms-katholieke kerk
wordt moskee, een remonstrantse kerk wordt tv studio, een bedehuis van
de Vrije Gemeente wordt een poptempel. Kerken worden gebruikt als supermarkten
en kantoren.
Synagogen
Een aparte positie nemen de joden in, die mogen grote synagogen bouwen,
zoals de Portugees Israëlitische Synagoge, maar die gebouwen hadden
geen torens, dus vielen ze niet zo op.
Hoe
zag het Godsdienstige leven er in de Jordaan uit?
Behalve de tegenstellingen tussen de Socialisten en
de Orangisten sloegen ook de Christenen elkaar op de grachten
in de Jordaan om de oren. Ze gebruikten daar niet alleen de Bijbel voor,
maar ook straatstenen.
Als de grachten dicht lagen was het altijd een gezellige sfeer op het
ijs. Een rechtzinnige hervormde dominee had er geen bezwaar tegen dat
meisjes schaatsten.
Als er kermis was werd de blik angstvallig daarvan afgehouden, zo erg
was dat. De schouwburg was taboe. De sprookjes van Andersen werden
wel gelezen. Eduard Douwes Dekker, die zich Multatuli
noemde, was absoluut verboden. Dat was een revolutionair en spotter,
een gokker die de ordinaire taal van de straat gebruikte. Je moest heel
voorzichtig zijn met vuur, want brand in huis was iets verschrikkelijks,
zeker in de dichtbevolkte Jordaan.
Het gezin leerde de Nederlandse Geloofsbelijdenis uit het hoofd. Meisjes
gingen in die tijd 's avonds nog niet alleen over straat. Bij sommige
gezinnen mochten de dochters binnenshuis al modern blootshoofds gaan.
Cholera was iets bedreigends. De meeste slachtoffers waren te vinden
in de achterbuurten, waar de mensen hun drinkwater uit de smerige grachten
putten. De vele glazen jenever mocht niet baten, maar maakte de zaak
nog veel erger. Als het regende was de melkboer blij, maar de kopers
mopperden dan dat de melk te dun was. De melkboer noemde de regen 'de
begunstiging des hemels'.
[1104]
Aemestelle
De bisschop van Utrecht is de baas in het gebied in Amstelland en zet
een kerk neer waar de Amstel en de Bullewijk samen komen, het huidige
Ouderkerk aan de Amstel. Bij een stormvloed overstroomde het gebied,
maar de kerk stond op hoge grond. Deze plaats heet Amestelle. Wolfer
van Aemstel is de eerste schout en die bouwt daar een kasteel. Dat
wordt in 1204, toen Gijsbrecht van Aemstel II er woonde, in brand
gestoken en verwoest door de bewoners van het gebied. Zo dat was dat.
De pastoor
van Amestelle, had in 1280 de zorg voor twee kerken. De kerk
in Ouderkerk is de moederkerk, maar de dochter, de huidige Oude Kerk
in Amsterdam, groeide haar in korte tijd boven het hoofd.

Kapel van de Begijnen
[1320-1578]
Kerk der Begijnen
De
kerk was oorspronkelijk de kapel van de 14e-eeuwse begijnen.
Met de Alteratie in 1578, toen het Calvinisme de staatsgodsdienst
werd, werd het kerkje gemeente-eigendom. De katholieken mochten de grote
kerk die midden op het Begijnhof staat niet meer gebruiken voor hun
diensten. Ze moesten de kerk afstaan aan de calvinisten.
De huisjes bleven eigendom der Begijnen en zij gingen op andere plekken
gewoon door met het houden van diensten. Dat gebeurde eerst in verscheidene
huizen op het Begijnhof.
[1607]
De kerk gaat weer open voor Engelssprekende
protestanten in de stad
Ook de Pilgrim Fathers gingen gedurende enkele jaren naar deze kerk.
Er zijn nog herinneringstekens voor hen binnen en buiten de kerk.
De kerk, die toen bekend was als de English
Reformed Church, krijgt behalve de gewone zondagmorgendienst
ook andere diensten en activiteiten.
Een Engelssprekende gemeente die geassocieerd is aan de Kerk van
Schotland en aan de Nederlandse Hervormde Kerk gaat er ter
kerke.
Tegenwoordig heeft de kerk 320 leden met 30 nationaliteiten.
De Kerk is één
van de oudste gebouwen van Amsterdam. Er werd onlangs voor ongeveer
één miljoen euro aan gerestaureerd.
De kerk is belangrijk voor kamermuziek in Amsterdam, met zo'n 70 concerten
in verschillende stijlen per jaar. In het bijzonder heeft het veel jonge
artiesten de kans gegeven hun carrière te beginnen. De Academie
van het Begijnhof, gesticht door een voormalige organist van de kerk,
is nu één van de belangrijkste barokorkesten van Amsterdam.
Hoog bezoek
De Engelse koningin Elizabeth II en de hertog van Edinburgh brachten
op 5 februari 2007 een bezoek aan de Kerk. Aanleiding is de viering
van het 400-jarig jubileum van het bestaan van de Engelse Hervormde
Kerk. Ter gelegenheid van het Jubileum werd er een speciale kerkdienst
gehouden waar ook Koningin Beatrix bij aanwezig was.

Begijnhofkapel
/ interieur van de kapel in 1929.
[1671]
R.K.
Joannes en Ursulakapel
De begijnen bouwen tegenover hun oude kerk op nr. 29 in twee huizen
een schuilkerk: de enige echte Begijnhofkapel.
De architect is Philips Vingbooms.
Tegenwoordig is de kapel al lang geen schuilkerk meer, maar al die tijd
is het een levende plek van de katholieke gemeenschap gebleven bekend
als de Nieuwe Heilige Stede. Officieel is het een parochiekerk,
gewijd aan St. Joannes en Ursula. De kerk heeft haar in- en uitgang
naar het Begijnhof via een portaal dat een kopie is van het oorspronkelijke
portaal dat stond in de Wijde Kapelsteeg als onderdeel van De Heilige
Stede [1345-1909] aan het Rokin.
De gevel van de Begijnhofkapel is min of meer in de vorm van een woonhuisgevel
met empire vensters gebouwd. De kapel wordt door Toscaanse zuilen in
drie beuken verdeeld. De twee buitenste hebben galerijen.
Het hoofdaltaar heeft gemarmerde Corinthische zuilen en een schilderij
dat de Hemelopneming van Maria voorstelt. [Nicolaas
Moeyaert 1649]. Een wijziging aan het altaar heeft
in 2000 plaatsgevonden, nadat de verloren gewaande "Maria Tenhemelopneming"
op een veiling in Amerika werd teruggevonden. Ook de twee zijaltaren
hebben schilderijen van Nicolaas Moeyaert, Links "De Kruisiging"
en Rechts "De geboorte van Christus" Er is een notenhouten
Rococo preekstoel uit 1757 met trapje.
[1306]
De Oude Kerk
Het oudste nog bestaande gebouw van Amsterdam.
De kerk werd gewijd aan de heilige Nicolaas, bisschop
van Myra, door Guy van Avesnes, de bisschop van Utrecht.
Tot de Alteratie heette de kerk dan ook de Sint Nicolaaskerk.
Sint Nicolaas was onder meer de patroon van de zeelieden en werd vooral
in havensteden vereerd.
In september 2006 werd het 700-jarige gebruik van deze kerk gevierd.
Ter gelegenheid hiervan werd op 17 september een replica terug gehangen
van het tijdens de Beeldenstorm van 1566
verdwenen Angelusklokje in het kleine torentje boven op het kerkdak.
Op de plaats waar de Oude Kerk staat, stond in de 13e eeuw een kleine
houten kapel met een begraafplaats. Bekend is dat in 1280 de
pastoor van Amestelle, het huidige Ouderkerk,
de zorg heeft voor twee kerken. Vermoedelijk was de tweede, aan Ouderkerk
ondergeschikte kerk, de Oude Kerk in Amsterdam. De kerk in Ouderkerk
is de moederkerk, maar de dochter te Amsterdam groeide haar in korte
tijd boven het hoofd
.
[1334]
Amsterdam wordt een zelfstandige parochie
De Oude Kerk wordt de parochiekerk met een eigen pastoor. Hieraan kwam
in het begin van de 15e eeuw een einde toen het westelijk deel van de
stad een eigen parochie kreeg: de Nieuwe Kerk. Sindsdien sprak men van
de Oudekerks- en Nieuwekerkszijde, wat spoedig verkort werd tot Oude-
en Nieuwezijds.
De Oude Kerk bleef voorlopig de hoofdkerk van Amsterdam.
[1421/1452]
De stadsbranden hebben de Oude Kerk niet verwoest
De Oude Kerk heeft een rijke bouwgeschiedenis. In de tweede helft van
de 13e eeuw werd de houten kapel vervangen door een stenen zaalkerk.
Na 1300 bouwden de Amsterdammers een de eerste
hallenkerk in Holland.
In de eerste helft van de 16e eeuw is de kerk verhoogd. Eerst werd het
schip verhoogd met een lichtbeuk, daarna, rond 1550, werd ook de kruising
verhoogd. Tenslotte werd in 1558-1560 een lichtbeuk geplaatst op het
koor [betaald uit een loterij in 1558] en werd in 1564 de toren verhoogd.
Het laatste was noodzakelijk geworden door de verhoging van het schip
met een lichtbeuk. In 1565 werd de huidige Oudekerkstoren gebouwd.
Problemen met de fundering hebben echter in 1951 geleid tot de sluiting
van de kerk wegens instortingsgevaar, waarna een 24 jaar durende restauratie
plaatsvond. In 1994/1998 is de kerk opnieuw gerestaureerd.
De Oude Kerk is een voorbeeld van Hollandse baksteengotiek. De constructie
is licht, omdat de heipaaltjes waarop de kerk staat, niet genoeg draagvermogen
hebben: de toegepaste heitechniek is nog primitief Het verhaal dat de
kerk gebouwd zou zijn op een uitloper van het
Muiderzand is een fabel gebleken. Het karakter van een hallenkerk
is bewaard gebleven.
[1566]
Beeldenstorm en Alteratie
Tijdens de Beeldenstorm in 1566 werden de altaren van de Oude Kerk beschadigd.
Na de Alteratie van 1578 werd de kerk ontdaan
van zijn beelden en dergelijke, en werd de kerk heringericht voor de
protestantse eredienst.
In 1584 mochten de kooplieden in de kerk beurs
houden.
Vanaf 1632 vonden de vergaderingen van de Kerkenraad afwisselend plaats
in de Oude en Nieuwe Kerk. Door de bouw van het stadhuis aan de Dam
won de Nieuwe Kerk aan belang en werd definitief de hoofdkerk. Daarna
nam het belang van de Oude Kerk af.
[1345]
De
Heilige Stede
Op 15 maart spuugt een zieke man een hostie in het vuur, maar die verbrandt
niet. Het gebeurde in een huis in de Bindwijk (nu: Kalverstraat). Een
priester wil het voorval geheim houden en neemt de hostie mee naar de
parochiekerk. Maar, o wonder, de volgende dag ligt het weer in het huis
van de zieke man. Dat mirakel is wel een kapel en een jaarlijkse processie
waard. De Heilige Stede is de naam van de kapel die in 1544 werd
gebouwd op de plek waar het wonder heeft plaatsgevonden.
Na
de Alteratie ging de kapel over in handen van de protestanten, die het
gebouw de Nieuwezijds Kapel noemden. Nadat ze het gebouw buiten
gebruik hadden gesteld lieten de hervormden de kapel in 1908 slopen
om te voorkomen dat deze ooit nog door katholieken zou worden gebruikt.
De functie van Mirakelkerk werd overgenomen door de schuilkerk aan het
Begijnhof Amsterdam. Onderdelen van De Heilige Stede zijn te vinden
in de Enge Kapelsteeg en op het dak van de 'De Papegaai' in de
Kalverstraat. Enkele fragmenten van de kapel kwamen op Frankendael in
de Watergraafsmeer terecht.
Op het Rokin is de Mirakelkolom samengesteld. Vanwege de bouw
van de metro Noord-Zuidlijn is het gedenkteken gedemonteerd en opgeslagen.

Oudezijds
Voorburgwal
[1397]
Agnietenklooster
Het Agnietenklooster werd in 1397 gesticht door zusters
van het Clarissenklooster, volgens de kroniek
van het klooster op 20 januari, de naamdag van
St. Agnes. Clarissen leven in volkomen afzondering van de
wereld, vol armoede, boete en beschouwing. Bij de grote stadsbrand van
1452 is 'dit geheele convent verbrant totten pulver toe', alle - hoogstwaarschijnlijk
houten - gebouwen gingen verloren. De herbouw begon met een groot huis
aan de Oudezijds Voorburgwal. Dit herbergde in eerste instantie alle
gebruikelijke onderdelen zoals kerk, keuken, refter, spinkamer en slaapzaal.
Deze functies kregen langzamerhand een eigen onderdak naarmate meer
gebouwen waren voltooid. Ter plaatse van de voormalige kapel kwam een
bleekveld en iets ten noorden daarvan verrees in 1470 de nieuwe Agnietenkapel.
Religieuze
enclave
Op de vogelvluchtkaart van Cornelis
Anthoniszoon uit
1544 is goed te zien dat in deze omgeving een ware religieuze enclave
binnen de stad was ontstaan. Amsterdam telde ruim twintig kloosters
die merendeels in de zuidoosthoek van de stad stonden, die naar de aard
van de deze complexen ook wel de 'stille zijde' werd genoemd. Zowel
de burgwallen als de verkaveling en bebouwing van de gronden kenmerkten
zich door bescheiden afmetingen. In deze omgeving vielen de kloostercomplexen
op door hun grote omvang en hun gesloten karakter. De muren en vrijwel
blinde straatgevels van de kloostergebouwen vormden vier vleugels rond
de open binnenterreinen die in gebruik waren als kloosterhof, kerkhof,
bleekveld en tuin [boomgaard, kruiden- en moestuin].
Deze 'in haarzelf gekeerde' wereld raakte langzamerhand sterker bij
het stadsleven betrokken; om de financiële nood enigszins te verlichten
verrezen vanaf het einde der vijftiende eeuw ook huurhuizen aan de randen
van de kloosterterreinen. Na de Alteratie [1578] kwamen de kloostercomplexen
in handen van de stad. Van het Agnietenklooster resteert alleen nog
de voormalige kapel.
De
Doorluchtige School [Atlas
van Fouquet, 1760-1783]
Haar lange bouw- en gebruiksgeschiedenis kent drie fasen die in belangrijke
mate haar voorkomen bepalen. Dat zijn de herbouwde vijftiende- eeuwse
kloosterkapel [1470], de zeventiende-eeuwse verbouwing tot Athenaeum
Illustre [1631] en de restauratie uit 1921 voor de Universiteit
van Amsterdam waarbij A.A. Kok [1881-1951] de historie
weer zichtbaar maakte en eigentijds vormgegeven onderdelen toevoegde.
Hij verrichte onderzoek ten behoeve van de werkzaamheden en deed daarvan
schriftelijk verslag, waarbij een belangrijk deel van de geschiedenis
werd ontrafeld. Omdat de voormalige kloosterkapel sinds deze werkzaamheden
niet meer ingrijpend is gewijzigd vormt zij tevens een belangrijk restauratiehistorisch
document. De Agnietenkapel is doordesemd van Koks hand en visie.
[1988]
Universiteitsmuseum
Sinds 1991 hangt aan de wanden van geschuurd pleisterwerk weer een portrettengalerij
van veertig 'geleerde en vermaarde mannen van allerlei staat en gezindheid',
zoals wetenschappers en staatslieden. De afbeeldingen zijn onderdeel
van de grote collectie die in 1743 werd geschonken door oud-schepen
en koopmanverzamelaar
Gerard
van Papenbroeck. In de negentiende eeuw waren
de portretten verspreid geraakt over allerlei verschillende locaties,
maar de museumconservator bracht de verzameling weer naar geboortegrond
van de Universiteit van Amsterdam.
[1408]
De
Nieuwe Kerk
De kerk is in het begin van de 15e eeuw
gebouwd op de Dam op een plek waar
tot dan een boomgaard was. In 1408 kreeg de Kerk, toen nog Onze
Lieve Vrouwekerk of Maria- en Catharinakerk genoemd,
de bisschoppelijke goedkeuring. De bouw
was toen al ver gevorderd. Er is veel aan de kerk verbouwd en herbouwd.
Een van de laatste delen van de kerk die werden voltooid is de noordelijke
dwarsarm uit 1530-1540, die vertoont stijlelementen uit de Renaissance.
Tot drie maal toe brandde de kerk af en vooral in de winter van 1645
was de schade groot toen het dak vrijwel geheel afbrandde.
[1565]
Toren op de kerk?
Tot tweemaal toe is er een begin gemaakt met het bouwen van een kerktoren
bij de kerk. In 1565 waren de fundamenten gelegd, maar door het veranderende
religieuze en politieke klimaat werd de uitvoer van de plannen onmogelijk
gemaakt.
In 1646 werd een tweede poging gedaan. Jacob
van Campen, ook
de architect van het Paleis op de Dam, ontwierp een toren in een gotiserende
stijl, maar in 1653 werd de bouw al gestaakt en in 1783 werd de onvoltooide
romp gesloopt. Wat overbleef is de onderbouw voor de westgevel van de
kerk.
Tussen 1959 en 1980 werd de kerk ingrijpend gerenoveerd. Door de ontkerkelijking
kon de Hervormde Gemeente de kosten voor onderhoud en beheer niet meer
opbrengen en daarom werd besloten om de kerk tot cultuurcentrum te verbouwen.
Tot op heden worden er afwisselende tentoonstellingen georganiseerd
in de kerk, vaak van volkenkundige aard. Daarnaast vinden orgelconcerten
plaats.
Koninklijke activiteiten
De
Nieuwe Kerk wordt, sinds koning Willem I in 1814 in deze kerk
de eed op de grondwet aflegde, ook gebruikt voor koninklijke huwelijken
en inhuldigingen.
De inhuldiging van Koningin Beatrix vond er plaats op 30 april 1980.
Op 2 februari 2002 trouwden Prins Willem-Alexander en Prinses
Máxima in de kerk.
In de kerk bevindt zich de graftombe van Michiel Adriaenszoon de
Ruyter. De tombe is het werk van Rombout Verhulst en Willem
de Keyser. Ook Jan van Galen en Joost van den Vondel hebben
in de Nieuwe Kerk hun laatste rustplaats gevonden.
[1385 / 1485]
De Moderne Devotie
Een spirituele beweging kwam op aan het eind van de veertiende eeuw.
Grondlegger ervan was Geert Grote, afkomstig uit Deventer. Thomas
a Kempis, die ongeveer een generatie later leefde, zorgde voor verdieping
in de beweging. Het is bekend dat ze de opvang voor pestlijders organiseerden,
niet alleen buiten de stad, maar uniek voor die tijd, ook binnen de
stadwallen. Ze regelden opvang voor weduwen, wezen en vluchtelingen.
Belangrijk was ook de impuls die de Moderne Devotie heeft gegeven aan
de ontwikkeling van mensen. Aanleiding daarvoor waren de ontevredenheid
over misstanden in de kerk en een gebrek aan persoonlijke geloofsbeleving.
Kaart
met de oorspronkelijke kapel
[1440]
De eerste Sint Olofskapel
De kapel werd in de Binnenstad van Amsterdam tussen 1440 en 1450 gebouwd
tegen een grote stadspoort aan, de Sint Olofspoort.
In 1618 is het poortgebouw afgebroken, maar de vroegere doorgang heet
nog steeds Sint Olofspoort.
Beschermheilige was Sint Olof.
Men heeft altijd gedacht dat het hier om de Noorse
patroonheilige Sint Olaf ging, de vikingvorst
die zich omstreeks het jaar 1000 tot het christendom bekeerde. De kapel
zou dan verwijzen naar de Middeleeuwse handelscontacten met Scandinavië.
Het zou echter ook kunnen gaan om de Brabantse Sint Odulphus,
de beschermheilige van dijken. De Sint Olofskapel ligt immers aan de
Zeedijk.
Aan het einde van de 15de eeuw werd de kapel meerdere keren uitgebreid.
Er werd een veelhoekig kapelletje aangebouwd: de Jeruzalemkapel,
waarin een kopie van het Heilig Graf moet hebben gestaan. De Jeruzalemkapel
is in 1644 gesloopt.
De kapel had een houten torentje dat in 1543 van een uurwerk was voorzien.
Het torentje is in 1820 door brand verloren gegaan en werd niet herbouwd.
Het
geloof bepaalt het levensritme van de stad
Er was een duidelijke markt voor zielenheil.
Men kon kiezen uit vele mogelijkheden om uiting te geven aan je gevoelens
van devotie. Je kon je eigen ziel of die van een verdoolde naaste te
redden. Anderen laten delen in je geloof door het stichten van kloosters
en kapellen is de boodschap.
[1535]
Wederdopersoproer
Tijdens een bijeenkomst van de Wederdopers
op 11 februari 1535 trekt één van de gelovigen tijdens
het gebed zijn kleren demonstratief uit en gooit die op een vuur. Onder
het roepen van "Wee,
de wrake Gods" stormt
de hele groep naakt de straat op. Dat was volgens hen een eerlijke naaktheid.
Ze beschouwden alle bezittingen,
zelfs kleding, als
aards slijk. Op
10 mei van dat jaar bezet een groep Wederdopers onder leiding van Jan
van Geel het stadhuis van Amsterdam, met de burgemeester en al.
Ze dachten dat de burgerij hen zou steunen, maar dat gebeurde niet.
Mennonieten
Wederdopen heet in de geschiedenis Anabaptisme. De aanhangers
werden ook mennonieten genoemd naar de hervormer Menno Simons.
De kerkelijke stroming dateert uit de tijd van de Reformatie en volgens
anabaptistische geschiedschrijvers al ver daar voor. Bekende wederdopers
of doopsgezinden zijn de socialist Klaas Ris, en de schrijver
Eduard Douwes Dekker
>Lees verder
Verzorgen
van de weeskinderen
/ Schilderij van Jan Salomonsz. de Bray [1663]
[1553]
De zeven christelijke werken van barmhartigheid
Drie ervan hebben direct betrekking op de zorg voor
weeskinderen:
het kleden van de naakten,
het laven van de dorstigen en
het spijzigen van de hongerigen.
Op het schilderij van Jan Salomonsz. de Bray in het Franshalsmuseum, dat
vroeger ook een weeshuis was, wordt brood aan de wezen uitgedeeld. De
kinderen eten er flink van. Een meisje krijgt een kan met dunbier te drinken,
dat is een lichte biersoort die dagelijks gedronken werd. Alle kinderen
krijgen weeshuiskleren waarmee ze op straat te herkennen zijn aan één
rode en één zwarte mouw.
Wezen zijn er altijd geweest
In de middeleeuwen en op het platteland tot in de vorige eeuw
werden weeskinderen meestal door de overheid of de kerk bij particulieren
uitbesteed. Dat werd onderhands geregeld of er was een openbare aanbesteding.
Tijdens een veiling in een herberg of pastorie, werden de kinderen op
een rij gezet en de omstander die het minste kostgeld vroeg, dus de laagstbiedende,
mocht hen mee naar huis nemen. Een zeer vroege variant van gezinsverpleging!
In de 15de en 16de en met name in de 17de eeuw ging men er in de meeste
steden echter toe over weeskinderen op te vangen in speciale inrichtingen.
Werckelicke hulp
De eerste weeshuisjes staan in Amsterdam tussen Rokin en Kalverstraat
en bieden plaats aan zeven of acht kinderen. Maar wanneer hun aantal in
1553 is uitgegroeid tot 200, zijn de huisjes te klein en het geld is op.
De kinderen zullen het huis moeten verlaten 'tenzij dat het bij mijnheeren
de Burgemeesteren werckelicke hulp ende assistentie gedaen werdt.'
Er wordt een huis aan de Kalverstraat gekocht. Om de nieuwbouw van een
Burgerweeshuis te betalen wordt een loterij gehouden. Dat wordt
het eerste weeshuis van de stad.Tegenwoordig is dat het Amsterdam (historisch)
Museum.
>Meer over opvangen en opvoeden
van kinderen
[1566]
De Beeldenstorm
De actie waaide over van Antwerpen naar Amsterdam. Kerken en kloosters
werden geplunderd, en dat gebeurde niet altijd uit godsdienstige overwegingen.
Volgens de opvolgers van Calvijn moesten alle heilige beelden
en kunstwerken uit de kerk verdwijnen. Calvinisten wilden dat het christelijke
geloof weer eenvoudig werd.
Bij de doop van een kind in de Oude Kerk, kwam het tot een uitbarsting
toen de kapelaan weigerde de dienst gewoon in het Hollands te houden.
De schout en stadswakers verloren de vechtpartij die ontstond, maar
de schutterij herstelde de orde. De Dam werd afgeschermd, omdat de burgemeesters
bang waren dat een aanval op het stadhuis kwam. De Oude Kerk werd zwaar
beschadigd, maar de Nieuwe Kerk bleef gespaard, doordat 'enige burgers'
de stormers tegen hielden.
Kerken worden gesloten
Het stadsbestuur vroeg Pauw, één van de onderhandelaars,
een voorstel te doen dat de orde weer zou herstellen.
In de overeenkomst die Pauw opstelde, waren concessies aan de gereformeerden
opgenomen, de beelden worden uit alle kerken gehaald en die worden gesloten.
Buiten de stad zou gepreekt mogen worden.
Hagepreken
De eerste hagepreek werd tussen het riet even buiten de stadsgrens bij
de Haarlemmerpoort gehouden. Het volk kwam luisteren naar een toespraak
door Jan Arentsz, een mandenmaker. Die liep uit op een scheldpartij
tegen de katholieke geestelijkheid die hun devotie alleen gebruikte
om rijk te worden. Later werd de Nieuwe Kerk door een woedende massa
bestormd. Ze waren het niet eens met de manier waarop de begrafenis
van een hervormde vrouw moest verlopen. De vroedschap had namelijk besloten
dat alleen vijf familieleden de dienst mochten bijwonen, om zo te voorkomen
dat er psalmen gezongen zouden worden. Een paar burgers zorgden er weer
voor, dat de kerk gespaard bleef.
Geuzenavondmaal
De massa was niet te stoppen, en rukte op naar het Minderbroedersklooster.
De deuren werden ingetrapt, alles kort en klein geslagen en de voedselvoorraad
geplunderd.
De volgende dag werd, na een tweede poging de Nieuwe Kerk te bestormen,
het klooster van de kartuizers gezuiverd. De schout nam vier beeldenstormers
gevangen, maar moest ze vrijlaten toen er een oploop ontstond.
De burgemeester sneed hoogstpersoonlijk de gevangenen los, om zo de
schout te hulp te komen. Op 30 september werd een akkoord gesloten met
de beeldenstormers, waarin zij, op aandringen van de opperkapiteins,
de Minderbroederskerk kregen toegewezen. Daar hielden ze een Geuzenavondmaal.
Dat was de prijs die het stadsbestuur moest betalen in ruil voor het
herstel van rust en orde.

St.Olofskapel na
1644
[1578]
De Alteratie
De Calvinistische omwenteling veroorzaakte
het verlies van katholieke gebouwen en opheffing van katholieke organisaties.
De kloosterbroeders worden de stad uitgejaagd, alleen de nonnetjes mogen
blijven. Het Maagdenhuis en het Begijnhof worden gespaard
omdat daar toch alleen maar meisjes en oude vrouwtjes zitten. Voor weesjongens
moesten andere plekken gezocht worden.
De katholieken waren een gedoogde minderheid die hun geloof niet publiekelijk
belijden mochten en in schuilkerken bijeenkwamen. Kooplieden
gaan in de Oude Kerk en de St Olofskapel beurs houden.
Voor Rome was de Republiek een missiegebied geworden.
Oudezijds kapel
Na de Alteratie staat de St Olofskapel of wel de Jeruzalemkapel
aan de Zeedeijk een tijd leeg.
In 1602 werd de kapel overgedragen aan de gereformeerden die er kerkdiensten
gaan houden. Sindsdien spreekt men van de Oudezijds
Kapel.
Na de laatste kerkdienst in 1912 heeft de kapel de meest uiteenlopende
bestemmingen gehad. In de jaren vijftig wordt er weer wekelijks een
kaasbeurs gehouden.
In 1964 is het gebouw op last van de gemeente Amsterdam gesloten wegens
instortingsgevaar, en in 1966 brandde de kapel vrijwel geheel af, waarna
er jarenlang een dichtgetimmerde ruïne op de Zeedijk staat.
De ruïne is overgedragen aan de Vereniging
Hendrick de Keyser. De restauratie werd mogelijk
toen de gemeente de kapel kocht voor een
symbolische gulden en het in erfpacht met restauratieverplichting aan
de Stichting Restauratie Monumenten gaf, die op haar beurt een
gebruiksovereenstemming sloot met het Barbizonhotel die de kapel
als congrescentrum gebruikt.
De toekomstige vorst Filips II komt op 2 oktober 1549 op
bezoek. Hij vaart vanuit Haarlem per schip naar Amsterdam en stapt dan
bij de stadspoort op een paard en rijdt naar de Dam. Daar staat een podium
voor de feestelijkheden klaar. De Rederijkers, de beoefenaars van
de kunst der 'rhotorike' zijn er niet bij want die worden sinds het Wederdopersoproer
als ketters gezien. Hun spelen en geschriften zitten vol 'dwalingen ende
blasfemie'.
[1581]
Acte van Verlatinghe / Filips
II
Filips II werd afgezworen. Hij werd niet langer erkend als heer van
Nederland.
Houdt op in mijn
tuin te wroeten, Spaanse beren
Wilt uw varkensrug toch achterwaarts trekken,
Of mijn knots zal het u leren
Die u het hoofd zal breken en de hals zal rekken.
De edele prins waarmee u meent te gekken
Zal te water en te land u bespringen al,
Vertrekt met uw vuile zeugen en jongen spekken
Rent, guiten, rent voordat de geus u daartoe dwingen zal.
De Staten Generael van de geunieerde Nederlanden schreven een plakaat:
Allen dengenen die dese tegenwoordighe sullen sien ofte hooren lesen,
saluyt.
Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van
Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten, om deselve te bewaren ende
beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder
tot bewaernisse van zijne schapen: En dat d'ondersaten niet en sijn
van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy
beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig
te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d'ondersaten wille,
sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene
te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne
kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set
om deslve te bewaren. En so wanneer hy sulx niet en doet, maer in stede
van zijne ondersaten te beschermen, deselve soeckt te verdrucken, t'overlasten,
heure oude vryheyt, privilegien ende oude herkomen te benemen, ende
heur te gebieden ende gebruycken als slaven, moet ghehouden worden niet
als Prince, maer als een tyran ende voor sulx nae recht ende redene
magh ten minsten van zijne ondersaten, besondere by deliberatie van
de Staten van den lande, voor egheen Prince meer bekent, maer verlaeten
ende een ander in zijn stede tot beschermenisse van henlieden voor overhooft
sonder misbruycken ghecosen werden (...)
De
Verenigde Provinciën
De Nederlandse Opstand, of de Nederlandse onafhankelijkheidsoorlog (1568-1648),
is de succesvolle opstand van de noordelijke zeven provincies van de
Lage Landen. Het wordt vaak beschreven als een conflict van religie
van de Nederlandse protestanten tegen de religieuze rooms-katholieke
politiek van Philips II van Spanje. Maar er is meer aan dit conflict
dan religie. Tijdens en vóór de opstand, groeide de Verenigde
Provinciën van Nederland, snel uit tot een wereldmacht door haar
koopvaardij. Een periode van economische, wetenschappelijke en culturele
groei breekt aan. De lage landen waren een deel van zijn rijk dat te
welvarend is om te verliezen voor Philips II. In het begin was hij succesvol
in het onderdrukken van de opstand. Maar uiteindelijk waren het de Verenigde
Provinciën onder Willem van Oranje die in conflict gewonnen
hebben. Na 80 jaar oorlog leidde dit tot een onafhankelijke Nederlandse
republiek, de eerste Europese republiek van de moderne tijd.
De Nederlandse "Acte van Verlatinghe" diende als voorbeeld
voor de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten.

Noorderkerk
/ IJspret bij de Noordermarkt schilderij J v. Beerstraten [1691]
[1620]
De Noorderkerk
De eeuwenoude Noorderkerk is de eerste kerk in Amsterdam, speciaal voor
de protestantse erediensten gebouwd. De reden om de kerk te bouwen werd
als volgt omschreven:
"De luyde, woonende op t'Nieuwe Werck by de
Prinsengraft ende den qaertiere daar omtrent seer doleerden van de groote
discommodatie ende onbequamheyt die sy hebben om Godes woord te hoore,
doordien sy soo verre geseten syn van de kercken in de oude stad staende"
De kerk is gebouwd tussen 1620 en 1623. naar
een ontwerp van Hendrick de Keyser
Net als de Westerkerk, is het gebouw neergezet om de in de 17e eeuw
snel groeiende bevolking van de Westelijke Grachtengordel en de Jordaan
een protestantse kerk te bieden.
De stadstimmerman Hendrik Jacobsz Staets en de toenmalige stadsmetselaar
Cornelis Danckerts hebben het werk van Hendrick de Keyser, na
diens dood samen, met diens zoon Pieter, voltooid.
Dat wijst op de grote betrokkenheid van het stadsbestuur en de voorname
plaats die kerkenbouw toen in Amsterdam innam.
De plattegrond heeft de vorm van een Grieks kruis. Een klein open koepeltorentje
is op de kruising gezet. Die centrale opzet van de ruimte was volgens
het protestantse ideaal om de verkondiging van de boodschap van God
in het midden te laten plaatsvinden. De kansel staat op een voet van
rood en zwart marmer. De kerk werd in 1929 gesloten omdat er te weinig
kerkgangers kwamen.
De Noorderkerk is gerestaureerd tussen 1993 en 1998 en nog nog steeds
in gebruik bij de Hervormde gemeente, maar bij de restauratie is bedongen
dat de kerk ook voor culturele activiteiten wordt gebruikt. Er worden
regelmatig, op zaterdagen Noordermarktconcerten gehouden. Rond de kerk
zijn oproerige vergaderingen gehouden.
Jordaanoproer
Bij de ingang van de Noorderkerk staat een monument ter herdenking aan
het Jordaanoproer
in de week van 4 juli 1934. Er vielen zes doden en vele tientallen gewonden.
Het beeld stelt twee vrouwen en een man voor, verbonden door een brede
band. Hiermee wordt de solidariteit onder de mensen, en de belangrijke
rol die de vrouwen hebben gespeeld, gesymboliseerd. "Eenheid
is de sterkste keten" Als voorbeeld is de vrouw genomen
die op de avond van 4 juli 1934 op de tafel ging staan en zei: "Ik
krijg nu zeven gulden minder". Het bronzen
beeld is gemaakt door Sophie Hupkens.
Februaristaking
Aan de zuidzijde van de kerk is een plaquette aangebracht die herinnert
aan de Februaristaking van 1941, in verband waarmee op de Noordermarkt
toen verboden openbare bijeenkomsten waren om te protesteren tegen het
wegvoeren van 400 joodse Amsterdammers.
De
Rode Hoed Keizersgracht
[1630]
De Rode hoed
Van Remonstrantse kerk naar TV studio.
In tegenstelling tot het socialistische bolwerk,
gebouw Constantia dat 'degradeerde' tot kerk en moskee, is ook een omgekeerde
beweging waar te nemen.
De Rode Hoed is een debatcentrum geworden in een voormalige Remonstrantse
schuilkerk aan de Keizersgracht.
Het gebouw was een hoedenmakerij en werd voor de Remonstrantse Gemeenschap
aangekocht door wijnkoper Antoni de Lange
en doctor Jan van Hartoghvelt. De hoedenmakerij werd afgebroken
en in 1630 werd er een schuilkerk gebouwd, die tot 1957 dienst deed.
Een kleine 250 personen waagden het in 1628 om zich, voor een verzoekschrift,
kenbaar te maken. De eerste handelingen van een Remonstrantse gemeente
in Amsterdam worden zichtbaar. Er werden twee huizen gekocht aan de
Keizersgracht bij de gangen die leidden naar de achtererven waarop de
verscholen kerk werd neergezet. Aan Amsterdam werden drie predikanten
toegedacht, maar er waren maar twee beschikbaar. Van 1632 tot 1643 waren
dat Niellius en Praevostius.
Nieuw Links
Huub Oosterhuis
ontdekte in 1989 dat het gebouw leegstond.
Hij besluit er zijn studentenecclesia en een discussiecentrum in te
vestigen. In
1991 werd er het Sociaal Democratisch Vernieuwingsplatform Nieuw
Links van André van der Louw opgericht.
In de Rode Hoed werd ook de talkshow van Sonja Barend opgenomen
en later Het Lagerhuis.

[1620 / 1631]
De Westerkerk
Het
is de grootste Protestantse kerk ter wereld.
De stadsuitleg van 1613 maakte het noodzakelijk om nieuwe kerken te
bouwen.
De eerste steen werd gelegd op 9 september 1620. Op Pinksterdag 1631
was de eerste predikatie.
De Westerkerk moet een grote kerk worden en daarom werd de bevolking
van de Jordaan alvast aan een kleinere kerk geholpen
dat was de de Noorderkerk.
De Westerkerk is ontworpen door Hendrick
de Keyser en lijkt veel op Zuiderkerk, maar is monumentaler.
De kerk is een basiliek, met één middenbeuk en twee zijbeuken.
Omdat de middenbeuk hoog is komt er meer licht binnen, daarom wordt
die de 'lichtbeuk' genoemd.
[1669]
Aan de kant van de Prinsengracht was het kerkhof
dat al in 1655 gesloten werd. In de noordelijke zijhoek van de kerk
werd Rembrandt van Rijn in 1669 begraven. Ook Rembrandt's zoon Titus
en minnares Hendrickje Stoffels liggen er begraven. Andere schilders
die in deze kerk werden begraven zijn Nicolaes Berchem, Gillis Claesz.
de Hondecoeter en Melchior de Hondecoeter
De Westerkerk is voor de bewoners van de Jordaan
De beroemde Westertoren is vanuit de hele Jordaan te zien en te horen.
De klokken werden niet alleen geluid bij begrafenissen en voor andere
godsdienstige doeleinden. Vooral geven de klokken de tijd aan, dag en
nacht.
Het is de toren waarvan de carillonklanken doordrongen
tot het Achterhuis waar Anne Frank haar in haar dagboek schreef:
Lieve Kitty,
vader, moeder en Margot kunnen nog steeds niet aan het geluid van de
Westertorenklok wennen, die om het kwartier zegt hoe laat het is. Ik
wel, ik vond het dadelijk zo fijn en vooral 's nachts is het zo iets
vertrouwds.
In de veertiende eeuw werd de beiaard met zijn 50 klokken bediend door
een speeltrommel.
Later werd het carillon bespeeld met een stokkenklavier waarmee, muzikaal,
prachtige klanken over de Jordaan uitgestort werd. Vanzelfsprekend waren
het de klokkengieters Hemony de mannen die in 1658 zuivere klokken maakten.
Amsterdam heeft vier Hemony beiaarden in respectievelijk de toren van
de Oude kerk, de Zuidertoren, de Munttoren en de Westertoren. De klok
die de uren slaat, de zogenoemde bourdon, is in 1636 door klokkengieter
Assuerus Koster gegoten. Twee keer per jaar wordt een nieuw
deuntje op de speeldoos aangebracht.
De Westerkerk wordt nog steeds gebruikt. Op zondag luiden de klokken.
>Lees
verder over het Carillonoproer

De Keizerskroon
De
Westertoren
De
bijnaam van de Westertoren is Lange Jan of De ouwe Wester.
De toren wordt bekroond met de keizerskroon van Maximiliaan I van
Oosterijk.
In de negentiende eeuw was over de vorm en de kleur van de kroon onduidelijkheid
ontstaan.
De kroon van Rudolph II wordt sinds de ondergang van het Heilige
Roomse Rijk wordt in Wenen bewaard. Uit onderzoek bleek dat de twee
schelpvormige punten van de mijter uit goud waren vervaardigd en daarom
werd de kleur van de mijter van de kroon boven het nieuwe Amsterdamse
stadswapen in 1898 officieel goudgeel. De
oorspronkelijke blauwe kleur van de mijter is echter nog op vele plaatsen
in de stad te zien. Op veel openbare gebouwen en gevelstenen, ook op
de Westertoren zelf, halverwege de toren, prijkt op het stadswapen de
blauwe keizerskroon.
In 1489 schonk Maximiliaan I van Oostenrijk Amsterdam het recht zijn
kroon op het stadswapen te dragen uit dank voor bewezen diensten. Nadat
Maximiliaan in 1493 tot keizer werd gekozen en in 1508 werd gekroond,
verving de stad de koningskroon door een keizerskroon. De
kroon, die op allerlei andere plaatsen in de stad in zijn blauwe verschijningsvorm
te zien is, werd pas in de twintigste eeuw geel geschilderd, om de kleur
in overeenstemming te brengen met die van de kroon in het stadswapen.
Toch is ook de blauwe hoed niet onomstreden. Er zijn mensen die zeker
weten dat de kroon van keizer Maximilliaan van Oostenrijk in werkelijkheid
rood was. Iemand suggereerde zelfs om de kroon dan maar roze te schilderen,
als verwijzing naar het homomonument aan de voet van de kerk.
En zo is de toren ineens een bron van verdeeldheid en felle discussie,
in plaats van de trots van Amsterdam.
Huwelijk
In de kerk werd op 10 maart 1966 het huwelijk
van prinses
Beatrix en prins Claus ingezegend. Er heerste een
anti-Claus stemming. Zo kreeg de bereden
politie in Amsterdam een anoniem bericht waar in stond dat alle paarden
geïnjecteerd zouden worden met het "gek makende" middel
LSD. Claus zei:"Niemand kan dit verleden ongedaan maken, maar ik
zou graag willen vragen ons de kans te geven om samen met u allen aan
een nieuwe toekomst te bouwen"
>Lees verder over het huwelijk
Architect Walter Kramer krijgt de opdracht een plan voor restauratie
van de toren te maken. In 2006 begint de restauratie die 10 mei 2007
klaar is.
[1631] Waalse
weeshuis
De diaconie van de Waalse Kerk kocht in drie panden aan de Laurierstraat.
Hier werd een weeshuis gevestigd dat ook onderdak gaf aan weduwen en
bejaarden. In 1683 verhuisde het Waalse weeshuis naar een pand aan de
Vijzelgracht dat tot 1967 dienst bleef doen als weeshuis. In dit pand
is nu het Frans cultureel centrum Maison Descartes gevestigd.
[1632]
De Oude Lutherse kerk
De kerk is gebouwd aan het Spui, hoek Singel op de plaats waar vroeger
de huiskerk van de Lutheranen stond. Al vanaf 1604 werd op deze plaats,
een pakhuis genaamd De
Vergulden Pot, gekerkt. Via aankoop van naastgelegen
panden werd de oppervlakte van de kerk steeds groter.
In 1632 gaf de stad Amsterdam toestemming om in plaats van de zeven
gebouwen een nieuw kerkgebouw te plaatsen. Even was er nog sprake van
dat de kerk op de Lauriergracht, hoek Konijnenstraat, zou komen.
De kerk wordt behalve voor godsdienstige bijeenkomsten ook voor andere
doeleinden gebruikt.
In 1790 hield de Mij tot Nut van 't Algemeen haar eerste algemene vergadering.
Door het teruglopen van het kerkbezoek heeft het kerkbestuur sinds 1961
de kerk en bijgebouwen verhuurd aan de Universiteit van Amsterdam.
In een bijgebouw is plaats ingeruimd voor de Tetterode-bibliotheek van
de architect K.P.C. de Bazel.
[1670]
Ronde
Lutherse Kerk
De
tweede 'nieuwe' Lutherse kerk werd tussen 1668 en 1671 gebouwd. De lutheranen
vroegen zich af hoe een lutherse kerk kan bestaan in een land waar men
eerst katholiek en later calvinistisch is. Dus kwamen er ook lutherse
huiskerken.
Het stichtingsjaar
van de Evangelisch-Lutherse Gemeente is 1588 toen er voor het eerst
een samenvatting van het lutherse geloof aan de burgemeesters van Amsterdam
werd overhandigd.
De naam was toen: Christelijke gemeente toegedaan de Augsburgse Geloofsbelijdenis.
Later kregen ze de naam die ontleend is aan de kerkhervormer Maarten
Luther (1483-1546).
In 1588 hebben ze een 'ziekentrooster' aangesteld. Ook was er een koster.
Godsdienstoefeningen werden in alle stilte gehouden ten huize van geloofsgenoten,
nu eens bij de een, dan weer bij de ander. In samenwerking met Ligarius,
predikant van de gemeente te Woerden, werd de organisatie uitgebouwd
en in 1592 de eerste 'kerkelijke ordonnantie' opgesteld.
Er werd hoofdzakelijk in het Duits gepreekt en de predikanten waren
meestal Duitsers. Maar langzaam zet een verhollandsing in en dat leidde
tot langdurige partijtwisten. De stedelijke overheid wilde geen tweede
lutherse gemeente in de stad.
De Nieuwe Kerk, ook Ronde Lutherse Kerk genoemd, vloog in 1822 in de
brand. Die werd herbouwd en omdat het verboden was er een kerktoren
op te zetten, maakten zij er een koepelkerk van. In het kleine torentje
op de koepel, lantaarn genaamd, werd de lutherse zwaan afgebeeld.
De lutheranen verlieten
de kerk in 1935. Na de sluiting werd zij voor concerten gebruikt. Ook
was er een tijdlang een tentenshow/zeilmakerij in gevestigd. In 1975
werd de kerk in gebruik genomen door het Sonesta Hotel. De hotelgasten
konden door een tunnel naar de kerk lopen voor congressen en concerten.
In 1984 vloog de koepel weer in brand. En op 3 februari 1993 werden
het interieur en het dak van de Koepelzaal verwoest. De restauratie
duurde 16 maanden, in juni 1994 was de Koepel weer hersteld. Alleen
was het koperen dak nu koperkleurig en niet meer groen. Tegenwoordig
heeft een ander hotel de kerk in gebruik voor vergaderingen en televisieshows.
Met kerst is er meestal een diner voor dak- en thuislozen.
[1639]
De
Portugees-Israëlietische Synagoge
De zogenoemde Snoge
staat aan het Mr. Visserplein.
De eerste Joden die zich sinds het einde van de 16e eeuw in Amsterdam
vestigden, kwamen uit Spanje en Portugal. Aanvankelijk mochten deze
Sefardim
niet in het openbaar hun godsdienst belijden.
In 1639 bouwden de Portugese Joden aan de voormalige Houtgracht voor
het eerst een synagoge die vanaf de straat duidelijk zichtbaar was.
Daarmee kwam een einde aan de periode van de verstopte huissynagogen.
Handelscontacten
Het zal zeker een rol hebben gespeeld dat de Portugese Joden met hun
handelscontacten met de landen rond de Middellandse Zee een belangrijke
bijdrage leverden aan de Amsterdamse Gouden Eeuw.
In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd de Joden al toegestaan
synagogen te bouwen op markante plaatsen, terwijl de katholieken geen
kerken mochten bouwen die vanaf de straat als zodanig herkenbaar waren.
De Portugees-Israëlietische
Synagoge werd gebouwd op de plaats waar tot de stadsuitbreiding van
1663 een nachtpost met de naam 'Sint Antoniespoort'
stond, een verwijzing naar de gelijknamige stadspoort,
de huidige Waag, op de Nieuwmarkt.
Het kolossale gebouw domineerde de
omgeving en doet dat eigenlijk nog steeds. Toen het gebouwd werd,
was het de grootste synagoge ter wereld.
De vorm van het gebouw zelf, refereert aan de Tempel van Salomo in Jeruzalem.
De synagoge kreeg geen begraafplaats in de directe nabijheid; als begraafplaats
diende Beth Haim in Ouderkerk a/d
Amstel.

[1671]
De Grote Synagoge
Het is de oudste van de vier synagogen waarin tegenwoordig het Joods
Historisch Museum gevestigd is. De Hoogduitse joodse gemeente van
Amsterdam is in 1635 opgericht. Door de grote toestroom van joodse emigranten
uit Oost-Europa, op de vlucht voor oorlogen en pogroms, groeide de gemeente
zo snel dat in 1670 een perceel werd aangekocht om een eigen synagoge
te bouwen. De bouwer van het Pintohuis en later de Portugese synagoge
was Elias Bouman. Dat kostte 33.000 gulden waarbij de stad een
lening gaf van 16.000 gulden.
[1685]
Obbene Sjoel
Al snel werd besloten een tweede synagoge te bouwen. Dat werd een houten
gebouw aan de Nieuwe Amstelstraat. Beneden was een vleeshal en boven
dus de Obbene Sjoel.
De ontkerkelijking en de trek van joden uit de oude jodenbuurt naar
nieuwe wijken aan de rand van de stad in het begin van de 20ste eeuw
hadden tot gevolg dat de Obbene Sjoel vanaf 1924 alleen nog gebruikt
werd als leerlokaal voor de religieuze vereniging Tiferet Bachoeriem.
Uit een register van eind 18e eeuw blijkt dat de Grote Synagoge toen
plaats bood aan 399 mannen en 368 vrouwen. Het gebouw heeft aan drie
zijden galerijen. Twee ervan waren in gebruik als vrouwengalerij, te
herkennen aan het hoge afscheidingshek. Omdat er beneden steeds te weinig
ruimte voor mannen was zaten die ook op de galerij. Beneden staat de
Bima in het midden. Vandaar wordt de dienst geleid.

[1752]
Nieuwe
Synagoge
Hoewel er inmiddels drie synagogen naast elkaar stonden was er in de
achttiende eeuw nog steeds sprake van ruimtegebrek. Er werd een leeg
perceel aan de Deventer Houtmarkt gekocht voor de vestiging van de eerste
Nieuwe Synagoge. Dit was een relatief klein gebouw.
Tegen 1750 werden nog eens vier belendende percelen aangekocht. In één
daarvan woonde opperrabbijn Arjeh Leib ben Saul, de stichter
van het Hoogduitse Beth HaMidrasj Ets Chaim.
Al deze gebouwtjes, ook de synagoge van 1730, werden afgebroken om plaats
te maken voor een nieuw gebouw. Dit is de huidige Nieuwe Synagoge.
De synagoge werd
in 1943 door de Duitse bezetters gesloten en in de hongerwinter werd
al het houtwerk opgestookt. In 1954 heeft de gemeente Amsterdam het
hele leeggeplunderde complex overgenomen en gerestaureerd.

Doopsgezinde huiskerk
van de Harde Oude Friezen in de Bloemstraat 49-51 in 1729
[1640]
Jan Jacobszgezinden
Het is en kleine groep doopsgezinden die in de Bloemstraat bijeen kwam.
Ze werden ook wel de Oude of Harde Friezen genoemd. Jan
Jacobsz was een strenge ouderling uit Harlingen die bijvoorbeeld vond
dat niemand handel mocht drijven met een man die een afvallige vrouw had.
Hij eiste van een vrouw die met een niet-doopsgezinde man getrouwd was
haar kinderen niet te laten dopen. Gebeurde dat toch dan moest een volgend
kind voor de vader verstopt worden. Toch had hij een paar aanhangers die
hem vergeleken met Menno Simons, de schrijver van Het Fundamentenboek.
Jacobsz werd voor eeuwig uit Friesland verbannen en vertrok naar Hoorn
waar hij klagelijke liederen schreef die in Amsterdam uitgegeven werden.
In 1728 verenigde de gemeente met die van Het Lam en van De Tooren. Hun
kerkje werd verbouwd tot twee woningen.
[1650]
Collegianten
In voormalige brouwerij Het Lam aan de Singel is de Amsterdamse
Verenigde Gemeente opgericht. Een van de 'vermaners', voorganger,
is Galenus Abrahamzn.de Haan, lid van de Rijnsburger Collegianten.
Hij erkende alleen het gezag van de Bijbel en was behoorlijk radicaal.
De Tsechische geleerde Johannes Amos Comenius woont op de Egelantiersgracht
en houdt bijeenkomsten in de Elandsstraat. De Amsterdamse overheid verbiedt
'socianistische' vergaderingen. De collegianten komen bijeen op de Looiersgracht
en de Lauriergracht.
In 1664 komt er een scheuring die de 'Lammerenkrijgh' genoemd werd.
De Lamisten noemden zich zo omdat ze hun kerkgebouw Het Lam mochten
houden. Te tegenstanders gingen naar de voormalige brouwerij 'De Zon'
en heten dus Zonisten. In 1728 splinterde het nog verder en een
paar Jan Jacobsgezinden sluiten zich aan bij de Lamisten.
[1654]
De
Krijtberg
De Krijtberg heet
officieel de Rooms-katholieke kerk van Sint
Franciscus Xaverius.
Sinds 1654 wordt er aan het Singel in Amsterdam gebeden en gepreekt
in een huis met de naam Crijtberg. Dit huis diende als schuilkerk. Ook
na de opheffing van de orde tussen 1773 tot 1814 bleef deze kerk in
handen van jezuïeten.
Met de bouw van de huidige kerk werd in 1881 begonnen. De neogotische
kerk werd ontworpen door Alfred
Tepe en gewijd in 1883. De architect had de opdracht
een kerk te bouwen tussen de bestaande grachtenpanden in. De kerk heeft
daarom vooral ramen op grote hoogte. Naar achteren toe wordt de kerk
steeds breder. Zo werd er op weinig grondoppervlak toch een gevoel van
ruimte gecreëerd.
Jezuïeten
Vanaf de oprichting in 1654 tot op heden wordt
de Krijtberg bediend door de paters en broeders van de Sociëteit
van Jezus. In
1835 werd een nieuwe pastorie gebouwd. In 1857 kwam de nieuwe parochie
St. Ignatius tot stand, bestaande uit De Zaaier, toen
aan de Keizersgracht, later aan de Rozengracht, als hoofdkerk en De
Krijtberg als hulpkerk.
In de pastorie van de kerk was ooit het Roothaan-museum gevestigd
ter ere van Jan Philip Roothaan, de
eerste Nederlandse Jezuïetengeneraal, geboren in de Jordaan. Die
kon alleen in vermomming zijn eigen kerk de Krijtberg bezoeken. Roothaan
werd in wassenbeeldenkabinetten op de kermis afgebeeld als een monster
dat cholera verspreidde.
>meer
over Roothaan
[1669]
Amstelkerk
De vroedschap
besloot houten preekschuren
te bouwen op het
Amstelveld en de Oostelijke en Westelijke Eilanden. De bedoeling
was de houten kerken zo snel als mogelijk te vervangen door een stenen
gebouw. Dat lukte voor de Eilandskerk in 1739, voor de Oosterkerk
al in 1671. De Amstelkerk is nooit in steen gebouwd.
De Amstelkerk, is tussen 1668 en 1670 gebouwd als onderdeel van de aanleg
van het tweede deel van de Grachtengordel. Het ontwerp is van Daniël
Stalpaert.
"het plein of veld aan die Kerk
egter groot genoeg te laaten,
om op het zelve, t'eenigen tyde,
eene steenen Kerk te konnen zetten"
De kerk wordt tegenwoordig verhuurd door Stadsherstel
Amsterdam, die er ook een kantoor heeft.
Een ander deel is een restaurant met een terras aan het Amstelveld geworden.
De kerk heeft een vierkant grondplan van 28,3 x 28,3 meter, wat neerkomt
op 100 bij 100 voet, dezelfde maat als de Oosterkerk die ook door Stalpaert
is ontworpen.
In 1840 is de kerk in neogotische stijl verbouwd onder leiding van Hendrik
Springer.
[1660]
Quakers
In de Driehoekstraat en later op de Anjeliersgracht kwam een Religieus
Genootschap der Vrienden de Quakers bijeen. Het was een groep ondogmatische
gelovigen. Het leven en de overgeleverde uitspraken van Jezus vormen
een belangrijke inspiratiebron. Quakers geloven dat er iets van God
in ieder mens is, wat door ieder mens ervaren kan worden. Zij noemen
dat het 'inwaartse licht'. Quakers proberen, vaak met anderen samen,
mensen tot elkaar te brengen om verzoening, gerechtigheid en vrede te
bevorderen. Een bekende Nederlandse quaker is de schrijver, Jan de
Hartog.
[1661]
Onze-Lieve-Heer-op-Zolder
Ons' Lieve Heer op Solder is een voormalige
schuilkerk aan de Oudezijds
Voorburgwal.
Net zoals vroeger de nabijgelegen Oude Kerk was deze schuilkerk aan
Sint Nicolaas gewijd, maar stond bekend onder de namen Het Haantje
en Het Hert. De naam Ons' Lieve Heer op Solder dateert uit de
19e eeuw. De schuilkerk heeft meer dan twee eeuwen dienst gedaan totdat
de grote nieuwe St. Nicolaaskerk er kwam.
Het
huis werd in 1661 gekocht door kousenkoopman
Jan Hartman. Hij liet het verbouwen en uit deze periode dateert
het fraaie interieur. Het pand staat in de eerste plaats bekend om zijn
zolderkerk, gebouwd over de volle diepte van de zolders van het huis
aan de Oudezijds Voorburgwal en het daarachter gelegen huisje in de
Heintje Hoeksteeg. In de zolder van het woonhuis is een rooms-katholieke
kerk gebouwd. De kerkgangers kwamen binnen via een ingang aan het naast
het pand gelegen steegje.
Oudezijds Voorburgwal 40 lijkt een gewoon grachtenhuis. Aan de puibalk
is te zien dat het pand 17e eeuws is. Bijzonder is dat er aan de voorgevel
geen hijsbalk zit. Aan de zijgevel, in
de Heintje Hoeksteeg, is een hijsinstallatie, een windkast, die vaak
bij pakhuizen wordt gebruikt. In de steeg valt op hoe diep het pand
is.
In 1888 is het als museum ingericht.
[1662]
Schuilkerk De Zaaier
Pater Henricus
van Alckemade woont bij zijn moeder op de Keizersgracht bij de Brouwersgracht.
Hij richt daar een huiskerk De Sayer in. Hij zorgde voor alle
huiszittende roomse armen van de stad. Hij deelde in de strenge winters
levensmiddelen uit aan de bewoners van de Jordaan. De gereformeerde
kerkenraad klaagde bij de burgemeesters om 'de paepse kerck op de
Kaijsersgraft bij de Groenlandtse packhijsen' te laten sluiten.
Het lukte de Jansenistische priesters de Zaaier te laten sluiten.
De vijf paters, die van 1708-1792 de Zaaier hebben gewoond gingen in
het geheim door met dopen en huwelijken sluiten.
Een herkenbaar kerkgebouw
De huiskerk werd in 1837 vervangen door een veel ruimer, en als zodanig
herkenbaar, kerkgebouw, ontworpen door architect Joannes van Straaten
in zogenaamde romeinse stijl. Door de giften en schenkingen van
Wilhelmus Henricus Gompertz en diens echtgenote kon dit grote
werk tot stand worden gebracht. De Zaaier, de kerk van de H.Ignatius,
werd tot parochiekerk verheven en de Krijtberg werd hulpkerk.
[1664]
Pestepidemieën
Amsterdam groeide van 30.000 inwoners in 1585 tot 115.00 inwoners in
1630.
In de jaren daarna woedden enkele pestepidemieën die duizenden
slachtoffers maakten.
Er heerst een epidemie met 34.000 doden.
Voeg hierbij de Engelse zeeoorlogen en de voortdurende armoede van het
gewone volk tijdens de Gouden Eeuw en het is duidelijk dat er grote
aantallen wezen moesten worden gehuisvest.
Kruidentuin
Kruiden waren, als basis voor medicijnen, van levensbelang. In de Hortus
bekwaamden artsen en apothekers zich in de receptuur. De Hortus is als
een medicinale kruidentuin door het Amsterdamse stadsbestuur opgericht.
Het eten van sla en spinazie werd afgeraden
De ziekte was sinds 1450 zevenendertig keer voorgekomen. Zo stierf rond
tussen 1602 en 1636 meer dan 10% van de bevolking. Bedrijfjes gingen
failliet omdat de werknemers niet meer kwamen opdagen.
De kosters hadden grote moeite om de begrafenisdrukte in de kerk in
goede banen te leiden.
De jaarlijkse kermissen werden door de burgemeesters verboden. De betere
stand vluchtte naar buitenplaatsen rond Amsterdam.

[1678]
Luthers Weeshuis
De Laurier
In 1678 wordt weeshuis De Laurier op de gracht gevestigd in een reeds
bestaand pand. Het is in de achttiende eeuw meerdere keren uitgebreid.
De huidige voorgevel is uit 1757. Tegelijkertijd is een dwarsvleugel
met regentenkamer gebouwd.
Het gebouw is een schenking van de Lutherse koopman Jan
Geerkens.
Het heeft een hoofdgebouw en twee losstaande vleugels op het binnenterrein.
Op die manier konden de jongens en meisjes in het weeshuis worden gescheiden.
In het weeshuis werd onderwijs gegeven. Weesjongens worden als werkjongens
bij ambachtslieden in de leer gedaan. Meisjes moeten in de huishouding
werken. In het weeshuis is een bakkerij die ook het brood bakt voor
uitdeling aan de armen. Vanaf 1783 is er een apotheek en een schoenmakerswinkel
aan het weeshuis verbonden.
Het weeshuis had, net zoals het Jongensweeshuis aan de overkant, last
van weesjongens die op alle mogelijke manieren aan geld voor drank probeerden
te komen. Het was daarom banken van lening verboden geld aan weeskinderen
uit te lenen.
 
Binnenplaats Luthers Weeshuis
/
De dienstingang van de Koloniale Reserve werd ook gebruikt door
de stadshondenmepper
Van weeshuis tot militair logement
Als alle wezen vertrokken zijn wordt het gebouw voor uiteenlopende opmerkelijke
bestemmingen ingericht.
In 1811 wordt het gebouw door de Franse bezetter
gevorderd om als hospitaal voor de Franse troepen te dienen.
De 141 wezen verhuizen noodgedwongen naar het Oude Mannen- en Vrouwen
huis van de Lutherse Diaconie aan de Nieuwe Keizersgracht.
Tussen 1881 en 1930 is er een logement voor doortrekkende officieren
van het KNIL.
Het weeshuis heeft tot 1930 ook als politiebureau gediend. De
agenten van dat posthuis speelden een rol in de strijd tussen het gezag
en de socialisten.
Na een protestvergadering van het Werklozen
Comité aan de Lauriergracht breken onlusten uit. Het is bekend
als het Jordaanoproer van 4 juli 1934. Tegenstanders van de NSB
demonstreren tegen de verlaging van de werkloosheidsuitkering.
Na de oorlog werden in het voormalig weeshuis leden van de NSB, velen
getrouwd met een Duitse vrouw, met gezin en al vastgezet. Voor de deur
stond een militair met een geweer op wacht. Vreemd genoeg werden er
ook 'goeie' Nederlanders, die in Duitsland gewerkt hadden, tijdelijk
gehuisvest.
Verschillende functies
De veteranen uit het eerste Comité Zuid-Afrika Stella
Hilsum, Ed van Thijn en
voorzitster Conny Braam
waren, samen met andere leden van het AABN, vauit hun kantoor
in het weeshuis aan de Lauriergracht 'live' getuige van Mandela's
vrijlating op 11 februari 1990.
Een andere bewoner was Nederlands Palestina Komitee [NPK], een onderdeel
van een mondiale beweging tegen uitbuiting, onderdrukking, discriminatie
en racisme.
Het gebouw is een tijdje een jeugdhotel geweest en er werden
ook drugsgebruikers opgevangen. Het herbergt een aantal kleine zelfstandige
bedrijfjes. Er was een kantoor van Spirit, een instelling voor
opvang van jongeren.
Stadsdeel Centrum is de eigenaar van het pand en wil er na de restauratie
opnieuw kleine bedrijven in huisvesten.
Waterkelders
Tijdens het restaureren van de fundamenten van het weeshuis zijn in
2010 unieke waterkelders aangetroffen. Architectuurhistoricus Pieter
Vlaardingerbroek, van Bureau Monumenten is enthousiast over
de vondst. In Amsterdam waren veel kleine waterkelders, onder meer onder
woonhuizen. Maar zelden verkeren ze in goede staat. Deze twee waterkelders
konden ieder honderdduizend liter bevatten. Alleen onder het Burgerweeshuis
en het Maagdenhuis zijn vergelijkbare waterkelders. Meestal zijn dan
delen ervan gesloopt en ontoegankelijk. In het Stadsarchief bevinden
zich veel gegevens, in wat er de lutherse dozen worden genoemd.
Tekeningen vermelden wie aan het weeshuis hadden gewerkt. Eén
van de twee waterkelders stond erop. De rechter niet, maar die is nu
dus teruggevonden.
Waterkelders werden vooral gebruikt om er zeker van een geregelde watervoorziening
te zijn.
Luthers Diaconiehofje genaamd het Konijnenhofje
[1670]
Lutherse
Diaconie
In de tweede helft van de zeventiende eeuw zijn er plannen om op de
hoek van de Lauriergracht een tweede Lutherse kerk te bouwen. Na veel
gedoe wordt echter besloten om de Ronde Lutherse kerk aan de kop van
de Singel te bouwen en de grond op het Konijnenerf krijgt een andere
bestemming.
De Lutherse diaconie koopt in 1656 de helft van het erf compleet met
de daarop getimmerde bouwsels voor fl.7700,- om er Armenhuisjes op te
bouwen.
Oorlog en de zwarte pestilentie zorgde voor een crisis waarin ouden
en gebrekkigen geraakten.
Het eerste Lutherse diaconiehofje werd in 1670 daadwerkelijk gebouwd
en krijgt de naam Konijnenhofje. Het hofje raakte met de 16 huisjes
snel overbevolkt. Er was geen bleekveld.
Alles bij elkaar telde men 51 behuizingen met elk twee bedsteden voor
twee vrouwspersonen.
Die kregen verzorging als ze ziek waren en 's winters levensmiddelen.
Verder moesten ze voor zichzelf zorgen. Als ze zich maar zedelijk en
godsdienstig gedroegen.
Op een grote steen wordt een spreuk gebeiteld. Nieuwbouw heeft de hofjes
in de Konijnenstraat verdrongen.
Geloov en Hoop doen hier haar milde gaaven
blyken.
De Lievde voed de Vreede en koestert arremoe.
Opregtigheit blinkt uyt, de Waarhyd yuygt ons toe:
So kan Stantvastighyd met Overwinnig pryken.
[1671]
De
Oosterkerk
Een van oorsprong Nederlands Hervormde kerk aan
de Wittenburgergracht. De kerk is gebouwd in de periode 1669-1671 naar
een ontwerp van architect Adriaan Dortsman met medewerking van
Daniël Stalpaert.
In 1659 is door het vroedschap van Amsterdam besloten om twee kerken
te bouwen, de Oosterkerk en de Eilandskerk. Beide houten gebouwen zouden
in de toekomst door stenen kerken worden vervangen. De oude Oosterkerk
is later vervangen door een stenen kerk, echter niet op de oorspronkelijke
plaats op het Rapenburg maar op Wittenburg.
De plattegrond
is een vierkant, door pijlers met bogen verbonden, verdeeld in een gelijkarmig
kruis.
De kerk werd in 1963 wegens bouwvalligheid werd gesloten.
In 1969 kwam de Oosterkerk in bezit van de gemeente Amsterdam en werd
de kerk grotendeels in historische staat hersteld. Vóór
de restauratie had de gemeente overigens plannen om de kerk te slopen
als onderdeel van het grootschalige stadsvernieuwingsproject. Door optreden
van de buurtbewoners is dat uiteindelijk niet gebeurd.
Sinds 1985 wordt de kerk gebruikt door instellingen op sociaal en maatschappelijk
gebied.

Begijnhofkapel
/ interieur van de kapel in 1929.
[1671]
R.K.
Joannes en Ursulakapel
De begijnen bouwen tegenover hun oude kerk op nr. 29 in twee huizen
een schuilkerk: de enige echte Begijnhofkapel.
Het is een levende plek van de katholieke
gemeenschap gebleven bekend als de Nieuwe Heilige Stede. Officieel
is het een parochiekerk, gewijd aan St. Joannes en Ursula. De kerk heeft
haar in en uitgang naar het Begijnhof via een portaal dat een kopie
is van het oorspronkelijke portaal dat stond in de Wijde Kapelsteeg
als onderdeel van De Heilige Stede [1345-1909] aan het Rokin.
Als een woonhuis
De gevel van de Begijnhofkapel is min of meer in de vorm van een woonhuisgevel
met empire vensters gebouwd. De kapel wordt door Toscaanse zuilen in
drie beuken verdeeld. De twee buitenste hebben galerijen. Het hoofdaltaar
heeft gemarmerde Corinthische zuilen en een schilderij dat de Hemelopneming
van Maria voorstelt. [Nicolaas
Moeyaert 1649]. Een wijziging aan het altaar heeft
in 2000 plaatsgevonden, nadat de verloren gewaande "Maria Tenhemelopneming"
op een veiling in Amerika werd teruggevonden. Ook de twee zijaltaren
hebben schilderijen van Nicolaas Moeyaert, Links "De Kruisiging"
en Rechts "De geboorte van Christus" Er is een notenhouten
Rococo preekstoel uit 1757 met trapje.
[1672]
De
Papegaai
Het is een voormalige schuilkerk die werd gebouwd in de tuin
van het huis van een vogelhandelaar aan de Kalverstraat, vandaar de
naam. In 1672 werd het huis als rooms-katholieke statie ingericht.
Omstreeks 1710 werd het op kosten van het R.C.Armenkantoor verbouwd
tot een huiskerk met drie beuken en galerijen. Toen het rooms-katholicisme
in Nederland geleidelijk weer openlijk beleden mocht worden, kon de
huiskerk in 1848 vervangen worden door een nieuw en volwaardig kerkgebouw.
De kerk werd gewijd aan de Heilige Jozef maar bleef toch beter bekend
onder de naam De Papegaai.
Eerst was het een filiaal van de Franse kerk aan de Nieuwezijds Voorburgwal
die aan de Heilige Petrus en Paulus was gewijd. Toen de Franse
kerk in 1911 werd opgeheven, kreeg De Papegaai de status van parochiekerk,
nu met de Heilige Petrus en Paulus als patroonheiligen.
Voor het publiek
is de kerk een welkom rustpunt in de drukste winkelstraat van de stad.

Bezoek
van kardinaal van Rossum aan het Jongensweeshuis aan de Lauriergracht.
Bij dergelijke gelegenheden kwamen ook de meisjes uit het Maagdenhuis
opdraven.
[1673]
RK Jongensweeshuis
Sinds 1632 was de armenzorg in handen van een
aantal vermogende personen die de 'Beurs voor Catolijke Armen'
beheerden. Er wordt in een gehuurd huis in de Weesperstraat, 'naest
den soeten invall', een aantal weesjongens ondergebracht.
Na een speciale inzameling, een 'ommegangh met sackies', had
men een kapitaal van 3459 guldens en 3 stuyver werkkapitaal bijeen.
Al eerder kwam er geld beschikbaar uit de nalatenschap van de teerkoper
Hendrik IJsbrands. Vooral
is Maria Magdalena Gravin Moens de weldoenster die geld voor
de stichting van het weeshuis doneert. Zij kent weeshuispastoor Offermans,
die ook kerk 'de Duif' aan de Prinsengracht gesticht heeft.
Het is uitgegroeid tot een groot en rijk Jongensweeshuis.
[1682]
Paaps weeshuis
Het katholieke initiatief was niet naar de zin
van de Gereformeerde Kerckeraad. Die beklaagde zich dat er een
soort Paaps weeshuis in de Weesperstraat was. De Papisten worden door
de Burgemeester op het matje geroepen. Ze krijgen te horen: "sulks
is in deze stad niet te dulden", maar ze worden stilzwijgend
gedoogd want de weeskinderen moesten toch ergens heen.
Een jaar later bleek dat er schooljongens en zogenoemde werkjongens
al naar de Lauriergracht verhuisd waren. Dat gebeurde zonder enige ruchtbaarheid
en tot ongenoegen van de Gereformeerden.
Wegens plaatsgebrek had men namelijk besloten de oudere weesjongens,
de zogenoemde werkjongens, bijeen te brengen in een gebouw samen met
de schooljongens.
Dit samen wonen bleef zo door bijna drie eeuwen heen, met dien verstande,
dat met een nadrukkelijke samenvoeging van de leefwijze van werk- en
schooljongens rond 1680, steeds meer werkjongens bij pleeggezinnen of
familie buiten het weeshuis geplaatst werden. De leefwijze van de jongens
die dagelijks buiten het weeshuis in contact kwamen met de werkelijkheid
van hun bestaan, had teveel negatieve invloed op de discipline van de
andere jongens.
Het weeshuis is aan de Lauriergracht gebouwd, op de plek waar het pakhuis
Venetië en de verffabrieken De
Blauwselmolen en De Indigo's Ton stonden. Deze panden
waren eigendom van schepen De Vroede. Hier werden in 1685 door
de Gereformeerde Kerkenraad de Paapse ongeveer 130 weesjongens opnieuw
'ontdekt'. Die konden moeilijk weggestuurd worden als een lid van het
stadsbestuur zelf de panden beschikbaar stelde.
Op de plek van de drie panden aan de gracht kon het weeshuis zich rond
een binnenplaats uitbreiden, zonder dat er aan de buitenkant, behalve
een saaie muur, iets van te zien was.
Verdoolde
schapen
Na de bouw van de kapel op een verdieping bovenop die muur, waren er
drie deuren nodig. De huiskapel mag niet door de wezen gebruikt worden
omdat er een kerkscheuring gaande is. Het weeshuis komt in handen van
een Jansenistische priester.
De weeskinderen worden
als 'verdoolde schapen'
van de ene kerk naar de andere gestuurd.
Men wilde voorkomen dat 'de weeskinderen herwaarts en derwaarts ter
kerke moetende gaan, aan haarzelven en haar eigen bestiering overgelaaten
moeten worden en geene behoorlijke moreele educatie kunnen genieten'
Daarom laten de regenten op de zolder, boven de ingang, een kapel
bouwen die alleen voor het weeshuis zal zijn. Ze stellen een rekest
aan het stadsbestuur op om zelf een pastoor aan te mogen stellen. Dat
werd Joannes Andreas Offermans, een vertrouweling van Gravin
Moens.
Het zijn onrustige jaren 1788. Het was de tijd
van de inval van de Pruisische troepen en het herstel van Stadhouder
Willem V in zijn functies. Buiten de muren van het weeshuis zijn
er de tegenstellingen tussen de Patriotten en de Oranjegezinden.
meer over het Jongensweeshuis
[1685]
Hugenoten / Waalse kerk
Aan
het eind van de 17de eeuw werden de hugenoten, de Franse protestanten,
in hun land met geweld gedwongen zich tot het katholicisme te bekeren.
Ongeveer 12.000 hugenoten vluchten naar Amsterdam. Dat betekende dat
een kwart van de Amsterdammers Frans was. Er kwamen hele Franse buurten
en kroegen, en een Franse kerk. Dat was niet altijd naar de zin van
de Amsterdammers die de hugenoten die hun eigen taal bleven spreken
en schrijven en op die manier zorgen voor 'verfransing ' van de Hollandsche
woordenschat, maar wantrouwen.
Veel hugenoten trokken naar de Nederlanden, omdat ze daar met hun calvinistische
geloof de meeste aansluiting vonden. In Amsterdam was al een Franstalige
protestantse kerk, de Waalse kerk. Die was aan het eind van de 16de
eeuw gesticht, toen protestanten uit de Zuidelijke Nederlanden op de
vlucht voor de Spaanse bezetter naar Amsterdam waren gekomen.
De hugenoten gingen zich bezig houden met het drukkers- en uitgeversvak,
voornamelijk omdat die gilde vreemdelingen toeliet, maar ook omdat veel
belangrijke boeken in het Frans geschreven zijn. Amsterdam groeide uit
tot het centrum van het internationale boekenbedrijf. Drukkers leveren
goed werk tegen scherpe prijzen. Bovendien hadden boeken hier weinig
te vrezen van overheidscensuur.
Er werden boeken uitgegeven die in andere landen verboden waren. Vaklieden
uit heel Europa trokken daarom naar Amsterdam.
[1686]
De
Mozes en Aäronkerk
De Mozes en Aäronkerk, op het Waterlooplein, officieel de R.K.
kerk Sint Anthonius van Padua, is ontstaan
uit een schuilkerk. Deze werd bediend door paters Franciscanen
en was gevestigd in een huis aan de Jodenbreestraat. In 1649 werd gekerkt
in het huis "Moyses", ter hoogte van de huidige kerk.
Kort daarna werd ook het aangrenzende huis "Aäron"
aan de Houtgracht erbij getrokken. In 1686 werd een grote kerk gebouwd
die in 1759 verfraaid werd, zowel van binnen als van buiten.
Het huidige gebouw verrees tussen 1837 en 1841 in de stijl van het neoclassicisme.
Het barokke hoofdaltaar uit circa 1700 is afkomstig uit de oude
schuilkerk en bevat een schilderstuk van Jacob de Wit.
[1696]
Schoristen
/ Aanhangers van Jean de Labadie
De aanhangers van Jacobus Verschoor, de zogenoemde
Schoristen, kwamen bijeen in een huisgemeente aan de Rozengracht. Verschoor
was een voorstander van het beoefenen van wetenschap en Hebreeuws leren
inplaats alleen in de Bijbel te lezen. Dat was de reden dat hij beschuldigd
werd van Socinianismus en Spinozismus. Men vond hem wel
een voorbeeldig mens, maar beschuldigde hem wel van het strooien en
kweken van zaden van seperatisme.
Labadisten
Aanhangers van Jean de Labadie werden gesignaleerd. Dat was een
voormalige jezuiet die zich beklaagde over de heersende lauwheid, vooral
bij de middenstand, de kern des volks. Vandaar dat hij zich in zijn
preken op een eenvoudige wijze op het gevoel van zijn toehoorders richtte.
Hij eiste wel dat door regelmatige huisoefening de verslapte kerktucht
met strengheid gehandhaafd zou worden. Er kwam natuurlijk scheuring
van en hij werd uiteindelijk uit Zeeland verdreven en kwam in 1669 met
vrienden in Amsterdam aan. De staatsman van Beuningen was met
hem ingenomen en snel had hij een grote woning met een ruime zaal, die
hij nieuwe kerk noemde, een afzonderlijke gemeente van labadisten.
Er werd bij de Amsterdamse regering geklaagd en Labadie vertrok naar
Duitsland. Labadie zal altijd wel een zonderling verschijnsel in de
geschiedenis van de hervormde kerk en de broedertwisten zijn.
[1723]
Oud bisschoppelijken, de Jansenisten
Wrijvingen tussen de opvattingen van seculieren en regulieren zijn geen
uitzondering. Veel priesters uit vooraanstaande families zijn aanhanger
van Cornelius Jansenius. In Amsterdam kiezen ze op eigen houtje
Cornelis Steenoven als aartsbisschop van Utrecht.
Het Jansenisme
is een spirituele beweging die haar achterdocht jegens de wereld nog
al eens wordt ingewreven. De absolute monarchie had afgedaan en moest
plaats maken voor een meer democratische staatsvorm. In het spoor van
Augustinus wilden de jansenisten ruimte maken voor een mystieke geloofsbeleving
die het christelijk geloof met het leven verbindt. Zo zochten de jansenisten
naar een oprechte beleving van de sacramenten en dat leidde vaak tot
een zeer strakke vroomheid.
Dat was ook zo wat betreft de persoonlijke verantwoordelijkheid op het
morele vlak. Van de kerk mag de gelovige voldoende aanbod verwachten
om zich te kunnen oriënteren op de culturele en maatschappelijke
orde van alledag. De kerk moet een stimulerende rol te spelen om mensen
in staat te stellen een persoonlijke en gelovige houding ten aanzien
van een en ander te ontwikkelen.

Simon Fokke / Oude Lutherse Kerk 18 februari 1756
[1756]
Aardbeving
Op 18 februari werd in de Oude Lutherse kerk tijdens de dienst een lichte
aardschok gevoeld.
De kroonluchters slingerden aan het plafond, iedereen vluchtte weg. Was
dat de straffende hand van God? Op die dag was die schudding in heel Nederland
te voelen. Torens zwaaiden heen en weer en de klokken begonnen uit zichzelf
te luiden.

Inwijding
Russisch-orthodoxe kerk
[1764]
Russisch
Orthodoxe Kerk
Al in de achtiende eeuw krijgt de Grieks Orthodoxe Gemeenschap van de
overheid toestemming om een eigen liturgie te mogen vieren. De eerste
kerkdienst vindt plaats op de zolder van een pakhuis. De gelovigen zijn
voornamelijk Griekse en Russische zeelui. In 1764 is er een eigen kerkgebouw
gewijd aan de heilige Katarina aan de Oudezijds Voorburgwal. De schenkingen
komen van de Russische prinses Anna Paulowna. Als die sterft moet de kerk
in 1867 de deuren sluiten.
De
Amsterdamse Russisch-orthodoxe parochie is in 1974 opgericht
door Russische, Servische en Nederlandse Orthodoxe christene onder anderen
door Alewijn Voogd (vader Alexis) en zijn vrouw Tatiana. De Servische
monnik Janko is de voorganger.
Vanaf het
begin had de parochie een multicultureel karakter
en werd de eredienst in twee talen, het Kerkslavisch en Nederlands,
gehouden. Vandaag de dag heeft de parochie enkele honderden leden met
ruim twintig nationaliteiten.
Achtereenvolgens heeft de parochie ruimtes gebruikt aan de Prins Hendrikkade
bij de Nikolaaskerk, de Utrechtsedwarsstraat in de kapel van De Duif.
In 1995 brachten de parochieleden de middelen bijeen om het gebouw Emmanuel
in de Kerkstraat te kopen.
[2006]
Tichelkerk
Gebouwd als kloosterkerk van de Minderbroeders
Kapucijnen aan de Lijnbaansgracht
Ten gevolge van het teruglopende aantal broeders moest het klooster
in 2004 de deuren sluiten. De wens van de kloosterorde om de kerk voor
de christelijke eredienst te behouden werd vervuld toen met de Russisch-orthodoxe
parochie een overeenkomst kon worden gesloten.
Kerk
van de Russisch-orthodoxe parochie heilige Nikolaas van Myra
De Tichelkerk is nu de nieuwe kerk van de Russisch-orthodoxe parochie
Heilige Nikolaas van Myra heeft de Russisch-orthodoxe bisschop van
Nederland en België heeft de nieuwe kerk gewijd. Aartsbisschop
Simon [Ishoenin] voltrok de kerkwijding precies elf jaar na de wijding
van de vorige kerk van de parochie. Aan de plechtigheid namen tien priesters,
drie diakenen en enkele honderden leden en belangstellenden deel. Onder
hen waren ook vertegenwoordigers van o.a. het Bisdom Haarlem, de Minderbroeders
Kapucijnen, de Grote Nikolaaskerk, de Koptische Kerk, de Oudkatholieke
Kerk, de Raad van Kerken in Amsterdam en de Katholieke Vereniging voor
Oecumene. Bij de receptie was ook de bisschop van Haarlem, mgr Punt,
aanwezig.
In de Orthodoxe Kerk omvat de kerkwijding het oprichten van een altaar,
het zegenen van de kerkmuren met myron
[chrismaolie], het plaatsen van relieken in het altaar en het wijden
van de altaarkleden. Aangezien het altaar uit de vorige kerk was meeverhuisd,
beperkte de viering in de Tichelkerk tot het wijden van de altaarkleden
en de muren en het plaatsen van nieuwe relieken. Ook de vroegere altaarsteen
van de Tichelkerk berust onder het altaar van de kerk.
[1765]
Uilenburger
Synagoge
Aan het einde van de 17de eeuw vestigden vele joden zich op het eiland
Uilenburg, vooral de grote groep uit Duitsland, Polen, Rusland en Midden-Europa,
de asjkenazim of Hoogduitse joden, die arm en berooid in Amsterdam aankwamen.
Al op 2 september 1724 was op deze plaats een huissynagoge ingewijd.
Deze synagoge
voor de asjkenazim was oorspronkelijk vanaf de Uilenburgerstraat
bereikbaar via een gang. Pas in 1906 ontstond door de sloop van enkele
huizen het huidige voorplein.
De statige voorgevel heeft een iets vooruitspringende middenpartij met
centrale ingang met klassieke omlijsting.
Interieur na restauratie
De synagoge heeft een traditionele indeling en ruimtelijk concept.
De eigenlijke synagoge of "sjoel" bevond zich in de driebeukige
bovenruimte met houten tongewelven, gedragen door zuilen. De lange galerijen
lopen voor de vensters langs. De galerij boven het trappenhuis, achterin
de ruimte, was voor vrouwen bestemd. In de tweebeukige ruimte op de
begane grond werden twee bruiloftslokalen ingericht. Van
1791 tot 1808 was er één in gebruik als Poolse sjoel.
In 1889 werd een deel van de benedenruimte bestemd tot rituele slachtplaats
voor gevogelte.
De inventaris met hechal [arke, bewaarplaats
voor de Torarollen in mantels], teba of bima [spreekgestoelte]
en ner tamied [de eeuwige brandende lamp] is in de oorlog verloren
gegaan.
Boven de arke was de tekst geschreven: Ik stel mij de Eeuwige altijd
voor ogen.
De imposante kroonluchter is afkomstig uit de Westerkerk.
Na een restauratie in 1954 betrok een restauratieatelier
onder leiding van Hans
't Mannetje de voormalige synagoge. Het atelier was
opgericht door het Bureau Monumentenzorg, Diogenes en Stadsherstel,
en richtte zich zowel op de restauratie van materialen, de technieken
van de oude bouwambachten, als op het vervaardigen van gevelstenen.
De voormalige synagoge dient sinds 1988 als Nationaal Restauratie Centrum.
[1795]
Scheiding kerk en staat
Hoewel de Bataafse omwenteling van 1795 in Nederland geleid heeft tot
een scheiding van kerk en staat, werd niet duidelijk hoe die verhouding
feitelijk is. Zal de staat zich op geen enkele wijze met de kerk heeft
te bemoeien?
Voordien was er sprake van een bevoorrechte kerk, namelijk
de Gereformeerde- later genoemd de Hervormde Kerk. Die mogen met klokgelui
oproepen tot gebed. De kerk werd uit publieke middelen bekostigd, de
instandhouding ervan werd door de overheid gezien als openbaar belang.
Met de omwenteling van 1795 werd het beginsel van gelijkheid van de
verschillende godsdienstige gezindten aanvaard. De kerkelijke goederen
en fondsen werden nationaal verklaard. Het was de bedoeling dat na een
overgangsperiode van drie jaar de opbrengst zou worden bestemd voor
armenzorg en opvoeding.
[1796]
De
Duif
De Duifkerk is een monumentaal kerkgebouw aan de Prinsengracht nummer
756 in Amsterdam.
Het gebouw werd als Rooms-katholieke St. Willibrorduskerk gebouwd.
Op deze plaats stond vroeger de suikerfabriek Het Fortuyn. Toen
deze afbrandde, werd de nieuwe Duifkerk gebouwd ter vervanging van het
eeuwenoude schuilkerkje Het Vrededuifje aan de Kerkstraat.
De geschiedenis van haar parochie neemt haar aanvang in 1671. In dat
jaar bouwde meestertimmerman Gijsbert Pietersz. een schuilkerk
tegen de achtergevels van wat panden die hij bezat in de Kerkstraat.
Door de Alteratie in 1578, was Amsterdam veranderd in een protestantse
stad. De katholieken mochten hun geloof niet meer openlijk uitoefenen.
Pietersz. had zijn plan zorgvuldig uitgedacht. Hij bezat ook de panden
aan de Keizersgracht, waarvan de achtertuinen uitkwamen op de huisjes
aan de Kerkstraat. Hierdoor werd de schuilkerk voor buitenstaanders
aan het oog onttrokken. Een pandje in de Kerkstraat met een vredesduif
als gevelsteen verleende toegang tot de kerk die gauw bekendheid kreeg
als het Vrede-duifje. In
1795 werd met de intocht van de Franse troepen in Nederland de godsdienstvrijheid
hersteld.
Al in 1796 bouwden de Duifparochianen een kerk aan de Prinsengracht.
Het werd de eerste katholieke kerk aan de openbare weg sinds de Alteratie.
Ze werd gewijd aan de Heilige Willibrordus, maar bleef de naam Duifkerk
houden.

Willem Bilderdijk
(1756-1831)
[1815-1865]
Reveil, doleantie, afscheiding en reformatie
Letterlijk betekent Reveil ontwaken. Het was een tijd van een ronduit
krenterige diaconie, een zogenaamd 'soepcomité' van rijke mensen.
De welgestelde dames hebben niet veel omhanden
en gaan zich binnen het Reveil praktisch bezig houden met bestrijding
van alcoholisme, het stichten van tehuizen voor verwaarloosde kinderen
en ongehuwde moeders en vooral met hun eigen positie als vrouw. De zondigheid
wordt door een minder somber mensbeeld vervangen. Die geest van verlichting
stuit vanzelfsprekend op verzet in de Gereformeerde kerk en dat leidt
later tot de 'dolende kerk', de Doleantie onder leiding van van
Abraham Kuyper.
Bilderdijk
De geestelijke vader van de Reveilbeweging is Willem Bilderdijk,
maar het werd pas echt een succes toen de zondagavondbijeenkomsten bij
Isaac da Costa op de Rozengracht plaats vonden. Die bijeenkomsten
waren het begin van de Afscheiding van 1834.
Het was geen kerkelijke beweging en Reveil kwam nogal aristocratisch
over. Een 'Vergadering van Christelijke Vrienden'.
Bilderdijk was een zonderling en een genie. Hij leed aan allerlei suizingen
en pieptonen in zijn hoofd. Had veel hoofdpijn en moest door een beenvliesontsteking
in zijn jeugd tien jaar thuis zitten. Zo leerde hij zichzelf lezen en
schrijven en ontwikkelde zich later tot een groot schrijver en jurist.
Hij was Orangist in een tijd waarin het in hoge kringen niet
gebruikelijk was om prinsgezind te zijn. Hij verdedigde Kaat Mossel,
een prinsgezinde visverkoopster die openlijk voor haar oranje gevoelens
uitkwam. Biilderdijk werd verbannen toen de Fransen kwamen. Toen hij
in 1806 weer terug mocht komen kwam hij bij koning
Lodewijk Napoleon in
een goed blaadje te staan en probeerde hij hem Nederlands te leren.
Die had het vaak over zichzelf als 'Ik, uw konijn', vandaar.
Da Costa
De andere voorvechter, Isaac da Costa (1798-1860) was
een bekeerde jood uit een welgestelde bankiersfamilie. Als dichter en
historicus richtte hij het tijdschrift Nederlandsche Stemmen
op. Maar men had het niet zo op met zijn maatschappijkritiek. De politie
noteerde de namen van de bezoekers van zijn bijeenkomsten. Iedereen
mocht alles schrijven over de kerk, behalve over schuld, zonde en oproep
tot bekering. Da Costa werd in christelijke kringen gemeden alsof hij
een melaatse was.
De
Clerq
Dan was daar Willem
de Clercq (1795-1844) Ook een schrijver en
dichter. Hij was een afstammeling van een Gentse emigrantenfamilie.
Vanaf zijn vijftiende werkte hij in de graanhandel. In 1824 werd hij
secretaris van de pas gestichte Nederlandse Handelmaatschappij
en zelfs directeur van die maatschappij. Hij was doopsgezind maar werd
in 1831 lid van de Waals-Hervormde gemeente.
De Clercq medewerker van het Tijdschrift Nederlandsche
Stemmen.
Zijn invloed in de Reveilbeweging is groot geweest, vooral door
zijn bezielende persoonlijkheid.
Aanvankelijk was hij een aanhanger van een 18de-eeuws gekleurde
zedelijke braafheidreligie,
maar na zijn kennismaking met Da Costa, die leidde tot een vriendschap
voor het leven, werd hij een vurig belijder van de nieuwe ondogmatische
gevoelsreligie, die kenmerkend is voor het Reveil.
Groen van Prinsterer
De politicus Groen van Prinsterer was ook een volgeling van Bilderdijk.
Hij kwam uit een Waals-Hervormd gezin. Hij studeerde in Leiden samen
met Thorbecke en werd secretaris van het kabinet van de koning
in Brussel. Daar leerde hij de Reveil predikant J. H. Merle dAubigny
kennen.
Ondanks hun waardering er voor zijn Da Costa en Groen van Prinsterer
nooit met de Afscheiding meegegaan. Ze vonden dat de Hervormde
kerk wel ziek was, maar dat je die binnen het instituut zelf moest hervormen.
De
Afscheiding begon weliswaar in Ulrum, Friesland, maar de rechtlijnigheid
was wel aantrekkelijk voor de Amsterdamse conventikelgangers.
(Een conventikel is een bijeenkomst om geestelijke zaken uit te wisselen.)
Scholtianen
De ambten werden ingesteld en men vroeg Ds.
Hendrik Pieter Scholte
in 1835 naar Amsterdam te komen om een afgescheiden gemeente te institutioneren.
De eerste Afgescheide Gemeente was aan de Bloemgracht.
Scholte werd gevraagd omdat hij in de Jordaan geboren was en bijeenkomsten
van Da Costa aan de Rozengracht bezocht. De Clercq en Da Costa waren
niet blij met de afscheiding, maar toen de vervolgingen op grond van
een oud Napoleontisch wetsartikel begonnen,
werden ze milder.
De
Amsterdamse deurwaarder J.A. Wormser, vocht halverwege de 19e
eeuw tegen lakse, liberale en buigzame dominees, maar ook tegen strakke
rechtzinnigen. Hij ging eerst
niet mee in de afscheiding. Maar in 1836 ging de groep rond Wormser
over tot de afgescheidenen. Scholtianen werden ze genoemd. Als je als
arbeider bij de afgescheidenen ging verloor je daarmee soms je baan
en winkeliers raakten klanten kwijt. Wormser had er geen last van. Het
was een vreemde kerk waar Wormser samenkomsten hield. Het was een Vereniging
van Gelovigen, in het begin zonder naam, zonder gebouw, zonder kerkenraad,
niet bedacht maar gewoon ontstaan door het opvolgen van Gods Woord.
Wormser was ouderling en leidde diensten en studieavonden. Hij was echt
een man van het Reveil,
goed thuis in de Schrift en de belijdenisgeschriften, een christelijke
bouwer zowel kerkelijk als sociaal. De diensten werden goed bezocht.
De grote meerderheid van de afgescheidenen in Amsterdam was mystiek-bevindelijk
voor de bijbelkennis van Wormser.
Het
blad De Reformatie werd opgericht.
De afgescheiden gemeente was, bij het aantreden van de Wormsers in 1836,
ongeveer 350 zielen groot. Volgens de Hervormde kerkenraad waren het
maar 70 personen, want die gaven graag een ongunstig beeld over de afgescheidenen.
Een jaar eerder was al ten huize van makelaar Obbes, aan de Bloemstraat
129, een afgescheiden gemeente opgericht door dominee Scholte.
Zij verwierven een pakhuis de Bloemgracht om als
kerk in te richten. Er werd een groot gat in het plafond gemaakt waardoor
een ruime galerij ontstond en het preken kon beginnen.
In dit zelfde huis was dominee van Velzen geboren. Het was eigendom
van de steenrijke weduwe van Zeelt die het aan de afgescheiden gemeente
schonk. Vrouwe Johanna Judith Zeelt (1780-1864) woonde op de
buitenplaats Postwijck in Baambrugge en gaf tijdens haar leven
veel financiële steun aan de in 1834 ontstane Afscheiding. Ook
aan het Christelijk Gereformeerd Seminarium.
Alle afgescheiden predikanten preekten in de kerk op de Bloemgracht.
Soms duurde een dienst wel drie uur lang. Scholte, die voor de vuist
weg preekte, had zelfs een keer bijna 600
kerkgangers onder zijn gehoor.
Aan het
stadhuis moest gemeld worden als er kerkdiensten met 346 ingeschreven
personen gehouden zouden worden. Dan werd er werd toestemming verleend.
Dat gebeurde meerdere keren.
Godsdienstige
onverdraagzaamheid
De vrijheid in hun kerk duurde niet lang. Als men er na verloop van
tijd van afzag om de diensten steeds aan te vragen, werden de bijeenkomsten
prompt verboden als er meer dan 20 personen in het huis bijeen waren.
De politie kwam vaak langs en kerkgangers moesten, van tevoren opgehaalde,
toegangsbewijzen tonen. Soms werden de diensten wreed verstoord doordat
er stenen werden gegooid. Er raakten dikwijls kerkgangers gewond, zonder
dat de politie er iets aan deed. De kerkgangers moesten zich vaak een
weg banen door een woedende menigte wegens hun afvalligheid. Er werd
verteld dat een keer een afgescheiden meisje zelfs ontkleed was. Ook
zouden meisjes door ingekwartierde soldaten onteerd zijn, ze werden
zwanger en kregen een 'soldatenkind'.
Een G op de deurpost
Het bleek dat afgescheiden voorgangers géén
sacramenten mochten bedienen.
Dit moest dus in het geheim bij iemand thuis gebeuren. Als dat bekend
werd volgden boetes, tot wel fl.2000,- toe. Na elke boete werd er een
speciale rondgang gemaakt langs de gelovigen en iedereen tastte dan
maar weer diep in de beurs.
Er werd beweerd dat op de deurposten van de huizen van alle afgescheidenen
een grote G van Gereformeerd aangebracht
was, zodat ouderlingen die 's avonds op huisbezoek gingen langs de onverlichte
grachten de weg konden vinden.
Vroeger was dat ook gebruik in de Hervormde kerk. Zie de L van lidmaat
op de deurposten van het Rapenhofje aan de Palmgracht.
Licht
in de Jordaan
Onkerkelijk,
zo noemde Wormser activiteiten die individueel
ontsproten waren en niet uitgingen van de kerk. Hij doelde op het overigens
goede werk dat ds. Jan de Liefde deed in de Amsterdamse achterbuurten.
Het licht kwam in de Jordaan. Samen met een ouderling staat hij daar,
op een van de vele bruggetjes in de Jordaan: de Reveilprediker
Jan de Liefde. Rondom geschreeuw van de
straathandelaren en een doordringende vislucht. Verwaarloosde kinderen
rennen rond. Een beeld van grauwheid en verval.
"Hoe zouden we Christus kunnen brengen in deze duisternis?".
Dominee laat er geen gras over groeien. Hij stapt op een vrouw af die
haar viskisten aan het schoonmaken is en vraagt of hij in haar huis
bijbellezingen mag gaan houden. De volgende avond zitten in de woning
van vrouw Schouten vijf arbeidersvrouwen
en een blinde orgeldraaier te luisteren naar zijn 'preek'. Zo
begonnen in 1859 de Bijbellezingen waaruit de De Vereeniging tot
Heil des Volks ontstond.
Verbreiden van de Waarheid
Er was ook een groep, opgericht door Theodorus Matthijs Looman,
die genaamd was Vereeniging tot Verbreiding der Waarheid.
Die bestond uit hervormden die toch niet geheel
wilden breken met de kerk. Ze vatten taken op die de kerkenraad liet
liggen, zoals evangelisatie onder armen, een bibliotheek voor het gewone
volk, brei- en naaischolen voor arme meisjes en een zondagsschool.
Even was er sprake dat er samensmelting zou komen tussen deze groep
en Wormser. Maar verrassend genoeg vond Wormser deze groep te weinig
kerkelijk. Wormser had een ideaal beeld over de taak van de kerk. Hij
wilde het christelijke sociale werk vanuit de kerk als haar diaconale
en evangelisatie opdracht geleid zien. Wormser dacht in de lijn van
één grote Vaderlandse kerk.
[1886]
Doleantie
De Doleantie
onder leiding van Abraham Kuyper leidde opnieuw tot splitsing
in de hervormde geloofsrichting. De aanhangers van de Doleantie noemde
zich een 'dolende' kerk.
Het was het gevolg van de toenemende verschillen in de 19e eeuw tussen
orthodoxen en modernisten.
De deelnemers aan de Doleantie scheiden zich af en verenigen zich in
een nieuw kerkelijk verband, de Nederduitse Gereformeerde Kerken.
In 1892 verenigt deze gemeenschap zich met het grootste deel van de
uit de Afscheiding van 1834 voortgekomen Christelijk Gereformeerde Kerk
tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Zij zagen zich als de voortzetting
van de kerk die door koning Willem I de naam Nederlandse Hervormde
Kerk had gekregen, maar met de term 'dolerend' (Latijn voor 'klagend'),
omdat naar hun mening de kerkelijke organisatie een nieuwe reformatie
van de kerk in de weg stond, en omdat hen het recht werd ontzegd op
de kerkelijke goederen. Uit protest werd de Nieuwe Kerk van Amsterdam
bezet.
De Doleantie was één van de twee grote afscheidingen van
de Nederlandse Hervormde Kerk in de 19e eeuw. De andere was de Afscheiding
van 1834. De Hervormde Kerk verloor in één klap 10% van
haar leden. Door de Afscheiding was dat maar 1%.
Er wordt wel gezegd dat de Doleantie een vervolg was op het Reveil uit
de jaren dertig van de 19e eeuw.
Praktische
zaken
De
Amsterdamse Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse was uit
de Reveil beweging voortgekomen. Men probeerde krotten af te
breken en daar nieuwbouw op te plegen.
[1817]
De verdwenen Sint Catharinakerk
"Maria Hemelvaart" bijgenaamd "Geloof, Hoop en Liefde"
ofwel de "Sint-Catharinakerk" op het Singel bij de Heiligenweg.
De Sint-Catharinakerk was de derde kerk met deze naam. De eerste was
de huidige Nieuwe kerk, die in 1408 werd gesticht en toegewijd werd
aan de H. Maagd Maria en vanaf 1570 ook aan de Maagd van Alexandrie,
Sinte Catharina. In 1578 kwam deze kerk in handen van de hervormden,
net zoals de zovele andere katholieke kerken en kloosters.
In 1645 ontstond
een huiskerkje de Lely tussen de Boommarkt bij het Spui en de
N.Z. Achterburgwal.
Daar had pastoor Jacob Oly in de laatste jaren van zijn pastoraat
de katholieken tezamen gebracht in een huis achter het Begijnhof, dat
om zijn gevelsteen De Lely werd genoemd.
De kerk werd
veel te klein en raakte in het begin der 19e eeuw zwaar in verval en
men wilde op een andere plek een veel grotere en mooiere kerk te bouwen.
De in 1811 aangestelde
pastoor Gerardus Antonius van der Lugt vond een geschikte plek
op het Singel bij het Koningsplein. Op deze plaats stond de voormalige
Voetboogdoelen, die voor vele doeleinden was gebruikt, onder meer als
vergaderplaats voor de West-Indische Compagnie en als kazerne.
De Amsterdamse overheid maakt bezwaar tegen de plannen van de pastoor,
maar door de bemiddeling van Koning Willem I en vele onderhandelingen
lukt het de pastoor het gebouw te kopen voor fl.10.000,- in 5 jaarlijkse
termijnen, onder beding dat er na afbraak van het gebouw binnen 3 jaar
een kerk moest staan.
Op 23 juni
1817 werd de eerste spade in de grond gestoken en op op 9 februari 1820
met een plechtige dienst door de aartspriester J.J. Cramer ingewijd.
Vijf dagen
later werden er al 80 kinderen tot de Heilige Communie aangenomen.
Het oude kerkje
aan de Boommarkt werd in 1821 geveild en bracht nog fl.5230,- op.
De parochie St. Catharina werd in 1933 opgeheven en een jaar later werd
de inboedel geveild. Een aantal stukken gaan naar de Begijnhofkapel.
Het orgel uit 1826 gaat naar de Heilig Hartkerk in Hilversum.
Tussen 1933 en 1950
was er in Amsterdam geen St. Catharinakerk.
Er waren plannen voor de bouw ergens in een buitenwijk, maar door de
crisistijd en de 2e wereldoorlog werd pas op 14 juni 1950 de eerste
steen gelegd op de hoek van de Burg. Eliasstraat en de Burg. Vening
Meineszlaan.
De kerk is in 1993 aan de Syrisch Orthodoxen verkocht en heet
nu St. Sharbil.
Dat is het einde van een Sint Catharinakerk, die vanaf 1408 verbonden
was met de stad.

Apostolische
Zendingskerk op de Bloemgracht
[1825]
Apostolische
gemeente
Op de Bloemgracht 96-100 staat het gebouw van
de Apostolische Zendings Kerk, stam Juda.
De kerk kwam op de plaats van Pakhuis Aken. De kerkgangers noemden
het graag een preekschuur om te benadrukken dat men voor de eredienst
niet meer nodig had dan een ruimte, een kansel en een doopfont. Als
Christelijk Gereformeerde Schipperskerk was het voor preekdiensten gericht
op de vele beurtschippers die Amsterdam aandeden. De Hersteld Apostolischen
verwijzen naar de eerste Kerk die door de Apostelen is gesticht nadat
de Heilige Geest was uitgestort.
Tot de zogenoemde 'doleantie' in 1892 was de kerk Nederduits
Gereformeerd. dr. Abraham Kuyper preekte er regelmatig.
In 1926 werd het gebouw verbouwd voor de huidige kerkgemeente. De bouwstijl
wordt tot de zogenoemde Willem II gotiek gerekend.
[1847]
Vereeniging tot verbreiding der waarheid
De orthodox protestantse levenswijze was een belangrijk punt
voor de bewaarschool van de Vereeniging ter Verbreiding van de Waarheid
in de Elandstraat. Oprichter ervan is de Godsdienstonderwijzer T.M.
Looman, bijgenaamd 'dominee scheefnekje'. Die wilde graag dat de
kinderen de zuivere waarheid uit den Bijbel leerden kennen. In tegenstelling
tot de bewaarscholen die door de stichting tot Heil des Volks
voor de arme kinderen in de Jordaan opgericht werden, was deze bedoeld
voor de gegoede burgers. In vergelijking met de Matressenschooltjes
hadden de bewaarscholen betere lokalen met goede hygiëne en meestal
ook goed opgeleide leidsters. Toch zaten de kinderen met velen in een
klas samengeperst. Het gebouw had zalen voor naai- en breilessen. Op
zolder werd schrijf- lees en tekenonderwijs gegeven. Er was een goede
bibliotheek en een grote zaal met een orgel en glas in lood ramen.
[1849]
Inrichting voor Havelooze Kinderen
De Eben Haëzerschool in de Bloemstraat was bedoeld voor
haveloze kinderen die in grote armoede leefden en nooit enig onderwijs
hadden ontvangen. Haveloos is een benaming voor mensen zonder bezit,
maar ook voor armoedig en slordig gekleed.
De kinderen kregen op school vaak nieuwe kleding. Het gebeurde nogal
eens dat het kind de volgende dag weer in z'n oude kloffie kwam omdat
de nieuwe kleding naar de pandjesbaas was gebracht. Regelmatig werd
er een kind uit de klas gehaald vanwege luizen. De jongens kwamen dan
kaalgeschoren terug. Een meisje kreeg een verband om haar hoofd waar
het een of ander goedje gesmeerd was om de luizen te doden. Zo'n verband
noemde men 'pedikelkap' of luizenkap.
Een bekend schrijver, dichter en verzetsman, H.M. van Randwijk
is eveneens onderwijzer op de school geweest. De ellende van de crisis
greep Van Randwijk aan. Hierover schreef hij in 1936 het boek Burgers
in Nood. Door dit boek had hij moeite een betrekking als onderwijzer
te vinden. Voor de 'rooie' van Randwijk was geen plaats op christelijke
scholen. Met hulp van Ds. J.J. Buskes kreeg hij in 1937 werk
op de Eben Haëzerschool.
> lees hier meer over deze
school
[1848]
Vincentiusvereniging
De Bijzondere Raad van Amsterdam van de Vereeniging van den H. Vincentius
van Paulo legde zich toe op de liefdewerken.
Er waren St.Vincentiusscholen, eerst waren die uitsluitend bestemd voor
behoeftige kinderen, later kwamen er op aandrang van goede katholieke
burgers ook Vincentius 'burgerscholen'.
Gaarkeuken
Het liefdewerk De Spijskokerij was vooral gericht op 'de bezochte
gezinnen' en andere armen, die in de winter gratis tweemaal per week
een warmen maaltijd kunnen krijgen. Door drie spijskokerijen wordt voorzien
in de behoefte aan warme, voedzame spijs, die door middel van bonnen,
aan de behoeftigen wordt verstrekt. Deze bonnen werden aan de gegoede
burgerij beschikbaar gesteld, die ze dan kunnen uitdelen aan wie zij
het goed vinden. Iedere portie gekookte spijs is één liter.
Andere vormen van
liefdewerk zijn het verzorgen van verlaten en verwaarloosde kinderen,
die al dan niet met de tuchtrechter in aanraking zijn geweest enhet
verstrekken van kindervoeding.
Het huisbezoek der armen zelf behoorde tot de taak van de deelnemende
conferenties, die door de Bijzondere Raad, zo nodig, financieel gesteund
werden. Er is ook gezorgd voor het inrichten van stichtelijke bibliotheken.
Armenschool
Theo
Thijssen schreef in zijn dagboek van 13 augustus 1921
k
Loop door de Nieuwe Leliestraat in Amsterdam. Een oude Jordaanstraat.
Dichtbij het eind is een schoolpoort die ik me uit mijn jongenstijd
nog herinner. St. Vincentius Armen-School stond er
indertijd boven die poort, in stenen letters. En de kinderen die ik
door die poort zag gaan, waren voor mij toppunten van schooierachtigheid.
Ik raak aan t nadenken: wat n brutale wreedheid toch, wat
n ongeneerdheid , om het zo in stenen letters te zetten: Armen-school.
Om hele geslachten kinderen dát aan te doen, ze onder die letters
elke dag te laten doorgaan
Daar is de poort; daar zijn weer de stenen letters
Maar wat zie
ik? Het woordje Armen is weggehakt.
De open plek is er nog en daarop staat nog de moet en heel
flauw is zo nog te zien wat er vroeger zo brutaal stond. Een klein beetje
schijnt de wereld toch wel vooruit te gaan, denk ik onder t verder
lopen:
men gaat zich schamen voor sommige ongerechtigheden tegenover het kind.
Het Aloysiusgesticht
in de Elandsstraat
en de binnenplaats ervan.
Het
gebouw van het Aloysiusgesticht bestaat niet meer.
Er is een modern Regionaal
Opleidings Centrum (ROC) voor koks voor in de
plaats gekomen.
[1851]
Het Aloysiusgesticht
Eind 1846 is een inrichting voor arme en verwaarloosde kinderen in de
Elandsstraat gesticht.
Het gebouw was een voormalige suikerfabriek, zoals er zo veel in deze
buurt stonden. Het was geschonken door regent Van Cranenburgh aan de Heerenvereeniging
van Weldadigheid.
Helaas ontbrak het geld voor inrichting en voor de verzorging van de kinderen
was nauwelijks geld.
Op een onduidelijke manier werd één van de Broeders van
Maastricht van het jongensweeshuis erbij betrokken. Totdat pastoor Hesseveld
directeur werd speelden de broeders er de baas en bepaalden het 'geregeld
conventsleven'. Omdat Hesseveld veel wereldse contacten had kwam daar
weinig van terecht.
[1845-1900]
De Broeders van Maastricht
vestigen zich in Amsterdam
De regenten vragen een jonge congregatie van Broeders te Maastricht
een aantal broeders ter beschikking te stellen voor de dagelijkse zorg
van de weesjongens. De gedachte is dat geestelijken niet betaald hoeven
te worden, hoewel ze wel fl.100,- per jaar toegeschoven kregen. Maar
ze mogen beslist geen onderwijs geven, vonden de regenten.
De congregatie stuurde twee broeders en 5 novicen om deze taak op zich
te nemen. Die vormden een apart en geheimzinnig groepje binnen het jongensweeshuis.
De broeders zorgden ervoor dat de devotie ook buiten de plichtmatige
mis in de kapel merkbaar was. Ze waren ingetogen, maar deelden af en
toe wel een doffe klap uit. Overigens was er wel degelijk sprake van
religieuze beïnvloeding want 19 weesjongens traden in bij de congregatie.
Wie is de baas
De broeders noemden het weeshuis bij hun intrede op 10 april 1845 het
H. Hieronymus Emilianisgesticht. Ze wilden kennelijk de macht overnemen.
De broederoverste had een lijst van eisen die aan de directie voorgelegd
werd. De directeur mocht niet getrouwd zijn en er geen dienstmaagd op
na houden. Zonder toestemming van de broederoverste mocht het bestuur
zich niet met de kinderen bemoeien, hen geen straffen opleggen of vrijheden
toestaan. Het familiebezoek moest beperkt worden en het beheer van de
keuken zou een zaak van de broeders zijn.
Hoewel de
broeders, meestal van eenvoudige komaf, het niet zo goed met de hoge
heren regenten konden vinden ontstond op den duur toch een vorm van
tevredenheid over hun inzet.
Aframmelingen en publiekelijke lijfstraffen werden afgeschaft maar het
cachot en het blok bleven.Er waren jongens die de broeders niet vertrouwden
en er waren er die zo opstandig werden dat ze de broeders met een schaar
aanvielen. Jongens die zich niet aan de tucht van de broeders wilden
onderwerpen werden 'wegens uitbreidend kwaad en onzedelijk gedrag'
naar Veenhuizen, en later naar Frederiksoord, uitgezet. Dat gebeurde
tussen 1845 en 1880 zo'n 51 keer!

Moeder Theresia, geboren als Marietje Stroot
/
Het kloostercomplex de Voorzienigheid aan de Lauriergracht
[1852]
Klooster
de Voorzienigheid
De
congregatie 'De arme zusters van de Voorzienigheid'
en het klooster zijn gesticht door pastoor
P.Hesseveld en Moeder Theresia als een tehuis voor verwaarloosde
meisjes beneden 12 jaar.
Het klooster is in 1856 gebouwd op de plaats waar eerst de uitspanning
'De Fransche Tuin' was. Deze uitspanning was van de in 1697 gevluchte
Hugenoot Benjamin Couturier. Het omvatte een complex tussen de
Elandstraat, de Konijnenstraat en de Lauriergracht. Dat werd later Het
Jordaans Vaticaan genoemd.
Behalve een klooster voor de zusters was er ook een Normaalschool [1897]
voor kwekelingen in het Lager Onderwijs, een Weeshuis voor kleuters,
de Mariaschool [1863] en de St. Jozefschool voor meisjes
uit de burgerstand aan verbonden.
De zusters hielden zich sinds 1858 bezig met
een hostiebakkerij. Dat ging in het begin allemaal met de hand. Van
het malen van het meel, het bakken op een kolenvuur, het uitsteken van
de vormen. Later werd het een gemechaniseerde industrie die per week
600.000 hosties voor 300 kerken bakte.
Tijdens de oorlog werd het hostieafval verwerkt in het voedsel van de
wezen in het Jongensweeshuis.
Eer
en deugd
De Arme zusters van het Goddelijk Kind nemen in 1900 de zorg
voor de weesjongens van de
Broeders van Maastricht over. De
broeders vertrekken in burgerkleding met de noorderzon terug
naar Maastricht. De zusters zijn in het geheel
niet voor het werk met weesjongens opgeleid.
De hardvochtige en onpersoonlijke benadering van de jongens paste wel
in het katholieke patroon maar was verre van 'Goddelijk'. De zusters
hebben een streng regime. Het troosten van jongens was er niet bij.
De zakken van de jongens worden dichtgenaaid. Ze moeten met hun zwembroek
aan onder de douche. De zusters hebben zelf geen idee hoe ze seksualiteit
moesten benaderen. Denken aan onkuisheid was voor hen al onkuis op zichzelf.
Daar tegenover proberen de zusters met een St. Nicolaasfeest, uitstapjes
en zelfs een vakantie in een vakantiekolonie in Dieren een beter opvoedingsklimaat
te scheppen. Ze richten in het weeshuis zelfs een 'Vereniging voor Eer
en Deugd op.
Het katholieke fundament brokkelt af
Het aantal weesjongens bleef na het begin van de 20e eeuw zodanig slinken,
dat het karakter van het huis moest gaan veranderen. Het aantal der
voogdijkinderen werd voortdurend groter en wanneer men na 1957 eraan
gaat denken de oudbouw aan de Lauriergracht te verlaten, is de naam
Jongensweeshuis zo goed als verdwenen. De officiële naam is dan
Kindertehuis Amstelstad.
In
de buitenwereld is men ervan overtuigd dat het geloof een persoonlijke
aangelegenheid was, maar daar was men het binnen Amstelstad niet mee
eens. De meeste kinderen wisten niets van godsdienst af maar volgens
de papieren waren ze katholiek gedoopt dus werden ze onderworpen aan
de strenge rituelen van de Rooms Katholieke Kerk.
Toen de nonnen in 1960 vertrokken kwam daar min of meer een einde aan.
Men was nog wel katholiek maar legde dit er niet te dik bovenop.
>lees meer over het klooster
en het Jongensweeshuis
[1870]
Posthoornkerk
Parochie van Onze Lieve Vrouw Onbevlekte Ontvangenis.
De Posthoorn was
oorspronkelijk een Rooms Katholieke schuilkerk, gevestigd in het achterhuis
van Prinsengracht 7. Er zijn bronnen die aangeven dat de Augusteinen
al in 1620 in een pand, Het Friese Wapen, ergens tussen de Eenhoornssluis
en de Brouwersstraat een kerk hadden.
Mogelijk was dat pater Johannes van den Brande, uit het convent
van de Augustijner monniken in 't Land van Luyck' aan de wieg van de
Posthoorn gestaan heeft. Hij woonde bij een 'snijder op de Prinsegraft
omtrent de Westerkerk'. In Rome was bekend dat Johannes Brantius
sinds 1623 in Amsterdam werkzaam was. Hij had ruimte in zijn huis voor
kerkdiensten met zo'n driehonderd mensen. En verder dat hij het als
oude man moeilijk had door de vervolging en door de heersende pest.
Over de zielzorg van pater van den Brande is niet veel bekend. De groeiende
toeloop van gelovigen naar deze augustijnen statie is af te lezen aan
de groei van het aantal porties levensmiddelen voor de armenbedeling
en het aantal doopsels.
Ook de tijdelijke sluiting van de nabijgelegen kapel de Zaaier
was van invloed op de toeloop.
De parochianen werden wel gewaarschuwd voor de invloed van de jansenistisch
gezinde herders.
De burgemeesters beschermden in die tijd de jansenisten ten koste van
de roomsen, ze hadden niets op met die augustijnen van De Posthoorn.
Rond 1687 verhuisde
de kerk naar de Prinsengracht. Dat was de voormalige behuizing van de
postkoets naar Haarlem. Hiervan is nog steeds een Posthoorn in de gevel
te zien boven de oorspronkelijke toegang tot het schuilkerkje, het poortje
van de Posthoorngang aan de Brouwersgracht tussen de nummers 81 en 89.
Uiteindelijk kon men als Rooms Katholiek openlijk kerken en werd in
1861 aan de Haarlemmer Houttuinen de Posthoornkerk als opvolger van
het schuilkerkje in gebruik genomen.
Op een lijst van Paepsche vergaderplaatsen in Amsterdam, opgesteld
door predikanten en ouderlingen van de Gereformeerde kerk, was op de
Heeregraft bij het Westindische huis een grote vergadering gehouden
en is op instrumenten gespeeld waar veel volk op af komt.
Pastoor Arnoldus
Steinbach zag hoe de nabijgelegen schuilkerk de Zaaier door een
imposant kerkgebouw werd vervangen. Hij deed er alles aan om ook een
nieuwe Posthoorn te bouwen.
Op 10 september 1863 kon de kerk, de eerste schepping van architect
Cuypers in Amsterdam, door de bisschop van Haarlem, mgr. G.P.
Wilmer, worden geconsacreerd. Zij bleef onder haar roepnaam de Posthoorn
bekend, maar haar titel was: 'Onze Lieve Vrouw van Onbevlekte Ontvangenis'
Het werd de grootste kerk van het bisdom Haarlem wat betreft het zielenaantal.
Het kerkbestuur
vond dat men voor een zo grote parochiegemeenschap als de Posthoorn,
met enkele duizenden kinderen, over eigen onderwijsinrichtingen moest
kunnen beschikken. De zusters Franciscanessen van Roosendaal
waren bereid de leiding over de meisjesscholen op zich te nemen. Sinds
de Posthoorn eenmaal tot parochiekerk was verheven en haar levensvatbaarheid
terugkreeg, hebben ook de parochianen zich niet onbetuigd gelaten.Ze
maakter er een prachtige kerk van met eenr stijlvolle aankleding en
een keur van kostbare paramenten..
Na het herstel
van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 kon de katholieke gemeenschap
van de Haarlemmerbuurt met een zelfgebouwde kerk weer tevoorschijn komen.
De roomse emancipatie kwam verder nog op gang door het stichten van
een grote scholengemeenschap onder leiding van vrouwelijke en mannelijke
religieuzen. Er ontwikkelde zich een volledig parochieleven, compleet
met kloostertjes, in de dichtbevolkte buurt. Omdat de bevolking van
Amsterdam zich verder uitbreidde, was tot tweemaal toe de stichting
van een nieuwe parochie gedeeltelijk binnen de grenzen van de parochie
noodzakelijk, de Magdalena in 1889 en de Tichelkerk in 1951.
Na de Tweede Wereldoorlog ging de ontvolking van de binnenstad een steeds
grotere rol spelen. Het kerkbezoek loopt terug en het in stand houden
verschillende parochies in de binnenstad is een onzekere zaak. Het onderhoud
van het kerkgebouw werd intussen verwaarloosd.
Op 20 april 1971 werd de parochie De Posthoorn door de bisschop van
Haarlem officieel opgeheven en de zogenoemde 'City kerk' neemt
de zaak over. Wat doen met al die verwaarloosde en bouwvallige kerkgebouwen?
De bouwheren van
de Posthoornkerk, de pastoors IJzermans en Jansen, zouden
het onmogelijk hebben kunnen geloven dat de hoogeerwaarde deken van
Amsterdam later, in 1976, zou adviseren de Posthoornkerk te verbouwen
tot een mohammedaans bedehuis, een moskee en dat enkele jaren later
toestemming gegeven wordt tot sloop van de tot monument geworden kerk.
Het door de ontkerkelijking in onbruik geraakte bedehuis dreigde gesloopt
te worden, maar in 1986 werd dit dankzij een plan van Stichting de Posthoornkerk
voorkomen. De kleurrijke kerk werd in 1988-1989 gerestaureerd en wordt
verhuurd als kantoorruimte én als plek voor lezingen, recepties
en diners. De kerk is ook zeer geschikt voor theater of culturele presentaties
en voor het geven van concerten. Een protestbijeenkomst of een hoorzitting
over de afbraak van de Haarlemmer Houttuinen vond vanzelfsprekend daar
plaats.
[1879]
De Vrije Gemeente
Oorsprokelijk een modern-theologische geloofsgemeenschap, die in 1877
ontstond toen de broers Hugenholtz uit de Nederlandse Hervormde
Kerk traden en een eigen gemeente begonnen.
De oprichting van De Vrije Gemeente week af van de trend in die jaren
dat vrijzinnige predikanten en gemeenteleden zich aansloten bij de Remonstranten
of de Doopsgezinden. Doordat de gebroeders Hugenholtz grote nadruk legden
op de vrijheid van de geloofsbeleving wilden zij zich niet aan kerkelijke
dogma's te binden. De Vrije Gemeente beschouwt zich tegenwoordig als
een universeel religieus-humanistische vereniging. Zij heeft grote belangstelling
voor spiritualiteit en mystiek, en zoekt hierbij haar inspiratie uitdrukkelijk
ook buiten de christelijke traditie.
De kerk aan de Weteringschans is nu het cultureel centrum en poppodium
Paradiso, waar vele beroemde muzikanten hun carrière begonnen.
[1855]
Licht in de Jordaan
Ds. Jan de Liefde, oprichter van Tot Heil des Volks, had
het volk lief. Hij zag de bittere armoe, dronkenschap en hier en daar
kinderen die slechts op handen en voeten konden lopen.
Zo was dat in de Jordaan. Hier huisden de armen en verminkten en kreupelen
en blinden uit Lukas 14. De kerk en het christelijk geloof, hadden hun
invloed op de bevolking verloren.
Socialisme en anarchisme vonden breed weerklank bij de arbeiders. Daar
moest iets aan gedaan worden vond de dominee.
Eerst bijbellezingen
Dominee stapt op een goede dag naar op een vrouw af die op straat haar
viskisten aan het schoonmaken is en vraagt haar of hij in haar huis
bijbellezingen mag gaan houden. Ze heeft er geen bezwaar tegen. De volgende
avond zitten in de woning van vrouw Schouten vijf arbeidersvrouwen
en een blinde orgeldraaier onder zijn gehoor.
De eerste activiteit is het stichten van een bewaarschool aan de Willemsstraat
in het hart van de Jordaan. De school is bedoeld voor haveloze kinderen
die in grote armoede leefden en nooit enig onderwijs hadden ontvangen.
Zij kregen les, maar ook kleren, eten en een bad.
Er kwamen zondagsscholen, kinderkerken, naai- en breischolen, jongerenclubs.
Iedere vereniging had een eigen 'territorium' en de karakters waren
zeer verschillend.
Hoewel de gebiedsafbakening al gauw in betekenis afnam, bleef de onderlinge
samenwerking minimaal.

Koning
Willemshuis, Egelantiersstraat / Handenarbeidlessen
[1862]
Het
Koning Willemshuis
Armoede werd
in de negentiende eeuw gezien als een opvoedingsprobleem. Als het volk
deugden als arbeidzaam, zuinigheid, netheid en huiselijkheid zou worden
bijgebracht, zouden de misstanden vanzelf verdwijnen. Kinderen
werden in het Koning Willemshuis bezig gehouden met handvaardigheid.
De jongens tekenden, de meisjes handwerkten.
Het huis werd in 1864 geopend op initiatief van de hervormde predikant,
ds.
C.S. Adama van Scheltema, die een der eersten
was die de 'geestelijke sanering van de Jordaan' in daden omzette.
Hij hield, in een achterkamer aan de Tuinstraat, bijbellezingen voor
de arme bevolking. Hij wist veel Jordaners zover te krijgen dat zij
hun avonden doorbrachten in het Willemshuis in plaats van in de kroeg.
Ook organiseerde hij volwassenenonderwijs om het analfabetisme te bestrijden.
Bovendien zorgde hij er voor dat de Jordaan eindelijk werd aangesloten
op het waterleidingnet.
Adama van Scheltema wordt wel 'liederenkoning' genoemd. Behalve de liederen
die hij in het Nederlands vertaalde, was hij een van de domineedichters.
Maar het Koning Willemshuis bleef toch de plaats waar alle draden samen
kwamen.
Wat betreft de rijken, streed Adama van Scheltema er onophoudelijk voor
hun ogen én beurzen te openen voor de noden van de armen.
De eerste steen voor het gebouw werd gelegd door
mr. J. Messchert van Vollenhoven, burgemeester van Amsterdam,
namens Z.M. Koning Willem III. Dit gebeurde op de gedenkdag van
Nederlands verlossing van de Fransen, 17 november 1863. Vandaar de naam
Koning Willemshuis, naar de drie vorsten van Oranje die het land de
afgelopen halve eeuw in vrijheid hadden geregeerd.
Geheelonthouders
Een groot probleem was de verhouding tussen het bestuur der vereniging
Koning Willemshuis en het Christelijk Geheelonthouders Verbond, gevestigd
in het Koning Willemshuis. Het Verbond beschouwde zich als de ware erfgenaam
van de geestelijke nalatenschap van Adama van Scheltema.
De Eerste Wereldoorlog deed de vereniging geen
goed. De activiteiten leden onder mobilisatie, brandstoffenschaarste
en half licht. De
vereniging werd aan de rand van de afgrond gebracht omdat die zich niet,
zoals Ons Huis, op Volksontwikkeling gericht heeft in plaats al te veel
op de allerlaagste klasse, de zwervers en daklozen.
Kleuterschool
Een van de weinige takken die het steeds goed gedaan had was de kleuterschool.
Het gebouw Egelantierstraat 145 was eind jaren '20 zeer verouderd. In
1930 werd de nieuwe school opgeleverd, op nrs.147-149.Maar in 1937 kwam
een nieuw dieptepunt en moest de exploitatie in handen van de vereniging
Eben Haëzer gegeven worden.
De vereniging zit financieel in 1956 totaal aan de grond, opheffing
wordt overwogen.
Het jeugdwerk moest worden opgegeven. Verkrotte woonhuizen in het bezit
der vereniging werden verkocht, evenals de oudste twee verenigingsgebouwen,
de voormalige Prinses Wilhelmina Volksbewaarschool, Egelantiersstraat
145 en het hoofdgebouw, Egelantiersstraat 141-143.Wat
bleef was een goedlopende bejaardensociëteit in de Egelantiersstraat
147-149.
In 1972 werd het vakantiehuis op Terschelling verkocht.
Meer over dominee Adama van Scheltema en het Koning Willemshuis
Simon
de Looier / Looiersgracht 70-72
[1894]
Evangelisatiepost
Simon de Looier
Vanaf 1894 was het
gebouw van Simon de Looier de kerk van de Oud-Gereformeerde Gemeente,
die zich in 1922 aansloot bij de Christelijke Gereformeerde Kerk van Amsterdam.
Dit genootschap bezat ook het kerkgebouw Eben Haëzer aan de
Lauriergracht 132, dat in 1893 is gebouwd in de zogenoemde 'Willem II
gotiek', en werd 'De Buffel' genoemd.
Die stijl is in veel kerkgebouwen, die in het begin 'preekschuren' genoemd
werden, terug te vinden.
De kerk aan de Looiersgracht was oorspronkelijk als pakhuis voor marmeren
Belgische schoorsteenmantels gebouwd. Er zou ook een fabriek van brandspuiten
in komen.In ieder geval liet de kerkenraad van de Oud Gereformeerde kerk
de gevel in 1894 verbouwen in de stijl zoals die er nu uit ziet, en werd
het gebouw als kerk ingweid. Als gevolg van splitsingen en strubbelingen
werd het gebouw in 1925 aan de firma Zürcher verkocht die
op nr. 68 een Cartonnage en Reclamekaarten fabriek had.
Toen de Gereformeerde Gemeente een nieuw gebouw zocht, kwam er een Amsterdamse
volksvrouw vertellen 'jullie kenne het kerkie terug krijgen'.
En zo kwamen ze door terugkoop van Zürcher in 1933 weer
in
het bezit van het gebouw.
In 1972 wordt er brand gesticht. De kerk blijft gespaard, maar het archief
brandt volledig uit. De brandstichter probeert ook drukkerij Cloeck &
Moedigh aan de Lijnbaansgracht aan te steken.
Er is nu sinds 1994 een Bijbelcentrum en evangelisatiepost Simon de
Looier van de Gereformeerde Gemeenten gevestigd.
Sinds 1999 worden er ook weer kerkdiensten gehouden. Na een verbouwing
in 2012 is het behalve mee te doen aan bijbelcursussen en kinderclubs
ook mogelijk deel te nemen aan 'open maaltijden' op donderdagavond.
[1840]
De
Vereniging tot Weldadigheid van den Allerheiligsten Verlosser
Koning Willem II
zorgde er voor dat een nieuwe tijd voor katholiek Nederland kon aanbreken.
Maar zijn eerste maatregelen riepen veel antikatholieke reacties op.
De katholieke emancipatiestrijd leverde 'De Vereniging tot Weldadigheid
van den Allerheiligsten Verlosser' op.
Een jonge arts J.W.Cramer en zijn vriend J.A.Alberdingk Thijm
maakten een plan voor een nieuwe katholieke maatschappij. In ongeveer
dezelfde tijd ontwierp ook de jezuïet Arnoldus Frentrop
een plan voor een vereniging, die zich zogenaamd aan liefdadigheid zou
wijden, maar in werkelijkheid bestemd was om aan de emancipatie van
het katholiek volksdeel te werken. Cramer en Frentrop troffen elkaar
in de biechtstoel en besloten samen te gaan werken. Zij polsten vervolgens
enkele bekende katholieken, en op 19 november 1841 was de eerste bijeenkomst
met de eerste financiën, fl.325, in kas. Er kwam een uitgebreide
directie, vanzelfsprekend met pater Frentrop voorop.
Liefdadigheid?
Tien dames moesten de zorg voor een paar arme gezinnen op zich te nemen.
Het moest duidelijk om liefdadigheid gaan. Onder toeziend oog van pater
Frentrop zouden zij aan die armen, zo mogelijk, werk verschaffen, aalmoezen
uitreiken en in geval van ziekte geneeskundige hulp verlenen. Op 5 september
1843 keuren de heren- bestuurders een reglement voor de dames-bestuurderessen
goed met de opmerkelijke bepaling: 'Tot bestuurderessen zullen slechts
die dames worden gekozen, die, tot den deftigen stand behoorende, óf
gehuwd, óf weduwen zijn, óf tenminste haar veertigste
levensjaar bereikt hebben'.
De economische omstandigheden waren dieptreurig en het pauperisme
nam onheilspellende vormen aan. Aan doelen voor liefdadigheid geen gebrek.
In nog geen tien jaar tijd werd het aantal bedeelden meer dan verdubbeld.
Omdat het een beetje vreemd was alles aan dames over te laten begon
Frentrop een Heerenvereeniging ten behoeve van een katholieke associatie,
dat wil zeggen dat katholieken gelijkgesteld werden met niet-katholieken.
Maar de andere heren wilden het bij liefdadigheid houden. Zo ontstond
in 1846 het St. Aloysiusgesticht. Een toevluchtsoord voor arme jongens.
Verder kwam er een volksbibliotheek.
De heren kregen het ook met de dames aan de stok, de geestelijken wilden
een duidelijke vinger in de pap hebben.
Leerscholen
De eerste 'school', de bewaarschool op de Anjeliersgracht (Westerstraat)
voor katholieke arme kinderen, kwam in 1845. Er was geprobeerd aan te
sluiten bij de bestaande bewaarschool op de Elandsgracht maar dat lukte
niet. Twee jaar later was er al een tweede bewaarschool in de Looiersstraat.
De 'Vereeniging van jongejuffrouwen voor de bewaar-scholen' moest
voor de kwaliteit zorgen. Het onderwijzend personeel moest natuurlijk
uit religieuzen bestaan. De congregatie van de Zusters van Liefde
te Tilburg was de eerste. Nergens was sprake van 'kloosterlingen'
of 'zusters' want de regering van Willem I erkende geen kloosters en
verbood novicen aan te nemen.
Zoals ook de regenten van het St. Bernardus-gesticht gedaan hadden,
verbond de Vereniging een leerschool aan haar bewaarscholen. In 1847
kwam de eerste zuster-onderwijzeres in Amsterdam aan. Met haar komst
was gelijk ook de opening van de eerste leerschool een feit.
Bij het stichten van leerscholen bleek dat het moeilijk was toestemming
van de overheid te krijgen.
De schoolwet van 1806 had dit aan de willekeur der autoriteiten overgelaten.
Er waren al jongensscholen van de Vincentiusvereniging, dus de Vereniging
begon voornamelijk meisjesscholen. Pas in 1851 kwam er een jongensschool.
Met de nieuwe schoolwet van 1857 konden bijzondere scholen gesticht
worden maar die waren een 'een kweekplaats van een modern, ondogmatisch
en vrijzinnig christendom'. Voor katholieke kinderen dus ten enen
male ongeschikt.
[1887]
Een Rooms-katholieke kerk in de Binnenstad
De kerk, officieel de H. Nicolaas binnen de Veste, is gebouwd
tssen 1884-1887
De Sint-Nicolaaskerk is de tweede kerk van die naam in Amsterdam. De
eerste, de huidige Oude Kerk, is tijdens de Alteratie in 1578 door de
gereformeerden van de rooms-katholieken afgepakt.
De pastoors trokken rond in de stad en de katholieken moesten hun diensten
in het geheim de zolders van rijkere huizen houden.
In het begin van de 17e eeuw was er behoefte aan wat vastere bedeplaatsen
en zo ontstonden langzaam aan de schuilkerken. Een van die schuilkerken
was het hoekhuis aan de Oude Zijds Voorburgwal en Heintje Hoeksteeg.
Tot 1611 was dit huis in het bezit van de protestantse Roetert Ernst,
schepen van Amsterdam. Beneden woonde een soort herbergier, de katholiek
Hartman met zijn huishoudster.
Pastoor Sixtius en zijn kapelaan Jacob Vlieger vierden
in het huis van Hartman van tijd tot tijd de Eucharistie en dienden
er de sacramenten toe. Er werd pas iets verbouwd toen er een wat groter
verdraagzaamheid ten opzichte van de katholieken ontstond in de stad.
Maar die verdraagzaamheid kostte altijd geld. Pastoor Sixtius woonde
in het Begijnhof omdat hij daar meer vrijheid had.
Alle priesters werden pastoor van de Statie 't Hert genoemd,
omdat dit schuilkerkje St.Nicolaas tot patroon had en als zodanig beschouwd
werd opvolgster te zijn van de middeleeuwse parochiekerk.
De gehele Oude Zijde behoorde nog altijd tot de St.Nicolaas, hoewel
er vele zolderkerkjes waren, elke met een eigen priester als pastoor.
Pas in 1675 komt er een pastoor wonen bij het kerkje in de Heintje Hoeksteeg.
Dat was Willem Schoen, de eerste die zich echt als pastoor van
de statie beschouwt en niet meer als de 'pastoor van de Oude Zijde',
zoals zijn voorgangers.
Naar
de Prins Hendrikkade
Het oude zolderkerkje voldeed al lang niet meer aan de eisen en men
ging op zoek naar mogelijkheden voor nieuwbouw. Na het herstel van de
Nederlandse Hiërarchie in 1853 kwamen de bisschoppen al
vrij snel met een officiële parochie indeling, ieder met een eigen
kerkbestuur. Zo voegden zij de vroegere staties van de H. Nicolaas en
van de H. Anna samen tot één parochie. Einde 1863 kocht
het kerkbestuur een perceel aan de Slijpsteenen. Het pand werd verbouwd
en voorlopig verhuurd. Elf jaar late, in 1874, werd een tweede perceel
en een derde in de Oude Teertuinen gekocht. Pas in 1881 had men de beschikking
over voldoende grond om een kerk van formaat te kunnen bouwen. Architect
Bleijs maakte de tekeningen en de bouw werd aanbesteed voor fl.
284.000.- In de avond van 30 maart 1887 werd het H.Sacrament van het
oude schuilkerkje overgebracht naar de nieuwe St.Nicolaaskerk. Het oude
gebouw ging over aan de vereniging De Amstelkring, die het inrichtte
tot museum onder de bekende naam: 'Onze Lieve Heer op Solder'.
Restauraties
Tussen 1966 en 1973 werden bij de restauratie de ramen in de koepel
zijn dichtgemetseld en de glazen binnenkoepel verwijderd. Dit was nodig
om verder verval en mogelijke instorting te voorkomen. Een grootscheepse
restauratie vond plaats in de jaren 1997-2001. Het het exterieur en
het interieur werd grondig onder handen genomen. De koepel werd weer
geheel hersteld waardoor het daglicht weer terugkwam in de kerk. Ook
de wandschilderingen, die in deze kerk volledig bewaard zijn gebleven
zijn geheel gerestaureerd.
Basiliek
Tijdens het 125 jarig bestaan wordt de St.Nicolaaskerk door de Paus
verheven tot basilica minor, ofwel basiliek. De feitelijke
verheffing is op 8 december 2012.
Om de titel van basiliek te ontvangen moet een kerk een bijzonder bouwwerk
zijn en druk worden bezocht, bijvoorbeeld omwille van een bepaalde verering
of devotie. In het geval van de Nicolaas motiveert de Congregatie
voor de Goddelijke Eredienst in Rome haar besluit met twee bijzondere
argumenten: de verering van de H.Nicolaas, stadspatroon van Amsterdam,
die befaamde bisschop van Myra, en de devotie rond het Mirakel van Amsterdam,
waarin de Nicolaas een belangrijke rol speelt, en die vanaf de Middeleeuwen
haar plaats heeft gehad in de stad.
De nieuwe status is ook een erkenning van de vele generaties die zich
in de afgelopen zeven eeuwen hebben ingezet voor het katholieke geloof
in Amsterdam. Dat deden ze in vaak moeilijke tijden en onder beroerde
omstandigheden na de Reformatie, toen de katholieke geloofspraktijk
niet zichtbaar mocht zijn. Maar ook aan de ontkerkelijking van de vorige
eeuw, die in Amsterdam leek te leiden tot sluiting van diverse kerken
in de binnenstad.
[1887]
Leger des Heils
Komt allen herwaarts, die vermoeid en beladen zijt.
Op de pui van volkszaal Emmanuël in de Gerard Doustraat,
hing boven de ingang behalve deze tekst ook het schild van het Leger
des Heils met het strijdbare motto Bloed en Vuur.
Om zeven uur die avond van de 8ste mei 1887 ging de deur open.
Het liep vol. De allereerste bijeenkomst van het Leger in Nederland
kon beginnen maar de bewoners van de Pijp en dronken jongens verstoren
de evangelisatie van kapitein John.K.Tyler, die als matroos op
de lijn Hoek van Holland-Harwich vaart.
Er wordt een ander lokaal gevonden op de hoek van de Lijnbaansgracht
en de Looiersgracht. Er kunnen 450 mensen in, maar de verstoringen van
het Leger houden pas in 1890 op, voornamelijk door de hulp Soup,
Soap and Salvation die ze geven aan getroffenen van een zeer koude
winter.
Het Leger des Heils heeft nu nog een kinderhospice op de Lindengracht.

Lauriergracht 132
/ Foto: A v Dijk 1957/ Rechts de kerk als appartementengebouw
[1893]
Chr. Gereformeerde kerk Eben Haëzer
De kerk is
in de zogenoemde Willem II-gotiek gebouwd. Kenmerkend voor deze neogotische
stijl is dat de constructie neoclassicistisch was en dat het neogotische
vooral naar voren kwam in het decoratief gebruik van uit de gotiek overgenomen
vormen als spitsbogen en pinakels. Deze kerken hadden soms imitatiegewelven
van stro en stucwerk, stukadoorsgotiek genoemd.
Het kerkgebouw op de Lauriergrach werd 'De Buffel' genoemd. De
Chr. Gereformeerde gemeente had twee 'preekplaatsen' In 1985 werd de
Eben Haëzerkerk op de Lauriergracht gesloten. Sindsdien is er slechts
één preekplaats over. De
kerk had een Flaes-orgel [1874] dat oorspronkelijk voor de Engelse kerk
op het Begijnhof gebouwd was. In een nieuwe kast is het in deze kerk
geplaatst. Tegenwoordig staat het orgel in Meppel.
De kerk is tegenwoordig omgebouwd tot luxe appartementen.
Dominee HP Scholte woonde in het voormalige pakhuis de Hoop op
nr. 118. Hij was Amsterdammer van geboorte en keerde terug om een afgescheiden
gemeente te stichten. Hij preekte in de Chr. Gereformeerde kerk Eben
Haëzer op Nr. 132.

[1899]
De
Zaaier
De
katholieken kopen een Socialistisch bolwerk.
Het plan werd opgevat het verenigingsgebouw Constantia,
Rozengracht 152, van de Vrije Socialistische Arbeidersbeweging, dat wegens
hypotheekschuld op 20 maart 1899 in veiling zou komen, aan te kopen.
Een
kerk in de Jordaan
Pater J.C. Alberdingk Thijm, zoon van de schrijver,
voerde samen met pater L.Steger, dit plan uit. Constantia werd
geveild. Kerkmeester J.A.A. Grijpink, kaashandelaar, kocht het
op eigen naam voor f.30.100,- en verkocht het voor diezelfde som door
aan het kerkbestuur van 'de Zaaier'. Zo kon, nog juist vóór
het einde van de 19e eeuw de eerste katholieke kerk in 'de Jordaan' worden
gesticht. Men begon meteen een aantal panden in de Akoleienstraat en de
Bloemstraat aan te kopen om een mooie grote kerk te kunnen neerzetten.
Ze staken zich wel in de schulden want de kerk op de Keizersgracht moest
nog verkocht worden.
Zullen
we de Noorderkerk ook inpikken?
De geestelijkheid van de pastorie van 'de Zaaier' wilde over steunpunten
in het volkrijke en zorg-eisende Jordaangebied beschikken. In de hele
Jordaan was nog nooit een statie gevestigd geweest.
In 'de Franse tijd' probeerde men de Noorderkerk te pakken te krijgen.
Het lukte niet om de protestanten tot afstand van hun vele ruime kerkgebouwen
te bewegen.
Tijdelijke
behuizing van de St. Jozef Kapel Bloemgracht
119
Brouwer & Zn.,
groothandel in piano en orgelonderdelen,
is er nu gevestigd.
De nieuwe St Jozefkapel kwam op de Rozengracht
en die werd vervolgens weer vervangen door kerk De Zaaier.
[1921]
Roothaanhuis
Van 1921 tot 1929, werd de nieuwe Zaaierkerk met pastorie aan de Rozengracht
en een groot parochiegebouw, het clubhuis 'Joannes Roothaan', aan de
overzijde, met kracht aangepakt.
Voor het parochiegebouw liet men eerste het oog
vallen op het verenigingsgebouw 'de Harmonie', Rozengracht 207-213.
Daarna gingen de gedachten uit naar de oostelijke hoek van de 2e Rozendwarsstraat
en de Rozengracht. Door aankoop, tenslotte van deze panden kreeg men
de beschikking over een terrein, recht tegenover de te bouwen kerk en
pastorie, dat zich van de Rozengracht tot de daarachter gelegen Rozenstraat
uitstrekte.
De
nieuwe kerk en pastorie kwamen vóór Kerstmis 1928 gereed
en het Roothaanhuis kon in het voorjaar van 1929 in gebruik worden genomen.
Zij waren ontworpen door de architect W. Valk.
Exodus
Hoewel bij de ingebruikneming van kerk en clubhuis aan de Rozengracht
het werkgebied van 'de Zaaier', met het Jordaangedeelte tussen Rozengracht
en Lauriersgracht was uitgebreid, en het parochieleven, ook dank zij
de activiteiten die vanuit het Roothaanhuis konden worden ontplooid,
aanvankelijk sterk opbloeide, kon de langzame neergang toch niet worden
tegengegaan.
Na de tweede wereldoorlog raakte de Jordaan als woonwijk achter bij
wat de nieuwbouw te bieden had, zodat jonge gezinnen meer en meer de
buurt verlieten zonder dat andere daarvoor in de plaats kwamen. Zo verloren
kerk en clubhuis steeds meer hun functie.
Al rond 1960 probeerde men het Roothaanhuis aan de Erven
Lucas Bols te verkopen, dat lukte niet.
Nadat in 1964 nog op bescheiden wijze het derde eeuwfeest van 'de Zaaier'
was gevierd, ging het clubhuis in 1968 over aan de stichting
Wijkwerk Zuid-Jordaan.
Opheffing
van de parochie van de H. Ignatius 'de Zaaier'
In het kader van de reorganisatie van de zielzorg in de binnenstad werd
tenslotte vóór einde 1971 'de Zaaier' gesloten. Een
tapijthandelaar en een winkel in elektrische gitaren aan de overkant
van de Rozengracht gebruiken het gebouw als opslag plaats.

Mimbar
(preekstoel) / interieur Fatih Cami met Mirab, de gebedsnis in de richting
Mekka
[1980]
Fatih Cami
Als een burcht torent de voormalige RK kerk boven het drukke verkeer
van de Rozengracht. De kruisen op de twee torens zijn vervangen door
halve manen. Van een broedplaats van het Socialisme, via Katholiek Godshuis,
naar een Moskee.
De Zaaier wordt overgenomen door de Tukse Fatih Cami (moskee)
Er moet veel gebeuren voor er gebeden kan worden. Het dak lekt en het
kost het enige miljoenen om alles droog te houden.
Inmiddels
is het dak grondig gerestaureerd.
Fatih is de naam van een grote en wijze koning van het Ottomaanse Rijk.
Die wijsheid probeert het bestuur van de Moskee uit te dragen door een
'open-deur-gedachte' te gebruiken om bewoners van
de Jordaan, ook niet-Moslims, voor alle mogelijke ontmoetingen uit te
nodigen.
Samen met de Westerkerk zijn er gezamenlijke vieringen op bevrijdingsdag.
[1920-1927]
Clarissen Capucinessen
Moeder Veronica was de stichteres van de eerste Nederlandse communiteit
van Clarissen-Capucinessen, in 1919 Egelantiersgracht 117 Amsterdam.
Gedurende 21 jaar was ze abdis. Ze stierf in 1963. Vanwege haar lengte
noemden de zusters haar 'kleine moeder'
[1930]
Auxiliatricen van de zielen in het Vagevuur
De 'helpsters van de zielen' kwamen daarna op de Egelantiersgracht wonen.
De zalige
Eugenia Smet, ook Maria van de Voorzienigheid, was een Franse
ordestichtster.
Ze voelde zich geroepen om daden van liefdadigheid te stellen voor de
zielen uit het vagevuur. Smet stichtte de gemeenschap van "Auxiliatricen
van de Zielen in het Vagevuur" in Parijs in 1856 en richtte die
in naar het voorbeeld van de jezuïeten. De congregatie voert thans
zijn missiewerk uit in 22 landen, onder meer in België. Ze werd
door paus Pius XII zalig verklaard in 1957. Ze is de beschermheilige
van een ieder die door religieuze orden geweigerd wordt.

[1659]
De
Eilandskerk
In 1659 besloot de vroedschap houten preekschuren te bouwen op de Oostelijke
en Westelijke Eilanden en het Amstelveld. Niet lang daarna konden die
gewijd worden.
De bedoeling was de houten kerken zo snel als mogelijk te vervangen
door een stenen gebouw.
Dat lukte voor de Eilandskerk in 1739, voor de Oosterkerk al in 1671.
De Amstelkerk is nooit in steen gebouwd.
In 1879 kwam er een spoorlijn vlak langs de Eilandskerk op het Bickerseiland.
Dat heeft het gebouw geen goed gedaan. De weke grond bood geen weerstand
tegen het gedreun van de treinen en de kerk zakte langzaam scheef. Om
het gewicht te verminderen werd in 1910 de torenkoepel afgebroken maar
dat hielp niet. In 1939 was de toestand zo slecht dat de kerk buiten
gebruik gesteld moest worden.
In 1950 werd de kerk gesloopt. Bij de afbraak in 1950 bleef de kosterswoning
voorlopig staan.
Toen de Eilandskerk in 1939 dicht ging,
werd de Noorderkerk weer opgeknapt en gebruikt.
[1950]
Kleine
Zusters van Charles de Foucauld
Drie Kleine Zusters leven in een kleine gemeenschap op een woonboot
in Lijnbaansgracht tegenover de Tichelkerk. Ze verdienen de kost met
eenvoudig werk en trekken op met mensen die door verslaving aan de rand
van de maatschappij geraakt zijn.
Het begon in de Sahara
Na verschillende omzwervingen vestigt Foucauld zich in Tamanrasset
als enige priester binnen een straal van zestig dagreizen door de woestijn.
Hij leeft tussen de Toeareg, sluit vriendschap met hen en bestudeert
hun taal en cultuur. Zijn droom om een nieuwe gemeenschap te stichten
loopt echter op niets uit. Op 1 december 1916 werd Charles de Foucauld,
58 jaar oud, in de zuidelijke Sahara van Algerije doodgeschoten door
een groep opstandige Toeareg.
Zijn biografie heeft een enorme uitwerking. In vele landen komen gemeenschappen
van Kleine Broeders en Zusters die zijn voorbeeld volgen en zich vestigen
te midden van de armsten en dezelfde leef- en werkomstandigheden delen.De
volgelingen proberen aanwezig te zijn, ook in uitzichtloze situaties
waar niets verandert.
Een
Kleine Zuster schrijft:
"In onze maatschappij die de nadruk legt op prestatie en efficiency
is het niet gemakkelijk te aanvaarden dat we vaak machteloos zijn, dat
we niets' kunnen doen voor een ander. Hoe meer we op resultaten
gericht zijn, hoe groter de desillusie. Hoe kunnen we leren - met onze
onmacht - naast iemand te blijven staan? Kan deze houding een bron van
leven zijn? Zelf geloof ik, dat juist deze weg een bevrijdende weg kan
zijn, een weg die mij van de illusie en almacht bevrijdt, een weg die
mij en de ander ruimte en tijd geeft om te groeien: ik kan niet alles
en ik hoef niet alles. Ik mag er zijn zoals ik ben. De ander ook, beperkt,
onaf, in wording ..."
Toch kan deze houding van gelijkwaardigheid en verbondenheid met de
armsten ook wel vragen oproepen. Zou het toch niet goed zijn de ander
te helpen als dat kan? Zoals enkele mensen in Tanzania zeiden: "Waarom
maken jullie ons belachelijk? Waarom verspillen jullie je tijd? Jullie
zijn er niet om in een huis van modder te wonen. Jullie zijn er om ons
uit de modder te trekken."
[1952]
Claverhuis
Het Claverhuis is genoemd naar de Spaanse jezuïet Pedro Claver.
Het doel was het katholieke Jeugd en gezinswerk uit te voeren.
De start was in de Elandstraat in het gebouw van de Vereniging ter verbreiding
der waarheid. In 1962 verhuist men naar de Oude Looiersstraat om kinderen
op school warme maaltijden te geven. Naarmate de Jordaanse bevolking
welvarender wordt veranderen de activiteiten naar politiek, stadsvernieuwing
en naar het steunen van kleine projecten die de buurt een beter aanzien
geven zoals het planten van bloemen in olievaten.
Maar de tijden veranderen en voor een buurthuis met de inzet van veel
vrijwilligers is geen plaats meer. Van de 18 buurthuizen blijven enkele
over. Na de sluiting van De Egelantier in 1987 nog maar twee:
het Jan Ligtharthuis in de Noord-Jordaan en het Claverhuis
in de Zuid-Jordaan. Het maatschappelijk werk wordt overgenomen door
de Blankenbergstichting. In 1992 is van de katholieke signatuur
van het Claverhuis verdampt. Het is een centrum voor alle buurtbewoners,
onderdeel van Stichting Welzijn Binnenstad. Sociaal-cultureel
werk, in de vorm van cursussen, kinderopvang en speeltuinwerk. Nadat
ook het Jan Ligtharthuis wegbezuinigd wordt, blijft het Claverhuis nog
als enige buurthuis in de Jordaan over.
Een aantal Fusies in de welzijnsinstelling vinden plaats. De fantasienamen
als IJsterk, Raster en Centram worden bedacht. Het Claverhuis verhuist
naar de Elandsgracht, wordt samengevoegd met buurthuis Straat&Dijk
en nadat de wijkcentra Jordaan en Gouden Reaal aan elkaar geplakt zijn
staat daar in 2011 het Huis van de Buurt. Een plek voor bijeenkomsten
en een plek voor het krijgen van advies. Een verbouwing van de materiële
omgeving vindt plaats, compleet met een oprit voor rolstoelen. Blijft
over de zorg voor frisse inhoudelijke activiteiten.
[1949]
Wijkcentrum
de Jordaan
Op 27 mei 1949 is
het Jordaan-comité geïnstalleerd.
Dat was het begin van wat nu het wijkcentrum is. Een plek waar bewoners
ondersteund worden bij al hun plannen om het leven in de Jordaan te
verbeteren. Waar Sociale Raadslieden hun adviezen geven en waar alle
mogelijke verenigingen en buurtinitiatieven kunnen vergaderen.
Er is een Wijkraad met vertegenwoordigingen uit de verschillende geledingen.
Door
en voor de bewoners
De oprichters wilden de jeugd, die rotzooi trapten en bijvoorbeeld bendes
vormden die tegen elkaar vochten om afgedankte kerstbomen, opvangen.
Gaandeweg ging het wijkcentrum zich ook met andere zaken bezighouden.
De strijd tegen het afbraakplan was voor het wijkcentrum de reden om
meer een actiecentrum te worden.

In die tijd is ook de Jordaankrant opgericht
Door de jaren heen heeft het wijkcentrum allerlei initiatieven gesteund
en zich ingezet voor de saamhorigheid van de mensen.
In 1960 krijgt de Stichting Sociaal-cultureel
Wijkcentrum 'de Jordaan'
een officiële status. De stichting stelt zich tot doel het leefmilieu
in de wijk te verbeteren en het welzijn van haar bewoners te verhogen.
In
2004 is het wijkcentrum Jordaan gefuseerd met wijkopbouworgaan De Gouden
Reael en is de nieuwe naam Wijkcentrum
Jordaan & Gouden Reael
geworden.
Het centrum bewoont het Huis van de Buurt.

Roel van Duyn
en de voorzitter Ton Haentjes Dekker
[1960]
Sociaal Religieus Gesprekscentrum
Zadelmaker Fons staat meestal als straatpredikant op de Dappermarkt
te evangeliseren. Hij richt een Comité ter Verdieping van het
Volksbewustzijn op.
Onder leiding van de Zen Christelijk anarchist Haentjes Dekker
komen in de Raamstraat 16a de alternatievelingen zoals de Provovoorman
Roel van Duyn, de anti-rook magiër Robert Jasper Grootveld,
dichter Johnny van Doorn, alias Johnny de Zelfkicker, de Witte
Fietsenmaker Luud Schimmelpenninck bijeen om leiding te geven
aan verschillende happenings. Verschillende woorden die beginnen met
een K klinken op. Kermis, Kerk, Kapitaal, Kanker en Klaas komt.
|