de Jordaan tussen taal en beeld
> Jordaan index

1104 Amestelle
1300 Begijnhofkapel
1306 Oude Kerk
1385 Moderne devotie
1535 Wederdopersoproer
1345 Heilige Stede
1397 Agnietenkapel
1408 Nieuwe Kerk
1440 Olofskapel
1553 Barmharigheid
1566 De Beeldenstorm
1578 De Alteratie
1581 Acte van Verlatinghe
1620 Noorderkerk
1620 Westerkerk
1630 De Rode Hoed
1630 Onze Lieve Heer op Zolder
1632 Oude Lutherse Kerk
1639 Portugese Synagoge
1640 Jacobsgezinden
1649 Mozes en Aaronkerk
1650 Collegianten
1660 Quakers
1662 Schuilkerk de Zaaier
1664 PestepidemiŽn
1668 Ronde Luthersekerk
1669 Oosterkerk

1670 Lutherse diaconie
1671 Grote Synagoge
1671 Joannes Ursulakapel
1672 de Papegaai
1673 RK Jongensweeshuis
1678 Luthers weeshuis
1723 Jansenisten
1736 Eilandskerk

 

Het Godsdienstige leven
.

1756 Aardbeving
1765 Uilenburger Synagoge
1795 Scheiding kerk en staat
1685 Hugenoten / Waalse Kerk
1696 Schoristen
1815 Reveilbeweging
1817 St. Catharinakerk
1825 Apostolische Kerk
1840 Allerheiligste Verlosser
1847 Verbreiding der Waarheid
1849 Haaveloze kinderen
1848 Vincentius vereniging
1851 Aloysius
1855 Licht in de Jordaan
1852 De Voorzienigheid
1858 De Duif
1860 Posthoornkerk
1862 Koning Willemshuis
1868 Amstelveldkerk
1879 Vrije Gemeente / Paradiso
1881 De Krijtberg
1886 Doleantie
1893 Eben Haëzer
1894 Simon de Looier
1884 Sint Nicolaaskerk
1887 Leger des Heils
1899 De Zaaier
1912 Russisch Orthodox / Tichelkerk
1920 Clarissen
1950 Foucould
1952 Claverhuis
1960 Rel. gesprekscentrum
1971 Fatih Moskee

2006 Russisch Orthodoxe kerk


Imposante kerken worden gebouwd

De grote monumenten van Amsterdam zijn de kerken
Kijk naar de Oude Kerk, het oudste gebouw van Amsterdam. Rond 1300 stond er op die plek al een kerkje. De Nieuwe Kerk op de Dam is jonger.
Daarnaast waren er nog vele kapellen, de Olofskapel, Kloosterkapellen, de Agnietenkapel, de Engelse Kerk en Waalse Kerk. De Middeleeuwse gotische kerken en kapellen zijn van oorsprong katholiek, maar werden na de Alteratie protestants. De 17de eeuwse kerken zijn gebouwd in de stijl van de renaissance.

Godsdienstige levendigheid

De officiële kerken uit deze periode, de kerken met torens, waren gereformeerd. Niet-gereformeerden mochten geen publieke godsdienstoefeningen houden. De overheid gedoogde dat ze bijeen kwamen in gebouwen zolang die er van buiten niet als kerk uitzagen. Maar iedereen wist waar die waren en je kon de orgelklanken en het gezang op straat duidelijk horen. Dat waren de schuilkerken, zoals Onze Lieve Heer op Solder.

De eerste kerken die speciaal voor het protestantisme werden gebouwd zijn de Zuiderkerk, Noorderkerk en Westerkerk.
Tijdens de renaissance wordt de centraalbouw beschouwd als een ideale vorm, omdat de heldere, geometrische opzet het meest aansluit bij de humanistische principes. De Ronde Lutherse Kerk, de Koepelkerk, heeft een bijzondere, cirkelvormige bouw.

Voorgangers komen en gaan, raken van hun geloof af of raken slaags, met elkaar of met de socialisten.


Kerkgebouwen krijgen wisselende gelovigen

In de 19de eeuw mogen de katholieken weer kerken bouwen zoals de Mozes en Aäronkerk op het Waterlooplein en de Sint Nicolaaskerk op de Prins Hendrikkade.
Maar kerkgebouwen veranderen ook van functie, een rooms-katholieke kerk wordt moskee, een remonstrantse kerk wordt tv studio, een bedehuis van de Vrije Gemeente wordt een poptempel. Kerken worden gebruikt als supermarkten en kantoren.


Synagogen
Een aparte positie nemen de joden in, die mogen grote synagogen bouwen, zoals de Portugees Israëlitische Synagoge, maar die gebouwen hadden geen torens, dus vielen ze niet zo op.

Hoe zag het Godsdienstige leven er in de Jordaan uit?
Behalve de tegenstellingen tussen de Socialisten en de Orangisten sloegen ook de Christenen elkaar op de grachten in de Jordaan om de oren. Ze gebruikten daar niet alleen de Bijbel voor, maar ook straatstenen.
Als de grachten dicht lagen was het altijd een gezellige sfeer op het ijs. Een rechtzinnige hervormde dominee had er geen bezwaar tegen dat meisjes schaatsten.
Als er kermis was werd de blik angstvallig daarvan afgehouden, zo erg was dat. De schouwburg was taboe. De sprookjes van Andersen werden wel gelezen. Eduard Douwes Dekker, die zich Multatuli noemde, was absoluut verboden. Dat was een revolutionair en spotter, een gokker die de ordinaire taal van de straat gebruikte. Je moest heel voorzichtig zijn met vuur, want brand in huis was iets verschrikkelijks, zeker in de dichtbevolkte Jordaan.
Het gezin leerde de Nederlandse Geloofsbelijdenis uit het hoofd. Meisjes gingen in die tijd 's avonds nog niet alleen over straat. Bij sommige gezinnen mochten de dochters binnenshuis al modern blootshoofds gaan.
Cholera was iets bedreigends. De meeste slachtoffers waren te vinden in de achterbuurten, waar de mensen hun drinkwater uit de smerige grachten putten. De vele glazen jenever mocht niet baten, maar maakte de zaak nog veel erger. Als het regende was de melkboer blij, maar de kopers mopperden dan dat de melk te dun was. De melkboer noemde de regen 'de begunstiging des hemels'.


[1104]
Aemestelle


De bisschop van Utrecht is de baas in het gebied in Amstelland en zet een kerk neer waar de Amstel en de Bullewijk samen komen, het huidige Ouderkerk aan de Amstel. Bij een stormvloed overstroomde het gebied, maar de kerk stond op hoge grond. Deze plaats heet Amestelle. Wolfer van Aemstel is de eerste schout en die bouwt daar een kasteel. Dat wordt in 1204, toen Gijsbrecht van Aemstel II er woonde, in brand gestoken en verwoest door de bewoners van het gebied. Zo dat was dat.
De pastoor van Amestelle, had in 1280 de zorg voor twee kerken. De kerk in Ouderkerk is de moederkerk, maar de dochter, de huidige Oude Kerk in Amsterdam, groeide haar in korte tijd boven het hoofd.


[1320-1578]
Kerk der Begijnen



Kapel van de Begijnen

De kerk was oorspronkelijk de kapel van de 14e-eeuwse begijnen. Met de Alteratie in 1578, toen het Calvinisme de staatsgodsdienst werd, werd het kerkje gemeente-eigendom. De katholieken mochten de grote kerk die midden op het Begijnhof staat niet meer gebruiken voor hun diensten. Ze moesten de kerk afstaan aan de calvinisten.
De huisjes bleven eigendom der Begijnen en zij gingen op andere plekken gewoon door met het houden van diensten. Dat gebeurde eerst in verscheidene huizen op het Begijnhof.

[1607]
Engelssprekende protestanten in de stad
Ook de Pilgrim Fathers gingen gedurende enkele jaren naar deze kerk. Er zijn nog herinneringstekens voor hen binnen en buiten de kerk.
De kerk, die toen bekend was als de English Reformed Church, krijgt behalve de gewone zondagmorgendienst ook andere diensten en activiteiten.

Een Engelssprekende gemeente die geassocieerd is aan de Kerk van Schotland en aan de Nederlandse Hervormde Kerk gaat er ter kerke.
Tegenwoordig heeft de kerk 320 leden met 30 nationaliteiten.
De Kerk
is één van de oudste gebouwen van Amsterdam. Er werd onlangs voor ongeveer één miljoen euro aan gerestaureerd.
De kerk is belangrijk voor kamermuziek in Amsterdam, met zo'n 70 concerten in verschillende stijlen per jaar. In het bijzonder heeft het veel jonge artiesten de kans gegeven hun carrière te beginnen. De Academie van het Begijnhof, gesticht door een voormalige organist van de kerk, is nu één van de belangrijkste barokorkesten van Amsterdam.
Hoog bezoek
De Engelse koningin Elizabeth II en de hertog van Edinburgh brachten op 5 februari 2007 een bezoek aan de Kerk. Aanleiding is de viering van het 400-jarig jubileum van het bestaan van de Engelse Hervormde Kerk. Ter gelegenheid van het Jubileum werd er een speciale kerkdienst gehouden waar ook Koningin Beatrix bij aanwezig was
.


[1671]
R.K. Joannes en Ursulakapel


Begijnhofkapel / interieur van de kapel in 1929.

De begijnen bouwen tegenover hun oude kerk op nr.29 in twee huizen een schuilkerk: de enige echte Begijnhofkapel. De architect is Philips Vingbooms.
Tegenwoordig is de kapel al lang geen schuilkerk meer, het is al die tijd een levende plek van de katholieke gemeenschap geweest bekend als de Nieuwe Heilige Stede.
Officieel is het een parochiekerk, gewijd aan St. Joannes en Ursula. De kerk heeft haar in- en uitgang op het Begijnhof via een portaal dat een kopie is van het oorspronkelijke portaal in de Wijde Kapelsteeg, onderdeel van De Heilige Stede [1345-1909] aan het Rokin.
De gevel van de Begijnhofkapel is min of meer in de vorm van een woonhuisgevel met empire vensters gebouwd. De kapel wordt door Toscaanse zuilen in drie beuken verdeeld. De twee buitenste hebben galerijen.
Het hoofdaltaar heeft gemarmerde Corinthische zuilen en een schilderij dat de Hemelopneming van Maria voorstelt. [Nicolaas Moeyaert 1649]. Een wijziging aan het altaar heeft in 2000 plaatsgevonden, nadat de verloren gewaande 'Maria Tenhemelopneming' op een veiling in Amerika werd teruggevonden. Ook de twee zijaltaren hebben schilderijen van Nicolaas Moeyaert, Links 'De Kruisiging' en Rechts 'De geboorte van Christus'. Er staat een notenhouten Rococo preekstoel met trapje uit 1757.


[1306]
De Oude Kerk


De Oude Kerk is het oudste nog bestaande gebouw van Amsterdam.
De kerk werd gewijd aan de heilige Nicolaas, bisschop van Myra, door Guy van Avesnes, de bisschop van Utrecht. Tot de Alteratie heette de kerk dan ook de Sint Nicolaaskerk. Sint Nicolaas was onder meer de patroon van de zeelieden en werd vooral in havensteden vereerd.

In september 2006 werd het 700-jarige gebruik van deze kerk gevierd. Ter gelegenheid hiervan werd op 17 september een replica terug gehangen van het tijdens de Beeldenstorm van 1566 verdwenen Angelusklokje in het kleine torentje boven op het kerkdak.


De kapel ongeveer in 1306

Op de plaats waar de Oude Kerk staat, stond in de 13e eeuw een kleine houten kapel met een begraafplaats. Bekend is dat in 1280 de pastoor van Amestelle, het huidige Ouderkerk, de zorg had voor twee kerken. Vermoedelijk was de tweede, de aan Ouderkerk ondergeschikte Oude Kerk in Amsterdam. De kerk in Ouderkerk is dan wel de moederkerk, maar was door de dochter te Amsterdam in korte tijd boven het hoofd gegroeid.
.
[1334]
Amsterdam wordt een zelfstandige parochie
De Oude Kerk wordt de parochiekerk met een eigen pastoor. Hieraan kwam in het begin van de 15e eeuw een einde toen het westelijk deel van de stad met de Nieuwe Kerk een eigen parochie kreeg. Sindsdien sprak men van de Oudekerks- en Nieuwekerkszijde, wat spoedig verkort werd tot Oude- en Nieuwezijds.
De Oude Kerk bleef voorlopig de hoofdkerk van Amsterdam


[1421/1452]
De stadsbranden hebben de Oude Kerk niet verwoest

De Oude Kerk heeft een rijke bouwgeschiedenis. In de tweede helft van de 13e eeuw werd de houten kapel vervangen door een stenen zaalkerk. Na 1300 bouwden de Amsterdammers de eerste hallenkerk van Holland.
In de eerste helft van de 16e eeuw is de kerk verbouwd. Eerst werd het schip verhoogd met een lichtbeuk, daarna, rond 1550, werd ook de kruising verhoogd. Tenslotte werd in 1558-1560, met de opbrengst van een loterij, een lichtbeuk op het koor geplaatst en werd in 1564 de toren verhoogd. Het laatste was noodzakelijk geworden door de verhoging van het schip met een lichtbeuk. In 1565 werd de huidige Oudekerkstoren gebouwd.
Problemen met de fundering hebben echter in 1951 geleid tot de sluiting van de kerk wegens instortingsgevaar, waarna een 24 jaar durende restauratie plaatsvond. In 1994/1998 is de kerk opnieuw gerestaureerd.

De Oude Kerk is een voorbeeld van Hollandse baksteengotiek. De constructie is licht, omdat de heipaaltjes waarop de kerk staat, niet genoeg draagvermogen hebben: de toegepaste heitechniek was nog primitief. Het verhaal dat de kerk gebouwd zou zijn op een uitloper van het Muiderzand is een fabel gebleken. Het karakter van een hallenkerk is bewaard gebleven.


De groentemarkt bij de Oude Kerk / Hermanus Petrus Schouten (1778)

Groentemarkt
Iedere maandag en vrijdag verkochten de tuinders uit de Diemermeer tussen twaalf en één uur hun producten bij de kerk. Op de prent zijn mooi alle aanbouwtjes te zien zoals kapellen, het doodgravershuis en het kantoor van de huiszittenmeesters die verantwoordelijk waren voor de armenzorgde.

[1566]
Beeldenstorm en Alteratie
Tijdens de Beeldenstorm in 1566 zijn de altaren van de Oude Kerk beschadigd. Na de Alteratie van 1578 werd de kerk ontdaan van zijn beelden en dergelijke en heringericht voor de protestantse eredienst.
In 1584 mochten de kooplieden in de kerk beurs houden.
Vanaf 1632 vonden de vergaderingen van de Kerkenraad afwisselend plaats in de Oude en Nieuwe Kerk. Door de bouw van het stadhuis aan de Dam won de Nieuwe Kerk aan inbloed en werd definitief de hoofdkerk. Sinds die tijd nam het belang van de Oude Kerk af.


[1345]
De Heilige Stede


Kapel Heilige Steede, Nieuwezijds Kapel

Op 15 maart spuugt een zieke man een hostie in het vuur, maar die verbrandt niet. Het gebeurde in een huis in de Bindwijk (nu: Kalverstraat). Een priester wil het voorval geheim houden en neemt de hostie mee naar de parochiekerk. Maar, o wonder, de volgende dag ligt het weer in het huis van de zieke man. Dat mirakel is wel een kapel en een jaarlijkse processie waard. De Heilige Stede is de naam van de kapel die in 1544 werd gebouwd op de plek waar het wonder heeft plaatsgevonden.
Na de Alteratie ging de kapel over in handen van de protestanten, die het gebouw de Nieuwezijds Kapel noemden. Nadat ze het gebouw buiten gebruik hadden gesteld lieten de hervormden de kapel in 1908 slopen om te voorkomen dat deze ooit nog door katholieken zou worden gebruikt.
De functie van Mirakelkerk werd overgenomen door de schuilkerk aan het Begijnhof. Onderdelen van De Heilige Stede zijn te vinden in de Enge Kapelsteeg en op het dak van de 'De Papegaai' in de Kalverstraat. Enkele fragmenten van de kapel kwamen op Frankendael in de Watergraafsmeer terecht.
Op het Rokin is de Mirakelkolom samengesteld. Vanwege de bouw van de metro Noord-Zuidlijn is het gedenkteken gedemonteerd en opgeslage
n.

[1397]
Agnietenklooster


Oudezijds Voorburgwal

Het Agnietenklooster werd in 1397 gesticht door zusters van het Clarissenklooster, volgens de kroniek van het klooster op 20 januari, de naamdag van St. Agnes. Clarissen leven in volkomen afzondering van de wereld, vol armoede, boete en beschouwing. Bij de grote stadsbrand van 1452 is 'dit geheele convent verbrant totten pulver toe', alle, hoogstwaarschijnlijk houten gebouwen gingen verloren. De herbouw begon met een groot huis aan de Oudezijds Voorburgwal. Dit herbergde in eerste instantie alle gebruikelijke onderdelen zoals kerk, keuken, refter, spinkamer en slaapzaal. Deze functies kregen langzamerhand een eigen onderdak naarmate meer gebouwen waren voltooid. Ter plaatse van de voormalige kapel kwam een bleekveld en iets ten noorden daarvan verrees in 1470 de nieuwe Agnietenkapel.

Religieuze enclave
Op de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthoniszoon uit 1544 is goed te zien dat in deze omgeving een ware religieuze enclave binnen de stad was ontstaan. Amsterdam telde ruim twintig kloosters die merendeels in de zuidoosthoek van de stad stonden. Naar de aard van de deze complexen werd de plek ook wel de 'stille zijde' werd genoemd. Zowel de burgwallen als de verkaveling en bebouwing van de gronden kenmerkten zich door bescheiden afmetingen. In deze omgeving vielen de kloostercomplexen op door hun grote omvang en hun gesloten karakter. De muren en vrijwel blinde straatgevels van de kloostergebouwen vormden vier vleugels rond de open binnenterreinen die in gebruik waren als kloosterhof, kerkhof, bleekveld en tuin, boomgaard, kruiden- en moestuin.
Deze 'in haarzelf gekeerde' wereld raakte langzamerhand sterker bij het stadsleven betrokken. Om de financiële nood enigszins te verlichten verrezen vanaf het einde der vijftiende eeuw ook huurhuizen aan de randen van de kloosterterreinen. Na de Alteratie [1578] kwamen de kloostercomplexen in handen van de stad. Van het Agnietenklooster ist alleen nog de voormalige kapel overgebleven.

De Doorluchtige School [Atlas van Fouquet, 1760-1783]
Haar lange bouw- en gebruiksgeschiedenis kent drie fasen die in belangrijke mate haar voorkomen bepalen. Dat zijn de herbouwde vijftiende- eeuwse kloosterkapel [1470], de zeventiende-eeuwse verbouwing tot Athenaeum Illustre [1631] en de restauratie uit 1921 voor de Universiteit van Amsterdam waarbij de architect Antoon Abel Kok [1881-1951] de historie weer zichtbaar maakte en eigentijds vormgegeven onderdelen toevoegde. Hij verrichte onderzoek ten behoeve van de werkzaamheden en deed daarvan schriftelijk verslag, waarbij een belangrijk deel van de geschiedenis werd ontrafeld. Omdat de voormalige kloosterkapel sinds deze werkzaamheden niet meer ingrijpend is gewijzigd vormt zij tevens een belangrijk restauratiehistorisch document. De Agnietenkapel is een sterk voorbeeld van Koks hand en visie.

[1988]
Universiteitsmuseum
Sinds 1991 hangt aan de wanden van geschuurd pleisterwerk weer een portrettengalerij van veertig 'geleerde en vermaarde mannen van allerlei staat en gezindheid', zoals wetenschappers en staatslieden. De afbeeldingen zijn onderdeel van de grote collectie die in 1743 werd geschonken door oud-schepen en koopmanverzamelaar
Gerard van Papenbroeck. In de negentiende eeuw waren de portretten verspreid geraakt over allerlei verschillende locaties, maar de museumconservator bracht de verzameling weer naar geboortegrond van de Universiteit van Amsterdam.


[1408]
De Nieuwe Kerk

De Nieuwe Kerk is in het begin van de 15e eeuw gebouwd op de Dam op een plek waar tot dan een boomgaard was. In 1408 kreeg de kerk, toen nog Onze Lieve Vrouwekerk of Maria- en Catharinakerk genoemd, de bisschoppelijke goedkeuring. De bouw was toen al ver gevorderd. Er is veel aan de kerk verbouwd en herbouwd. Een van de laatste delen van de kerk die werden voltooid is de noordelijke dwarsarm uit 1530-1540, die vertoont stijlelementen uit de Renaissance.
Tot drie maal toe brandde de kerk af en vooral in de winter van 1645 was de schade groot toen het dak vrijwel geheel afbrandde.

[1565]
Toren op de kerk?

Tot tweemaal toe is er een begin gemaakt met het bouwen van een kerktoren bij de kerk. In 1565 waren de fundamenten gelegd, maar door het veranderende religieuze en politieke klimaat werd de uitvoer van de plannen onmogelijk gemaakt.
In 1646 werd een tweede poging gedaan. Jacob van Campen, ook de architect van het Paleis op de Dam, ontwierp een toren in een gotiserende stijl, maar in 1653 werd de bouw al gestaakt en in 1783 werd de onvoltooide romp gesloopt. Wat overbleef is de onderbouw voor de westgevel van de kerk.
Tussen 1959 en 1980 werd de kerk ingrijpend gerenoveerd. Door de ontkerkelijking kon de Hervormde Gemeente de kosten voor onderhoud en beheer niet meer opbrengen en daarom werd besloten om de kerk tot cultuurcentrum te verbouwen. Tot op heden worden er afwisselende tentoonstellingen georganiseerd in de kerk, vaak van volkenkundige aard. Daarnaast vinden orgelconcerten plaats.

Koninklijke activiteiten

De Nieuwe Kerk wordt, sinds koning Willem I in 1814 in deze kerk de eed op de grondwet aflegde, ook gebruikt voor koninklijke huwelijken en inhuldigingen.
De inhuldiging van Koningin Beatrix vond er plaats op 30 april 1980. Op 2 februari 2002 trouwden Prins Willem-Alexander en Prinses Máxima in de kerk.


De inhuldiging van Koning Willem-Alexander en koningin Máxima op 30 april 2013

In de kerk bevindt zich de graftombe van Michiel Adriaenszoon de Ruyter. De tombe is het werk van Rombout Verhulst en Willem de Keyser. Ook Jan van Galen en Joost van den Vondel hebben in de Nieuwe Kerk hun laatste rustplaats gevonden.


[1535]
Wederdopersoproer


Tijdens een bijeenkomst van de Wederdopers op 11 februari 1535 trekt één van de gelovigen tijdens het gebed zijn kleren demonstratief uit en gooit die op een vuur. Onder het roepen van "Wee, de wrake Gods" stormt de hele groep naakt de straat op. Dat was volgens hen een eerlijke naaktheid. Ze beschouwden alle bezittingen, zelfs kleding, als aards slijk. Op 10 mei van dat jaar bezet een groep Wederdopers onder leiding van Jan van Geel het stadhuis van Amsterdam, met de burgemeester en al. Ze dachten dat de burgerij hen zou steunen, maar dat gebeurde niet.

Mennonieten
Wederdopen heet in de geschiedenis Anabaptisme. De aanhangers werden ook mennonieten genoemd naar de hervormer Menno Simons. De kerkelijke stroming dateert uit de tijd van de Reformatie en volgens anabaptistische geschiedschrijvers al ver daar voor. Bekende wederdopers of doopsgezinden zijn de socialist Klaas Ris, en de schrijver Eduard Douwes Dekker
>Lees verder


[1553]
De zeven christelijke werken van barmhartigheid

Drie ervan hebben direct betrekking op de zorg voor weeskindere


Verzorgen van de weeskinderen / Schilderij van Jan Salomonsz. de Bray [1663]

het kleden van de naakten,
het laven van de dorstigen en
het spijzigen van de hongerigen
.

Op het schilderij van Jan Salomonsz. de Bray in het Franshalsmuseum, dat vroeger ook een weeshuis was, wordt brood aan de wezen uitgedeeld. De kinderen eten er flink van. Een meisje krijgt een kan met dunbier te drinken, dat is een lichte biersoort die dagelijks gedronken werd. Alle kinderen krijgen weeshuiskleren waarmee ze op straat te herkennen zijn aan één rode en één zwarte mouw.

Wezen zijn er altijd geweest
In de middeleeuwen en op het platteland tot in de vorige eeuw werden weeskinderen meestal door de overheid of de kerk bij particulieren uitbesteed. Dat werd onderhands geregeld of er was een openbare aanbesteding. Tijdens een veiling in een herberg of pastorie, werden de kinderen op een rij gezet en de omstander die het minste kostgeld vroeg, dus de laagstbiedende, mocht hen mee naar huis nemen. Een zeer vroege variant van gezinsverpleging!
In de 15de en 16de en met name in de 17de eeuw ging men er in de meeste steden echter toe over weeskinderen op te vangen in speciale inrichtingen.

Werckelicke hulp

De eerste weeshuisjes staan in Amsterdam tussen Rokin en Kalverstraat en bieden plaats aan zeven of acht kinderen. Maar wanneer hun aantal in 1553 is uitgegroeid tot 200, zijn de huisjes te klein en het geld is op. De kinderen zullen het huis moeten verlaten 'tenzij dat het bij mijnheeren de Burgemeesteren werckelicke hulp ende assistentie gedaen werdt.'
Er wordt een huis aan de Kalverstraat gekocht. Om de nieuwbouw van een Burgerweeshuis te betalen wordt een loterij gehouden. Dat wordt het eerste weeshuis van de stad.Tegenwoordig is dat het Amsterdam (historisch) Museum.
>Meer over opvangen en opvoeden van kinderen

[1566]
De Beeldenstorm


De actie waaide over van Antwerpen naar Amsterdam. Kerken en kloosters werden geplunderd, maar dat gebeurde niet altijd uit godsdienstige overwegingen.
Volgens de opvolgers van Calvijn moesten alle heilige beelden en kunstwerken uit de kerk verdwijnen. Calvinisten wilden dat het christelijke geloof weer eenvoudig werd.
Bij de doop van een kind in de Oude Kerk, kwam het tot een uitbarsting toen de kapelaan weigerde de dienst gewoon in het Hollands te houden. De schout en stadswakers verloren de vechtpartij die ontstond, maar de schutterij herstelde de orde. De Dam werd afgeschermd omdat de burgemeesters bang waren dat een aanval op het stadhuis kwam. De Oude Kerk werd zwaar beschadigd maar de Nieuwe Kerk bleef gespaard doordat 'enige burgers' de stormers tegen hielden.

Kerken worden gesloten
Het stadsbestuur vroeg Pauw, één van de onderhandelaars, een voorstel te doen dat de orde weer zou herstellen.
In de overeenkomst die Pauw opstelde waren concessies aan de gereformeerden opgenomen: de beelden worden uit alle kerken gehaald en die worden gesloten. Buiten de stad zou nog wel gepreekt mogen worden.

Hagepreken
De eerste hagepreek werd tussen het riet even buiten de stadsgrens bij de Haarlemmerpoort gehouden. Het volk kwam luisteren naar een toespraak door Jan Arentsz, een mandenmaker. Die liep uit op een scheldpartij tegen de katholieke geestelijkheid die hun devotie alleen gebruikte om rijk te worden. Later werd de Nieuwe Kerk door een woedende massa bestormd. Ze waren het niet eens met de manier waarop de begrafenis van een hervormde vrouw moest verlopen. De vroedschap had namelijk besloten dat alleen vijf familieleden de dienst mochten bijwonen. Ze wilden zo voorkomen dat er psalmen gezongen zouden worden. Een paar burgers zorgden er weer voor dat de kerk gespaard bleef.

Geuzenavondmaal

De massa was niet te stoppen en rukte op naar het Minderbroedersklooster. De deuren werden ingetrapt, alles kort en klein geslagen en de voedselvoorraad geplunderd.
De volgende dag werd, na een tweede poging de Nieuwe Kerk te bestormen, het klooster van de kartuizers gezuiverd. De schout nam vier beeldenstormers gevangen, maar moest ze vrijlaten toen er een oploop ontstond.
De burgemeester sneed hoogstpersoonlijk de gevangenen los om zo de schout te hulp te komen. Op 30 september werd een akkoord gesloten met de beeldenstormers waarin zij, op aandringen van de opperkapiteins, de Minderbroederskerk kregen toegewezen. Daar hielden ze een Geuzenavondmaal. Dat was de prijs die het stadsbestuur moest betalen in ruil voor het herstel van rust en orde.


[1385 / 1485]
De Moderne Devotie



Een spirituele beweging, de Moderne Devotie, kwam op aan het eind van de veertiende eeuw. Grondlegger ervan was Geert Grote, afkomstig uit Deventer. Thomas a Kempis, die ongeveer een generatie later leefde, zorgde voor verdieping in de beweging. Het is bekend dat volgers de opvang voor pestlijders organiseerden, niet alleen buiten de stad, maar uniek voor die tijd, ook binnen de stadwallen. Ze regelden opvang voor weduwen, wezen en vluchtelingen. Belangrijk was ook de impuls die de Moderne Devotie heeft gegeven aan de ontwikkeling van mensen. Aanleiding daarvoor waren de ontevredenheid over misstanden in de kerk en een gebrek aan persoonlijke geloofsbeleving.


[1440]
De eerste Sint Olofskapel



De kapel werd in de Binnenstad van Amsterdam tussen 1440 en 1450 gebouwd tegen een grote stadspoort, de Sint Olofspoort, aan.
In 1618 is het poortgebouw afgebroken, maar de vroegere doorgang heet nog steeds Sint Olofspoort.
De beschermheilige was Sint Olof.
Men heeft altijd gedacht dat het hier om de Noorse patroonheilige Sint Olaf ging, de vikingvorst die zich omstreeks het jaar 1000 tot het christendom bekeerde. De kapel zou dan verwijzen naar de Middeleeuwse handelscontacten met Scandinavië.
Het zou echter ook kunnen gaan om de Brabantse Sint Odulphus, de beschermheilige van dijken. De Sint Olofskapel ligt immers aan de Zeedijk.
Aan het einde van de 15de eeuw werd de kapel meerdere keren uitgebreid. Er werd een veelhoekig kapelletje aangebouwd: de Jeruzalemkapel, waarin een kopie van het Heilig Graf moet hebben gestaan. De Jeruzalemkapel is in 1644 gesloopt.

De kapel had een houten torentje dat in 1543 van een uurwerk was voorzien. Het torentje is in 1820 door brand verloren gegaan en werd niet herbouwd.

Het geloof bepaalt het levensritme van de stad
Er was een duidelijke markt voor zielenheil.
Men kon kiezen uit vele mogelijkheden om uiting te geven aan je gevoelens van devotie. Je kon je eigen ziel of die van een verdoolde naaste te redden. Anderen laten delen in je geloof door het stichten van kloosters en kapellen is de boodschap.



St.Olofskapel na 1644

[1578]
De Alteratie

De Calvinistische omwenteling veroorzaakte het verlies van katholieke gebouwen en opheffing van katholieke organisaties. De kloosterbroeders worden de stad uitgejaagd, alleen de nonnetjes mogen blijven. Het Maagdenhuis en het Begijnhof worden gespaard omdat daar toch alleen maar meisjes en oude vrouwtjes zitten. Voor weesjongens moesten andere plekken gezocht worden.
De katholieken waren een gedoogde minderheid die hun geloof niet publiekelijk belijden mochten en in schuilkerken bijeenkwamen.
Kooplieden gaan in de Oude Kerk en de St Olofskapel beurs houden.
Voor Rome was de Republiek een missiegebied geworden.


Oudezijds kapel
Na de Alteratie staat de St Olofskapel of wel de Jeruzalemkapel aan de Zeedeijk een tijd leeg.
In 1602 werd de kapel overgedragen aan de gereformeerden die er kerkdiensten gaan houden. Sindsdien spreekt men van de Oudezijds Kapel.
Na de laatste kerkdienst in 1912 heeft de kapel de meest uiteenlopende bestemmingen gehad. In de jaren vijftig wordt er weer wekelijks een kaasbeurs gehouden.
In 1964 is het gebouw op last van de gemeente Amsterdam gesloten wegens instortingsgevaar, en in 1966 brandde de kapel vrijwel geheel af, waarna er jarenlang een dichtgetimmerde ruïne op de Zeedijk staat.
De ruïne is overgedragen aan de Vereniging Hendrick de Keyser. De restauratie werd mogelijk toen de gemeente de kapel kocht voor een symbolische gulden en het in erfpacht met restauratieverplichting aan de Stichting Restauratie Monumenten gaf, die op haar beurt een gebruiksovereenstemming sloot met het Barbizonhotel die de kapel als congrescentrum gebruikt.


[1581]
Acte van Verlatinghe /
Filips II
Filips II werd afgezworen. Hij werd niet langer erkend als heer van Nederland.




De toekomstige vorst Filips II komt op 2 oktober 1549 op bezoek. Hij vaart vanuit Haarlem per schip naar Amsterdam en stapt dan bij de stadspoort op een paard en rijdt naar de Dam. Daar staat een podium voor de feestelijkheden klaar. De Rederijkers, de beoefenaars van de kunst der 'rhotorike' zijn er niet bij want die worden sinds het Wederdopersoproer als ketters gezien. Hun spelen en geschriften zitten vol 'dwalingen ende blasfemie'.

Houdt op in mijn tuin te wroeten, Spaanse beren
Wilt uw varkensrug toch achterwaarts trekken,
Of mijn knots zal het u leren
Die u het hoofd zal breken en de hals zal rekken.
De edele prins waarmee u meent te gekken
Zal te water en te land u bespringen al,
Vertrekt met uw vuile zeugen en jongen spekken
Rent, guiten, rent voordat de geus u daartoe dwingen zal.


De Staten Generael van de geunieerde Nederlanden schreven een plakaat:
Allen dengenen die dese tegenwoordighe sullen sien ofte hooren lesen, saluyt.
Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten, om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder tot bewaernisse van zijne schapen: En dat d'ondersaten niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d'ondersaten wille, sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren. En so wanneer hy sulx niet en doet, maer in stede van zijne ondersaten te beschermen, deselve soeckt te verdrucken, t'overlasten, heure oude vryheyt, privilegien ende oude herkomen te benemen, ende heur te gebieden ende gebruycken als slaven, moet ghehouden worden niet als Prince, maer als een tyran ende voor sulx nae recht ende redene magh ten minsten van zijne ondersaten, besondere by deliberatie van de Staten van den lande, voor egheen Prince meer bekent, maer verlaeten ende een ander in zijn stede tot beschermenisse van henlieden voor overhooft sonder misbruycken ghecosen werden (...)

De Verenigde Provinciën
De Nederlandse Opstand, of de Nederlandse onafhankelijkheidsoorlog (1568-1648), is de succesvolle opstand van de noordelijke zeven provincies van de Lage Landen. Het wordt vaak beschreven als een conflict van religie van de Nederlandse protestanten tegen de religieuze rooms-katholieke politiek van Philips II van Spanje. Maar er is meer aan dit conflict dan religie. Tijdens en vóór de opstand groeide de Verenigde Provinciën van Nederland snel uit tot een wereldmacht door haar koopvaardij. Een periode van economische, wetenschappelijke en culturele groei breekt aan. De lage landen waren een deel van zijn rijk dat te welvarend is om te verliezen voor Philips II. In het begin was hij succesvol in het onderdrukken van de opstand. Maar uiteindelijk waren het de Verenigde Provinciën onder Willem van Oranje die het conflict gewonnen hebben. Na 80 jaar oorlog leidde dit tot een onafhankelijke Nederlandse republiek, de eerste Europese republiek van de moderne tijd.
De Nederlandse "Acte van Verlatinghe" diende als voorbeeld voor de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten.


[1620]
De Noorderkerk



Noorderkerk / IJspret bij de Noordermarkt schilderij J v. Beerstraten [1691]

De eeuwenoude Noorderkerk is de eerste kerk in Amsterdam, speciaal voor de protestantse erediensten gebouwd. De reden om de kerk te bouwen werd als volgt omschreven:
"De luyde, woonende op t'Nieuwe Werck by de Prinsengraft ende den qaertiere daar omtrent seer doleerden van de groote discommodatie ende onbequamheyt die sy hebben om Godes woord te hoore, doordien sy soo verre geseten syn van de kercken in de oude stad staende"

De kerk is gebouwd tussen 1620 en 1623. naar een ontwerp van Hendrick de Keyser
Net als de Westerkerk, is het gebouw neergezet om de in de 17e eeuw snel groeiende bevolking van de Westelijke Grachtengordel en de Jordaan een protestantse kerk te bieden.
De stadstimmerman Hendrik Jacobsz Staets en de toenmalige stadsmetselaar Cornelis Danckerts hebben het werk van Hendrick de Keyser, na diens dood samen, met diens zoon Pieter, voltooid.
Dat wijst op de grote betrokkenheid van het stadsbestuur en de voorname plaats die kerkenbouw toen in Amsterdam innam.

De plattegrond heeft de vorm van een Grieks kruis. Een klein open koepeltorentje is op de kruising gezet. Die centrale opzet van de ruimte was volgens het protestantse ideaal om de verkondiging van de boodschap van God in het midden te laten plaatsvinden. De kansel staat op een voet van rood en zwart marmer. De kerk werd in 1929 gesloten omdat er te weinig kerkgangers kwamen.
De Noorderkerk is gerestaureerd tussen 1993 en 1998 en nog nog steeds in gebruik bij de Hervormde gemeente, maar bij de restauratie is bedongen dat de kerk ook voor culturele activiteiten wordt gebruikt. Er worden regelmatig, op zaterdagen Noordermarktconcerten gehouden. Rond de kerk zijn oproerige vergaderingen gehouden.


Jordaanoproer



Bij de ingang van de Noorderkerk staat een monument ter herdenking aan het Jordaanoproer in de week van 4 juli 1934. Er vielen zes doden en vele tientallen gewonden.
Het beeld stelt twee vrouwen en een man voor, verbonden door een brede band. Hiermee wordt de solidariteit onder de mensen, en de belangrijke rol die de vrouwen hebben gespeeld, gesymboliseerd. "Eenheid is de sterkste keten" Als voorbeeld is de vrouw genomen die op de avond van 4 juli 1934 op de tafel ging staan en zei: "Ik krijg nu zeven gulden minder".
Het bronzen beeld is gemaakt door Sophie Hupkens.

Februaristaking
Aan de zuidzijde van de kerk is een plaquette aangebracht die herinnert aan de Februaristaking van 1941, in verband waarmee op de Noordermarkt toen verboden openbare bijeenkomsten waren om te protesteren tegen het wegvoeren van 400 joodse Amsterdammers.


[1630]
De Rode hoed



De Rode Hoed Keizersgracht

Van Remonstrantse kerk naar TV studio. In tegenstelling tot het socialistische bolwerk, gebouw Constantia dat 'degradeerde' tot kerk en moskee, is ook een omgekeerde beweging waar te nemen.
De Rode Hoed is een debatcentrum geworden in een voormalige Remonstrantse schuilkerk aan de Keizersgracht.

Het gebouw was een hoedenmakerij en werd voor de Remonstrantse Gemeenschap aangekocht door wijnkoper Antoni de Lange en doctor Jan van Hartoghvelt. De hoedenmakerij werd afgebroken en in 1630 werd er een schuilkerk gebouwd, die tot 1957 dienst deed.
Een kleine 250 personen waagden het in 1628 om zich, voor een verzoekschrift, kenbaar te maken. De eerste handelingen van een Remonstrantse gemeente in Amsterdam worden zichtbaar. Er werden twee huizen gekocht aan de Keizersgracht bij de gangen die leidden naar de achtererven waarop de verscholen kerk werd neergezet. Aan Amsterdam werden drie predikanten toegedacht, maar er waren maar twee beschikbaar. Van 1632 tot 1643 waren dat Niellius en Praevostius.

Nieuw Links
Huub Oosterhuis ontdekte in 1989 dat het gebouw leegstond. Hij besluit er zijn studentenecclesia en een discussiecentrum in te vestigen. In 1991 werd er het Sociaal Democratisch Vernieuwingsplatform Nieuw Links van André van der Louw opgericht.
In de Rode Hoed werd ook de talkshow van Sonja Barend opgenomen en later Het Lagerhuis.


[1620 / 1631]
De Westerkerk



De Westerkerk is de grootste Protestantse kerk ter wereld.
De stadsuitleg van 1613 maakte het noodzakelijk om nieuwe kerken te bouwen.
De eerste steen werd gelegd op 9 september 1620. Op Pinksterdag 1631 was de eerste predikatie.
De Westerkerk moet een grote kerk worden en daarom werd de bevolking van de Jordaan alvast aan een kleinere kerk geholpen dat was de de Noorderkerk.
De Westerkerk is ontworpen door Hendrick de Keyser en lijkt veel op Zuiderkerk, maar is monumentaler. De kerk is een basiliek, met één middenbeuk en twee zijbeuken. Omdat de middenbeuk hoog is komt er meer licht binnen, daarom wordt die de 'lichtbeuk' genoemd.
[1669]
Aan de kant van de Prinsengracht was het kerkhof dat al in 1655 gesloten werd. In de noordelijke zijhoek van de kerk werd Rembrandt van Rijn in 1669 begraven. Ook Rembrandt's zoon Titus en minnares Hendrickje Stoffels liggen er begraven. Andere schilders die in deze kerk werden begraven zijn Nicolaes Berchem, Gillis Claesz. de Hondecoeter en Melchior de Hondecoeter

De Westerkerk is voor de bewoners van de Jordaan
De beroemde Westertoren is vanuit de hele Jordaan te zien en te horen. De klokken werden niet alleen geluid bij begrafenissen en voor andere godsdienstige doeleinden. Vooral geven de klokken de tijd aan, dag en nacht.
Het is de toren waarvan de carillonklanken doordrongen tot het Achterhuis waar Anne Frank haar in haar dagboek schreef:
Lieve Kitty,
vader, moeder en Margot kunnen nog steeds niet aan het geluid van de Westertorenklok wennen, die om het kwartier zegt hoe laat het is. Ik wel, ik vond het dadelijk zo fijn en vooral 's nachts is het zo iets vertrouwds.

In de veertiende eeuw werd de beiaard met zijn 50 klokken bediend door een speeltrommel.
Later werd het carillon bespeeld met een stokkenklavier waarmee, muzikaal, prachtige klanken over de Jordaan uitgestort werd. Vanzelfsprekend waren het de klokkengieters Hemony de mannen die in 1658 zuivere klokken maakten.
Amsterdam heeft vier Hemony beiaarden in respectievelijk de toren van de Oude kerk, de Zuidertoren, de Munttoren en de Westertoren. De klok die de uren slaat, de zogenoemde bourdon, is in 1636 door klokkengieter Assuerus Koster gegoten. Twee keer per jaar wordt een nieuw deuntje op de speeldoos aangebracht.

De Westerkerk wordt nog steeds gebruikt. Op zondag luiden de klokken.

>Lees verder over het Carillonoproer


De Keizerskroon

De Westertoren
De bijnaam van de Westertoren is Lange Jan of De ouwe Wester.
De toren wordt bekroond met de keizerskroon van Maximiliaan I van Oosterijk.

In de negentiende eeuw was over de vorm en de kleur van de kroon onduidelijkheid ontstaan.
De kroon van Rudolph II wordt sinds de ondergang van het Heilige Roomse Rijk wordt in Wenen bewaard. Uit onderzoek bleek dat de twee schelpvormige punten van de mijter uit goud waren vervaardigd en daarom werd de kleur van de mijter van de kroon boven het nieuwe Amsterdamse stadswapen in 1898 officieel goudgeel.
De oorspronkelijke blauwe kleur van de mijter is echter nog op vele plaatsen in de stad te zien. Op veel openbare gebouwen en gevelstenen, ook op de Westertoren zelf, halverwege de toren, prijkt op het stadswapen de blauwe keizerskroon.
In 1489 schonk Maximiliaan I van Oostenrijk Amsterdam het recht zijn kroon op het stadswapen te dragen uit dank voor bewezen diensten. Nadat Maximiliaan in 1493 tot keizer werd gekozen en in 1508 werd gekroond, verving de stad de koningskroon door een keizerskroon.
De kroon, die op allerlei andere plaatsen in de stad in zijn blauwe verschijningsvorm te zien is, werd pas in de twintigste eeuw geel geschilderd, om de kleur in overeenstemming te brengen met die van de kroon in het stadswapen.
Toch is ook de blauwe hoed niet onomstreden. Er zijn mensen die zeker weten dat de kroon van keizer Maximilliaan van Oostenrijk in werkelijkheid rood was. Iemand suggereerde zelfs om de kroon dan maar roze te schilderen, als verwijzing naar het homomonument aan de voet van de kerk.
En zo is de toren ineens een bron van verdeeldheid en felle discussie, in plaats van de trots van Amsterdam.

Huwelijk
In de kerk werd op 10 maart 1966 het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus ingezegend. Er heerste een anti-Claus stemming. Zo kreeg de bereden politie in Amsterdam een anoniem bericht waar in stond dat alle paarden geïnjecteerd zouden worden met het "gek makende" middel LSD. Claus zei:"Niemand kan dit verleden ongedaan maken, maar ik zou graag willen vragen ons de kans te geven om samen met u allen aan een nieuwe toekomst te bouwen"
>Lees verder over het huwelijk


Architect Walter Kramer krijgt de opdracht een plan voor restauratie van de toren te maken. In 2006 begint de restauratie die 10 mei 2007 klaar is.


[1586]
Hugenoten / Waalse kerk

In de Waalse kerk was oorspronkelijk de kapel gevestigd van het Sint Paulusbroedersklooster. De middeleeuwse kloosterkapel is in 1409 gesticht door de gemeenschap van bogarden. Bogarden waren de mannelijke tegenhangers van de begijnen, vrome leken die in een klooster samenleefden zonder een kloostergelofte. In 1586 werd de kapel afgestaan aan de Franse Hugenoten. De de hugenoten werden in hun land met geweld gedwongen zich tot het katholicisme te bekeren. Ongeveer 12.000 hugenoten vluchten naar Amsterdam. Dat betekende dat een kwart van de Amsterdammers Frans was. Er kwamen hele Franse buurten en kroegen, en een Franse kerk. Dat was niet altijd naar de zin van de Amsterdammers die de hugenoten die hun eigen taal bleven spreken en schrijven en op die manier zorgen voor 'verfransing ' van de Hollandsche woordenschat, maar wantrouwen.
Veel hugenoten trokken naar de Nederlanden, omdat ze daar met hun calvinistische geloof de meeste aansluiting vonden.


Een Franse boekhandel op de Dam tegenover de beurs


De hugenoten gingen zich bezig houden met het drukkers- en uitgeversvak, voornamelijk omdat die gilde vreemdelingen toeliet, maar ook omdat veel belangrijke boeken in het Frans geschreven zijn. Amsterdam groeide uit tot het centrum van het internationale boekenbedrijf. Drukkers leveren goed werk tegen scherpe prijzen. Bovendien hadden boeken hier weinig te vrezen van overheidscensuur.
Er werden boeken uitgegeven die in andere landen verboden waren. Vaklieden uit heel Europa trokken daarom naar Amsterdam.


Aanslag op de pasteur, Jean Henri Francois 12 oktober 1755


Een bakkersknecht genaamd Langel, die al bijna tien jaar in Amsterdam woonde, beweerde dat de dominee een tovenaar was die hem aan de duivel geketend had omdat hij niet met de dochter van een ouderling mocht omgaan. Hij loste een schot op de preekstoel. De dominee was licht gewond en de bakkersjongen ging het Dolhuis in waar hij in 1777 overleed.

[1631]
Het Waalse Weeshuis


De Waalse Gemeente was al vele jaren in groei en bloei toen de Kerkenraad ontdekte dat veel weeskinderen van arme ledematen niet in het Burgerweeshuis geplaatst konden worden omdat de ouders niet als echte Poorters (burgers) aangemerkt werden.
Met toestemming van het Stadsbestuur en ondersteund door giften en legaten werd voor hen in de Laurierstraat in 1631-1671 een weeshuis opgericht.
Het gebouw had drie gevels en de ingang werd in de volksmond de Waalen Poort genoemd. De achteringang was op de Lauriergracht. Het vuile- en het schoone weespad herinneren aan het weeshuis.
Veertig jaar later was de behuizing veel te klein en ging men naar een deftig groot gebouw tussen de Vijzelgracht, Prinsengracht en Weteringdwarsstraat. Het ‘Hospice Wallon’ werd later uitgebreid met vleugels voor oude vrouwen en mannen. In 1971 werd het onder de naam Maison Descartes in gebruik genomen als Frans cultureel instituut.


[1632]
De Oude Lutherse kerk


De kerk is gebouwd aan het Spui, hoek Singel op de plaats waar vroeger de huiskerk van de Lutheranen stond. Al vanaf 1604 werd op deze plaats, een pakhuis genaamd De Vergulden Pot, gekerkt. Via aankoop van naastgelegen panden werd de oppervlakte van de kerk steeds groter.
In 1632 gaf de stad Amsterdam toestemming om in plaats van de zeven gebouwen een nieuw kerkgebouw te plaatsen. Even was er nog sprake van dat de kerk op de Lauriergracht, hoek Konijnenstraat, zou komen te staan.
De kerk wordt behalve voor godsdienstige bijeenkomsten ook voor andere doeleinden gebruikt.
In 1790 hield de Mij tot Nut van 't Algemeen haar eerste algemene vergadering. Door het teruglopen van het kerkbezoek heeft het kerkbestuur sinds 1961 de kerk en bijgebouwen verhuurd aan de Universiteit van Amsterdam.
In een bijgebouw is plaats ingeruimd voor de Tetterode-bibliotheek van de architect
K.P.C. de Bazel.


[1670]
Ronde Lutherse Kerk


De tweede 'nieuwe' Lutherse kerk werd tussen 1668 en 1671 gebouwd. De lutheranen vroegen zich af hoe een lutherse kerk kan bestaan in een land waar men eerst katholiek en later calvinistisch is. Dus kwamen er ook lutherse huiskerken.
Het stichtingsjaar van de Evangelisch-Lutherse Gemeente is 1588 toen er voor het eerst een samenvatting van het lutherse geloof aan de burgemeesters van Amsterdam werd overhandigd.
De naam was toen: Christelijke gemeente toegedaan de Augsburgse Geloofsbelijdenis.
Later kregen ze de naam die ontleend is aan de kerkhervormer Maarten Luther (1483-1546).
In 1588 hebben ze een 'ziekentrooster' aangesteld. Ook was er een koster. Godsdienstoefeningen werden in alle stilte gehouden ten huize van geloofsgenoten, nu eens bij de een, dan weer bij de ander. In samenwerking met Ligarius, predikant van de gemeente te Woerden, werd de organisatie uitgebouwd en in 1592 de eerste 'kerkelijke ordonnantie' opgesteld.
Er werd hoofdzakelijk in het Duits gepreekt en de predikanten waren meestal Duitsers. Maar langzaam zet een verhollandsing in en dat leidde tot langdurige partijtwisten. De stedelijke overheid wilde geen tweede lutherse gemeente in de stad.
De Nieuwe Kerk, ook Ronde Lutherse Kerk genoemd, vloog in 1822 in de brand. Die werd herbouwd en omdat het verboden was er een kerktoren op te zetten, maakten zij er een koepelkerk van. In het kleine torentje op de koepel, lantaarn genaamd, werd de lutherse zwaan afgebeeld.

De lutheranen verlieten de kerk in 1935. Na de sluiting werd zij voor concerten gebruikt. Ook was er een tijdlang een tentenshow/zeilmakerij in gevestigd. In 1975 werd de kerk in gebruik genomen door het Sonesta Hotel. De hotelgasten konden door een tunnel naar de kerk lopen voor congressen en concerten.
In 1984 vloog de koepel weer in brand. En op 3 februari 1993 werden het interieur en het dak van de Koepelzaal verwoest. De restauratie duurde 16 maanden, in  juni 1994 was de Koepel weer hersteld. Alleen was het koperen dak nu koperkleurig en niet meer groen. Tegenwoordig heeft een ander hotel de kerk in gebruik voor vergaderingen en televisieshows. Met kerst is er meestal een diner voor dak- en thuislozen.


[1639]
De Portugees-Israëlietische Synagoge

De zogenoemde Snoge staat aan het Mr. Visserplein.
De eerste Joden die zich sinds het einde van de 16e eeuw in Amsterdam vestigden, kwamen uit Spanje en Portugal. Aanvankelijk mochten deze Sefardim niet in het openbaar hun godsdienst belijden.
In 1639 bouwden de Portugese Joden aan de voormalige Houtgracht voor het eerst een synagoge die vanaf de straat duidelijk zichtbaar was. Daarmee kwam een einde aan de periode van de verstopte huissynagogen.

Handelscontacten
Het zal zeker een rol hebben gespeeld dat de Portugese Joden met hun handelscontacten met de landen rond de Middellandse Zee een belangrijke bijdrage leverden aan de Amsterdamse Gouden Eeuw.
In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd de Joden al toegestaan synagogen te bouwen op markante plaatsen, terwijl de katholieken geen kerken mochten bouwen die vanaf de straat als zodanig herkenbaar waren.

De Portugees-Israëlietische Synagoge werd gebouwd op de plaats waar tot de stadsuitbreiding van 1663 een nachtpost met de naam 'Sint Antoniespoort' stond, een verwijzing naar de gelijknamige stadspoort, de huidige Waag, op de Nieuwmarkt.
Het kolossale gebouw domineerde de omgeving en doet dat eigenlijk nog steeds. Toen het gebouwd werd, was het de grootste synagoge ter wereld.
De vorm van het gebouw zelf, refereert aan de Tempel van Salomo in Jeruzalem.
De synagoge kreeg geen begraafplaats in de directe nabijheid; als begraafplaats diende Beth Haim in Ouderkerk a/d Amstel.


[1671]
De Grote Synagoge



Het is de oudste van de vier synagogen waarin tegenwoordig het Joods Historisch Museum gevestigd is. De Hoogduitse joodse gemeente van Amsterdam is in 1635 opgericht. Door de grote toestroom van joodse emigranten uit Oost-Europa, op de vlucht voor oorlogen en pogroms, groeide de gemeente zo snel dat in 1670 een perceel werd aangekocht om een eigen synagoge te bouwen. De bouwer van het Pintohuis en later de Portugese synagoge was Elias Bouman. Dat kostte 33.000 gulden waarbij de stad een lening gaf van 16.000 gulden.

[1685]
Obbene Sjoel

Al snel werd besloten een tweede synagoge te bouwen. Dat werd een houten gebouw aan de Nieuwe Amstelstraat. Beneden was een vleeshal en boven dus de Obbene Sjoel.
De ontkerkelijking en de trek van joden uit de oude jodenbuurt naar nieuwe wijken aan de rand van de stad in het begin van de 20ste eeuw hadden tot gevolg dat de Obbene Sjoel vanaf 1924 alleen nog gebruikt werd als leerlokaal voor de religieuze vereniging Tiferet Bachoeriem.

Uit een register van eind 18e eeuw blijkt dat de Grote Synagoge toen plaats bood aan 399 mannen en 368 vrouwen. Het gebouw heeft aan drie zijden galerijen. Twee ervan waren in gebruik als vrouwengalerij, te herkennen aan het hoge afscheidingshek. Omdat er beneden steeds te weinig ruimte voor mannen was zaten die ook op de galerij. Beneden staat de Bima in het midden. Vandaar wordt de dienst geleid.

[1752]
Nieuwe Synagoge
Hoewel er inmiddels drie synagogen naast elkaar stonden was er in de achttiende eeuw nog steeds sprake van ruimtegebrek. Er werd een leeg perceel aan de Deventer Houtmarkt gekocht voor de vestiging van de eerste Nieuwe Synagoge. Dit was een relatief klein gebouw.
Tegen 1750 werden nog eens vier belendende percelen aangekocht. In één daarvan woonde opperrabbijn Arjeh Leib ben Saul, de stichter van het Hoogduitse Beth HaMidrasj Ets Chaim.
Al deze gebouwtjes, ook de synagoge van 1730, werden afgebroken om plaats te maken voor een nieuw gebouw. Dit is de huidige Nieuwe Synagoge.

De synagoge werd in 1943 door de Duitse bezetters gesloten en in de hongerwinter werd al het houtwerk opgestookt. In 1954 heeft de gemeente Amsterdam het hele leeggeplunderde complex overgenomen en gerestaureerd.


[1640]
Jan Jacobszgezinden



Doopsgezinde huiskerk van de Harde Oude Friezen in de Bloemstraat 49-51 in 1729

Het is en kleine groep doopsgezinden die in de Bloemstraat bijeen kwam. Ze werden ook wel de Oude of Harde Friezen genoemd. Jan Jacobsz was een strenge ouderling uit Harlingen die bijvoorbeeld vond dat niemand handel mocht drijven met een man die een afvallige vrouw had. Hij eiste van een vrouw die met een niet-doopsgezinde man getrouwd was haar kinderen niet te laten dopen. Gebeurde dat toch dan moest een volgend kind voor de vader verstopt worden. Toch had hij een paar aanhangers die hem vergeleken met Menno Simons, de schrijver van Het Fundamentenboek. Jacobsz werd voor eeuwig uit Friesland verbannen en vertrok naar Hoorn waar hij klagelijke liederen schreef die in Amsterdam uitgegeven werden. In 1728 verenigde de gemeente met die van Het Lam en van De Tooren. Hun kerkje werd verbouwd tot twee woningen.

[1650]
Collegianten


Avondmaalsviering der Collegianten in De Oranje Appel.

In voormalige brouwerij Het Lam aan de Singel is de Amsterdamse Verenigde Gemeente opgericht. Een van de 'vermaners', voorganger, is Galenus Abrahamzn.de Haan, lid van de Rijnsburger Collegianten. Hij erkende alleen het gezag van de Bijbel en was behoorlijk radicaal. De Tsechische geleerde Johannes Amos Comenius woont op de Egelantiersgracht en houdt bijeenkomsten in de Elandsstraat. De Amsterdamse overheid verbiedt 'socianistische' vergaderingen. De collegianten komen bijeen op de Looiersgracht en de Lauriergracht.
In 1664 komt er een scheuring die de 'Lammerenkrijgh' genoemd werd. De Lamisten noemden zich zo omdat ze hun kerkgebouw Het Lam mochten houden. Te tegenstanders gingen naar de voormalige brouwerij 'De Zon' en heten dus Zonisten. In 1728 splinterde het nog verder en een paar Jan Jacobsgezinden sluiten zich aan bij de Lamisten.


[1654]
De Krijtberg

De Krijtberg heet officieel de Rooms-katholieke kerk van Sint Franciscus Xaverius.
Sinds 1654 wordt er aan het Singel in Amsterdam gebeden en gepreekt in een huis met de naam Crijtberg. Dit huis diende als schuilkerk. Ook na de opheffing van de orde tussen 1773 tot 1814 bleef deze kerk in handen van jezuïeten.
Met de bouw van de huidige kerk werd in 1881 begonnen. De neogotische kerk werd ontworpen door Alfred Tepe en gewijd in 1883. De architect had de opdracht een kerk te bouwen tussen de bestaande grachtenpanden in. De kerk heeft daarom vooral ramen op grote hoogte. Naar achteren toe wordt de kerk steeds breder. Zo werd er op weinig grondoppervlak toch een gevoel van ruimte gecreëerd.

Jezuïeten
Vanaf de oprichting in 1654 tot op heden wordt de Krijtberg bediend door de paters en broeders van de Sociëteit van Jezus. In 1835 werd een nieuwe pastorie gebouwd. In 1857 kwam de nieuwe parochie St. Ignatius tot stand, bestaande uit De Zaaier, toen aan de Keizersgracht, later aan de Rozengracht, als hoofdkerk en De Krijtberg als hulpkerk.
In de pastorie van de kerk was ooit het Roothaan-museum gevestigd ter ere van Jan Philip Roothaan, d
e eerste Nederlandse Jezuïetengeneraal, geboren in de Jordaan. Die kon alleen in vermomming zijn eigen kerk de Krijtberg bezoeken. Roothaan werd in wassenbeeldenkabinetten op de kermis afgebeeld als een monster dat cholera verspreidde.

>meer over Roothaan


[1669]
Amstelkerk

De vroedschap besloot houten preekschuren te bouwen op het Amstelveld en de Oostelijke en Westelijke Eilanden. De bedoeling was de houten kerken zo snel als mogelijk te vervangen door een stenen gebouw. Dat lukte voor de Eilandskerk in 1739, voor de Oosterkerk al in 1671. De Amstelkerk is nooit in steen gebouwd.
De Amstelkerk, is tussen 1668 en 1670 gebouwd als onderdeel van de aanleg van het tweede deel van de Grachtengordel. Het ontwerp is van Daniël Stalpaert.

"het plein of veld aan die Kerk egter groot genoeg te laaten,
om op het zelve, t'eenigen tyde,
eene steenen Kerk te konnen zetten"


De kerk wordt tegenwoordig verhuurd door Stadsherstel Amsterdam, die er ook een kantoor heeft.
Een ander deel is een restaurant met een terras aan het Amstelveld geworden.
De kerk heeft een vierkant grondplan van 28,3 x 28,3 meter, wat neerkomt op 100 bij 100 voet, dezelfde maat als de Oosterkerk die ook door Stalpaert is ontworpen.
In 1840 is de kerk in neogotische stijl verbouwd onder leiding van Hendrik Springer.


[1660]
Quakers

In de Driehoekstraat en later op de Anjeliersgracht kwam een Religieus Genootschap der Vrienden de Quakers bijeen. Het was een groep ondogmatische gelovigen. Het leven en de overgeleverde uitspraken van Jezus vormen een belangrijke inspiratiebron. Quakers geloven dat er iets van God in ieder mens is, wat door ieder mens ervaren kan worden. Zij noemen dat het 'inwaartse licht'. Quakers proberen, vaak met anderen samen, mensen tot elkaar te brengen om verzoening, gerechtigheid en vrede te bevorderen. Een bekende Nederlandse quaker is de schrijver, Jan de Hartog.

[1661]
Onze-Lieve-Heer-op-Zolder

Ons' Lieve Heer op Solder is een voormalige schuilkerk aan de Oudezijds Voorburgwal.
Net zoals vroeger de nabijgelegen Oude Kerk was deze schuilkerk aan Sint Nicolaas gewijd, maar stond bekend onder de namen Het Haantje en Het Hert. De naam Ons' Lieve Heer op Solder dateert uit de 19e eeuw. De schuilkerk heeft meer dan twee eeuwen dienst gedaan totdat de grote nieuwe St. Nicolaaskerk er kwam.
Het huis werd in 1661 gekocht door kousenkoopman Jan Hartman. Hij liet het verbouwen en uit deze periode dateert het fraaie interieur. Het pand staat in de eerste plaats bekend om zijn zolderkerk, gebouwd over de volle diepte van de zolders van het huis aan de Oudezijds Voorburgwal en het daarachter gelegen huisje in de Heintje Hoeksteeg. In de zolder van het woonhuis is een rooms-katholieke kerk gebouwd. De kerkgangers kwamen binnen via een ingang aan het naast het pand gelegen steegje.
Oudezijds Voorburgwal 40 lijkt een gewoon grachtenhuis. Aan de puibalk is te zien dat het pand 17e eeuws is. Bijzonder is dat er aan de voorgevel geen hijsbalk zit. Aan de zijgevel, in de Heintje Hoeksteeg, is een hijsinstallatie, een windkast, die vaak bij pakhuizen wordt gebruikt. In de steeg valt op hoe diep het pand is.

In 1888 is het als museum ingericht.


[1664]
Pestepidemieën
Amsterdam groeide van 30.000 inwoners in 1585 tot 115.00 inwoners in 1630.
In de jaren daarna woedden enkele pestepidemieën die duizenden slachtoffers maakten.
Er heerst een epidemie met 34.000 doden.
Voeg hierbij de Engelse zeeoorlogen en de voortdurende armoede van het gewone volk tijdens de Gouden Eeuw en het is duidelijk dat er grote aantallen wezen moesten worden gehuisvest.

Kruidentuin
Kruiden waren, als basis voor medicijnen, van levensbelang. In de Hortus bekwaamden artsen en apothekers zich in de receptuur. De Hortus is als een medicinale kruidentuin door het Amsterdamse stadsbestuur opgericht.
Het eten van sla en spinazie werd afgeraden
De ziekte was sinds 1450 zevenendertig keer voorgekomen. Zo stierf rond tussen 1602 en 1636 meer dan 10% van de bevolking. Bedrijfjes gingen failliet omdat de werknemers niet meer kwamen opdagen.
De kosters hadden grote moeite om de begrafenisdrukte in de kerk in goede banen te leiden.
De jaarlijkse kermissen werden door de burgemeesters verboden. De betere stand vluchtte naar buitenplaatsen rond Amsterdam.


[1678]
Luthers Weeshuis De Laurier



In 1678 wordt weeshuis De Laurier op de gracht gevestigd in een reeds bestaand pand. Het is in de achttiende eeuw meerdere keren uitgebreid. De huidige voorgevel is uit 1757. Tegelijkertijd is een dwarsvleugel met regentenkamer gebouwd.
Het gebouw is een schenking van de Lutherse koopman Jan Geerkens. Het heeft een hoofdgebouw en twee losstaande vleugels op het binnenterrein. Op die manier konden de jongens en meisjes in het weeshuis worden gescheiden. In het weeshuis werd onderwijs gegeven. Weesjongens worden als werkjongens bij ambachtslieden in de leer gedaan. Meisjes moeten in de huishouding werken. In het weeshuis is een bakkerij die ook het brood bakt voor uitdeling aan de armen. Vanaf 1783 is er een apotheek en een schoenmakerswinkel aan het weeshuis verbonden.
Het weeshuis had, net zoals het Jongensweeshuis aan de overkant, last van weesjongens die op alle mogelijke manieren aan geld voor drank probeerden te komen. Het was daarom banken van lening verboden geld aan weeskinderen uit te lenen.


Binnenplaats Luthers Weeshuis /
De dienstingang van de Koloniale Reserve werd ook gebruikt door de stadshondenmepper


Van weeshuis tot militair logement

Als alle wezen vertrokken zijn wordt het gebouw voor uiteenlopende opmerkelijke bestemmingen ingericht.
In 1811 wordt het gebouw door de Franse bezetter gevorderd om als hospitaal voor de Franse troepen te dienen. De 141 wezen verhuizen noodgedwongen naar het Oude Mannen- en Vrouwen huis van de Lutherse Diaconie aan de Nieuwe Keizersgracht.
Tussen 1881 en 1930 is er een logement voor doortrekkende officieren van het KNIL.

Het weeshuis heeft tot 1930 ook als politiebureau gediend. De agenten van dat posthuis speelden een rol in de strijd tussen het gezag en de socialisten.
Na een protestvergadering van het Werklozen Comité aan de Lauriergracht breken onlusten uit. Het is bekend als het Jordaanoproer van 4 juli 1934. Tegenstanders van de NSB demonstreren tegen de verlaging van de werkloosheidsuitkering.
Na de oorlog werden in het voormalig weeshuis leden van de NSB, velen getrouwd met een Duitse vrouw, met gezin en al vastgezet. Voor de deur stond een militair met een geweer op wacht. Vreemd genoeg werden er ook 'goeie' Nederlanders, die in Duitsland gewerkt hadden, tijdelijk gehuisvest.

Verschillende functies

De veteranen uit het eerste Comité Zuid-Afrika Stella Hilsum,
Ed van Thijn en voorzitster Conny Braam
waren, samen met andere leden van het AABN, vauit hun kantoor in het weeshuis aan de Lauriergracht 'live' getuige van Mandela's vrijlating op 11 februari 1990.
Een andere bewoner was Nederlands Palestina Komitee [NPK], een onderdeel van een mondiale beweging tegen uitbuiting, onderdrukking, discriminatie en racisme.

Het gebouw is een tijdje een jeugdhotel geweest en er werden ook drugsgebruikers opgevangen. Het herbergt een aantal kleine zelfstandige bedrijfjes. Er was een kantoor van Spirit, een instelling voor opvang van jongeren.
Stadsdeel Centrum is de eigenaar van het pand en wil er na de restauratie opnieuw kleine bedrijven in huisvesten.

Waterkelders
Tijdens het restaureren van de fundamenten van het weeshuis zijn in 2010 unieke waterkelders aangetroffen. Architectuurhistoricus Pieter Vlaardingerbroek, van Bureau Monumenten is enthousiast over de vondst. In Amsterdam waren veel kleine waterkelders, onder meer onder woonhuizen. Maar zelden verkeren ze in goede staat. Deze twee waterkelders konden ieder honderdduizend liter bevatten. Alleen onder het Burgerweeshuis en het Maagdenhuis zijn vergelijkbare waterkelders. Meestal zijn dan delen ervan gesloopt en ontoegankelijk. In het Stadsarchief bevinden zich veel gegevens, in wat er de lutherse dozen worden genoemd. Tekeningen vermelden wie aan het weeshuis hadden gewerkt. Eén van de twee waterkelders stond erop. De rechter niet, maar die is nu dus teruggevonden.
Waterkelders werden vooral gebruikt om er zeker van een geregelde watervoorziening te zijn.


[1670]
Lutherse Diaconie



Luthers Diaconiehofje genaamd het Konijnenhofje

In de tweede helft van de zeventiende eeuw zijn er plannen om op de hoek van de Lauriergracht een tweede Lutherse kerk te bouwen. Na veel gedoe wordt echter besloten om de Ronde Lutherse kerk aan de kop van de Singel te bouwen en de grond op het Konijnenerf krijgt een andere bestemming.
De Lutherse diaconie koopt in 1656 de helft van het erf compleet met de daarop getimmerde bouwsels voor fl.7700,- om er Armenhuisjes op te bouwen.
Oorlog en de zwarte pestilentie zorgde voor een crisis waarin ouden en gebrekkigen geraakten.
Het eerste Lutherse diaconiehofje werd in 1670 daadwerkelijk gebouwd en krijgt de naam Konijnenhofje. Het hofje raakte met de 16 huisjes snel overbevolkt. Er was geen bleekveld.
Alles bij elkaar telde men 51 behuizingen met elk twee bedsteden voor twee vrouwspersonen.
Die kregen verzorging als ze ziek waren en 's winters levensmiddelen. Verder moesten ze voor zichzelf zorgen. Als ze zich maar zedelijk en godsdienstig gedroegen.
Op een grote steen wordt een spreuk gebeiteld. Nieuwbouw heeft de hofjes in de Konijnenstraat verdrongen.

Geloov en Hoop doen hier haar milde gaaven blyken.
De Lievde voed de Vreede en koestert arremoe.
Opregtigheit blinkt uyt, de Waarhyd yuygt ons toe:
So kan Stantvastighyd met Overwinnig pryken.


[1671]
De Oosterkerk

Een van oorsprong Nederlands Hervormde kerk aan de Wittenburgergracht. De kerk is gebouwd in de periode 1669-1671 naar een ontwerp van architect Adriaan Dortsman met medewerking van Daniël Stalpaert.
In 1659 is door het vroedschap van Amsterdam besloten om twee kerken te bouwen, de Oosterkerk en de Eilandskerk. Beide houten gebouwen zouden in de toekomst door stenen kerken worden vervangen. De oude Oosterkerk is later vervangen door een stenen kerk, echter niet op de oorspronkelijke plaats op het Rapenburg maar op Wittenburg.
De plattegrond is een vierkant, door pijlers met bogen verbonden, verdeeld in een gelijkarmig kruis.
De kerk werd in 1963 wegens bouwvalligheid werd gesloten.
In 1969 kwam de Oosterkerk in bezit van de gemeente Amsterdam en werd de kerk grotendeels in historische staat hersteld. Vóór de restauratie had de gemeente overigens plannen om de kerk te slopen als onderdeel van het grootschalige stadsvernieuwingsproject. Door optreden van de buurtbewoners is dat uiteindelijk niet gebeurd.
Sinds 1985 wordt de kerk gebruikt door instellingen op sociaal en maatschappelijk gebied.


[1671]
R.K. Joannes en Ursulakapel



Begijnhofkapel / interieur van de kapel in 1929.

De begijnen bouwen tegenover hun oude kerk op nr.29 in twee huizen een schuilkerk: de enige echte Begijnhofkapel. Het is een levende plek van de katholieke gemeenschap gebleven bekend als de Nieuwe Heilige Stede. Officieel is het een parochiekerk, gewijd aan St. Joannes en Ursula. De kerk heeft haar in en uitgang naar het Begijnhof via een portaal dat een kopie is van het oorspronkelijke portaal dat stond in de Wijde Kapelsteeg als onderdeel van De Heilige Stede [1345-1909] aan het Rokin.

Als een woonhuis

De gevel van de Begijnhofkapel is min of meer in de vorm van een woonhuisgevel met empire vensters gebouwd. De kapel wordt door Toscaanse zuilen in drie beuken verdeeld. De twee buitenste hebben galerijen. Het hoofdaltaar heeft gemarmerde Corinthische zuilen en een schilderij dat de Hemelopneming van Maria voorstelt. [Nicolaas Moeyaert 1649]. Een wijziging aan het altaar heeft in 2000 plaatsgevonden, nadat de verloren gewaande "Maria Tenhemelopneming" op een veiling in Amerika werd teruggevonden. Ook de twee zijaltaren hebben schilderijen van Nicolaas Moeyaert, Links "De Kruisiging" en Rechts "De geboorte van Christus" Er is een notenhouten Rococo preekstoel uit 1757 met trapje.


[1672]
De Papegaai


Het is een voormalige schuilkerk die werd gebouwd in de tuin van het huis van een vogelhandelaar aan de Kalverstraat, vandaar de naam. In 1672 werd het huis als rooms-katholieke statie ingericht.
Omstreeks 1710 werd het op kosten van het R.C.Armenkantoor verbouwd tot een huiskerk met drie beuken en galerijen. Toen het rooms-katholicisme in Nederland geleidelijk weer openlijk beleden mocht worden, kon de huiskerk in 1848 vervangen worden door een nieuw en volwaardig kerkgebouw.
De kerk werd gewijd aan de Heilige Jozef maar bleef toch beter bekend onder de naam De Papegaai.
Eerst was het een filiaal van de Franse kerk aan de Nieuwezijds Voorburgwal die aan de Heilige Petrus en Paulus was gewijd. Toen de Franse kerk in 1911 werd opgeheven, kreeg De Papegaai de status van parochiekerk, nu met de Heilige Petrus en Paulus als patroonheiligen.
Voor het publiek is de kerk een welkom rustpunt in de drukste winkelstraat van de stad.


[1673]
RK Jongensweeshuis



Bezoek van kardinaal van Rossum aan het Jongensweeshuis aan de Lauriergracht.
Bij dergelijke gelegenheden kwamen ook de meisjes uit het Maagdenhuis opdraven.

Sinds 1632 was de armenzorg in handen van een aantal vermogende personen die de 'Beurs voor Catolijke Armen' beheerden. Er wordt in een gehuurd huis in de Weesperstraat, 'naest den soeten invall', een aantal weesjongens ondergebracht.
Na een speciale inzameling, een 'ommegangh met sackies', had men een kapitaal van 3459 guldens en 3 stuyver werkkapitaal bijeen. Al eerder kwam er geld beschikbaar uit de nalatenschap van de teerkoper Hendrik IJsbrands.
Vooral is Maria Magdalena Gravin Moens de weldoenster die geld voor de stichting van het weeshuis doneert. Zij kent weeshuispastoor Offermans, die ook kerk 'de Duif' aan de Prinsengracht gesticht heeft. Het is uitgegroeid tot een groot en rijk Jongensweeshuis.

[1682]
Paaps weeshuis
Het katholieke initiatief was niet naar de zin van de Gereformeerde Kerckeraad. Die beklaagde zich dat er een soort Paaps weeshuis in de Weesperstraat was. De Papisten worden door de Burgemeester op het matje geroepen. Ze krijgen te horen: "sulks is in deze stad niet te dulden", maar ze worden stilzwijgend gedoogd want de weeskinderen moesten toch ergens heen.
Een jaar later bleek dat er schooljongens en zogenoemde werkjongens al naar de Lauriergracht verhuisd waren. Dat gebeurde zonder enige ruchtbaarheid en tot ongenoegen van de Gereformeerden.

Wegens plaatsgebrek had men namelijk besloten de oudere weesjongens, de zogenoemde werkjongens, bijeen te brengen in een gebouw samen met de schooljongens.
Dit samen wonen bleef zo door bijna drie eeuwen heen, met dien verstande, dat met een nadrukkelijke samenvoeging van de leefwijze van werk- en schooljongens rond 1680, steeds meer werkjongens bij pleeggezinnen of familie buiten het weeshuis geplaatst werden. De leefwijze van de jongens die dagelijks buiten het weeshuis in contact kwamen met de werkelijkheid van hun bestaan, had teveel negatieve invloed op de discipline van de andere jongens.

Het weeshuis is aan de Lauriergracht gebouwd, op de plek waar het pakhuis Venetië en de verffabrieken De Blauwselmolen en De Indigo's Ton stonden. Deze panden waren eigendom van schepen De Vroede. Hier werden in 1685 door de Gereformeerde Kerkenraad de Paapse ongeveer 130 weesjongens opnieuw 'ontdekt'. Die konden moeilijk weggestuurd worden als een lid van het stadsbestuur zelf de panden beschikbaar stelde.
Op de plek van de drie panden aan de gracht kon het weeshuis zich rond een binnenplaats uitbreiden, zonder dat er aan de buitenkant, behalve een saaie muur, iets van te zien was.

Verdoolde schapen
Na de bouw van de kapel op een verdieping bovenop die muur, waren er drie deuren nodig. De huiskapel mag niet door de wezen gebruikt worden omdat er een kerkscheuring gaande is. Het weeshuis komt in handen van een Jansenistische priester. De weeskinderen worden als 'verdoolde schapen' van de ene kerk naar de andere gestuurd.
Men wilde voorkomen dat 'de weeskinderen herwaarts en derwaarts ter kerke moetende gaan, aan haarzelven en haar eigen bestiering overgelaaten moeten worden en geene behoorlijke moreele educatie kunnen genieten' Daarom laten de regenten op de zolder, boven de ingang, een kapel bouwen die alleen voor het weeshuis zal zijn. Ze stellen een rekest aan het stadsbestuur op om zelf een pastoor aan te mogen stellen. Dat werd Joannes Andreas Offermans, een vertrouweling van Gravin Moens.


Het zijn onrustige jaren 1788. Het was de tijd van de inval van de Pruisische troepen en het herstel van Stadhouder Willem V in zijn functies. Buiten de muren van het weeshuis zijn er de tegenstellingen tussen de Patriotten en de Oranjegezinden.
meer over het Jongensweeshuis


[1686]
De Mozes en Aäronkerk


De Mozes en Aäronkerk toen het Waterlooplein nog niet gedempt was

De Mozes en Aäronkerk, op het Waterlooplein, officieel de R.K. kerk Sint Anthonius van Padua, is ontstaan uit een schuilkerk. Deze werd bediend door paters Franciscanen en was gevestigd in een huis aan de Jodenbreestraat. In 1649 werd gekerkt in het huis "Moyses", ter hoogte van de huidige kerk. Kort daarna werd ook het aangrenzende huis "Aäron" aan de Houtgracht erbij getrokken. In 1686 werd een grote kerk gebouwd die in 1759 verfraaid werd, zowel van binnen als van buiten.
Het huidige gebouw verrees tussen 1837 en 1841 in de stijl van het neoclassicisme.
Het barokke hoofdaltaar uit circa 1700 is afkomstig uit de oude schuilkerk en bevat een schilderstuk van Jacob de Wit.


[1696]
Schoristen / Aanhangers van Jean de Labadie
De aanhangers van Jacobus Verschoor, de zogenoemde Schoristen, kwamen bijeen in een huisgemeente aan de Rozengracht. Verschoor was een voorstander van het beoefenen van wetenschap en Hebreeuws leren inplaats alleen in de Bijbel te lezen. Dat was de reden dat hij beschuldigd werd van Socinianismus en Spinozismus. Men vond hem wel een voorbeeldig mens, maar beschuldigde hem wel van het strooien en kweken van zaden van seperatisme.

Labadisten
Aanhangers van Jean de Labadie werden gesignaleerd. Dat was een voormalige jezuiet die zich beklaagde over de heersende lauwheid, vooral bij de middenstand, de kern des volks. Vandaar dat hij zich in zijn preken op een eenvoudige wijze op het gevoel van zijn toehoorders richtte. Hij eiste wel dat door regelmatige huisoefening de verslapte kerktucht met strengheid gehandhaafd zou worden. Er kwam natuurlijk scheuring van en hij werd uiteindelijk uit Zeeland verdreven en kwam in 1669 met vrienden in Amsterdam aan. De staatsman van Beuningen was met hem ingenomen en snel had hij een grote woning met een ruime zaal, die hij nieuwe kerk noemde, een afzonderlijke gemeente van labadisten. Er werd bij de Amsterdamse regering geklaagd en Labadie vertrok naar Duitsland. Labadie zal altijd wel een zonderling verschijnsel in de geschiedenis van de hervormde kerk en de broedertwisten zijn.


[1723]
Oud bisschoppelijken, de Jansenisten

Wrijvingen tussen de opvattingen van seculieren en regulieren zijn geen uitzondering. Veel priesters uit vooraanstaande families zijn aanhanger van Cornelius Jansenius. In Amsterdam kiezen ze op eigen houtje Cornelis Steenoven als aartsbisschop van Utrecht.
Het Jansenisme is een spirituele beweging die haar achterdocht jegens de wereld nog al eens wordt ingewreven. De absolute monarchie had afgedaan en moest plaats maken voor een meer democratische staatsvorm. In het spoor van Augustinus wilden de jansenisten ruimte maken voor een mystieke geloofsbeleving die het christelijk geloof met het leven verbindt. Zo zochten de jansenisten naar een oprechte beleving van de sacramenten en dat leidde vaak tot een zeer strakke vroomheid.
Dat was ook zo wat betreft de persoonlijke verantwoordelijkheid op het morele vlak. Van de kerk mag de gelovige voldoende aanbod verwachten om zich te kunnen oriënteren op de culturele en maatschappelijke orde van alledag. De kerk moet een stimulerende rol te spelen om mensen in staat te stellen een persoonlijke en gelovige houding ten aanzien van een en ander te ontwikkelen.


[1756]
Aardbeving



Simon Fokke / Oude Lutherse Kerk 18 februari 1756

Op 18 februari werd in de Oude Lutherse kerk tijdens de dienst een lichte aardschok gevoeld.
De kroonluchters slingerden aan het plafond, iedereen vluchtte weg. Was dat de straffende hand van God? Op die dag was die schudding in heel Nederland te voelen. Torens zwaaiden heen en weer en de klokken begonnen uit zichzelf te luiden.

[1764]
Russisch Orthodoxe Kerk


Inwijding Russisch-orthodoxe kerk

Al in de achtiende eeuw krijgt de Grieks Orthodoxe Gemeenschap van de overheid toestemming om een eigen liturgie te mogen vieren. De eerste kerkdienst vindt plaats op de zolder van een pakhuis. De gelovigen zijn voornamelijk Griekse en Russische zeelui. In 1764 is er een eigen kerkgebouw gewijd aan de heilige Katarina aan de Oudezijds Voorburgwal. De schenkingen komen van de Russische prinses Anna Paulowna. Als die sterft moet de kerk in 1867 de deuren sluiten.

De Amsterdamse Russisch-orthodoxe parochie is in 1974 opgericht door Russische, Servische en Nederlandse Orthodoxe christene onder anderen door Alewijn Voogd (vader Alexis) en zijn vrouw Tatiana. De Servische monnik Janko is de voorganger.
Vanaf het begin had de parochie een multicultureel karakter en werd de eredienst in twee talen, het Kerkslavisch en Nederlands, gehouden. Vandaag de dag heeft de parochie enkele honderden leden met ruim twintig nationaliteiten.
Achtereenvolgens heeft de parochie ruimtes gebruikt aan de Prins Hendrikkade bij de Nikolaaskerk, de Utrechtsedwarsstraat in de kapel van De Duif.
In 1995 brachten de parochieleden de middelen bijeen om het gebouw “Emmanuel” in de Kerkstraat te kopen.

[2006]
Tichelkerk



Gebouwd als kloosterkerk van de Minderbroeders Kapucijnen aan de Lijnbaansgracht
Ten gevolge van het teruglopende aantal broeders moest het klooster in 2004 de deuren sluiten. De wens van de kloosterorde om de kerk voor de christelijke eredienst te behouden werd vervuld toen met de Russisch-orthodoxe parochie een overeenkomst kon worden gesloten.

Kerk van de Russisch-orthodoxe parochie “heilige Nikolaas van Myra”
De Tichelkerk is nu de nieuwe kerk van de Russisch-orthodoxe parochie Heilige Nikolaas van Myra heeft de Russisch-orthodoxe bisschop van Nederland en België heeft de nieuwe kerk gewijd. Aartsbisschop Simon [Ishoenin] voltrok de kerkwijding precies elf jaar na de wijding van de vorige kerk van de parochie. Aan de plechtigheid namen tien priesters, drie diakenen en enkele honderden leden en belangstellenden deel. Onder hen waren ook vertegenwoordigers van o.a. het Bisdom Haarlem, de Minderbroeders Kapucijnen, de Grote Nikolaaskerk, de Koptische Kerk, de Oudkatholieke Kerk, de Raad van Kerken in Amsterdam en de Katholieke Vereniging voor Oecumene. Bij de receptie was ook de bisschop van Haarlem, mgr Punt, aanwezig.
In de Orthodoxe Kerk omvat de kerkwijding het oprichten van een altaar, het zegenen van de kerkmuren met myron [chrismaolie], het plaatsen van relieken in het altaar en het wijden van de altaarkleden. Aangezien het altaar uit de vorige kerk was meeverhuisd, beperkte de viering in de Tichelkerk tot het wijden van de altaarkleden en de muren en het plaatsen van nieuwe relieken. Ook de vroegere altaarsteen van de Tichelkerk berust onder het altaar van de kerk.


[1765]
Uilenburger Synagoge


Aan het einde van de 17de eeuw vestigden vele joden zich op het eiland Uilenburg, vooral de grote groep uit Duitsland, Polen, Rusland en Midden-Europa, de asjkenazim of Hoogduitse joden, die arm en berooid in Amsterdam aankwamen.
Al op 2 september 1724 was op deze plaats een huissynagoge ingewijd.

Deze synagoge voor de asjkenazim was oorspronkelijk vanaf de Uilenburgerstraat bereikbaar via een gang. Pas in 1906 ontstond door de sloop van enkele huizen het huidige voorplein.
De statige voorgevel heeft een iets vooruitspringende middenpartij met centrale ingang met klassieke omlijsting.

Interieur na restauratie
De synagoge heeft een traditionele indeling en ruimtelijk concept.
De eigenlijke synagoge of "sjoel" bevond zich in de driebeukige bovenruimte met houten tongewelven, gedragen door zuilen. De lange galerijen lopen voor de vensters langs. De galerij boven het trappenhuis, achterin de ruimte, was voor vrouwen bestemd. In de tweebeukige ruimte op de begane grond werden twee bruiloftslokalen ingericht. Van 1791 tot 1808 was er één in gebruik als Poolse sjoel. In 1889 werd een deel van de benedenruimte bestemd tot rituele slachtplaats voor gevogelte.

De inventaris met hechal [arke, bewaarplaats voor de Torarollen in mantels], teba of bima [spreekgestoelte] en ner tamied [de eeuwige brandende lamp] is in de oorlog verloren gegaan.
Boven de arke was de tekst geschreven: Ik stel mij de Eeuwige altijd voor ogen.

De imposante kroonluchter is afkomstig uit de Westerkerk.


Na een restauratie in 1954 betrok een restauratieatelier onder leiding van Hans 't Mannetje de voormalige synagoge. Het atelier was opgericht door het Bureau Monumentenzorg, Diogenes en Stadsherstel, en richtte zich zowel op de restauratie van materialen, de technieken van de oude bouwambachten, als op het vervaardigen van gevelstenen. De voormalige synagoge dient sinds 1988 als Nationaal Restauratie Centrum.


[1795]
Scheiding kerk en staat

Hoewel de Bataafse omwenteling van 1795 in Nederland geleid heeft tot een scheiding van kerk en staat, werd niet duidelijk hoe die verhouding feitelijk is. Zal de staat zich op geen enkele wijze met de kerk heeft te bemoeien?
Voordien was er sprake van een ‘bevoorrechte kerk’, namelijk de Gereformeerde- later genoemd de Hervormde Kerk. Die mogen met klokgelui oproepen tot gebed. De kerk werd uit publieke middelen bekostigd, de instandhouding ervan werd door de overheid gezien als openbaar belang.
Met de omwenteling van 1795 werd het beginsel van gelijkheid van de verschillende godsdienstige gezindten aanvaard. De kerkelijke goederen en fondsen werden nationaal verklaard. Het was de bedoeling dat na een overgangsperiode van drie jaar de opbrengst zou worden bestemd voor armenzorg en opvoeding.


[1796]
De Duif

De Duifkerk is een monumentaal kerkgebouw aan de Prinsengracht nummer 756 in Amsterdam.
Het gebouw werd als Rooms-katholieke St. Willibrorduskerk gebouwd.
Op deze plaats stond vroeger de suikerfabriek Het Fortuyn. Toen deze afbrandde, werd de nieuwe Duifkerk gebouwd ter vervanging van het eeuwenoude schuilkerkje Het Vrededuifje aan de Kerkstraat.

De geschiedenis van haar parochie neemt haar aanvang in 1671. In dat jaar bouwde meestertimmerman Gijsbert Pietersz. een schuilkerk tegen de achtergevels van wat panden die hij bezat in de Kerkstraat. Door de Alteratie in 1578, was Amsterdam veranderd in een protestantse stad. De katholieken mochten hun geloof niet meer openlijk uitoefenen.
Pietersz. had zijn plan zorgvuldig uitgedacht. Hij bezat ook de panden aan de Keizersgracht, waarvan de achtertuinen uitkwamen op de huisjes aan de Kerkstraat. Hierdoor werd de schuilkerk voor buitenstaanders aan het oog onttrokken. Een pandje in de Kerkstraat met een vredesduif als gevelsteen verleende toegang tot de kerk die gauw bekendheid kreeg als het Vrede-duifje. In 1795 werd met de intocht van de Franse troepen in Nederland de godsdienstvrijheid hersteld.
Al in 1796 bouwden de Duifparochianen een kerk aan de Prinsengracht. Het werd de eerste katholieke kerk aan de openbare weg sinds de Alteratie. Ze werd gewijd aan de Heilige Willibrordus, maar bleef de naam Duifkerk houden.


[1815-1865]
Reveil, doleantie, afscheiding en reformatie



Willem Bilderdijk (1756-1831)

Letterlijk betekent Reveil ontwaken. Het was een tijd van een ronduit krenterige diaconie, een zogenaamd 'soepcomité' van rijke mensen. De welgestelde dames hebben niet veel omhanden en gaan zich binnen het Reveil praktisch bezig houden met bestrijding van alcoholisme, het stichten van tehuizen voor verwaarloosde kinderen en ongehuwde moeders en vooral met hun eigen positie als vrouw. De zondigheid wordt door een minder somber mensbeeld vervangen. Die geest van verlichting stuit vanzelfsprekend op verzet in de Gereformeerde kerk en dat leidt later tot de 'dolende kerk', de Doleantie onder leiding van van Abraham Kuyper.

Bilderdijk
De geestelijke vader van de Reveilbeweging is Willem Bilderdijk, maar het werd pas echt een succes toen de zondagavondbijeenkomsten bij Isaac da Costa op de Rozengracht plaats vonden. Die bijeenkomsten waren het begin van de Afscheiding van 1834.
Het was geen kerkelijke beweging en Reveil kwam nogal aristocratisch over. Een 'Vergadering van Christelijke Vrienden'.
Bilderdijk was een zonderling en een genie. Hij leed aan allerlei suizingen en pieptonen in zijn hoofd. Had veel hoofdpijn en moest door een beenvliesontsteking in zijn jeugd tien jaar thuis zitten. Zo leerde hij zichzelf lezen en schrijven en ontwikkelde zich later tot een groot schrijver en jurist. Hij was Orangist in een tijd waarin het in hoge kringen niet gebruikelijk was om prinsgezind te zijn. Hij verdedigde Kaat Mossel, een prinsgezinde visverkoopster die openlijk voor haar oranje gevoelens uitkwam. Biilderdijk werd verbannen toen de Fransen kwamen. Toen hij in 1806 weer terug mocht komen kwam hij bij
koning Lodewijk Napoleon in een goed blaadje te staan en probeerde hij hem Nederlands te leren. Die had het vaak over zichzelf als 'Ik, uw konijn', vandaar.

Da Costa
De andere voorvechter, Isaac da Costa (1798-1860)
was een bekeerde jood uit een welgestelde bankiersfamilie. Als dichter en historicus richtte hij het tijdschrift Nederlandsche Stemmen op. Maar men had het niet zo op met zijn maatschappijkritiek. De politie noteerde de namen van de bezoekers van zijn bijeenkomsten. Iedereen mocht alles schrijven over de kerk, behalve over schuld, zonde en oproep tot bekering. Da Costa werd in christelijke kringen gemeden alsof hij een melaatse was.

De Clerq
Dan was daar
Willem de Clercq (1795-1844) Ook een schrijver en dichter. Hij was een afstammeling van een Gentse emigrantenfamilie. Vanaf zijn vijftiende werkte hij in de graanhandel. In 1824 werd hij secretaris van de pas gestichte Nederlandse Handelmaatschappij en zelfs directeur van die maatschappij. Hij was doopsgezind maar werd in 1831 lid van de Waals-Hervormde gemeente.
De Clercq medewerker van het Tijdschrift Nederlandsche Stemmen.
Zijn invloed in de Reveilbeweging is groot geweest, vooral door zijn bezielende persoonlijkheid.
Aanvankelijk was hij een aanhanger van een 18de-eeuws gekleurde zedelijke braafheidreligie, maar na zijn kennismaking met Da Costa, die leidde tot een vriendschap voor het leven, werd hij een vurig belijder van de nieuwe ondogmatische gevoelsreligie, die kenmerkend is voor het Reveil.

Groen van Prinsterer

De politicus Groen van Prinsterer was ook een volgeling van Bilderdijk. Hij kwam uit een Waals-Hervormd gezin. Hij studeerde in Leiden samen met Thorbecke en werd secretaris van het kabinet van de koning in Brussel. Daar leerde hij de Reveil predikant J. H. Merle d’Aubigny kennen.
Ondanks hun waardering er voor zijn Da Costa en Groen van Prinsterer nooit met de Afscheiding meegegaan. Ze vonden dat de Hervormde kerk wel ziek was, maar dat je die binnen het instituut zelf moest hervormen.
De Afscheiding begon weliswaar in Ulrum, Friesland, maar de rechtlijnigheid was wel aantrekkelijk voor de Amsterdamse conventikelgangers. (Een conventikel is een bijeenkomst om geestelijke zaken uit te wisselen.)

Scholtianen
De ambten werden ingesteld en men vroeg Ds. Hendrik Pieter Scholte in 1835 naar Amsterdam te komen om een afgescheiden gemeente te institutioneren. De eerste Afgescheide Gemeente was aan de Bloemgracht.
Scholte werd gevraagd omdat hij in de Jordaan geboren was en bijeenkomsten van Da Costa aan de Rozengracht bezocht. De Clercq en Da Costa waren niet blij met de afscheiding, maar toen de vervolgingen op grond van een oud Napoleontisch wetsartikel
begonnen, werden ze milder.
De Amsterdamse deurwaarder J.A. Wormser, vocht halverwege de 19e eeuw tegen lakse, liberale en buigzame dominees, maar ook tegen strakke rechtzinnigen. Hij ging eerst niet mee in de afscheiding. Maar in 1836 ging de groep rond Wormser over tot de afgescheidenen. Scholtianen werden ze genoemd. Als je als arbeider bij de afgescheidenen ging verloor je daarmee soms je baan en winkeliers raakten klanten kwijt. Wormser had er geen last van. Het was een vreemde kerk waar Wormser samenkomsten hield. Het was een Vereniging van Gelovigen, in het begin zonder naam, zonder gebouw, zonder kerkenraad, niet bedacht maar gewoon ontstaan door het opvolgen van Gods Woord.

Wormser was ouderling en leidde diensten en studieavonden. Hij was echt een man van het Reveil, goed thuis in de Schrift en de belijdenisgeschriften, een christelijke bouwer zowel kerkelijk als sociaal. De diensten werden goed bezocht. De grote meerderheid van de afgescheidenen in Amsterdam was mystiek-bevindelijk voor de bijbelkennis van Wormser.
Het blad De Reformatie werd opgericht.

De afgescheiden gemeente was, bij het aantreden van de Wormsers in 1836, ongeveer 350 zielen groot. Volgens de Hervormde kerkenraad waren het maar 70 personen, want die gaven graag een ongunstig beeld over de afgescheidenen.
Een jaar eerder was al ten huize van makelaar Obbes, aan de Bloemstraat 129, een afgescheiden gemeente opgericht door dominee Scholte.
Zij verwierven een pakhuis de Bloemgracht om als kerk in te richten. Er werd een groot gat in het plafond gemaakt waardoor een ruime galerij ontstond en het preken kon beginnen.
In dit zelfde huis was dominee van Velzen geboren. Het was eigendom van de steenrijke weduwe van Zeelt die het aan de afgescheiden gemeente schonk. Vrouwe Johanna Judith Zeelt (1780-1864) woonde op de buitenplaats Postwijck in Baambrugge en gaf tijdens haar leven veel financiële steun aan de in 1834 ontstane Afscheiding. Ook aan het Christelijk Gereformeerd Seminarium.


Alle afgescheiden predikanten preekten in de kerk op de Bloemgracht. Soms duurde een dienst wel drie uur lang. Scholte, die voor de vuist weg preekte, had zelfs een keer bijna 600 kerkgangers onder zijn gehoor.

Aan het stadhuis moest gemeld worden als er kerkdiensten met 346 ingeschreven personen gehouden zouden worden. Dan werd er werd toestemming verleend. Dat gebeurde meerdere keren.

Godsdienstige onverdraagzaamheid
De vrijheid in hun kerk duurde niet lang. Als men er na verloop van tijd van afzag om de diensten steeds aan te vragen, werden de bijeenkomsten prompt verboden als er meer dan 20 personen in het huis bijeen waren. De politie kwam vaak langs en kerkgangers moesten, van tevoren opgehaalde, toegangsbewijzen tonen. Soms werden de diensten wreed verstoord doordat er stenen werden gegooid. Er raakten dikwijls kerkgangers gewond, zonder dat de politie er iets aan deed. De kerkgangers moesten zich vaak een weg banen door een woedende menigte wegens hun afvalligheid. Er werd verteld dat een keer een afgescheiden meisje zelfs ontkleed was. Ook zouden meisjes door ingekwartierde soldaten onteerd zijn, ze werden zwanger en kregen een 'soldatenkind'.

Een G op de deurpost

Het bleek dat afgescheiden voorgangers géén sacramenten mochten bedienen.
Dit moest dus in het geheim bij iemand thuis gebeuren. Als dat bekend werd volgden boetes, tot wel fl.2000,- toe. Na elke boete werd er een speciale rondgang gemaakt langs de gelovigen en iedereen tastte dan maar weer diep in de beurs.
Er werd beweerd dat op de deurposten van de huizen van alle afgescheidenen een grote G van Gereformeerd aangebracht was, zodat ouderlingen die 's avonds op huisbezoek gingen langs de onverlichte grachten de weg konden vinden.
Vroeger was dat ook gebruik in de Hervormde kerk. Zie de L van lidmaat op de deurposten van het Rapenhofje aan de Palmgracht.

Licht in de Jordaan
Onkerkelijk
, zo noemde Wormser activiteiten die individueel ontsproten waren en niet uitgingen van de kerk. Hij doelde op het overigens goede werk dat ds. Jan de Liefde deed in de Amsterdamse achterbuurten.
Het licht kwam in de Jordaan. Samen met een ouderling staat hij daar, op een van de vele bruggetjes in de Jordaan: de Reveilprediker Jan de Liefde. Rondom geschreeuw van de straathandelaren en een doordringende vislucht. Verwaarloosde kinderen rennen rond. Een beeld van grauwheid en verval.
"Hoe zouden we Christus kunnen brengen in deze duisternis?". Dominee laat er geen gras over groeien. Hij stapt op een vrouw af die haar viskisten aan het schoonmaken is en vraagt of hij in haar huis bijbellezingen mag gaan houden. De volgende avond zitten in de woning van vrouw
Schouten vijf arbeidersvrouwen en een blinde orgeldraaier te luisteren naar zijn 'preek'. Zo begonnen in 1859 de Bijbellezingen waaruit de De Vereeniging tot Heil des Volks ontstond.

Verbreiden van de Waarheid

Er was ook een groep, opgericht door Theodorus Matthijs Looman, die genaamd was Vereeniging tot Verbreiding der Waarheid.
Die bestond uit hervormden die toch niet geheel wilden breken met de kerk. Ze vatten taken op die de kerkenraad liet liggen, zoals evangelisatie onder armen, een bibliotheek voor het gewone volk, brei- en naaischolen voor arme meisjes en een zondagsschool.
Even was er sprake dat er samensmelting zou komen tussen deze groep en Wormser. Maar verrassend genoeg vond Wormser deze groep te weinig kerkelijk. Wormser had een ideaal beeld over de taak van de kerk. Hij wilde het christelijke sociale werk vanuit de kerk als haar diaconale en evangelisatie opdracht geleid zien. Wormser dacht in de lijn van één grote Vaderlandse kerk.

[1886]
Doleantie

De Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper leidde opnieuw tot splitsing in de hervormde geloofsrichting. De aanhangers van de Doleantie noemde zich een 'dolende' kerk.
Het was het gevolg van de toenemende verschillen in de 19e eeuw tussen orthodoxen en modernisten.
De deelnemers aan de Doleantie scheiden zich af en verenigen zich in een nieuw kerkelijk verband, de Nederduitse Gereformeerde Kerken.
In 1892 verenigt deze gemeenschap zich met het grootste deel van de uit de Afscheiding van 1834 voortgekomen Christelijk Gereformeerde Kerk tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Zij zagen zich als de voortzetting van de kerk die door koning Willem I de naam Nederlandse Hervormde Kerk had gekregen, maar met de term 'dolerend' (Latijn voor 'klagend'), omdat naar hun mening de kerkelijke organisatie een nieuwe reformatie van de kerk in de weg stond, en omdat hen het recht werd ontzegd op de kerkelijke goederen. Uit protest werd de Nieuwe Kerk van Amsterdam bezet.
De Doleantie was één van de twee grote afscheidingen van de Nederlandse Hervormde Kerk in de 19e eeuw. De andere was de Afscheiding van 1834. De Hervormde Kerk verloor in één klap 10% van haar leden. Door de Afscheiding was dat maar 1%.
Er wordt wel gezegd dat de Doleantie een vervolg was op het Reveil uit de jaren dertig van de 19e eeuw.

De Amsterdamse Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse was uit de Reveil beweging voortgekomen. Men probeerde krotten af te breken en daar nieuwbouw op te plegen.


[1817]
De verdwenen Sint Catharinakerk


"Maria Hemelvaart" bijgenaamd "Geloof, Hoop en Liefde" ofwel de "Sint-Catharinakerk" op het Singel bij de Heiligenweg. De Sint-Catharinakerk was de derde kerk met deze naam. De eerste was de huidige Nieuwe kerk, die in 1408 werd gesticht en toegewijd werd aan de H. Maagd Maria en vanaf 1570 ook aan de Maagd van Alexandrie, Sinte Catharina. In 1578 kwam deze kerk in handen van de hervormden, net zoals de zovele andere katholieke kerken en kloosters.

In 1645 ontstond een huiskerkje de Lely tussen de Boommarkt bij het Spui en de N.Z. Achterburgwal.
Daar had pastoor Jacob Oly in de laatste jaren van zijn pastoraat de katholieken tezamen gebracht in een huis achter het Begijnhof, dat om zijn gevelsteen De Lely werd genoemd.
De kerk werd veel te klein en raakte in het begin der 19e eeuw zwaar in verval en men wilde op een andere plek een veel grotere en mooiere kerk te bouwen.

De in 1811 aangestelde pastoor Gerardus Antonius van der Lugt vond een geschikte plek op het Singel bij het Koningsplein. Op deze plaats stond de voormalige Voetboogdoelen, die voor vele doeleinden was gebruikt, onder meer als vergaderplaats voor de West-Indische Compagnie en als kazerne.
De Amsterdamse overheid maakt bezwaar tegen de plannen van de pastoor, maar door de bemiddeling van Koning Willem I en vele onderhandelingen lukt het de pastoor het gebouw te kopen voor fl.10.000,- in 5 jaarlijkse termijnen, onder beding dat er na afbraak van het gebouw binnen 3 jaar een kerk moest staan.
Op 23 juni 1817 werd de eerste spade in de grond gestoken en op op 9 februari 1820 met een plechtige dienst door de aartspriester J.J. Cramer ingewijd. Vijf dagen later werden er al 80 kinderen tot de Heilige Communie aangenomen.

Het oude kerkje aan de Boommarkt werd in 1821 geveild en bracht nog fl.5230,- op.
De parochie St. Catharina werd in 1933 opgeheven en een jaar later werd de inboedel geveild. Een aantal stukken gaan naar de Begijnhofkapel.
Het orgel uit 1826 gaat naar de Heilig Hartkerk in Hilversum.

Tussen 1933 en 1950 was er in Amsterdam geen St. Catharinakerk.
Er waren plannen voor de bouw ergens in een buitenwijk, maar door de crisistijd en de 2e wereldoorlog werd pas op 14 juni 1950 de eerste steen gelegd op de hoek van de Burg. Eliasstraat en de Burg. Vening Meineszlaan.
De kerk is in 1993 aan de Syrisch Orthodoxen verkocht en heet nu St. Sharbil.
Dat is het einde van een Sint Catharinakerk, die vanaf 1408 verbonden was met de stad.


[1825]
Apostolische gemeente



Apostolische Zendingskerk op de Bloemgracht

Op de Bloemgracht 96-100 staat het gebouw van de Apostolische Zendings Kerk, stam Juda.
De kerk kwam op de plaats van Pakhuis Aken. De kerkgangers noemden het graag een preekschuur om te benadrukken dat men voor de eredienst niet meer nodig had dan een ruimte, een kansel en een doopfont. Als Christelijk Gereformeerde Schipperskerk was het voor preekdiensten gericht op de vele beurtschippers die Amsterdam aandeden. De Hersteld Apostolischen verwijzen naar de eerste Kerk die door de Apostelen is gesticht nadat de Heilige Geest was uitgestort.
Tot de zogenoemde 'doleantie' in 1892 was de kerk Nederduits Gereformeerd. dr. Abraham Kuyper preekte er regelmatig.
In 1926 werd het gebouw verbouwd voor de huidige kerkgemeente. De bouwstijl wordt tot de zogenoemde Willem II gotiek gerekend.


[1847]
Vereeniging tot verbreiding der waarheid




De orthodox protestantse levenswijze was een belangrijk punt voor de bewaarschool van de Vereeniging ter Verbreiding van de Waarheid in de Elandstraat. Oprichter ervan is de Godsdienstonderwijzer T.M. Looman, bijgenaamd 'dominee scheefnekje'. Die wilde graag dat de kinderen de zuivere waarheid uit den Bijbel leerden kennen. In tegenstelling tot de bewaarscholen die door de stichting tot Heil des Volks voor de arme kinderen in de Jordaan opgericht werden, was deze bedoeld voor de gegoede burgers. In vergelijking met de Matressenschooltjes hadden de bewaarscholen betere lokalen met goede hygiëne en meestal ook goed opgeleide leidsters. Toch zaten de kinderen met velen in een klas samengeperst. Het gebouw had zalen voor naai- en breilessen. Op zolder werd schrijf- lees en tekenonderwijs gegeven. Er was een goede bibliotheek en een grote zaal met een orgel en glas in lood ramen.


[1849]
Inrichting voor Havelooze Kinderen


De Eben Haëzerschool in de Bloemstraat was bedoeld voor haveloze kinderen die in grote armoede leefden en nooit enig onderwijs hadden ontvangen. Haveloos is een benaming voor mensen zonder bezit, maar ook voor armoedig en slordig gekleed.
De kinderen kregen op school vaak nieuwe kleding. Het gebeurde nogal eens dat het kind de volgende dag weer in z'n oude kloffie kwam omdat de nieuwe kleding naar de pandjesbaas was gebracht. Regelmatig werd er een kind uit de klas gehaald vanwege luizen. De jongens kwamen dan kaalgeschoren terug. Een meisje kreeg een verband om haar hoofd waar het een of ander goedje gesmeerd was om de luizen te doden. Zo'n verband noemde men 'pedikelkap' of luizenkap.
Een bekend schrijver, dichter en verzetsman, H.M. van Randwijk is eveneens onderwijzer op de school geweest. De ellende van de crisis greep Van Randwijk aan. Hierover schreef hij in 1936 het boek Burgers in Nood. Door dit boek had hij moeite een betrekking als onderwijzer te vinden. Voor de 'rooie' van Randwijk was geen plaats op christelijke scholen. Met hulp van Ds. J.J. Buskes kreeg hij in 1937 werk op de Eben Haëzerschool.

> lees hier meer over deze school


[1848]
Vincentiusvereniging

De Bijzondere Raad van Amsterdam van de Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo legde zich toe op de liefdewerken.
Er waren St.Vincentiusscholen, eerst waren die uitsluitend bestemd voor behoeftige kinderen, later kwamen er op aandrang van goede katholieke burgers ook Vincentius 'burgerscholen'.

Gaarkeuken
Het liefdewerk De Spijskokerij was vooral gericht op 'de bezochte gezinnen' en andere armen, die in de winter gratis tweemaal per week een warmen maaltijd kunnen krijgen. Door drie spijskokerijen wordt voorzien in de behoefte aan warme, voedzame spijs, die door middel van bonnen, aan de behoeftigen wordt verstrekt. Deze bonnen werden aan de gegoede burgerij beschikbaar gesteld, die ze dan kunnen uitdelen aan wie zij het goed vinden. Iedere portie gekookte spijs is één liter.

Andere vormen van liefdewerk zijn het verzorgen van verlaten en verwaarloosde kinderen, die al dan niet met de tuchtrechter in aanraking zijn geweest enhet verstrekken van kindervoeding.
Het huisbezoek der armen zelf behoorde tot de taak van de deelnemende conferenties, die door de Bijzondere Raad, zo nodig, financieel gesteund werden. Er is ook gezorgd voor het inrichten van stichtelijke bibliotheken.

Armenschool
Theo Thijssen schreef in zijn dagboek van 13 augustus 1921
’k Loop door de Nieuwe Leliestraat in Amsterdam. Een oude Jordaanstraat. Dichtbij het eind is een schoolpoort die ik me uit mijn jongenstijd nog herinner. ‘St. Vincentius Armen-School’ stond er indertijd boven die poort, in stenen letters. En de kinderen die ik door die poort zag gaan, waren voor mij toppunten van schooierachtigheid. Ik raak aan ’t nadenken: wat ’n brutale wreedheid toch, wat ’n ongeneerdheid , om het zo in stenen letters te zetten: Armen-school. Om hele geslachten kinderen dát aan te doen, ze onder die letters elke dag te laten doorgaan…
Daar is de poort; daar zijn weer de stenen letters…Maar wat zie ik? Het woordje ‘Armen’ is weggehakt.
De open plek is er nog en daarop staat nog de ‘moet’ en heel flauw is zo nog te zien wat er vroeger zo brutaal stond. Een klein beetje schijnt de wereld toch wel vooruit te gaan, denk ik onder ’t verder lopen:
men gaat zich schamen voor sommige ongerechtigheden tegenover het kind.’’


[1851]
Het Aloysiusgesticht



Het Aloysiusgesticht in de Elandsstraat
en de binnenplaats ervan.
Het gebouw van het Aloysiusgesticht bestaat niet meer.
Er is een modern Regionaal Opleidings Centrum (ROC) voor koks voor in de plaats gekomen.


Eind 1846 is een inrichting voor arme en verwaarloosde kinderen in de Elandsstraat gesticht.
Het gebouw was een voormalige suikerfabriek, zoals er zo veel in deze buurt stonden. Het was geschonken door regent Van Cranenburgh aan de Heerenvereeniging van Weldadigheid.
Helaas ontbrak het geld voor inrichting en voor de verzorging van de kinderen was nauwelijks geld.
Op een onduidelijke manier werd één van de Broeders van Maastricht van het jongensweeshuis erbij betrokken. Totdat pastoor Hesseveld directeur werd speelden de broeders er de baas en bepaalden het 'geregeld conventsleven'. Omdat Hesseveld veel wereldse contacten had kwam daar weinig van terecht.

[1845-1900]
De Broeders van Maastricht
De regenten vragen een jonge congregatie van Broeders te Maastricht een aantal broeders ter beschikking te stellen voor de dagelijkse zorg van de weesjongens. De gedachte is dat geestelijken niet betaald hoeven te worden, hoewel ze wel fl.100,- per jaar toegeschoven kregen. Maar ze mogen beslist geen onderwijs geven, vonden de regenten.
De congregatie stuurde twee broeders en 5 novicen om deze taak op zich te nemen. Die vormden een apart en geheimzinnig groepje binnen het jongensweeshuis. De broeders zorgden ervoor dat de devotie ook buiten de plichtmatige mis in de kapel merkbaar was. Ze waren ingetogen, maar deelden af en toe wel een doffe klap uit. Overigens was er wel degelijk sprake van religieuze beïnvloeding want 19 weesjongens traden in bij de congregatie.

Wie is de baas

De broeders noemden het weeshuis bij hun intrede op 10 april 1845 het H. Hieronymus Emilianisgesticht. Ze wilden kennelijk de macht overnemen.
De broederoverste had een lijst van eisen die aan de directie voorgelegd werd. De directeur mocht niet getrouwd zijn en er geen dienstmaagd op na houden. Zonder toestemming van de broederoverste mocht het bestuur zich niet met de kinderen bemoeien, hen geen straffen opleggen of vrijheden toestaan. Het familiebezoek moest beperkt worden en het beheer van de keuken zou een zaak van de broeders zijn.
Hoewel de broeders, meestal van eenvoudige komaf, het niet zo goed met de hoge heren regenten konden vinden ontstond op den duur toch een vorm van tevredenheid over hun inzet.
Aframmelingen en publiekelijke lijfstraffen werden afgeschaft maar het cachot en het blok bleven.Er waren jongens die de broeders niet vertrouwden en er waren er die zo opstandig werden dat ze de broeders met een schaar aanvielen. Jongens die zich niet aan de tucht van de broeders wilden onderwerpen werden 'wegens uitbreidend kwaad en onzedelijk gedrag' naar Veenhuizen, en later naar Frederiksoord, uitgezet. Dat gebeurde tussen 1845 en 1880 zo'n 51 keer!


[1852]
Klooster de Voorzienigheid


Moeder Theresia, geboren als Marietje Stroot
/
Het kloostercomplex de Voorzienigheid aan de Lauriergracht

De congregatie 'De arme zusters van de Voorzienigheid' en het klooster zijn gesticht door pastoor P.Hesseveld en Moeder Theresia als een tehuis voor verwaarloosde meisjes beneden 12 jaar.
Het klooster is in 1856 gebouwd op de plaats waar eerst de uitspanning 'De Fransche Tuin' was. Deze uitspanning was van de in 1697 gevluchte Hugenoot Benjamin Couturier. Het omvatte een complex tussen de Elandstraat, de Konijnenstraat en de Lauriergracht. Dat werd later Het Jordaans Vaticaan genoemd.
Behalve een klooster voor de zusters was er ook een Normaalschool [1897] voor kwekelingen in het Lager Onderwijs, een Weeshuis voor kleuters, de Mariaschool [1863] en de St. Jozefschool voor meisjes uit de burgerstand aan verbonden.

De zusters hielden zich sinds 1858 bezig met een hostiebakkerij. Dat ging in het begin allemaal met de hand. Van het malen van het meel, het bakken op een kolenvuur, het uitsteken van de vormen. Later werd het een gemechaniseerde industrie die per week 600.000 hosties voor 300 kerken bakte.
Tijdens de oorlog werd het hostieafval verwerkt in het voedsel van de wezen in het Jongensweeshuis.

Eer en deugd
De Arme zusters van het Goddelijk Kind nemen in 1900 de zorg voor de weesjongens van de Broeders van Maastricht over. De broeders vertrekken in burgerkleding met de noorderzon terug naar Maastricht. De zusters zijn in het geheel niet voor het werk met weesjongens opgeleid.
De hardvochtige en onpersoonlijke benadering van de jongens paste wel in het katholieke patroon maar was verre van 'Goddelijk'. De zusters hebben een streng regime. Het troosten van jongens was er niet bij. De zakken van de jongens worden dichtgenaaid. Ze moeten met hun zwembroek aan onder de douche. De zusters hebben zelf geen idee hoe ze seksualiteit moesten benaderen. Denken aan onkuisheid was voor hen al onkuis op zichzelf. Daar tegenover proberen de zusters met een St. Nicolaasfeest, uitstapjes en zelfs een vakantie in een vakantiekolonie in Dieren een beter opvoedingsklimaat te scheppen. Ze richten in het weeshuis zelfs een 'Vereniging voor Eer en Deugd op.

Het katholieke fundament brokkelt af

Het aantal weesjongens bleef na het begin van de 20e eeuw zodanig slinken, dat het karakter van het huis moest gaan veranderen. Het aantal der voogdijkinderen werd voortdurend groter en wanneer men na 1957 eraan gaat denken de oudbouw aan de Lauriergracht te verlaten, is de naam Jongensweeshuis zo goed als verdwenen. De officiële naam is dan Kindertehuis Amstelstad.

In de buitenwereld is men ervan overtuigd dat het geloof een persoonlijke aangelegenheid was, maar daar was men het binnen Amstelstad niet mee eens. De meeste kinderen wisten niets van godsdienst af maar volgens de papieren waren ze katholiek gedoopt dus werden ze onderworpen aan de strenge rituelen van de Rooms Katholieke Kerk.
Toen de nonnen in 1960 vertrokken kwam daar min of meer een einde aan. Men was nog wel katholiek maar legde dit er niet te dik bovenop.

>lees meer over het klooster en het Jongensweeshuis


[1870]
Posthoornkerk

Parochie van Onze Lieve Vrouw Onbevlekte Ontvangenis.
De Posthoorn was oorspronkelijk een Rooms Katholieke schuilkerk, gevestigd in het achterhuis van Prinsengracht 7. Er zijn bronnen die aangeven dat de Augusteinen al in 1620 in een pand, Het Friese Wapen, ergens tussen de Eenhoornssluis en de Brouwersstraat een kerk hadden.
Mogelijk was dat pater Johannes van den Brande, uit het convent van de Augustijner monniken in 't Land van Luyck' aan de wieg van de Posthoorn gestaan heeft. Hij woonde bij een 'snijder op de Prinsegraft omtrent de Westerkerk'. In Rome was bekend dat Johannes Brantius sinds 1623 in Amsterdam werkzaam was. Hij had ruimte in zijn huis voor kerkdiensten met zo'n driehonderd mensen. En verder dat hij het als oude man moeilijk had door de vervolging en door de heersende pest.
Over de zielzorg van pater van den Brande is niet veel bekend. De groeiende toeloop van gelovigen naar deze augustijnen statie is af te lezen aan de groei van het aantal porties levensmiddelen voor de armenbedeling en het aantal doopsels.
Ook de tijdelijke sluiting van de nabijgelegen kapel de Zaaier was van invloed op de toeloop.
De parochianen werden wel gewaarschuwd voor de invloed van de jansenistisch gezinde herders.
De burgemeesters beschermden in die tijd de jansenisten ten koste van de roomsen, ze hadden niets op met die augustijnen van De Posthoorn.

Rond 1687 verhuisde de kerk naar de Prinsengracht. Dat was de voormalige behuizing van de postkoets naar Haarlem. Hiervan is nog steeds een Posthoorn in de gevel te zien boven de oorspronkelijke toegang tot het schuilkerkje, het poortje van de Posthoorngang aan de Brouwersgracht tussen de nummers 81 en 89.
Uiteindelijk kon men als Rooms Katholiek openlijk kerken en werd in 1861 aan de Haarlemmer Houttuinen de Posthoornkerk als opvolger van het schuilkerkje in gebruik genomen.
Op een lijst van Paepsche vergaderplaatsen in Amsterdam, opgesteld door predikanten en ouderlingen van de Gereformeerde kerk, was op de Heeregraft bij het Westindische huis een grote vergadering gehouden en is op instrumenten gespeeld waar veel volk op af komt.

Pastoor Arnoldus Steinbach zag hoe de nabijgelegen schuilkerk de Zaaier door een imposant kerkgebouw werd vervangen. Hij deed er alles aan om ook een nieuwe Posthoorn te bouwen.
Op 10 september 1863 kon de kerk, de eerste schepping van architect Cuypers in Amsterdam, door de bisschop van Haarlem, mgr. G.P. Wilmer, worden geconsacreerd. Zij bleef onder haar roepnaam de Posthoorn bekend, maar haar titel was: 'Onze Lieve Vrouw van Onbevlekte Ontvangenis'
Het werd de grootste kerk van het bisdom Haarlem wat betreft het zielenaantal.

Het kerkbestuur vond dat men voor een zo grote parochiegemeenschap als de Posthoorn, met enkele duizenden kinderen, over eigen onderwijsinrichtingen moest kunnen beschikken. De zusters Franciscanessen van Roosendaal waren bereid de leiding over de meisjesscholen op zich te nemen. Sinds de Posthoorn eenmaal tot parochiekerk was verheven en haar levensvatbaarheid terugkreeg, hebben ook de parochianen zich niet onbetuigd gelaten.Ze maakter er een prachtige kerk van met eenr stijlvolle aankleding en een keur van kostbare paramenten..
Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 kon de katholieke gemeenschap van de Haarlemmerbuurt met een zelfgebouwde kerk weer tevoorschijn komen.
De roomse emancipatie kwam verder nog op gang door het stichten van een grote scholengemeenschap onder leiding van vrouwelijke en mannelijke religieuzen. Er ontwikkelde zich een volledig parochieleven, compleet met kloostertjes, in de dichtbevolkte buurt. Omdat de bevolking van Amsterdam zich verder uitbreidde, was tot tweemaal toe de stichting van een nieuwe parochie gedeeltelijk binnen de grenzen van de parochie noodzakelijk, de Magdalena in 1889 en de Tichelkerk in 1951.


Na de Tweede Wereldoorlog ging de ontvolking van de binnenstad een steeds grotere rol spelen. Het kerkbezoek loopt terug en het in stand houden verschillende parochies in de binnenstad is een onzekere zaak. Het onderhoud van het kerkgebouw werd intussen verwaarloosd.
Op 20 april 1971 werd de parochie De Posthoorn door de bisschop van Haarlem officieel opgeheven en de zogenoemde 'City kerk' neemt de zaak over. Wat doen met al die verwaarloosde en bouwvallige kerkgebouwen?

De bouwheren van de Posthoornkerk, de pastoors IJzermans en Jansen, zouden het onmogelijk hebben kunnen geloven dat de hoogeerwaarde deken van Amsterdam later, in 1976, zou adviseren de Posthoornkerk te verbouwen tot een mohammedaans bedehuis, een moskee en dat enkele jaren later toestemming gegeven wordt tot sloop van de tot monument geworden kerk.
Het door de ontkerkelijking in onbruik geraakte bedehuis dreigde gesloopt te worden, maar in 1986 werd dit dankzij een plan van Stichting de Posthoornkerk voorkomen. De kleurrijke kerk werd in 1988-1989 gerestaureerd en wordt verhuurd als kantoorruimte én als plek voor lezingen, recepties en diners. De kerk is ook zeer geschikt voor theater of culturele presentaties en voor het geven van concerten. Een protestbijeenkomst of een hoorzitting over de afbraak van de Haarlemmer Houttuinen vond vanzelfsprekend daar plaats.


[1879]
De Vrije Gemeente

Oorsprokelijk een modern-theologische geloofsgemeenschap, die in 1877 ontstond toen de broers Hugenholtz uit de Nederlandse Hervormde Kerk traden en een eigen gemeente begonnen.
De oprichting van De Vrije Gemeente week af van de trend in die jaren dat vrijzinnige predikanten en gemeenteleden zich aansloten bij de Remonstranten of de Doopsgezinden. Doordat de gebroeders Hugenholtz grote nadruk legden op de vrijheid van de geloofsbeleving wilden zij zich niet aan kerkelijke dogma's te binden. De Vrije Gemeente beschouwt zich tegenwoordig als een universeel religieus-humanistische vereniging. Zij heeft grote belangstelling voor spiritualiteit en mystiek, en zoekt hierbij haar inspiratie uitdrukkelijk ook buiten de christelijke traditie.
De kerk aan de Weteringschans is nu het cultureel centrum en poppodium Paradiso, waar vele beroemde muzikanten hun carrière begonnen.


[1855]
Licht in de Jordaan

Ds. Jan de Liefde, oprichter van Tot Heil des Volks, had het volk lief. Hij zag de bittere armoe, dronkenschap en hier en daar kinderen die slechts op handen en voeten konden lopen.
Zo was dat in de Jordaan. Hier huisden de armen en verminkten en kreupelen en blinden uit Lukas 14. De kerk en het christelijk geloof, hadden hun invloed op de bevolking verloren.
Socialisme en anarchisme vonden breed weerklank bij de arbeiders. Daar moest iets aan gedaan worden vond de dominee.

Eerst bijbellezingen

Dominee stapt op een goede dag naar op een vrouw af die op straat haar viskisten aan het schoonmaken is en vraagt haar of hij in haar huis bijbellezingen mag gaan houden. Ze heeft er geen bezwaar tegen. De volgende avond zitten in de woning van vrouw Schouten vijf arbeidersvrouwen en een blinde orgeldraaier onder zijn gehoor.
De eerste activiteit is het stichten van een bewaarschool aan de Willemsstraat in het hart van de Jordaan. De school is bedoeld voor haveloze kinderen die in grote armoede leefden en nooit enig onderwijs hadden ontvangen. Zij kregen les, maar ook kleren, eten en een bad.
Er kwamen zondagsscholen, kinderkerken, naai- en breischolen, jongerenclubs.

Iedere vereniging had een eigen 'territorium' en de karakters waren zeer verschillend.
Hoewel de gebiedsafbakening al gauw in betekenis afnam, bleef de onderlinge samenwerking minimaal.


[1862]
Het Koning Willemshuis


Koning Willemshuis, Egelantiersstraat / Handenarbeidlessen

Armoede werd in de negentiende eeuw gezien als een opvoedingsprobleem. Als het volk deugden als arbeidzaam, zuinigheid, netheid en huiselijkheid zou worden bijgebracht, zouden de misstanden vanzelf verdwijnen. Kinderen werden in het Koning Willemshuis bezig gehouden met handvaardigheid. De jongens tekenden, de meisjes handwerkten.
Het huis werd in 1864 geopend op initiatief van de hervormde predikant, ds. C.S. Adama van Scheltema, die een der eersten was die de 'geestelijke sanering van de Jordaan' in daden omzette.
Hij hield, in een achterkamer aan de Tuinstraat, bijbellezingen voor de arme bevolking. Hij wist veel Jordaners zover te krijgen dat zij hun avonden doorbrachten in het Willemshuis in plaats van in de kroeg. Ook organiseerde hij volwassenenonderwijs om het analfabetisme te bestrijden. Bovendien zorgde hij er voor dat de Jordaan eindelijk werd aangesloten op het waterleidingnet.

Adama van Scheltema wordt wel 'liederenkoning' genoemd. Behalve de liederen die hij in het Nederlands vertaalde, was hij een van de domineedichters. Maar het Koning Willemshuis bleef toch de plaats waar alle draden samen kwamen.
Wat betreft de rijken, streed Adama van Scheltema er onophoudelijk voor hun ogen én beurzen te openen voor de noden van de armen.

De eerste steen voor het gebouw werd gelegd door mr. J. Messchert van Vollenhoven, burgemeester van Amsterdam, namens Z.M. Koning Willem III. Dit gebeurde op de gedenkdag van Nederlands verlossing van de Fransen, 17 november 1863. Vandaar de naam Koning Willemshuis, naar de drie vorsten van Oranje die het land de afgelopen halve eeuw in vrijheid hadden geregeerd.

Geheelonthouders

Een groot probleem was de verhouding tussen het bestuur der vereniging Koning Willemshuis en het Christelijk Geheelonthouders Verbond, gevestigd in het Koning Willemshuis. Het Verbond beschouwde zich als de ware erfgenaam van de geestelijke nalatenschap van Adama van Scheltema.

De Eerste Wereldoorlog deed de vereniging geen goed. De activiteiten leden onder mobilisatie, brandstoffenschaarste en half licht.
De vereniging werd aan de rand van de afgrond gebracht omdat die zich niet, zoals Ons Huis, op Volksontwikkeling gericht heeft in plaats al te veel op de allerlaagste klasse, de zwervers en daklozen.

Kleuterschool

Een van de weinige takken die het steeds goed gedaan had was de kleuterschool.

Het gebouw Egelantierstraat 145 was eind jaren '20 zeer verouderd. In 1930 werd de nieuwe school opgeleverd, op nrs.147-149.Maar in 1937 kwam een nieuw dieptepunt en moest de exploitatie in handen van de vereniging Eben Haëzer gegeven worden.

De vereniging zit financieel in 1956 totaal aan de grond, opheffing wordt overwogen.
Het jeugdwerk moest worden opgegeven. Verkrotte woonhuizen in het bezit der vereniging werden verkocht, evenals de oudste twee verenigingsgebouwen, de voormalige Prinses Wilhelmina Volksbewaarschool, Egelantiersstraat 145 en het hoofdgebouw, Egelantiersstraat 141-143.
Wat bleef was een goedlopende bejaardensociëteit in de Egelantiersstraat 147-149.
In 1972 werd het vakantiehuis op Terschelling verkocht.

Meer over dominee Adama van Scheltema en het Koning Willemshuis


[1894]
Evangelisatiepost Simon de Looier



Simon de Looier / Looiersgracht 70-72

Vanaf 1894 was het gebouw van Simon de Looier de kerk van de Oud-Gereformeerde Gemeente, die zich in 1922 aansloot bij de Christelijke Gereformeerde Kerk van Amsterdam. Dit genootschap bezat ook het kerkgebouw Eben Haëzer aan de Lauriergracht 132, dat in 1893 is gebouwd in de zogenoemde 'Willem II gotiek', en werd 'De Buffel' genoemd.
Die stijl is in veel kerkgebouwen, die in het begin 'preekschuren' genoemd werden, terug te vinden.
De kerk aan de Looiersgracht was oorspronkelijk als pakhuis voor marmeren Belgische schoorsteenmantels gebouwd. Er zou ook een fabriek van brandspuiten in komen.In ieder geval liet de kerkenraad van de Oud Gereformeerde kerk de gevel in 1894 verbouwen in de stijl zoals die er nu uit ziet, en werd het gebouw als kerk ingweid. Als gevolg van splitsingen en strubbelingen werd het gebouw in 1925 aan de firma Zürcher verkocht die op nr. 68 een Cartonnage en Reclamekaarten fabriek had.
Toen de Gereformeerde Gemeente een nieuw gebouw zocht, kwam er een Amsterdamse volksvrouw vertellen 'jullie kenne het kerkie terug krijgen'.
En zo kwamen ze door terugkoop van Zürcher in 1933
weer in het bezit van het gebouw.
In 1972 wordt er brand gesticht. De kerk blijft gespaard, maar het archief brandt volledig uit. De brandstichter probeert ook drukkerij Cloeck & Moedigh aan de Lijnbaansgracht aan te steken.
Er is nu sinds 1994 een Bijbelcentrum en evangelisatiepost Simon de Looier van de Gereformeerde Gemeenten gevestigd.
Sinds 1999 worden er ook weer kerkdiensten gehouden. Na een verbouwing in 2012 is het behalve mee te doen aan bijbelcursussen en kinderclubs ook mogelijk deel te nemen aan 'open maaltijden' op donderdagavond.

[1840]
De Vereniging tot Weldadigheid van den Allerheiligsten Verlosser

Koning Willem II zorgde er voor dat een nieuwe tijd voor katholiek Nederland kon aanbreken.
Maar zijn eerste maatregelen riepen veel antikatholieke reacties op. De katholieke emancipatiestrijd leverde 'De Vereniging tot Weldadigheid van den Allerheiligsten Verlosser' op.
Een jonge arts J.W.Cramer en zijn vriend J.A.Alberdingk Thijm maakten een plan voor een nieuwe katholieke maatschappij. In ongeveer dezelfde tijd ontwierp ook de jezuïet Arnoldus Frentrop een plan voor een vereniging, die zich zogenaamd aan liefdadigheid zou wijden, maar in werkelijkheid bestemd was om aan de emancipatie van het katholiek volksdeel te werken. Cramer en Frentrop troffen elkaar in de biechtstoel en besloten samen te gaan werken. Zij polsten vervolgens enkele bekende katholieken, en op 19 november 1841 was de eerste bijeenkomst met de eerste financiën, fl.325, in kas. Er kwam een uitgebreide directie, vanzelfsprekend met pater Frentrop voorop.

Liefdadigheid?

Tien dames moesten de zorg voor een paar arme gezinnen op zich te nemen. Het moest duidelijk om liefdadigheid gaan. Onder toeziend oog van pater Frentrop zouden zij aan die armen, zo mogelijk, werk verschaffen, aalmoezen uitreiken en in geval van ziekte geneeskundige hulp verlenen. Op 5 september 1843 keuren de heren- bestuurders een reglement voor de dames-bestuurderessen goed met de opmerkelijke bepaling: 'Tot bestuurderessen zullen slechts die dames worden gekozen, die, tot den deftigen stand behoorende, óf gehuwd, óf weduwen zijn, óf tenminste haar veertigste levensjaar bereikt hebben'. 
De economische omstandigheden waren dieptreurig en het pauperisme nam onheilspellende vormen aan. Aan doelen voor liefdadigheid geen gebrek. In nog geen tien jaar tijd werd het aantal bedeelden meer dan verdubbeld.
Omdat het een beetje vreemd was alles aan dames over te laten begon Frentrop een Heerenvereeniging ten behoeve van een katholieke associatie, dat wil zeggen dat katholieken gelijkgesteld werden met niet-katholieken. Maar de andere heren wilden het bij liefdadigheid houden. Zo ontstond in 1846 het St. Aloysiusgesticht. Een toevluchtsoord voor arme jongens. Verder kwam er een volksbibliotheek.
De heren kregen het ook met de dames aan de stok, de geestelijken wilden een duidelijke vinger in de pap hebben.

Leerscholen
De eerste 'school', de bewaarschool op de Anjeliersgracht (Westerstraat) voor katholieke arme kinderen, kwam in 1845. Er was geprobeerd aan te sluiten bij de bestaande bewaarschool op de Elandsgracht maar dat lukte niet. Twee jaar later was er al een tweede bewaarschool in de Looiersstraat. De 'Vereeniging van jongejuffrouwen voor de bewaar-scholen' moest voor de kwaliteit zorgen. Het onderwijzend personeel moest natuurlijk uit religieuzen bestaan. De congregatie van de Zusters van Liefde te Tilburg was de eerste. Nergens was sprake van 'kloosterlingen' of 'zusters' want de regering van Willem I erkende geen kloosters en verbood novicen aan te nemen.
Zoals ook de regenten van het St. Bernardus-gesticht gedaan hadden, verbond de Vereniging een leerschool aan haar bewaarscholen. In 1847 kwam de eerste zuster-onderwijzeres in Amsterdam aan. Met haar komst was gelijk ook de opening van de eerste leerschool een feit.
Bij het stichten van leerscholen bleek dat het moeilijk was toestemming van de overheid te krijgen.
De schoolwet van 1806 had dit aan de willekeur der autoriteiten overgelaten. Er waren al jongensscholen van de Vincentiusvereniging, dus de Vereniging begon voornamelijk meisjesscholen. Pas in 1851 kwam er een jongensschool.
Met de nieuwe schoolwet van 1857 konden bijzondere scholen gesticht worden maar die waren een 'een kweekplaats van een modern, ondogmatisch en vrijzinnig christendom'. Voor katholieke kinderen dus ten enen male ongeschikt.


[1887]
Een Rooms-katholieke kerk in de Binnenstad


De kerk, officieel de H. Nicolaas binnen de Veste, is gebouwd tssen 1884-1887
De Sint-Nicolaaskerk is de tweede kerk van die naam in Amsterdam. De eerste, de huidige Oude Kerk, is tijdens de Alteratie in 1578 door de gereformeerden van de rooms-katholieken afgepakt.
De pastoors trokken rond in de stad en de katholieken moesten hun diensten in het geheim de zolders van rijkere huizen houden.
In het begin van de 17e eeuw was er behoefte aan wat vastere bedeplaatsen en zo ontstonden langzaam aan de schuilkerken. Een van die schuilkerken was het hoekhuis aan de Oude Zijds Voorburgwal en Heintje Hoeksteeg. Tot 1611 was dit huis in het bezit van de protestantse Roetert Ernst, schepen van Amsterdam. Beneden woonde een soort herbergier, de katholiek Hartman met zijn huishoudster.
Pastoor Sixtius en zijn kapelaan Jacob Vlieger vierden in het huis van Hartman van tijd tot tijd de Eucharistie en dienden er de sacramenten toe. Er werd pas iets verbouwd toen er een wat groter verdraagzaamheid ten opzichte van de katholieken ontstond in de stad. Maar die verdraagzaamheid kostte altijd geld. Pastoor Sixtius woonde in het Begijnhof omdat hij daar meer vrijheid had.
Alle priesters werden pastoor van de Statie 't Hert genoemd, omdat dit schuilkerkje St.Nicolaas tot patroon had en als zodanig beschouwd werd opvolgster te zijn van de middeleeuwse parochiekerk.
De gehele Oude Zijde behoorde nog altijd tot de St.Nicolaas, hoewel er vele zolderkerkjes waren, elke met een eigen priester als pastoor. Pas in 1675 komt er een pastoor wonen bij het kerkje in de Heintje Hoeksteeg. Dat was Willem Schoen, de eerste die zich echt als pastoor van de statie beschouwt en niet meer als de 'pastoor van de Oude Zijde', zoals zijn voorgangers.

Het oude zolderkerkje voldeed al lang niet meer aan de eisen en men ging op zoek naar mogelijkheden voor nieuwbouw. Na het herstel van de Nederlandse Hiërarchie in 1853 kwamen de bisschoppen al vrij snel met een officiële parochie indeling, ieder met een eigen kerkbestuur. Zo voegden zij de vroegere staties van de H. Nicolaas en van de H. Anna samen tot één parochie. Einde 1863 kocht het kerkbestuur een perceel aan de Slijpsteenen. Het pand werd verbouwd en voorlopig verhuurd. Elf jaar late, in 1874, werd een tweede perceel en een derde in de Oude Teertuinen gekocht. Pas in 1881 had men de beschikking over voldoende grond om een kerk van formaat te kunnen bouwen. Architect Bleijs maakte de tekeningen en de bouw werd aanbesteed voor fl. 284.000.- In de avond van 30 maart 1887 werd het H.Sacrament van het oude schuilkerkje overgebracht naar de nieuwe St.Nicolaaskerk. Het oude gebouw ging over aan de vereniging De Amstelkring, die het inrichtte tot museum onder de bekende naam: 'Onze Lieve Heer op Solder'.

Restauraties

Tussen 1966 en 1973 werden bij de restauratie de ramen in de koepel zijn dichtgemetseld en de glazen binnenkoepel verwijderd. Dit was nodig om verder verval en mogelijke instorting te voorkomen. Een grootscheepse restauratie vond plaats in de jaren 1997-2001. Het het exterieur en het interieur werd grondig onder handen genomen. De koepel werd weer geheel hersteld waardoor het daglicht weer terugkwam in de kerk. Ook de wandschilderingen, die in deze kerk volledig bewaard zijn gebleven zijn geheel gerestaureerd.

Basiliek
Tijdens het 125 jarig bestaan wordt de St.Nicolaaskerk door de Paus verheven tot “basilica minor”, ofwel basiliek. De feitelijke verheffing is op 8 december 2012.
Om de titel van basiliek te ontvangen moet een kerk een bijzonder bouwwerk zijn en druk worden bezocht, bijvoorbeeld omwille van een bepaalde verering of devotie. In het geval van de Nicolaas motiveert de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst in Rome haar besluit met twee bijzondere argumenten: de verering van de H.Nicolaas, stadspatroon van Amsterdam, die befaamde bisschop van Myra, en de devotie rond het Mirakel van Amsterdam, waarin de Nicolaas een belangrijke rol speelt, en die vanaf de Middeleeuwen haar plaats heeft gehad in de stad. 
De nieuwe status is ook een erkenning van de vele generaties die zich in de afgelopen zeven eeuwen hebben ingezet voor het katholieke geloof in Amsterdam. Dat deden ze in vaak moeilijke tijden en onder beroerde omstandigheden na de Reformatie, toen de katholieke geloofspraktijk niet zichtbaar mocht zijn. Maar ook aan de ontkerkelijking van de vorige eeuw, die in Amsterdam leek te leiden tot sluiting van diverse kerken in de binnenstad. 


[1887]
Leger des Heils


“Komt allen herwaarts, die vermoeid en beladen zijt.” Op de pui van volkszaal Emmanuël in de Gerard Doustraat, hing boven de ingang behalve deze tekst ook het schild van het Leger des Heils met het strijdbare motto ‘Bloed en Vuur’. Om zeven uur die avond van de 8ste mei 1887 ging de deur open.
Het liep vol. De allereerste bijeenkomst van het Leger in Nederland kon beginnen maar de bewoners van de Pijp en dronken jongens verstoren de evangelisatie van kapitein John.K.Tyler, die als matroos op de lijn Hoek van Holland-Harwich vaart.
Er wordt een ander lokaal gevonden op de hoek van de Lijnbaansgracht en de Looiersgracht. Er kunnen 450 mensen in, maar de verstoringen van het Leger houden pas in 1890 op, voornamelijk door de hulp Soup, Soap and Salvation die ze geven aan getroffenen van een zeer koude winter.
Het Leger des Heils heeft nu nog een kinderhospice op de Lindengracht.


[1893]
Chr. Gereformeerde kerk Eben Haëzer



Lauriergracht 132 / Foto: A v Dijk 1957/ Rechts de kerk als appartementengebouw

De kerk is in de zogenoemde Willem II-gotiek gebouwd. Kenmerkend voor deze neogotische stijl is dat de constructie neoclassicistisch was en dat het neogotische vooral naar voren kwam in het decoratief gebruik van uit de gotiek overgenomen vormen als spitsbogen en pinakels. Deze kerken hadden soms imitatiegewelven van stro en stucwerk, stukadoorsgotiek genoemd. Het kerkgebouw op de Lauriergrach werd 'De Buffel' genoemd. De Chr. Gereformeerde gemeente had twee 'preekplaatsen' In 1985 werd de Eben Haëzerkerk op de Lauriergracht gesloten. Sindsdien is er slechts één preekplaats over. De kerk had een Flaes-orgel [1874] dat oorspronkelijk voor de Engelse kerk op het Begijnhof gebouwd was. In een nieuwe kast is het in deze kerk geplaatst. Tegenwoordig staat het orgel in Meppel.
De kerk is tegenwoordig omgebouwd tot luxe appartementen.

Dominee HP Scholte woonde in het voormalige pakhuis de Hoop op nr. 118. Hij was Amsterdammer van geboorte en keerde terug om een afgescheiden gemeente te stichten. Hij preekte in de Chr. Gereformeerde kerk Eben Haëzer op Nr. 132
.


[1662]
Schuilkerk De Zaaier


Pater Henricus van Alckemade woont bij zijn moeder op de Keizersgracht bij de Brouwersgracht. Hij richt daar een huiskerk De Sayer in. Hij zorgde voor alle huiszittende roomse armen van de stad. Hij deelde in de strenge winters levensmiddelen uit aan de bewoners van de Jordaan. De gereformeerde kerkenraad klaagde bij de burgemeesters om 'de paepse kerck op de Kaijsersgraft bij de Groenlandtse packhijsen' te laten sluiten. Het lukte de Jansenistische priesters de Zaaier te laten sluiten. De vijf paters, die van 1708-1792 de Zaaier hebben gewoond gingen in het geheim door met dopen en huwelijken sluiten.

Een herkenbaar kerkgebouw

De huiskerk werd in 1837 vervangen door een veel ruimer, en als zodanig herkenbaar, kerkgebouw, ontworpen door architect Joannes van Straaten in zogenaamde romeinse stijl. Door de giften en schenkingen van Wilhelmus Henricus Gompertz en diens echtgenote kon dit grote werk tot stand worden gebracht. De Zaaier, de kerk van de H.Ignatius, werd tot parochiekerk verheven en de Krijtberg werd hulpkerk.


[1899]
RK Kerk van de H.Ignatius, De Zaaier




De katholieken kopen een Socialistisch bolwerk.
Het plan werd opgevat het verenigingsgebouw Constantia, Rozengracht 152, van de Vrije Socialistische Arbeidersbeweging, dat wegens hypotheekschuld op 20 maart 1899 in veiling zou komen, aan te kopen.

Een kerk in de Jordaan
Pater J.C. Alberdingk Thijm, zoon van de schrijver, voerde samen met pater L.Steger, dit plan uit. Constantia werd geveild. Kerkmeester J.A.A. Grijpink, kaashandelaar, kocht het op eigen naam voor f.30.100,- en verkocht het voor diezelfde som door aan het kerkbestuur van 'de Zaaier'. Zo kon, nog juist vóór het einde van de 19e eeuw de eerste katholieke kerk in 'de Jordaan' worden gesticht. Men begon meteen een aantal panden in de Akoleienstraat en de Bloemstraat aan te kopen om een mooie grote kerk te kunnen neerzetten. Ze staken zich wel in de schulden want de kerk op de Keizersgracht moest nog verkocht worden.

Zullen we de Noorderkerk ook inpikken?
De geestelijkheid van de pastorie van 'de Zaaier' wilde over steunpunten in het volkrijke en zorg-eisende Jordaangebied beschikken. In de hele Jordaan was nog nooit een statie gevestigd geweest.
In 'de Franse tijd' probeerde men de Noorderkerk te pakken te krijgen.
Het lukte niet om de protestanten tot afstand van hun vele ruime kerkgebouwen te bewegen.



Tijdelijke behuizing van de St. Joseph Kapel Bloemgracht 119
Brouwer & Zn., groothandel in piano en orgelonderdelen, is er nu gevestigd.
De nieuwe St Jozefkapel kwam op de Rozengracht en die werd vervolgens weer vervangen door kerk De Zaaier.

[1921]
Roothaanhuis

Van 1921 tot 1929, werd de nieuwe Zaaierkerk met pastorie aan de Rozengracht en een groot parochiegebouw, het clubhuis 'Joannes Roothaan', aan de overzijde, met kracht aangepakt.

Voor het parochiegebouw liet men eerste het oog vallen op het verenigingsgebouw 'de Harmonie', Rozengracht 207-213. Daarna gingen de gedachten uit naar de oostelijke hoek van de 2e Rozendwarsstraat en de Rozengracht. Door aankoop, tenslotte van deze panden kreeg men de beschikking over een terrein, recht tegenover de te bouwen kerk en pastorie, dat zich van de Rozengracht tot de daarachter gelegen Rozenstraat uitstrekte.
De nieuwe kerk en pastorie kwamen vóór Kerstmis 1928 gereed en het Roothaanhuis kon in het voorjaar van 1929 in gebruik worden genomen. Zij waren ontworpen door de architect W. Valk.

Exodus
Hoewel bij de ingebruikneming van kerk en clubhuis aan de Rozengracht het werkgebied van 'de Zaaier', met het Jordaangedeelte tussen Rozengracht en Lauriersgracht was uitgebreid, en het parochieleven, ook dank zij de activiteiten die vanuit het Roothaanhuis konden worden ontplooid, aanvankelijk sterk opbloeide, kon de langzame neergang toch niet worden tegengegaan.
Na de tweede wereldoorlog raakte de Jordaan als woonwijk achter bij wat de nieuwbouw te bieden had, zodat jonge gezinnen meer en meer de buurt verlieten zonder dat andere daarvoor in de plaats kwamen. Zo verloren kerk en clubhuis steeds meer hun functie.
Al rond 1960 probeerde men het Roothaanhuis aan de Erven Lucas Bols te verkopen, dat lukte niet.
Nadat in 1964 nog op bescheiden wijze het derde eeuwfeest van 'de Zaaier' was gevierd, ging het clubhuis in 1968 over aan de stichting Wijkwerk Zuid-Jordaan.

Opheffing van de parochie van de H. Ignatius 'de Zaaier'
In het kader van de reorganisatie van de zielzorg in de binnenstad werd tenslotte vóór einde 1971 'de Zaaier' gesloten.
Een tapijthandelaar en een winkel in elektrische gitaren aan de overkant van de Rozengracht gebruiken het gebouw als opslag plaats.


[1980]
Fatih Cami (moskee)



De kruisen op het dak worden vervangen door een halve maan


Mimbar (preekstoel) / interieur Fatih Cami met Mirab, de gebedsnis in de richting Mekka

Als een burcht torent de voormalige RK kerk boven het drukke verkeer van de Rozengracht.
De kruisen op de twee torens zijn vervangen door halve manen. Van een broedplaats van het Socialisme, via Katholiek Godshuis, is het nu een Moskee
.
De Zaaier wordt overgenomen door de Tukse Fatih Cami (moskee)
Er moet veel gebeuren voor er gebeden kan worden. Het interieur van de kerk moest wel veranderd worden. In alle moskeeën van de wereld is de kompas richting naar Mekka aangegeven door de Kiblah, de gebedsnis. Wie het hoofd erheen wendt, wendt het hoofd naar Mekka. Met het altaar als richtpunt lag het oorspronkelijke ruimte juist op het Noord-Westen en daarmee 180° verkeerd. De richting naar Mekka deed er de blik stuiten op de binnengevel met entree en de binnenkomende bezoekers. Vandaar een nieuwe muur in het interieur, met daarin een gebedsnis, een muur die de vroegere entree aan het gezicht ontrekt en afsluit van binnenuit.

Toch is in de gevel aan de Rozengracht nog een bescheiden toegang tot het interieur te vinden. Die brengt de bezoeker niet meteen in de gebedsruimte. Eerst is er een lange gang naar een plek waar, volgens het islamitische voorschrift, de kleine wassing gedaan kan worden. Vervolgens kan de gebedsruimte worden betreden, vanaf een plek die voorheen niet ver van het altaar was.

Het dak lekte en het kostte enige miljoenen om alles droog te houden. Inmiddels is het dak grondig gerestaureerd.
Fatih is de naam van een grote en wijze koning van het Ottomaanse Rijk. Die wijsheid probeert het bestuur van de Moskee uit te dragen door een 'open-deur-gedachte' te gebruiken om bewoners van de Jordaan, ook niet-Moslims, voor alle mogelijke ontmoetingen uit te nodigen.
Samen met de Westerkerk zijn er gezamenlijke vieringen op bevrijdingsdag.


[1920-1927]
Clarissen Capucinessen

Moeder Veronica was de stichteres van de eerste Nederlandse communiteit van Clarissen-Capucinessen, in 1919 Egelantiersgracht 117 Amsterdam. Gedurende 21 jaar was ze abdis. Ze stierf in 1963. Vanwege haar lengte noemden de zusters haar 'kleine moeder'

[1930]
Auxiliatricen van de zielen in het Vagevuur

De 'helpsters van de zielen' kwamen daarna op de Egelantiersgracht wonen.
De zalige Eugenia Smet, ook Maria van de Voorzienigheid, was een Franse ordestichtster.
Ze voelde zich geroepen om daden van liefdadigheid te stellen voor de zielen uit het vagevuur. Smet stichtte de gemeenschap van "Auxiliatricen van de Zielen in het Vagevuur" in Parijs in 1856 en richtte die in naar het voorbeeld van de jezuïeten. De congregatie voert thans zijn missiewerk uit in 22 landen, onder meer in België. Ze werd door paus Pius XII zalig verklaard in 1957. Ze is de beschermheilige van een ieder die door religieuze orden geweigerd wordt.


[1659]
De Eilandskerk


In 1659 besloot de vroedschap houten preekschuren te bouwen op de Oostelijke en Westelijke Eilanden en het Amstelveld. Niet lang daarna konden die gewijd worden.
De bedoeling was de houten kerken zo snel als mogelijk te vervangen door een stenen gebouw.
Dat lukte voor de Eilandskerk in 1739, voor de Oosterkerk al in 1671. De Amstelkerk is nooit in steen gebouwd.
In 1879 kwam er een spoorlijn vlak langs de Eilandskerk op het Bickerseiland. Dat heeft het gebouw geen goed gedaan. De weke grond bood geen weerstand tegen het gedreun van de treinen en de kerk zakte langzaam scheef. Om het gewicht te verminderen werd in 1910 de torenkoepel afgebroken maar dat hielp niet. In 1939 was de toestand zo slecht dat de kerk buiten gebruik gesteld moest worden.
In 1950 werd de kerk gesloopt. Bij de afbraak in 1950 bleef de kosterswoning voorlopig staan.
Toen de Eilandskerk in 1939 dicht ging, werd de Noorderkerk weer opgeknapt en gebruikt.


[1950]
Kleine Zusters van Charles de Foucauld
Drie Kleine Zusters leven in een kleine gemeenschap op een woonboot in Lijnbaansgracht tegenover de Tichelkerk. Ze verdienen de kost met eenvoudig werk en trekken op met mensen die door verslaving aan de rand van de maatschappij geraakt zijn.

Het begon in de Sahara

Na verschillende omzwervingen vestigt Foucauld zich in Tamanrasset als enige priester binnen een straal van zestig dagreizen door de woestijn. Hij leeft tussen de Toeareg, sluit vriendschap met hen en bestudeert hun taal en cultuur. Zijn droom om een nieuwe gemeenschap te stichten loopt echter op niets uit. Op 1 december 1916 werd Charles de Foucauld, 58 jaar oud, in de zuidelijke Sahara van Algerije doodgeschoten door een groep opstandige Toeareg.
Zijn biografie heeft een enorme uitwerking. In vele landen komen gemeenschappen van Kleine Broeders en Zusters die zijn voorbeeld volgen en zich vestigen te midden van de armsten en dezelfde leef- en werkomstandigheden delen.De volgelingen proberen aanwezig te zijn, ook in uitzichtloze situaties waar niets verandert.

Een Kleine Zuster schrijft:
"In onze maatschappij die de nadruk legt op prestatie en efficiency is het niet gemakkelijk te aanvaarden dat we vaak machteloos zijn, dat we ‘niets' kunnen doen voor een ander. Hoe meer we op resultaten gericht zijn, hoe groter de desillusie. Hoe kunnen we leren - met onze onmacht - naast iemand te blijven staan? Kan deze houding een bron van leven zijn? Zelf geloof ik, dat juist deze weg een bevrijdende weg kan zijn, een weg die mij van de illusie en almacht bevrijdt, een weg die mij en de ander ruimte en tijd geeft om te groeien: ik kan niet alles en ik hoef niet alles. Ik mag er zijn zoals ik ben. De ander ook, beperkt, onaf, in wording ..." 
Toch kan deze houding van gelijkwaardigheid en verbondenheid met de armsten ook wel vragen oproepen. Zou het toch niet goed zijn de ander te helpen als dat kan? Zoals enkele mensen in Tanzania zeiden: "Waarom maken jullie ons belachelijk? Waarom verspillen jullie je tijd? Jullie zijn er niet om in een huis van modder te wonen. Jullie zijn er om ons uit de modder te trekken."


[1952]
Claverhuis



Het Claverhuis is genoemd naar de Spaanse jezuïet Pedro Claver. Het doel was het katholieke Jeugd en gezinswerk uit te voeren.
De start was in de Elandstraat in het gebouw van de Vereniging ter verbreiding der waarheid. In 1962 verhuist men naar de Oude Looiersstraat om kinderen op school warme maaltijden te geven. Naarmate de Jordaanse bevolking welvarender wordt veranderen de activiteiten naar politiek, stadsvernieuwing en naar het steunen van kleine projecten die de buurt een beter aanzien geven zoals het planten van bloemen in olievaten.
Maar de tijden veranderen en voor een buurthuis met de inzet van veel vrijwilligers is geen plaats meer. Van de 18 buurthuizen blijven enkele over. Na de sluiting van De Egelantier in 1987 nog maar twee: het Jan Ligtharthuis in de Noord-Jordaan en het Claverhuis in de Zuid-Jordaan. Het maatschappelijk werk wordt overgenomen door de Blankenbergstichting. In 1992 is van de katholieke signatuur van het Claverhuis verdampt. Het is een centrum voor alle buurtbewoners, onderdeel van Stichting Welzijn Binnenstad. Sociaal-cultureel werk, in de vorm van cursussen, kinderopvang en speeltuinwerk. Nadat ook het Jan Ligtharthuis wegbezuinigd wordt, blijft het Claverhuis nog als enige buurthuis in de Jordaan over. 
Een aantal Fusies in de welzijnsinstelling vinden plaats. De fantasienamen als IJsterk, Raster en Centram worden bedacht. Het Claverhuis verhuist naar de Elandsgracht, wordt samengevoegd met buurthuis Straat&Dijk en nadat de wijkcentra Jordaan en Gouden Reaal aan elkaar geplakt zijn staat daar in 2011 het Huis van de Buurt. Een plek voor bijeenkomsten en een plek voor het krijgen van advies. Een verbouwing van de materiële omgeving vindt plaats, compleet met een oprit voor rolstoelen. Blijft over de zorg voor frisse inhoudelijke activiteiten.

[1949]
Wijkcentrum de Jordaan
Op 27 mei 1949 is het Jordaan-comité geïnstalleerd. Dat was het begin van wat nu het wijkcentrum is. Een plek waar bewoners ondersteund worden bij al hun plannen om het leven in de Jordaan te verbeteren. Waar Sociale Raadslieden hun adviezen geven en waar alle mogelijke verenigingen en buurtinitiatieven kunnen vergaderen.
Er is een Wijkraad met vertegenwoordigingen uit de verschillende geledingen.

Door en voor de bewoners
De oprichters wilden de jeugd, die rotzooi trapten en bijvoorbeeld bendes vormden die tegen elkaar vochten om afgedankte kerstbomen, opvangen.
Gaandeweg ging het wijkcentrum zich ook met andere zaken bezighouden.
De strijd tegen het afbraakplan was voor het wijkcentrum de reden om meer een actiecentrum te worden.



In die tijd is ook de Jordaankrant opgericht
Door de jaren heen heeft het wijkcentrum allerlei initiatieven gesteund en zich ingezet voor de saamhorigheid van de mensen.
In 1960 krijgt de Stichting Sociaal-cultureel Wijkcentrum 'de Jordaan' een officiële status. De stichting stelt zich tot doel het leefmilieu in de wijk te verbeteren en het welzijn van haar bewoners te verhogen.

In 2004 is het wijkcentrum Jordaan gefuseerd met wijkopbouworgaan De Gouden Reael en is de nieuwe naam Wijkcentrum Jordaan & Gouden Reael geworden.
Het centrum bewoont het Huis van de Buurt.



Roel van Duyn en de voorzitter Ton Haentjes Dekker


dichter Johnny van Doorn, alias Johnny de Zelfkicker

[1960]
Sociaal Religieus Gesprekscentrum

Zadelmaker Fons staat meestal als straatpredikant op de Dappermarkt te evangeliseren. Hij richt een Comité ter Verdieping van het Volksbewustzijn op.
Onder leiding van de Zen Christelijk anarchist Haentjes Dekker komen in de Raamstraat 16a de alternatievelingen zoals de Provovoorman Roel van Duyn, de anti-rook magiër Robert Jasper Grootveld, dichter Johnny van Doorn, alias Johnny de Zelfkicker, de Witte Fietsenmaker Luud Schimmelpenninck bijeen om leiding te geven aan verschillende happenings. Verschillende woorden die beginnen met een K klinken op. Kermis, Kerk, Kapitaal, Kanker en Klaas komt.


Aanvullingen en verbeteringen ontvang ik graag hier

terug naar Jordaanindex

Bronnen onder meer
Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg /
Ger van Dijk, archivaris Begijnhofkapel /
Bas de Melker, Burgers en devotie /
Rogier Schravendeel, Werken in Gods wijngaard/
Stadsarchief Amsterdam /
Joods Historisch Museum /