de Jordaan


> Jordaan index

> Epidemieën
> Schoon water
> Vuilafvoer
> Boldootkar

tussen taal en beeld gezondheidszorg



> Dr. Aletta Jacobs
> Dr. Samuel Sarphati
> Dr. Ben Sajet


Het is niet zo gezond in de Jordaan

Water, Vuur en de Pest
De drie Andreaskruisen in het Amsterdamse stadswapen stonden volgens de bevolking voor de drie plagen die de stad teisterden.

Kwakzalvers zijn moeilijk te onderscheiden van de gestudeerde chirurgijns.

[1638]
Pestepidemieën

De Hortus Botanicus is als een medicinale kruidentuin door het Amsterdamse stadsbestuur opgericht.
De stad had net een pestepidemie achter de rug. Kruiden waren, als basis voor medicijnen, van levensbelang. Het werd onder de naam De Reguliershof, in 1638 ingericht om als 'Hortus Medicus' te dienen voor chirurgijns en apothekers. De Hortus lag eerst buiten de Regulierspoort, bij een klooster tussen de Utrechtsestraat en de Keizersgracht. De Reguliershof werd na de Alteratie omgebouwd tot herberg en lusttuin. Constantijn Huygens en P.C. Hooft zorgden er voor dat het weer een hortus werd.
De hortus is waarschijnlijk ingericht naar de Hortus Botanicus van Leiden.

Het eten van sla en spinazie werd afgeraden

Ook andere jaren met pestepidemieën hielden flink huis onder de Amsterdamse bevolking.
De ziekte was sinds 1450 zevenendertig keer voorgekomen, tussen 1652 en 1657 en tussen 1663 en 1666 ieder jaar. Zo stierf rond 1602, 1624 en 1636 meer dan 10% van de bevolking.
Bedrijfjes gingen failliet omdat de werknemers niet meer kwamen opdagen.
De kosters hadden grote moeite om de begrafenisdrukte in de kerk in goede banen te leiden.
De jaarlijkse kermissen werden door de burgemeesters verboden.
De betere stand vluchtte naar buitenplaatsen rond Amsterdam.

Met de hygiëne nam men het niet zo nauw
De woningen waren aan het eind van de negentiende eeuw grotendeels alkoofwoningen.
De woning bestond uit één kamer waarin heel het gezin moest wonen: koken, eten en slapen.

Het slaapgedeelte bestond uit bedsteden of het was hooguit afgeschoten met een dun wandje: een alkoof.

Kinderen sliepen dicht op elkaar gepakt in bedsteden van twee verdiepingen. De natslapers beneden in een soort uitschuif lade.

Wanneer moeder nog thuisarbeid had aangenomen moest er in die ene kamer ook nog worden gewerkt.


Poepdoos in de keuken / Eénkamerwoning

Het licht kwam vanuit een gangetje naar binnen, de alkoof had dus geen direct contact met licht en lucht. In een woonblok moest het toilet gedeeld worden met alle families van de verdieping.
In andere woningen stond de houten poepdoos, met een emmer er onder, vaak in de kamer of zelfs in de keuken.
Er was geen rioolaansluiting.
De beruchte boldootkar haalde eens per week de poepemmers op.
Steenkool was duur, dus stookte men kolengruis. Om te voorkomen dat het meteen door het rooster zakte werd het eerst nat gemaakt waardoor dat verschrikkelijk walmde.
Op straat verkochten venters kokerneut, kokosnoot dat in kleine brokken de hele dag in felle zon gelegen had. Als de stukken te droog werden gooide men er een puts water uit de gracht over.

Dat deden de visverkopers ook met hun 'verse' waar.


[1832]
Cholera epidemie

De Jordaan kent een hoog sterftecijfer
Moeraskoortsen ontstonden omdat in de Jordaan een polderatmosfeer heerste. Vieze dampen hingen overal. TBC en tyfus waren het gevolg.
Besmettelijke ziekten zoals difterie, mazelen, roodvonk, pokken en cholera waren aan de orde.
Besmetting vond vooral plaats doordat mensen water binnen kregen dat was vervuild met uitwerpselen van choleralijders. Opeenvolgende cholera epidemieën dienden zich aan, de eerste in 1832, daarna 1848, 1853, 1859, en 1866.
Medisch gezien lukte niet meer dan de zieken te isoleren, de ziekenhuizen te ontsmetten en de lijken omzichtig af te voeren.
In armere buurten liggen de sterftecijfers veel hoger dan in de buurten waar rijke mensen wonen.
In een deel van de erg arme Jordaan stierf tijdens deze epidemie 9,6 procent van de oorspronkelijk 10.401 inwoners.
Vergeleken met andere steden kwam Amsterdam er bij de epidemieën van 1855 en 1866 goed vanaf.

Karthuizerkerkhof
De meeste mensen werden in een speciale begraafplaats bij het Karthuizerklooster begraven.
Daarom mochten kinderen later op het Karthuizerplantsoen niet te diep in hun zandbak graven.
Er waren gevallen bekend dat de kinderen daar later beenderen hebben opgegraven.


Karthuyser Kerkhof 1728

naar boven



[1786]
Schoon drinkwater

Voor de watervoorziening was men afhankelijk van de grachten.
Het water voor schoonmaakdoeleinden werd uit de gracht gehaald. Het oppervlaktewater was sterk vervuild en ook brak door vermenging met het zilte water uit het IJ.
Regenwater werd oorspronkelijk opgevangen in reservoirs, maar doordat die bakken en pijpen van zink of lood gemaakt waren veroorzaakte het drinken ervan de zogenoemde 'kolykpijnen', loodvergiftiging en dergelijke. Wie zelf geen regenopvang had moest naar stadsregenbakken op de pleinen waar men voor een paar duiten een emmer water kon kopen. Dat water was ook niet al te helder omdat de onderaardse waterkelders slecht onderhouden werden.
De bakkers en de brouwers hadden meestal apart voor hen gereserveerde reservoirs.


Een waterlegger in de Nieuwezijds Voorburgwal [1835] door Augustus Wijnands

Drinkwater haal je niet uit de gracht

Schoon drinkwater moest met waterschuiten vanuit de Vecht aangevoerd worden.
Het water werd gecontroleerd in een Waterproevershuisje dat bij de Amstelsluis op de hoek van de Amstel en de Prinsengracht stond. Het water werd overgeladen op waterleggers, een soort zolderschuiten die in de grachten afgemeerd konden worden. Daar kon men voor twee cent per emmer water kopen. Waterboeren brachten water aan huis voor vijf cent per twee emmers. Jammer genoeg was dit water ook niet zuiver. De schippers maakten hun dek namelijk schoon met water uit de gracht.
De Vechtwater-sociëteit beheerde het transport van gebruikswater dat in Stadswaterkelders opgeslagen werd.

Kleine ijstijd
Tijdens de 18e eeuw breekt de 'kleine ijstijd' aan, een aantal achtervolgende extreem koude winters.
Alle grachten en het IJ vriezen zo stevig dicht, dat de ijsbreker er ook niet meer door kan.
Hierdoor kunnen de waterschuiten met drinkwater de Jordaan niet meer bereiken.
Men gaat op zoek naar alternatieve bronnen.


Watertappunt

Waterkelders


Ontwerptekeningen voor waterkelders / De meeste waterkelders worden weer afgebroken

Waterkelders onder het Luthersweeshuis die in 2010 ontdekt zijn. Ze zijn niet in gebruik, maar wel toegankelijk gemaakt via luiken in de vloer. De kelders kunnen ongeveer 100.000 liter water bevatten.
De gaafheid en het feit dat beiden waterkelders waterdicht bleken te zijn, maakt de ontdekking van de kelders een unieke vondst.

[1837
]
Proefboring

Op de Nieuwmarkt wordt een proefboring gestart maar men kwam pas in 1841 op 171,92 meter diep omdat de roestige boor steeds vastliep. Er kwam niets van terecht.en in 1750 wordt met succes een proefboring op de Noordermarkt gedaan. Op die plek wordt een verswaterbak gebouwd, waar de bewoner voor tien cent per kruik gezuiverd water kan kopen.


[1811]
Napoleon besluit dat Amsterdam een waterleiding moet krijgen



[1851]
De situatie werd pas beter toen de Duinwater Maatschappij met een stoommachine zandgefilterd water uit de Kennemerduinen pompte en door buizen naar de stad vervoerde. Opmerkelijk was dat een letterkundige, Jacob van Lennep, de oprichter was. Opmerkelijk was ook dat dit project, net zoals de gasleverantie, in handen was van Britse investeerders.

Het duinwater komt uit het hoofdtappunt bij de Willemspoort (Haarlemmerpoort) daar kon je water tappen voor een cent per emmer. Er wordt geen wisselgeld gegeven.
Tijdens epidemieën werd dit water gratis uitgedeeld aan de armen.
Daarna moesten leidingen naar de huizen en publieke gebouwen aangelegd worden, maar dat liep stroef met Publieke Werken.
Zeven jaar later bereikte de leiding de woningen.
Er werd zelfs reclame gemaakt. In het Amsterdam Museum is een fles drinkwater uit die tijd te zien. Op 1 mei 1854 worden de eerste abonnementen afgesloten en is Amsterdam de eerste stad in Nederland met een waterleiding.

[1868]
Er komt ook een Vechtwaterleiding.
Dat water was echter niet zuiver genoeg voor drinkwater en diende alleen voor schoonmaken en industrieel gebruik. Aan de gescheiden leidingnetten herinneren nog putdeksels in Amsterdam met de opschriften 'Duin links' en 'Vecht rechts'.

naar boven


[1934]
Riolering in plaats van de Boldootkar


Strontkar, De Boldootkar of de Odeklonjewagen in de Laurierstraat [1934]

De Stadsreiniging gaat twee keer per week de huizen langs om de poepemmers op te halen.
Nu gingen de uitwerpselen tenminste niet meer regelrecht de gracht in.

Als je de kar van Boldoot ziet
Moet je lachen of je wil of niet,
Dan staan de juffertjes aan de deur
Met hun emmertje bloemengeur

In de wijken die niet waren aangesloten op de riolering bleef deze wijze van ophalen van vloeibaar vuilnis tot in de jaren dertig in gebruik. Een paar keer per week, of dagelijks als er in de stad cholera of tyfus heerste, kwam de reinigingsdienst langs om de tonnen en emmers op te halen die in huis of voor de deur al klaar stonden. Maar omdat de tonnen zwaar waren en tot schouderhoogte opgetild moesten worden, werd er bij dit overgieten nogal eens gemorst. De vuiligheid en stank op straat waren op zulke dagen vaak weerzinwekkend. Ook in huis ging er nogal eens wat mis bij het sjouwen met de tonnen.


Het Liernurstelsel


Het Liernurstelsel


[1900]
De aanleg van een riolenstelsel was duur
Zou zo'n gemetseld systeem op de duur niet gaan lekken of breken, met een omvangrijke bodemverontreiniging als gevolg?
En hoe moesten de riolen eigenlijk worden doorgespoeld, in een land met zo weinig hoogteverschillen?
Zou het vuil op bepaalde plaatsen niet aaneen koeken en vervolgens gassen gaan vormen die, via het riool zouden binnendringen in de huizen?
En dan de zuivering van al dat rioolwater!

Men zag het probleem wel degelijk. Het bedreigde de gezondheid, het was iedere dag te ruiken en bodem en oppervlaktewater raakten steeds meer vervuild.
De Haarlemmer Charles T.Liernur bedacht zijn Liernurstelsel. Hij wilde gescheiden riolen voor menselijke ontlasting en voor was- en regenwater. De eerste moest door sterke ijzeren buizen en onder druk worden afgevoerd naar grote reservoirs van waaruit ze, na ontgast en verdund te zijn, over de akkers werd uitgespreid.
Het gehele systeem zou gefinancierd kunnen worden uit de opbrengst van deze mest.
Het was- en regenwater zou worden afgevoerd via gemetselde riolen.

Het revolutionaire van Liernurs vinding was dat hij luchtdruk in plaats van water gebruikte om de toiletten en rioolbuizen door te blazen.
Op deze manier werd schoon water gespaard.
Hij kreeg veel kritiek, met name op de toepassing van luchtdruk. Toch is het systeem ook in Nederland toegepast.
In Leiden en Amsterdam heeft het tot in de Eerste Wereldoorlog gewerkt. Daarna is men ook daar de riolen toch weer gaan doorspoelen met water.

De Willemsstraat werd voorzien van dit Liernurstelsel.
Het ging eerst om een paar duizend inwoners, maar eind negentiende eeuw waren 90.000 Amsterdammers aangesloten op het Liernurstelsel, dat was ongeveer 20 procent van de bevolking.
Nog eens 20 procent werd aangesloten op een tijdelijke vereenvoudigde vorm die werkte zonder vacuüm maar wel met collectieve ondergrondse reservoirs, het zogenoemde 'tonnenstelsel met valpijpen'.

naar boven



[1879]
Aletta Jacobs
Eerste vrouwelijke arts in de Jordaan


Aletta Jacobs / Vergadering Vrouwen voor het Vrouwenkiesrecht

[1902]
Voorbehoedmiddelen

Aletta Jacobs zet zich heel praktisch in voor de hygiëne
in de Jordaan en houdt gratis spreekuur in de Tichelstraat.
Dat heeft zij 14 jaar lang volgehouden.
Tijdens haar spreekuren merkt Aletta dat veel jonge vrouwen klachten hebben. Aletta Jacobs merkt dat de vrouwen zwakker van worden van het opvoeden van te veel kinderen. Ze besluit om voorbehoedmiddelen te geven. Daar kwam veel kritiek op. Men was er fel op tegen dat vrouwen zelf konden kiezen om zwanger te willen worden of niet.
Ze vraagt ook aandacht voor winkelmeisjes die te lang moeten staan. De mannen vinden dat ze gewoon niet geschikt zijn om te werken. Niet de vrouwen zijn ongeschikt, maar de arbeidsomstandigheden deugen niet. De klanten kiezen de kant van de meisjes. In 1902 wordt het zelfs wettelijk verplicht dat het winkelpersoneel de gelegenheid heeft om af en toe te gaan zitten.

Wantoestanden
Door mijn gratis spreekuren in de Jordaan gehouden, kwam ik in nauwe aanraking met de arme en armste bevolking van de hoofdstad. Als de vrouwen of kinderen te ziek waren om mij te komen consulteren, zocht ik hen dikwijls in eigen woning op. Wat al ellende heb ik daar aanschouwd! Meer nog dan de vreselijke armoede in zoo veel gezinnen, troffen mij echter de schandelijke woningtoestanden in vele armenwijken der stad. Hoe was het mogelijk dat mensen in dergelijke krotten konden leven?
Hoe kwam het dat de overheid die wantoestanden liet voortbestaan?

Onderzoek van de Amsterdamse Gezondheidscommissie
Men komt er achter dat er met de komst van de bouwverenigingen weliswaar nieuwe woningen bij komen, maar dat driekwart van de kelderwoningen in de stad onbewoonbaar verklaard moet worden.

Aletta Jacobs nam de schrijfster en feministe Helene Mercier mee op haar bezoeken aan de krotten
Die was sterk onder de indruk en schreef er over in het Sociaal Weekblad.
De sanering van de krotten was gestaakt omdat de kosten voor filantropische bouw te hoog waren.
Bij Mercier stond zedelijke en culturele verheffing voorop.
Maar omdat arbeiders niet veel verdienden hadden die weinig te zoeken bij 'het hogere en het schone'.



Samuel Sarphati [1813-1866]
Schepper van een nieuwe stad



Standbeeld in het Saphatipark

In de negentiende eeuw was Amsterdam een stad van vergane glorie. De grachtengordel was nog steeds prachtig, maar veel buurten waren vervuld van stank en vuil.
Door verbeteringen in hygiëne en voedselvoorziening en verhoging van de welvaart wist armenarts Samuel Sarphati de Amsterdamse volksgezondheid structureel op een hoger peil te brengen.
Maar hij verwaarloosde zijn werk als arts.

Dweilen met de kraan open
Voor Sarphati was het al snel duidelijk. In individuele gevallen kon hij als arts van het joodse armenziekenhuis aan de Rapenburgerstraat veel voor zijn patiënten betekenen. Om de gezondheidstoestand van het arme bevolkingsdeel van de hoofdstad echt te verbeteren was meer nodig dan geneeskunde alleen.

Sarphati raakte gefascineerd door kansen die de technische ontwikkelingen van die tijd te bieden hadden.
Hij ging aan de slag met ontwikkelingen op het gebied van onderwijs, vuilverwerking, voedselvoorziening, stadsuitbreiding, werkverschaffing en welvaartsverhoging.

Uit de biografie van Sarphati die ter gelegenheid van zijn tweehonderdste geboortejaar verscheen, rijst het beeld op van een buitengewoon vasthoudende arts vol baanbrekende ideeën.
Ondanks de gemakzuchtige jansaliegeest in de vroege negentiende eeuw, de gebrekkige investeringen van rijke Nederlanders en hardnekkige tegenwerking van wethouder van Openbare Werken James Teding van Berkhout (bijnaam: Treuzel van Berkhout) wist hij veel te bereiken.

Volgens Geert Mak was hij een 'vreemdeling', een kind van het 'Oude Volk', de zoon van een eenvoudige joodse middenstander die ten slotte de stad haar grootste 19de-eeuwse prestigeobject schonk. Sarphati was een gedrevene, briljant, vol ideeën en initiatieven, overtuigend en doortastend, van het soort dat slechts een enkele keer in een gemeenschap opduikt en dat het woord 'onmogelijk' weigert te kennen. Hij sloeg de stad uit haar slaap.

Hij promoveerde op 27 juni 1839 aan de Universiteit Leiden en vestigde zich als huisarts in Amsterdam. Zijn praktijk confronteerde hem met de povere levensomstandigheden: acht procent van de bevolking leefde in kelders, de helft van de kinderen zat op een armenschool en de bevolkingsstatistieken leken op die van de derdewereldsteden: veel geboorten en veel sterfte en daarbovenop de stank van zwavel, mest en vuilnis.

Vele van Sarphati's activiteiten kwamen de levenskwaliteit ten goede: hij ontwierp een uitbreidingsplan voor Amsterdam, hij zorgde voor een abattoir, hij richtte de Nederlandse maatschappij ter bevordering der Pharmacie in 1842 op
De eerste fabriek voor goedkoop brood in Nederland werd door hem gestart.


Vuilafvoer


De Gezondheidsdienst haalt afval op van mensen met cholera of tyfus

Langs de straten liepen diepe goten, open riolen
Uitwerpselen, slachtafval en vervuild water van alle mogelijke ambachten, alles bleef bij droogte liggen en stroomde als het regende naar de grachten.
Het koelwater van de stoommachines van de suikerfabrieken warmde het grachtenwater op en de rotte eierenstank die daar uit opsteeg tastte zelfs het schilderwerk van de huizen aan. Daar kwamen dan nog de vette rookwolken bij die de schoorstenen van de talrijke industrieën uitbraakten.
Na het afschaffen van de gilden werd er gewoon op straat geslacht.


Organisatie vuilafvoer

In 1847 kreeg Dr.Sarphati een vergunning om afval op een praktische en hygiënische manier commercieel te verzamelen.
Hij richtte ook houten urinoirs en secreten op, maar die werden door vandalen in de gracht gekieperd.

Dit onderwerp is tot op de dag van vandaag actueel als de gemeente probeert wildplassers in mobiele pisbakken te laten urineren en gele stikkers plakt op grofvuil dat buiten de vuilophaaltijden aan de weg gezet wordt.




Paleis voor Volksvlijt Foto: Jacob Olie [1892]

Maar Sarphati was ook een soort projectontwikkelaar.
Het Amstelhotel en het Paleis voor Volksvlijt werden door hem gebouwd.
De straat waar dat gebeurde heet nu de Sarphatistraat.

Nescio schreef:
Behalve den man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijke kerel gekend dan den uitvreter.


Dokter Ben Sajet [1916]
Geneeskundige en Volksvertegenwoordiger




Sterfte in de Jordaan nam toe

Het gemeentebestuur, in het bijzonder burgemeester Tellegen, was van mening dat een distributiesysteem centraal geregeld moest worden. Dit om te voorkomen dat de allerarmsten het hardst onder de oorlogsomstandigheden zouden lijden.
De onderzoeksgegevens van dokter Sajet uit 1916 hadden in die richting gewezen. In 1917 was hij met nieuwe gegevens gekomen die bevestigden dat de kindersterfte en de sterftecijfers van tuberculoseslachtoffers waren toegenomen.

Wie was dokter Sajet
Sajet was de jongste uit een orthodox-joods gezin van drie zoons. Zijn vader was diamanthandelaar.
Hij had al jong grote belangstelling voor de socialistische beweging.
Hij was een bewonderaar van Troelstra en de spoorwegstaking van 1903 maakte diepe indruk op hem.

Sajet vestigde zich in 1912 als huisarts in Amsterdam.
Van 1918 tot 1920 was hij directeur-geneesheer van het sanatorium voor tuberculoselijders Zonnestraal in Hilversum. Dat was het Koperen Stelenfonds (van de Diamantbewerkersvakbond) gesticht.

De bouwplannen moesten worden uitgesteld, vanwege een crisis in de diamantindustrie.

Schoolarts
Van 1920 tot 1922 was Sajet schoolarts in Amsterdam.
Hij schreef verschillende medische verhandelingen. Die gingen over sterfte aan mazelen kinkhoest. Samen met de arts W.Polak maakte hij zich druk over de tuberculose sterfte als gevolg van de slechte voedselsituatie. (1917)

Volksvertegenwoordiger
Hij zat vanaf 1923 in de Amsterdamse gemeenteraad en de provinciale staten van Noord-Holland.
Sajet heeft in daar een belangrijke rol gespeeld. Steeds voerde hij het woord over vraagstukken van volksgezondheid, maar ook onderwijszaken en blinden- en bejaardenzorg hadden zijn aandacht.
Bekend was zijn pleidooi voor de oprichting van openluchtscholen. In de crisisjaren verzette hij zich fel tegen de verlaging van de lonen der gemeentewerklieden en de bezuinigingen in de gezondheidszorg.

Tijdens de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) pleitte hij in de gemeenteraad voor de toelating van vluchtelingen uit Spanje en het verschaffen van verpleging en huisvesting van hen in Amsterdam.

Op 24 mei 1940, twee weken na de Duitse overval, promoveerde hij in Amsterdam op een proefschrift,
Bijdrage tot de geneeskundige beoordeling in de praktijk van de ongevallenwet.
Op last van de rijkscommissaris A. Seyss-Inquart werd hij uit de gemeenteraad en de provinciale staten gezet.

In de zomer van 1941 stak Sajet in een klein bootje met zeven mensen samen met twee van zijn zoons, over naar Engeland. Zijn jongste zoon, die al eerder naar Engeland was gevlucht, kwam om het leven bij een vliegtuigongeluk. De beide andere zoons namen dienst bij de Royal Navy. Eén van hen kreeg een auto-ongeluk op weg naar zijn schip en overleed.

In de oorlogsjaren werkte Sajet als scheepsarts en keuringsarts op Jamaica.
In Engeland hield hij zich bezig met het ontwerpen van een sociaal gezondheidszorgsysteem, dat model stond voor de naoorlogse Nederlandse gezondheidszorg.

Na veel omzwervingen kwam hij na de bevrijding terug. Zijn moeder, kleinkinderen, schoonmoeder en vele andere familieleden zijn door de Duitsers omgebracht.
Hij zorgde ervoor dat de Hollandsche Schouwburg een gedenkmonument werd.
Na de bevrijding hield hij zich ook bezig met de repatriëring van Nederlanders uit Frankrijk.

Reorganisatie van de gezondheidszorg
Snel zat hij weer in de Amsterdamse gemeenteraad als de belangrijkste woordvoerder op het terrein van de reorganisatie van de gezondheidszorg.

Grote bekendheid kreeg hij daar met zijn strijd voor een nieuw Academisch Ziekenhuis. Het ging er om of het Wilhelmina Gasthuis dat zou worden. De gemeenteraad wilde dat wel, maar een paar jaar later, toen de universiteit autonoom was geworden, besloot men een nieuw medisch centrum, het AMC, te bouwen.
Het was een eerbetoon aan Dr. Sajet.

Mensen met een verstandelijke beperking
Zeer actief was Sajet ook voor betere huisvesting van bejaarden en geestelijk gehandicapten.
Hij heeft in 1964 Het Ortho Pedagogisch Centrum 'de Platanen' opgericht.
Het werd in het voormalig Jongensweeshuis op de Lauriergracht gevestigd.
De etiketten die de bewoners door de Jordaanse gemeenschap opgeplakt krijgen waren zeer gevarieerd.
Ze worden Dollen, Mallen, Debielen, Zwakzinnigen en Geestelijk gestoorden genoemd. Tegenwoordig is de politiek correcte benaming: Mensen met een verstandelijke beperking.

In 1992 werd het gebouw niet meer goedgekeurd als huisvesting voor psychiatrische patiënten.

In 1962 nam Dr Sajet op 75-jarige leeftijd afscheid van de gemeenteraad. Joop den Uyl, toen voorzitter van de Partij van de Arbeid-fractie, schetste Sajet als 'een ideaal raadslid, omdat hij zo lastig kon zijn'.

naar boven



> Jordaan index

Aanvullingen en verbeteringen graag hier

Bronnen: o.a.

Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis

Willem de Bruin, Historisch Nieuwsblad 2010