Het
is niet zo gezond in de Jordaan
Kwakzalvers zijn moeilijk te onderscheiden van
de gestudeerde chirurgijns.
De drie Andreaskruisen in het Amsterdamse stadswapen stonden volgens
de bevolking voor de drie plagen die de stad teisterden: Water,
Vuur en de Pest.
Eénkamerwoning
Met
de hygiëne nam men het niet zo nauw
De woningen
waren aan het eind van de negentiende eeuw grotendeels alkoofwoningen.
De woning bestond uit één kamer waarin heel het gezin
moest wonen: koken, eten en slapen.
Het slaapgedeelte bestond uit bedsteden of het was hooguit afgeschoten
met een dun wandje: een alkoof.
Kinderen sliepen dicht op elkaar gepakt in bedsteden van twee verdiepingen.
De natslapers beneden in een soort
uitschuif lade.
Wanneer moeder nog thuisarbeid had aangenomen moest er in die ene kamer
ook nog worden gewerkt.

Poepdoos in de keuken
Het licht kwam vanuit een gangetje naar binnen, de alkoof had dus geen
direct contact met licht en lucht.
In een woonblok moest het toilet gedeeld worden met alle families van
de verdieping.
In andere woningen stond de houten poepdoos, met een emmer er onder,
vaak in de kamer of zelfs in de keuken.
Er was geen rioolaansluiting. De
beruchte boldootkarhaalde
eens per week de poepemmers op.
Steenkool was duur, dus stookte men kolengruis. Om te voorkomen dat
het meteen door het rooster zakte werd het eerst nat gemaakt waardoor
dat verschrikkelijk walmde.
Op straat verkochten venters kokerneut
, kokosnoot dat in kleine brokken de hele dag in felle zon gelegen had.
Als de stukken te droog werden gooide men er een puts water uit de gracht
over.
Dat deden de visverkopers ook met hun 'verse' waar.
[1638]
Pestepidemieën
De stad had net een pestepidemie achter de rug.
Kruiden waren, als basis voor medicijnen, van levensbelang.
In de Hortus bekwaamden artsen en
apothekers zich in de receptuur.
De Hortus is als een medicinale kruidentuin door het Amsterdamse stadsbestuur
opgericht.
[1450]
Het eten van sla en spinazie werd afgeraden
Ook andere pestepidemieën hielden flink huis onder de Amsterdamse
bevolking.
De ziekte was sinds 1450 zevenendertig keer voorgekomen, tussen 1652
en 1657 en tussen 1663 en 1666 ieder jaar.
Zo stierf rond 1602, 1624 en 1636 meer dan 10% van de bevolking.
Bedrijfjes gingen failliet omdat de werknemers niet meer kwamen opdagen.
De kosters hadden grote moeite om de begrafenisdrukte in de kerk in
goede banen te leiden.
De jaarlijkse kermissen werden door de burgemeesters verboden.
De betere stand vluchtte naar buitenplaatsen rond Amsterdam.
[1832]
Cholera
epidemie

De
Jordaan kent een hoog sterftecijfer
Moeraskoortsen
ontstonden omdat in de Jordaan een polderatmosfeer heerste. Vieze dampen
hingen overal. TBC en tyfus waren het gevolg.
Besmettelijke ziekten zoals difterie, mazelen, roodvonk, pokken en cholera
waren aan de orde.
Besmetting vond vooral plaats doordat mensen water binnen kregen dat
was vervuild met uitwerpselen van choleralijders.
Opeenvolgende cholera epidemieën dienden zich aan, de eerste in
1832, daarna 1848, 1853, 1859, en 1866.
Medisch gezien lukte niet meer dan de zieken te isoleren, de ziekenhuizen
te ontsmetten en de lijken omzichtig af te voeren.
In armere buurten liggen de sterftecijfers veel hoger dan in de buurten
waar rijke mensen wonen.
In een deel van de erg arme Jordaan stierf tijdens deze epidemie 9,6
procent van de oorspronkelijk 10.401 inwoners.
Vergeleken met andere steden kwam Amsterdam er bij de epidemieën
van 1855 en 1866 goed vanaf.
De meeste mensen werden in een speciale begraafplaats bij het Karthuizerklooster
begraven.
Daarom mochten kinderen later op het Karthuizerplantsoen niet te diep
in hun zandbak graven.

Karthuyser Kerkhof
1728
naar
boven
Schoon
water
De
watervoorziening was afhankelijk van de grachten.
Het water voor schoonmaakdoeleinden werd uit de gracht gehaald. Het
oppervlaktewater was sterk vervuild en ook brak door vermenging met
het zilte water uit het IJ.
Regenwater werd oorspronkelijk opgevangen in reservoirs, maar doordat
die bakken en pijpen van zink of loop gemaakt waren veroorzaakte het
drinken ervan de zogenoemde 'kolykpijnen', loodvergiftiging en dergelijke.
Wie zelf geen regenopvang had moest naar stadsregenbakken op de pleinen
waar men voor een paar duiten een emmer water kon kopen.
Dat water was ook niet al te helder omdat de onderaardse waterkelders
slecht onderhouden werden.
De bakkers en de brouwers hadden meestal apart voor hen gereserveerde
reservoirs.

Een waterlegger in de Nieuwezijds
Voorburgwal
[1786]
Drinkwater haal je niet uit de gracht
Schoon drinkwater moest met waterschuiten vanuit de Vecht aangevoerd
worden.
Het water werd gecontroleerd in een Waterproevershuisje
dat bij
de Amstelsluis op de hoek van de Amstel
en de Prinsengracht stond.
Het water werd overgeladen op waterleggers, een soort zolderschuiten
die in de grachten afgemeerd konden worden.
Daar kon men voor twee cent per emmer water kopen. Waterboeren brachten
water aan huis voor vijf cent per twee emmers.
Jammer genoeg was dit water ook niet zuiver. De schippers maakten hun
dek namelijk schoon met water uit de gracht.
De Vechtwater-sociëteit beheerde het transport van gebruikswater
dat in Stadswaterkelders opgeslagen werd.
Kleine
ijstijd
Tijdens
de 18e eeuw breekt de 'kleine ijstijd' aan, een aantal achtervolgende
extreem koude winters.
Alle grachten en het IJ vriezen zo stevig dicht, dat de ijsbreker er
ook niet meer door kan.
Hierdoor kunnen de waterschuiten met drinkwater de Jordaan niet meer
bereiken.
Men gaat op zoek naar alternatieve bronnen.

Watertappunt

Ontwerptekeningen voor waterkelders / De waterkelders
worden weer afgebroken
[1837]
Proefboring
Op de Nieuwmarkt wordt een proefboring gestart maar men kwam pas in
1841 op 171,92 meter diep omdat de roestige boor steeds vastliep. Er
kwam niets van terecht.en
in 1750 wordt met succes een proefboring op de Noordermarkt gedaan.
Op die plek wordt een verswaterbak gebouwd, waar de bewoner voor tien
cent per kruik gezuiverd water kan kopen.
[1811]
Napoleon besluit dat Amsterdam een waterleiding moet krijgen
[1851]
De situatie werd pas beter toen de Duinwater Maatschappij met een stoommachine
water uit de Kennemerduinen pompte en door buizen naar de stad vervoerde.
Opmerkelijk was dat dit project, net zoals de gasleverantie, in handen
was van Britse investeerders.
Het duinwater komt uit het hoofdtappunt bij de
Willemspoort (Haarlemmerpoort) daar kon je water tappen voor
een cent per emmer.
Tijdens epidemieën werd dit water gratis uitgedeeld aan de armen.
Daarna moesten leidingen naar de huizen en publieke gebouwen aangelegd
worden, maar dat liep stroef met Publieke Werken.
Zeven jaar later bereikte de leiding de woningen.
[1868]
Er komt ook een Vechtwaterleiding
voor niet-consumptief gebruik.
naar
boven
De Gezondheidsdienst
haalt afval op van mensen met cholera of tyfus
Vuilafvoer
Langs
de straten liepen diepe goten, open riolen
Uitwerpselen, slachtafval en vervuild water van alle mogelijke ambachten,
alles bleef bij droogte liggen en stroomde als het regende naar de grachten.
Het koelwater van de stoommachines van de suikerfabrieken warmde het
grachtenwater op en de rotte
eierenstank die daar uit opsteeg tastte zelfs het schilderwerk
van de huizen aan. Daar kwamen dan nog de vette rookwolken bij die de
schoorstenen van de talrijke industrieën uitbraakten.
Na het afschaffen
van de gilden werd er gewoon op straat geslacht.
Organisatie
vuilafvoer
De arts Samuel
Sarphati probeerde de
vuilafvoer commercieel te regelen.
Hij richtte ook houten urinoirs en secreten op, maar die werden door
vandalen in de gracht gekieperd.
Dit onderwerp is tot op de dag van vandaag actueel als de gemeente probeert
wildplassers in mobiele pisbakken te laten urineren en gele stikkers
plakt op grofvuil dat buiten de vuilophaaltijden aan de weg gezet wordt.

Strontkar
De Boldoorkar of de Odeklonjewagen
[1934]
De
Boldootkar
De Stadsreiniging gaat twee keer per week de huizen langs om de
poepemmers op te halen.
Nu gingen de uitwerpselen tenminste niet meer regelrecht de gracht in.
Als je de kar van Boldoot
ziet
Moet je lachen of je wil of niet,
Dan staan de juffertjes aan de deur
Met hun emmertje bloemengeur
In
de wijken die niet waren aangesloten op de riolering bleef deze wijze
van ophalen van vloeibaar vuilnis tot
in de jaren dertig in gebruik. Een paar keer per week, of dagelijks
als er in de stad cholera of tyfus heerste, kwam de reinigingsdienst
langs om de tonnen en emmers op te halen die in huis of voor de deur
al klaar stonden.
Maar omdat de tonnen zwaar waren en tot schouderhoogte opgetild moesten
worden, werd er bij dit overgieten nogal eens gemorst.
De vuiligheid en stank op straat waren op zulke dagen vaak weerzinwekkend.
Ook in huis ging er nogal eens wat mis bij het sjouwen met de tonnen.

Het Liernurstelsel
[1900]
De aanleg van een riolenstelsel
was duur
Zou zo'n gemetseld systeem op de duur niet gaan lekken of breken, met
een omvangrijke bodemverontreiniging als gevolg?
En hoe moesten de riolen eigenlijk worden doorgespoeld, in een land
met zo weinig hoogteverschillen?
Zou het vuil op bepaalde plaatsen niet aaneen koeken en vervolgens gassen
gaan vormen die, via het riool zouden binnendringen in de huizen?
En dan de zuivering van al dat rioolwater!
Het Liernurstelsel
Men zag het probleem wel degelijk.
Het bedreigde de gezondheid, het was iedere dag te ruiken en bodem en
oppervlaktewater raakten steeds meer vervuild.
De Haarlemmer Charles T.Liernur
bedacht zijn Liernurstelsel.
Hij wilde gescheiden riolen voor menselijke ontlasting en voor was-
en regenwater.
De eerste moest door sterke ijzeren buizen en onder druk worden afgevoerd
naar grote reservoirs
van waaruit ze, na ontgast en verdund te zijn, over de akkers werd uitgespreid.
Het gehele systeem zou gefinancierd kunnen worden uit de opbrengst van
deze mest.
Het was- en regenwater zou worden afgevoerd via gemetselde riolen.
Het
revolutionaire van Liernurs vinding
Hij gebruikte, in plaats van water, luchtdruk om de toiletten en rioolbuizen
door te blazen.
Op deze manier werd schoon water gespaard.
Hij kreeg veel kritiek, met name op de toepassing van luchtdruk.
Toch is het systeem ook in Nederland toegepast.
In Leiden en Amsterdam heeft het tot in de Eerste Wereldoorlog gewerkt.
Daarna is men ook daar de riolen toch weer gaan doorspoelen met water.
De Willemsstraat
werd door de gemeente voorzien van dit Liernurstelsel.
Het ging eerst om een paar duizend inwoners,
maar eind negentiende eeuw waren 90.000 Amsterdammers aangesloten op
het Liernurstelsel,
dat was ongeveer 20 procent van de bevolking.
Nog eens 20 procent werd aangesloten op een tijdelijke vereenvoudigde
vorm
die werkte zonder vacuüm maar wel met collectieve ondergrondse
reservoirs, het zogenoemde 'tonnenstelsel met valpijpen'.
naar
boven
[1879]
Aletta
Jacobs, de eerste vrouwelijke arts

Aletta Jacobs / Vergadering
Vrouwen voor het Vrouwenkiesrecht
[1902]
Voorbehoedmiddelen
Aletta Jacobs zet zich heel praktisch
in voor de hygiëne in
de Jordaan en houdt gratis spreekuur in de Tichelstraat.
Dat heeft zij 14 jaar lang volgehouden.
Tijdens haar spreekuren merkt Aletta dat veel jonge vrouwen klachten
hebben. Aletta Jacobs merkt dat de vrouwen zwakker van worden van het
opvoeden van te veel kinderen. Ze besluit om voorbehoedmiddelen te geven.
Daar kwam veel kritiek op.
Men was er fel op tegen dat vrouwen zelf konden kiezen om zwanger te
willen worden of niet.
Ze vraagt ook aandacht voor winkelmeisjes
die te lang moeten staan. De mannen vinden dat ze gewoon niet geschikt
zijn om te werken. Niet de vrouwen zijn ongeschikt, maar de arbeidsomstandigheden
deugen niet. De klanten kiezen de kant van de meisjes. In 1902 wordt
het zelfs wettelijk verplicht dat het winkelpersoneel de gelegenheid
heeft om af en toe te gaan zitten.
Wantoestanden
Door mijn gratis spreekuren in de Jordaan gehouden, kwam ik in nauwe
aanraking met de arme en armste bevolking van de hoofdstad. Als de vrouwen
of kinderen te ziek waren om mij te komen consulteren, zocht ik hen
dikwijls in eigen woning op. Wat al ellende heb ik daar aanschouwd!
Meer nog dan de vreselijke armoede in zoo veel gezinnen, troffen mij
echter de schandelijke woningtoestanden in vele armenwijken der stad.
Hoe was het mogelijk dat mensen in dergelijke krotten konden leven?
Hoe kwam het dat de overheid die wantoestanden liet voortbestaan?
Onderzoek
van de Amsterdamse Gezondheidscommissie
Men komt er achter dat er met de komst van de bouwverenigingen weliswaar
nieuwe woningen bij komen,
maar dat driekwart van de kelderwoningen in de stad onbewoonbaar verklaard
moet worden.
Aletta
Jacobs nam de schrijfster en feministe Helene
Mercier mee op haar bezoeken aan de krotten
Die was sterk onder de indruk en schreef er over in het Sociaal Weekblad.
De sanering van de krotten was gestaakt omdat de kosten voor filantropische
bouw te hoog waren.
Bij Mercier stond zedelijke en culturele verheffing voorop.
Maar omdat arbeiders niet veel verdienden hadden die weinig te zoeken
bij 'het hogere en het schone'.
naar
boven
|