|
Dat
boek is meer dan een boek - het is een mensch
Ik ben makelaar
in koffie, en woon op de Lauriergracht No. 37.
Deze eerste zin uit de Max Havelaar is overbekend.
Het 'ik' waarmee het boek begint zegt ook iets over het egoïsme
wat in het boek aan de kaak wordt gesteld, je begint nooit met 'ik',
maar in dit boek heeft dat ook een betekenis.
Als ik in myn vak,
ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht No 37
aan een principaal, een principaal is iemand die koffi verkoopt,
een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam,
die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck
& Waterman nemen.
Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten.
Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven
doe.
Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets inlaten,
gewoonlyk slecht wegkomen.
Ik ben drie en veertig jaren oud, bezoek sedert twintig jaren de beurs,
en kan dus voor den dag treden,
als men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien
vallen! En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor,
dat die moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten
gegeven was in hun jeugd.
Het
boek is hertaald door Gijsbert van Es en dan lees je dit:
Amsterdam, omstreeks 1870. Batavus Droogstoppel, een handelaar in koffie,
kondigt aan een boek te schrijven. Droogstoppel moppert en klaagt. Hij
zegt van de waarheid en niets dan de waarheid te houden. Daarover zeurt
hij maar door [en maakt zich belachelijk]
Op deze wijze vat de hertaler het hoofdstuk samen en geeft hij eigenlijk
zijn oordeel over Droogstoppel
Max
Havelaar, of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij
Het begint als geschrift van een Amsterdamse
koffiehandelaar, Batavus Droogstoppel, toonbeeld van huichelachtige
kerksheid, kleinburgerlijke geborneerdheid en onbeschaamd winstbejag,
voorstander van de protestantse zending, zoals deze door dominee
Wawelaar in retorische preken wordt aangeprezen.
Doordat Droogstoppel een jonge Duitser in dienst en in huis neemt, en
van een mislukte jeugdvriend,
door hem Sjaalman genoemd, een pak belangrijke
Indische papieren ontvangt, kan de koffiehandelaar zijn boek grotendeels
laten schrijven door of via die jongeman.
Van het Indische verhaal is Max Havelaar als nieuwbenoemde assistent-resident
van Lebak de hoofdpersoon.
Multatuli neemt ten slotte zelf het woord in een peroratie gericht tot
koning Willem III, keizer van Insulinde.
Door bemiddeling van Jacob van Lennep, werd het werk in mei 1860
gepubliceerd.
Dit boek is een inleiding ...
Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig
zal wezen ...
God geve dat het niet nodig zij! Nee, 't zal niet nodig zijn! Want aan
U draag ik mijn boek op, Willem
de Derde, Koning, Groothertog, Prins, meer dan Prins,
Groothertog en Koning en Keizer van 't prachtig rijk van Insulinde dat
zich daar slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd ...
Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't Uw keizerlijke wil is:
Dat Havelaar wordt bespat met de modder van Slijmeringen en Droogstoppels?
En dat daarginds meer dan dertig miljoenen onderdanen worden mishandeld
en uitgezogen in uw naam.
Multatuli museum
Eduard
Douwes Dekker [1820-1887]
Multatuli is zijn pseudoniem
Hij werd geboren op 2 maart 1820 in de Korsjespoortsteeg
20, waar nu een museum is
Hij stierf op 19 februari 1887 in Nieder-Ingelheim.
Zijn vader was kapitein der koopvaardij. Hij werd opgevoed door zijn
moeder en de drie oudere kinderen. Eigenlijk moest hij, net als zijn
broer, doopsgezind predikant worden. Hij ging naar het gymnasium; kwam
daarna als jongmaatje in een textielzaak, en werd in 1838 door zijn
vader meegenomen naar Nederlands-Indië. Aanvankelijk werkzaam bij
de Rekenkamer te Batavia,
vroeg hij in juni 1842, overplaatsing naar een meer `werkdadige werkkring'
op Sumatra.
Was vanaf 1842 ambtenaar te Natal. Zijn onafhankelijk gedrag bracht
hem in conflict met zijn chefs, vooral met generaal
Michiels in Padang. Die plaatste hem over, schorste
hem op doorreis, en interneerde hem wederrechtelijk in Padang op verdenking
van valsheid in geschrifte.
Dekker verdedigde zich groots, en met recht; de zaak kwam grotendeels
neer op een foutieve boeking,
waarbij Dekker zichzelf voor enige duizenden guldens had benadeeld.
Het romantische toneelstuk De Eerloze
stamt uit deze periode.
Na een beroep op de gouverneur-generaal mocht Dekker naar Batavia vertrekken,
en daar begon hij een nieuwe loopbaan.
Hij trouwde met baronesse
Everdina Huberta
van Wijnbergen, en werkte hij in Poerworedjo
op Java,
daarna als residentie-secretaris in Menado op Celebes en ten slotte
als assistent-resident op Ambon.
Omdat hij zich als ambtenaar voortdurend verzette tegen de uitbuiting
van het volk, werd hij ontslagen.
Over zijn ervaringen in Indië schreef hij in een paar weken tijd
de Max Havelaar.
Dat
Eduard al jong begaan was met recht en onrecht is af te lezen aan onderstaande
anekdotes
Zondebok
Toen Eduard naar de lagere school ging vroegen zijn ouders de onderwijzers
om toegefelijkheid omdat hij, volgens hen, moeilijk kon leren. Iedereen
denkt dat geniale mensen vanaf hun prille jeugd al uitblinken. Voor
succes in de school is nodig, behalve zekere karaktereigenschappen,
een koel verstand, le bon sens naturel, waarover
Eduard als kind maar periodiek te beschikken had, verhinderd door allerlei
fantasieën.
Volgens eigen verklaring was hij thuis onvolgzaam en lastig, door vele
berispingen verhard, en gewend te worden gebruikt als zondebok. Toen
hij een keer van school thuis kwam zei het dienstmeisje, toen ze de
deur open deed, angstig: "zeg ja, zeg ja". Eduard begreep
meteen dat hij voor iets aansprakelijk gesteld werd dat de meid gedaan
had.
Ondervraagd zijnde nam hij ridderlijk een berisping voor een gebroken
ruit op zich.
Ridderlijkheid
Als
knaap wandelde Eduard een keer met zijn broertje Willem op de Hoge sluis
in Amsterdam.
Voor hen uit liepen twee joodse kinderen, een jongetje en een meisje.
Het waaide hard en het mutsje van het jongetje waaide af en rolde de
Amstel in. Het meisje huilde omdat ze bang was een berisping te krijgen
als haar broertje zonder fluwelen muts thuis kwam.
Ze vroegen een man, die met een bootje onder de brug voer, het mutsje
te pakken, maar die deed het niet. Wie houdt zich ook op om het mutsje
van een Jodenkind; wie let er op het geschrei van een Jodenmeisje? "Daar
is een jongeheer naar beneden geklommen om het mutsje van dat kind terug
te halen."
Die jongeheer was Eduard.
Men hielp hem met een touw naar boven, want hij kon niet tegen de gladde
muur op.
Hij scheurde zijn kleren en schaafde zijn handen. De mensen aan de kant,
allen lieden van den geringeren standen meest Joden, juichten hem toe.
Een oude man gaf hem de hand en zeide: "Jongeheer, het zal U goed
gaan."
Het lieve broertje Willem riep trots: "Dat
is mijn broer Eduard!"
En ik? verklaarde Eduard
O! die vervloekte ijdelheid!, ik gloeide van genot.
Ja, ik was blijde om de vreugde van het kind, dat voor knorren der ouders
gevrijwaard was.
Maar dat was het niet -als ik daarom alléén verheugd ware
geweest, zou het voor mijn goedhartigheid pleiten; neen, ik had mijn
loon weg. Alles zag op mij; alles noemde mij; alles prees mij.
Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben als ik,
kleine jongen, hen iets had gelast. Ik nam de voorspelling van den ouden
man aan als iets natuurlijks en ik liep dien dag op stelten des hoogmoeds
Die eerzucht: "als
niemand het doet dan zal ik het doen" zie daar wat
Multatuli tot handelen dreef.

Het beeld van Douwes Dekker op de Torensluis is gemaakt
door Hans Bayens
[1924-2003]

Lauriergracht nummer 37 met de gebouwen van 'De Voorzienigheid'
vroeger en nu
*]
Op
de Lauriergracht Nr.37-41 was het Klooster de Voorzienigheid gevestigd
Het klooster is in 1852 gesticht door pastoor
P.Hesseveld als een tehuis voor verwaarloosde meisjes beneden
12 jaar. In 1852 ontstond de zustercongregatie met de naam: 'De arme
zusters van de Voorzienigheid' met liefdadige juffrouwen.
Het klooster is in 1856 gebouwd op de plaats waar eerst de uitspanning
'De Fransche Tuin' was.
Het omvatte een complex tussen de Elandstraat, de Konijnenstraat en
de Lauriergracht.
Het werd wel 'Het Jordaans Vaticaan' genoemd.
Een gevelsteen op nummer 37 houdt de herinnering aan de beroemde zin
uit de Max Havelaar levend.
naar
boven
|