> Jordaan index de Jordaan tussen taal en beeld

Multatuli: de Max Havelaar


Het is meer dan waarschijnlijk dat Eduard Douwes Dekker bij het schrijven van dit boek de Lauriergracht gekend heeft *]



Dat boek is meer dan een boek - het is een mensch


Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht No. 37.
Deze eerste zin uit de Max Havelaar is overbekend.

Het 'ik' waarmee het boek begint zegt ook iets over het egoïsme wat in het boek aan de kaak wordt gesteld, je begint nooit met 'ik', maar in dit boek heeft dat ook een betekenis.

Als ik in myn vak, ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht No 37
aan een principaal, een principaal is iemand die koffi verkoopt,
een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam,
die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman nemen.
Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten.
Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven doe.
Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen.
Ik ben drie en veertig jaren oud, bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden,
als men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen! En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven was in hun jeugd.

Het boek is hertaald door Gijsbert van Es en dan lees je dit:
Amsterdam, omstreeks 1870. Batavus Droogstoppel, een handelaar in koffie, kondigt aan een boek te schrijven. Droogstoppel moppert en klaagt. Hij zegt van de waarheid en niets dan de waarheid te houden. Daarover zeurt hij maar door [en maakt zich belachelijk]

Op deze wijze vat de hertaler het hoofdstuk samen en geeft hij eigenlijk zijn oordeel over Droogstoppel

Max Havelaar, of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij
Het begint als geschrift van een Amsterdamse koffiehandelaar, Batavus Droogstoppel, toonbeeld van huichelachtige kerksheid, kleinburgerlijke geborneerdheid en onbeschaamd winstbejag, voorstander van de protestantse zending, zoals deze door dominee Wawelaar in retorische preken wordt aangeprezen.
Doordat Droogstoppel een jonge Duitser in dienst en in huis neemt, en van een mislukte jeugdvriend,
door hem Sjaalman genoemd, een pak belangrijke Indische papieren ontvangt, kan de koffiehandelaar zijn boek grotendeels laten schrijven door of via die jongeman.
Van het Indische verhaal is Max Havelaar als nieuwbenoemde assistent-resident van Lebak de hoofdpersoon.

Multatuli neemt ten slotte zelf het woord in een peroratie gericht tot koning Willem III, keizer van Insulinde.
Door bemiddeling van Jacob van Lennep, werd het werk in mei 1860 gepubliceerd.


Dit boek is een inleiding ...
Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig zal wezen ...
God geve dat het niet nodig zij! Nee, 't zal niet nodig zijn! Want aan U draag ik mijn boek op, Willem de Derde, Koning, Groothertog, Prins, meer dan Prins, Groothertog en Koning en Keizer van 't prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd ...
Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't Uw keizerlijke wil is:
Dat Havelaar wordt bespat met de modder van Slijmeringen en Droogstoppels?
En dat daarginds meer dan dertig miljoenen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in uw naam.


Multatuli museum

Eduard Douwes Dekker [1820-1887] Multatuli is zijn pseudoniem
Hij werd geboren op 2 maart 1820 in de Korsjespoortsteeg 20, waar nu een museum is
Hij stierf op 19 februari 1887 in Nieder-Ingelheim.
Zijn vader was kapitein der koopvaardij. Hij werd opgevoed door zijn moeder en de drie oudere kinderen. Eigenlijk moest hij, net als zijn broer, doopsgezind predikant worden. Hij ging naar het gymnasium; kwam daarna als jongmaatje in een textielzaak, en werd in 1838 door zijn vader meegenomen naar Nederlands-Indië. Aanvankelijk werkzaam bij de Rekenkamer te Batavia,
vroeg hij in juni 1842, overplaatsing naar een meer `werkdadige werkkring' op Sumatra.
Was vanaf 1842 ambtenaar te Natal. Zijn onafhankelijk gedrag bracht hem in conflict met zijn chefs, vooral met generaal Michiels in Padang. Die plaatste hem over, schorste hem op doorreis, en interneerde hem wederrechtelijk in Padang op verdenking van valsheid in geschrifte.
Dekker verdedigde zich groots, en met recht; de zaak kwam grotendeels neer op een foutieve boeking,
waarbij Dekker zichzelf voor enige duizenden guldens had benadeeld.
Het romantische toneelstuk De Eerloze stamt uit deze periode.
Na een beroep op de gouverneur-generaal mocht Dekker naar Batavia vertrekken, en daar begon hij een nieuwe loopbaan.
Hij trouwde met baronesse Everdina Huberta van Wijnbergen, en werkte hij in Poerworedjo op Java,
daarna als residentie-secretaris in Menado op Celebes en ten slotte als assistent-resident op Ambon.
Omdat hij zich als ambtenaar voortdurend verzette tegen de uitbuiting van het volk, werd hij ontslagen.
Over zijn ervaringen in Indië schreef hij in een paar weken tijd de Max Havelaar.

Dat Eduard al jong begaan was met recht en onrecht is af te lezen aan onderstaande anekdotes

Zondebok
Toen Eduard naar de lagere school ging vroegen zijn ouders de onderwijzers om toegefelijkheid omdat hij, volgens hen, moeilijk kon leren. Iedereen denkt dat geniale mensen vanaf hun prille jeugd al uitblinken. Voor succes in de school is nodig, behalve zekere karaktereigenschappen, een koel verstand, le bon sens naturel, waarover Eduard als kind maar periodiek te beschikken had, verhinderd door allerlei fantasieën.
Volgens eigen verklaring was hij thuis onvolgzaam en lastig, door vele berispingen verhard, en gewend te worden gebruikt als zondebok.
Toen hij een keer van school thuis kwam zei het dienstmeisje, toen ze de deur open deed, angstig: "zeg ja, zeg ja". Eduard begreep meteen dat hij voor iets aansprakelijk gesteld werd dat de meid gedaan had.
Ondervraagd zijnde nam hij ridderlijk een berisping voor een gebroken ruit op zich.

Ridderlijkheid
Als knaap wandelde Eduard een keer met zijn broertje Willem op de Hoge sluis in Amsterdam.
Voor hen uit liepen twee joodse kinderen, een jongetje en een meisje.
Het waaide hard en het mutsje van het jongetje waaide af en rolde de Amstel in. Het meisje huilde omdat ze bang was een berisping te krijgen als haar broertje zonder fluwelen muts thuis kwam.
Ze vroegen een man, die met een bootje onder de brug voer, het mutsje te pakken, maar die deed het niet. Wie houdt zich ook op om het mutsje van een Jodenkind; wie let er op het geschrei van een Jodenmeisje? "Daar is een jongeheer naar beneden geklommen om het mutsje van dat kind terug te halen."

Die jongeheer was Eduard.
Men hielp hem met een touw naar boven, want hij kon niet tegen de gladde muur op.
Hij scheurde zijn kleren en schaafde zijn handen. De mensen aan de kant, allen lieden van den geringeren standen meest Joden, juichten hem toe.
Een oude man gaf hem de hand en zeide: "Jongeheer, het zal U goed gaan."
Het lieve broertje Willem riep trots: "Dat is mijn broer Eduard!"

En ik? verklaarde Eduard
O! die vervloekte ijdelheid!, ik gloeide van genot.
Ja, ik was blijde om de vreugde van het kind, dat voor knorren der ouders gevrijwaard was.
Maar dat was het niet -als ik daarom alléén verheugd ware geweest, zou het voor mijn goedhartigheid pleiten; neen, ik had mijn loon weg. Alles zag op mij; alles noemde mij; alles prees mij.
Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben als ik, kleine jongen, hen iets had gelast. Ik nam de voorspelling van den ouden man aan als iets natuurlijks en ik liep dien dag op stelten des hoogmoeds

Die eerzucht: "als niemand het doet dan zal ik het doen" zie daar wat Multatuli tot handelen dreef.



Het beeld van Douwes Dekker op de Torensluis is gemaakt door Hans Bayens [1924-2003]


Lauriergracht nummer 37 met de gebouwen van 'De Voorzienigheid' vroeger en nu

*]
Op de Lauriergracht Nr.37-41 was het Klooster de Voorzienigheid gevestigd
Het klooster is in 1852 gesticht door pastoor P.Hesseveld als een tehuis voor verwaarloosde meisjes beneden 12 jaar. In 1852 ontstond de zustercongregatie met de naam: 'De arme zusters van de Voorzienigheid' met liefdadige juffrouwen.
Het klooster is in 1856 gebouwd op de plaats waar eerst de uitspanning 'De Fransche Tuin' was.
Het omvatte een complex tussen de Elandstraat, de Konijnenstraat en de Lauriergracht.
Het werd wel 'Het Jordaans Vaticaan' genoemd.
Een gevelsteen op nummer 37 houdt de herinnering aan de beroemde zin uit de Max Havelaar levend.

naar boven


Aanvullingen en verbeteringen graag hier


> Jordaan index