
Ik woonde in een leunstoel
De
fantasieën van een meisje en hoe ze haar omgeving beleefde
Omstreeks het jaar 1930 was ik een kleuter
Ik woonde in Amsterdam in een leunstoel.
Mijn vader en moeder woonden in het bovenhuis dat om mijn stoel was
heen gebouwd.
Er waren ook nog drie oudere zussen en een babybroertje, maar die heb
ik weggedacht. Want al die mensen in dat kleine huisje, dat was me te
veel.
Mijn zussen en mijn broertje zie je dus niet, want als ik mensen wegdacht,
waren ze echt vertrokken.
We
gingen vaak naar de Jordaan
Dat was een arme buurt, maar de straten hadden bloemen- en bomennamen.
We kochten er garnalen.
De garnalenpelsters zaten op de stoep voor hun huisje razendsnel garnalen
te pellen.
Het waren sprietige, schele beestjes, die garnalen, maar het was gezellig
om in de Jordaan te zijn.
Ik werd er vrolijk van.
Mijn tante woonde in
de Goudsbloemstraat
Ze bezat een interessant kropgezwel.
En een grammofoonhoorn om mee te luisteren.
En een kaketoe.
Ja, in de Jordaan moest je wezen!

De
straten hebben namen die je bijna kunt ruiken

Mance
Post [1925]
woont al jaren aan de Prinsengracht, waar ze alle buurtkinderen al eens
getekend heeft.
Ze heeft een nieuwe buurjongen die haar vraagt:
"Mance, toen jij
een mens was, was jij toen ook alleen ?"
naar boven
Bron:
Tekeningen van Mance Post met woorden van Guus Kuijer
Em. Querido's Uitgeverij B.V. · 1979
naar
Jordaan index
|