|
de
Jordaan
tussen
taal en beeld
>
Jordaan index
1748
Het Pachtersoproer

De meubels van de imposters gaan de gracht in
Impostmeesters
De steden waren voor hun inkomsten grotendeels afhankelijk
van de indirecte belastingen (imposten) op de eerste levensbehoeften
als zout, boter, zeep en turf en geliefde genotmiddelen, als jenever,
wijn en bier. De drankaccijnzen leverden de stad vaak niet alleen
veel geld op, in 1556 konden alle stedelijke uitgaven ermee worden
gedekt, maar ook veel toestanden.
Het innen van de belastingen werd verpacht aan 'impostmeesters',
die zich bij de burgerij gehaat maakten door de vaak hardhandige
wijze waarop zij de belastinggelden inden. Burgers bedachten vaak
de slimste trucs om de accijnzen te ontduiken
Sluyken
De belastingontduikers werden daarbij niet zelden in de weg gezeten
door verklikkers, die tegen hoge beloningen "sluykers"
bij de impostmeesters aangaven.
De
pachters maakten uit hoeveel ieder moest betalen
Ze waren
daarbij vaak zeer onredelijk.
Ze bevoordeelden soms hun vrienden terwijl anderen weer extra
veel belasting moesten betalen. Veel van het geld bleef bij de
pachters hangen. Die hadden dus een zeer winstgevend baantje.
Dat onrechtvaardige systeem moest zich wreken.
Verdediging
Ondertussen wies de angst bij velen, zelfs bij hen die geene aanleiding
tot plundering konden hebben gegeven. Want de spraak ging, dat
men voornemens was, om allen, die ooit eenig deel aan pachten
of imposten gehad hadden aan te tasten, het zij dat zij die in
eigen persoon gehad hadden, of dat men wist dat hunnen ouders
daarmede, te eniger tijd hadden opgehouden. Ja, sommigen dreigden
alle Pachters en overklikkers te zullen uitroeijen, tot in het
vierde gelid.
En men zag hiervan een voorbeeld bij een wijnkoper op den hoek
van de Bloemgracht, wiens vader Pachter van het zout geweest was;
en bij een sleper op de Baangracht bij de Egelantiersgracht, wiens
vader de pacht van het brandhout had gehad.
Met dat al mogt het eenigen ingezetenen gelukken den plunderaars
wederstand te bieden of af te keeren en daardoor hunne bezittingen
te redden. Onder anderen gelukte dit den Heer Nicolaas Lublink,
wiens werkvolk, van wapenen en schietgeweer voorzien, deed wijken,
zoodra zij zagen dat men gereed was geweld met geweld te keeren.
Belangrijk was ook de hulp der Joden, die, zoodra het gespuis
in hun kwartier kwam, om ettelijke aldaar wonende Christenen te
plunderen, met alle man opstonden en het gespuis verdreven.
Daarenboven hadden de Joden, bij de Brouwerij de Wereld,
ter beveiliging van het collecteurshuisje, een bolwerk van halve
vaten opgestapeld, in welke verschansing zij de verwoesters afwachtten,
die dezen toestel ziende, aftrokken.
Zoo ook verweerde zich met goed gevolg een herbergier, bekend
onder de naam van Grootendorst, wonende op de Brouwersgracht.
Het gevaar tegemoet ziende, had hij eenige welgezinde geburen
te hulp geroepen, die zich in zijne woning vereenigden en wapenden
om het gespuis het hoofd te bieden.
Toen nu de plunderaars voor de herberg waren gekomen, trad een
der verdedigers van Grootendorst voor de dag met eene kan
Rotterdammer bier en sprak de voornaamste belhamels aldus aan:
Mannen! Zoo je een glaasje met ons wilt drinken, dat
is tot je dienst, maar kom je om het huis te plunderen, dan zullen
we je wel ontvangen en (tevens zijn mes trekkende) je kunt
verzekerd wezen dat we je met dit eindje staal zeer wel zullen
toestellen. Deze krachtige woorden en de houding der verdere
verdedigers was genoeg om de bende te verdrijven.
Op dergelijke wijze is het Vleeschhouwers-kantoor achter de groote
hal in de Nes verdedigd. Het gespuis had eerbied voor een aantal
slagtersknechts, die gereed waren om met hunne kapmessen in het
honderd te hakken.
Wat
deden de Magistraten?
Was de waakzame Regering
van Amsterdam gedurende het oproer dat dagen achtereen plaats
vond, niet bij machte het kwaad te stuiten? Kon de Magistraat
op krachtige bijstand rekenen toen de Schutterij vrij algemeen
verklaarde de Pachters niet te willen beschermen?
Bedenk dat de Schutterij destijds de krachtigste arm was des Stedelijken
Bestuurs en dat de Pachters zich in vele opzichten gehaat hadden
gemaakt.
De Regering, hoewel in noodlottige omstandigheden gewikkeld, had
niet stil gezeten, maar veeleer, in overleg met Hun Edele Groot/Mogenden
en den Prins Stadhouder, terwijl men het huis op den Vijgendam
plunderde, de Stadsklok geluid en een Notificatie afgelezen hadden.
Decreet
Op 24 juni 1748 werd van de pui van het stadhuis een publicatie
voorgelezen, waarin de Staten de praktijken veroordeelden waarmee
de pachters der belastingen in korte tijd schatrijk werden.
Mijne
Heeren van de Geregte der Stad Amsterdam, tot hun overgroot leedwezen,
ondervindende de bewegingen onder sommige Inwoners deze Stad ontstaan,
notificeren bij dezen dat de Heeren Burgemeesteren van de voornoemde
bewegingen en de indicatie van de ingezetenen dezer Stad kennis
hebbende gegeven aan Hun Edele Groot-Mogende en aan Zijne Doorluchtige
Hoogheid, den Heere Prinse van Oranje en Nassau, onzen Erfstadhouder,
omme met dezelfde te overleggen hoe aan de oorzaken van die bewegingen
ten dienste van den Lande en ten beste van de Burgeren en Ingezetenen
van dien mogte worden weggenomen of geremediëerd, vermanende
en gelastende met advies van de Heeren zes en dertig Raden, ondertusschen
allen en een iegelijk, in afwachting van de order van Hun Edele
Groot-Mogenden en Zijne Doorluchtige Hoogheid, den Heere Prinse
van Oranje en Nassau, geene oorzaak tot verdere beweging te geven
en ten einde hetzelfde te meerder voor te komen, bevelen Mijne
Heeren voornoemd.
Het volk
was na kennisname hiervan zo opgewonden, dat de schutterij niet
in staat was de massa's in bedwang te houden: tientallen huizen
van belastinginners werden volledig geplunderd.
Onrust
op de Botermarkt
Een dag later was er een rel op de Botermarkt, nu het Rembrandtplein.
Relschoppers mishandelden daar enkele belastingambtenaren. Ze
gooiden met vuil. Een vrouw tilde haar rokken op en toonde haar
achterwerk aan de schutters.
Die schoten vervolgens "dat vrouwmens
in haar blote fondament". Toen de vrouw
aan haar verwondingen overleed, brak de hel los.
Meubels
in de gracht
De rebellerende Amsterdammers dromden naar de huizen van de belastingpachters,
meestal rijke kooplieden die aan de grachten woonden. Tientallen
huizen werden geplunderd. Meubelstukken en kostbaarheden belandden
in het water.
De razernij van de veelal dronken meute duurde 4 dagen. In die
periode plunderden ze ook het huis van belastingontvanger
A.M. van Arssen aan het Singel.
Een
ooggetuigenverslag
In de Jiddische kronike
van Chaim Braatbard stond geschreven:
Woedende burgers trokken naar de Keizersgracht waar de meeste
belastingpachters in kapitale herenhuizen woonden.
Het ene huis na het andere werd bestormd en geplunderd.
Alles werd kort en klein geslagen. Wie trachtte zichzelf te verrijken
werd met de buit en al in de gracht gegooid en verdronk.
Stedelijke
ambtenaren gaan innen
Op voorstel van Willem lV werd
in de Statenvergadering besloten het pachtsysteem af te schaffen.
De inning van de belastinggelden ging over in handen van stedelijke
ambtenaren, maar dat had een averechts gevolg.
Nu trok het gepeupel naar de huizen van de kruideniers en brood-
en banketbakkers en eiste hun waren op voor de prijzen die het
zelf vaststelde, met het gevolg dat de winkels spoedig waren "uitverkocht".
De schutterij moest de hulp van 300 met bijlen bewapende scheepstimmerlieden
inroepen om de orde te herstellen.
Twee oproerkraaiers opgehangen
Mat v.d. Nieuwendijk,
koopvrouw in schol en bokking, die bij alle plunderingen de leiding
had gegeven en twee anderen, waaronder de tuinier Pieter van
Dordt, werden tot de dood door ophanging veroordeeld.
De terechtstelling had plaats aan de Waag op de Dam, waar de toeschouwers
opeengepakt stonden.
"Zodra
de drie gevangenen uit het raadhuis kwamen, begonnen de trommelslagers
hun roffels te slaan om al het volk te beletten het schreeuwen
van de vrouw te horen.
Maar zij schreeuwde zeer jammerlijk "wraak, wraak, mijn lieve
burgers, staat mij bij.
Want gij laat mij nu zo schandelijk sterven, terwijl ik toch niet
voor mijzelf gevochten heb.
Ik heb het toch gedaan voor het hele land, tegen de dwingelandij
van de pachters, door wie wij burgers zo gekweld werden en die
ons met geweld geld en goed afnamen voor de belasting."
Maar zij moest toch hangen. meteen zag men de katrol bewegen ...
Toen zij uit het venster werd gehesen hoorden men haar met de
strop om de hals schreeuwen
"Wraak, wraak!":
En zo hing zij uit het venster en spartelde tot zij dood was."
Pieter
van Dordt uit het raam van het stadhuis gehesen
Op dat moment vielen er echter een paar schoten, waardoor er paniek
onder de dicht opeengepakte menigte ontstond, als gevolg waarvan
tientallen onder de voet werden gelopen en dood getrapt. Andere
sprongen in het water, waardoor er 58 mensen verdronken. Op de
Dam zelf lagen honderden gewonden en doden.
De
rellen sloegen over naar Groningen en Friesland
Deze wantoestanden heersten daar ook. De huizen van de gehate
belastingpachters werden systematisch geplunderd.
naar
boven
Aanvullingen
en verbeteringen graag hier
terug
naar meer oproer
|