
Drukkerij Weltevreden
in de Bloemstraat, kennelijk tevreden over de woorden die gedrukt en
verspreid werden.
Als het bedrijfje afgebroken wordt verschijnt de taal van de graffiti,
een Jordaanse discussie met spuitbussen.
Maar wat is die Jordaanse Moerstaal eigenlijk?
Het
Jordaans, lotgevallen van een taal
Door Dr.J.B. Berns
De tekst
is op verschillende plaatsen ingekort.
Het geheel
kunt u opvragen bij > Archief
taal en beeld
Joost
van den Vondel [1587-1679]
Deze
spraeck wort tegenwoordigh in 's Gravenhage, de Raetkamer der Heeren
Staten, en het Hof van hunnen Stedehouder,
en t' Amsterdam, de maghtighste koopstadt der weerelt, allervolmaeckst
gesproken by lieden van goede opvoedinge,
indien men der hovelingen en pleiteren en kooplieden onduitsche termen
uitsluite:
want out Amsterdamsch is te mal, en plat Antwerpsch te walgelijck.
[1650]
Aenleidinge
ter Nederduitsche dichtkunste
Op het moment dat het 'Nieuwe Werck',
zoals de Jordaan eerst genoemd werd, zijn voltooiing naderde publiceerde
Joost van den Vondel [1589-1679]
een soort 'Ars Poetica' waarin
de ervaren en zeer gewaardeerde dichter zijn jonge collega's voorhoudt
hoe ze moeten schrijven.
Hij schreef voor hoe hun taal er behoort uit te zien en hoe hun stijl
ontwikkeld dient te worden.
Men zou kunnen zeggen dat met de Aenleidinge er even een rustpunt ,
een moment van terugkijken en bezinning is gekomen in een periode van
ruim honderd jaar opbouw van het Nederlands,
letterlijk bouwen aan de eigen vaderlandse taal.
Het was allemaal begonnen in de 16de eeuw
De renaissance had grote waardering voor de Klassieken en wilden deze
ook bekend maken bij een publiek dat geen Latijn of Grieks machtig was.
Men sloeg aan het vertalen.
De Reformatie verdreef het Latijn uit de
eredienst en gaf het primaat aan de volkstaal; er moest een nieuwe bijbelvertaling
komen.
Op de derde plaats ontstond er een ontwakend nationaal bewustzijn, een
gevoel van historische en culturele eenheid en de beste uitdrukking
daarvan zou een algemeen verstaanbare en aanvaarde volkstaal zijn.
Men streefde naar verheerlijking en opbouw van het Nederlands.[...]
naar
boven
Wat
is er ondernomen en uitgegeven?
[1550]
Nederlandsche Spellinge
van de Gentse drukker Joost
Lambrecht [1491-1556/7]
[1554]
Cruyde Boeck
van
Rembertus
Dodoens
[1574]
Dictionarium
Teutonico-Latinum door Cornelis
Kiliaan [1529-1607]
[1581]
Nederduitsche Orthographie
van Pontus de Heuiter
[1535-1602]
[1582]
De Staten generaal
besluiten hun stukken in het Nederlands te doen schrijven.
Op
huydden hebben mijne heeren de Generaele-Staeten geresolveert,
dat men nu voortaenne de resolutiën van de Generaliteyt in Nederlandsche
taele sal continueren
[1584]
Twe-spraack
van de Nederduitsche letterkunst van Hendrick
Laurensz. Spiegel
en leden van de Rederijkerskamer
In liefd' bloeiend te Amsterdam.
[1585]
Ruygh-bewerp van de
Redenkaveling [Ruwe schets van redeneren],
een pleidooi van de Rederijkerskamer In Liefd' bloeiende voor het gebruik
van de Nederlandse taal aan de Leidse Universiteit.
[1586]
Uytspraeck van de weerdigheyt
der duytsche tael, door Simon
Stevin [1548-1620]
[1618]
De Synode van Dordrecht
besluit voor een nieuwe vertaling van de bijbel.
[1622-1623]
Letterkunstige vergadering
te Amsterdam,
Vondel, Hooft, Anthonis de Hubert en
Laurens Reaal werkten samen
aan de vertaling van Seneca's treurspel Troades.
[1626]
Amsterdamsche Hecuba
[Troades] door Vondel
[1623]
Jacob Cats
zuivert zijn vroegere werken van Zeelandismen; hij
gaat "Hollandsch" schrijven.
[1625]
Nederduitsche Grammatica
ofte spraac-konst, door Christiaan
van Heule [?-1655],
[1633]
Eerste vergadering der translateurs en reviseurs
van het Oude Testament.[9 juli]
[1634]
Eerste vergadering der
translateurs en reviseurs van het Nieuwe Testament.
[16 november]
Uit deze vergaderingen zijn de
Resolutiën voortgekomen.
Gevolgen voor de Amsterdamse taal
De positie van de standaardtaal en die van de
dialecten is bepaald
De eerste eeuwen zal die bovengewestelijke eenheidstaal vooral de schrijftaal
zijn; de gesproken vorm een zaak van "lieden van goede opvoedinge
".
De groei en uitbouw van de standaardtaal had directe gevolgen voor de
taal van Amsterdam, dat als echt Noord-Hollands dialect aan de ene kant
in aanraking kwam met allerlei vreemde talen en dialecten en aan de andere
kant steeds meer met het officiële Nederlands.
Het Amsterdams dat eens een streekgebonden taal was en later een verzameling
buurtgebonden dialecten, werd een sociolect,
dat wil zeggen de taal van bepaalde maatschappelijke groep.
Het oudste overgeleverde Amsterdamse dialect, dat van de zeventiende eeuw
paste, geheel in het omringende taallandschap, van een eigen stadstaal
was toen nog geen sprake.
Hoe de voornaamste klanken eruit zagen heeft
Peter Commandeur overzichtelijk
in kaart gebracht.
De
klanken
Hieronder
volgt een opsomming van de belangrijkste klankverschijnselen om te laten
zien hoe groot de breuk is met het hedendaagse Amsterdams en hoeveel
er nog van voortleeft in de Noord-Hollandse dialecten van nu.
1. de vanouds lange ee, de e die in de oude spelling in open
lettergreep als ee gespeld moest worden, was ie: mien [meen],
gien [geen], stien [steen], kieren [keeren], kliere
[kleeren], bried [breed], mier [meer], gerietschip
[gereedschap], twie [twee], hiel [heel].
2. De lange oo werd vaak gepalataliseerd en klonk als eu: jeud
[jood], meugelijk [mogelijk], veugel [vogel], seun
[zoon], veur [voor].
3. De gerekte ee werd gerond tot eu: veul [veel], speule
[spelen], dat gebeurde meestal voor lipmedeklinkers, maar ook in andere
gevallen: beusem [bezem], deuze [deze], teugen [tegen].
4. Een n die gevolgd wordt door een d of t werd gevelariseerd,
dat wil zeggen als ng[t] uitgesproken: kangtje [kantje], onger
[onder], brangd [brand], songer [zonder], verstangd
[verstand], en ook: ongze [onze].
5. Om voltooide deelwoorden te maken, gebruikt het Nederlands
het voorvoegsel ge-: geweest, gedaan, het Amsterdams van de 17de eeuw
gebruikte hier e-: eweest, edaen, maar ook komt voor ik
loof [ik geloof], enoeg [genoeg] en selschip [gezelschap].
6. Een typisch kenmerk van het Nederlands is dat de klankverbinding
-ft tot -cht werd, maar in het oudere Amsterdams bleef die -ft bewaard:
ekoft [gekocht], safjens [zachtjes].
7. Vanuit een historisch standpunt zijn er in het Nederlands
twee a's te onderscheiden, een die vanouds lang was [en die in de oude
spelling ook in open lettergreep met twee aa's geschreven werd] en een
die uit een korte a is ontstaan in open lettergreep. In het standaard
Nederlands zijn beide a's samengevallen, niet in het Amsterdams van
de 17de eeuw waar de vanouds lange a als ae of ee klonk.
8. De klankgroep sch aan het begin van een woord moet
sk geweest zijn, ook al blijkt dat niet uit de overgeleverde
bronnen. Men gaat er van uit dat de uitspraak sk zo algemeen was, dat
deze in de kluchten geen komisch effect had en dat de klank in schrift
niet apart hoefde te worden weergegeven.
Al deze echt Hollandse dialecteigenaardigheden werden niet opgenomen
in de standaardtaal, we zullen ze ook niet meer aantreffen in het moderne
Amsterdamse plat.
De
Bronnen
Nu is het jammer dat het taalmateriaal uit de volgende eeuwen minder
rijk is dan dat van de zeventiende eeuw, maar uit de spaarzame bronnen
voor de 18de eeuw blijkt dat ie voor vanouds lange ee nog voorkomt;
ft voor cht is op zijn retour, maar algemeen sprak men toen
nog van de Prinsengraft en er werd ook nog onderscheid gemaakt
tussen a en ae.
Een eeuw later lijkt het alsof de ie voor vanouds lange ee alleen nog
in bepaalde woorden voorkomt: straatstiene [straatstenen], bakbiest
[bakbeest] en hieten [heten].
Sk voor sch was nog bekend.
Van ft in plaats van cht [gekoft tegenover gekocht] is geen spoor meer
te bekennen en dat geldt ook voor het voorvoegsel e- bij het voltooid
deelwoord, één keer is beurt voor gebeurd aangetroffen.
Dat lijkt een soort vaste uitdrukking te zijn geworden ook nu hoort
men nog vaak: 't is beurt! Sporen van -ngt en -ngd voor n+t of d zijn
er evenmin.
naar
boven
Gerbrand
Adriaansz Bredero
[1585-1618]
Taal in beweging
Het is interessant dat al die kenmerken van het 17de-eeuwse Amsterdams
die typisch voor de kustdialecten
zijn, niet in de standaardtaal zijn opgenomen.
We zagen ook dat ze in de stad zelf in de loop van een paar eeuwen afnemen
en zelfs geheel verdwijnen; het moderne 'plat-amsterdams' schoof op
in de richting van de standaardtaal.
Al gedurende de 17de eeuw was de taal in Amsterdam in beweging.
Bredero noemde de
oude Aemsteldamsche en Waterlandsche Taal in één
adem, die taal werd enerzijds door 'boeren' en anderzijds door 'oude
lieden' gesproken, waaruit we mogen afleiden dat een jongere generatie
in Amsterdam een andere taal ging spreken:
'
want out Amsterdamsch is te mal, en plat Antwerpsch
te walgelijck',
merkte Vondel
op.
Met out Amsterdamsch moet ook hij
wel de taal van de oudere generatie bedoeld hebben en plat
Antwerpsch was het gewone, ongekunstelde Brabants van de
talrijke Zuid-Nederlandse immigranten.
Ook al ging het Vondel hier niet om een beschrijving van het Amsterdams
van zijn tijd, maar om het vaststellen van criteria waaraan een literaire
taal moet voldoen, hij heeft indirect toch gewezen op variatie binnen
het Amsterdams, een sociale variatie, gebonden aan leeftijd en geografische
herkomst. Ook de 'boeren' van Bredero, die de 'Waterlandsche Taal' spraken,
zijn geografisch gemarkeerd.
naar
boven

Koffiepiksters
Onderzoek
naar de Amsterdamse Volkstaal
[1877]
Een enquête
Voor de 19de eeuw kunnen we niet om de enquête van
W.W. van Lennep
en J.A. Alberdingk Thijm
heen. Zij stelden een onderzoek in naar de Amsterdamse volkstaal.[...]
Het is de moeite waard stil te staan bij hun bevindingen, want nu gaan
we kennis maken met de onmiddellijke voorganger van het hedendaagse
Amsterdams.[...]
Binnen het dialectologisch onderzoek in Nederland is deze Amsterdamse
enquête een primeur, het is de eerste echte vragenlijst waarin
naar klanken, woorden en uitdrukkingen wordt gevraagd. Daarvóór
maakte de dialectonderzoekers gebruik van één vaste tekst
die in dialect vertaald moest worden. [...]
Uitspraak
der klinkers:
Klinkt op de tong der Amsterdammers, wier spraak door u beluisterd is,
de a:
1. In staal, naam, kaas, kwaad, zuiver of gemengd [ao, oa]?
2. Maken zij
onderscheid tusschen de open a voor de r en voor de andere medeklinkers
?
3. Zeggen
zij kaart, gelijk zij staat en staal zeggen? Maken zij onderscheid tusschen
de a in staat en in staal?
4. Indien
zij de a in kaart en bewaren uitspreken als in staat of staal, spreken
zij haar dan toch niet verschillend uit in paarsch, laars, paard, kaars
en staal?
5. Ook in
zwaard en rechtvaardig?
6. Zeggen
zij parel, paerel, perel? Kerel of kaerel?
7. Zeggen
zij dakke, voor daken? zatte voor zaten? atte voor aten? brocbt, voor
bracht? docht, voor dacht? karse,voor . kersen? varse, voor verse [versche]?
star of ster?
De
Amsterdamsche straatjongen sprak van zijn baos
en vaoder.
De kwestie van de uitspraak van de klank aa was kennelijk een belangrijk
punt.
Het bleek dat veel Amsterdammers die aa uitspraken als een ao-klank,
soms iets meer nog in de richting van de oo.
Voor kaas was bij sommigen nog de uitspraak kaes in gebruik; de a in
kwaje jongen werd zuiver uitgesproken die op het einde van bijna soms
dof als bijnu.
En net als dat nu het geval is, hoorde men in dezelfde buurt de aa verschillend
uitspreken.
De gesloten a, vooral vóór de n werd 'kort wordt afgebeten'
uitgesproken als mann, Jann, of menn, Jenn. [...]
In tegenstelling tot het moderne plat Amsterdams maakte men in de 19de
eeuw nog wel onderscheid tussen de uitspraak van a voor r en voor andere
letters.
Zo hoorde men wel de uitspraak paers, laers, paerd, kaers, staert
naast loars, poard, stoart of start.[...]
'Zweert en rechtveerdig hoort men nog soms van oude menschen en van
vrome moeders, vooral in deftige kringen.
Voor parel hoort men niet zelden paerel of perrel; voor kerel meest
kerel, zelden kaerel'.[...]
naar
boven
Geschiedenis
van het dialectonderzoek
[1969]
De Nederlandse Dialectatlassen
In 1969 verscheen deel 13: Dialectatlas van Noord-Holland. Het deel
was samengesteld door Dr. Jo Daan.
De Reeks is een van de grootste ondernemingen uit de geschiedenis van
het dialectonderzoek binnen het Nederlandse taalgebied. Het was initiatief
van de Gentse hoogleraar Edgard Blancquaert.
[...]
Jo Daan maakte voor Amsterdam drie verschillende opnames, Kattenburg,
Spaarndam en de Jordaan. Ze deed dat rond 1950.
De houding ten opzichte van het eigen dialect was tamelijk negatief
en dat maakte het moeilijk om geschikte zegslieden te vinden. De opname
van de Jordaan springt er echt uit; Kattenburg en de Spaarndammerbuurt
lijken veel op elkaar.
Ome Willem
Voor de Jordaan beschikte Jo Daan slechts over één zegsman,
Willem Bruyn, beter bekend als de
muzikant 'Ome Willem"; ten tijde van de opname was 69 jaar oud.
[...]
Wat vooral opvalt in het dialect van de Jordaan van rond 1950 is de
uitspraak sk voor sch, dat gebeurt met een welhaast ijzeren
consequentie.: skip, skipper, skeipe, skink
in [schip, schipper, schepen, schenk in].
Het gebeurt ook tussen woorden, bijvoorbeeld in de zin: 'In de Schelde
zwemmen is gevaarlijk' , klinkt als kevaorlek.
De 'lange ij' klinkt in de Jordaan als aa: raap [rijp], vaaf
[vijf], waan [wijn];
het Kattenburgs heeft réép, faaf, wèèn
en de Spaarndammerbuurt rèèp, fééf
en wéén.
Interessant is het zinnetje 'er waren vijf prijzen'.
De Jordaan: vaaif praaize, Kattenburg faaf praase en de
Spaarndammerbuurt fééf préése.
Een ei is in de Jordaan en op Kattenburg 'n aaj, in de
Spaarndammerbuurt 'n aej.
De a in gegaan, gedaan en maakte is in de Jordaan
en in de Spaarndammerbuurt verdonkerd tot een ao-achtige klank: gegaon,
gedaon, maokte. [...]
Kaas klinkt in de Jordaan en in de Spaarndammerbuurt als kaos,
op Kattenburg als kaas.
De uitspraak van e in leven, gebleven, hemel en
kerel vertoont ook de nodige variatie;
de Jordaan zegt leeive, heimel, gebleeive en keeirel;
Kattenburg leeive, heemel, gebleeve en keerel
:
Spaarndammerbuurt leeive, heeimel, gebleeive en
voor kerel wordt gouser gegeven. [...]
naar
boven

Klanken
van schoolkinderen in de Jordaan
[1959]
Taalkundige observaties
De Nijmeegse neerlandicus Joop Mittelmeijer
onderzocht de klanken van de schoolgaande jeugd in de Jordaan.[...]
Het dialect van de Jordaanse schooljeugd van rond 1950 maakt op sommige
punten nog een conservatieve indruk, maar verschilt in een aantal opzichten
toch al van de rond 1950 gemaakte bandopname van Jo
Daan.
Mittemeijer heeft zeer naarstig gezocht naar gevallen van sk
in plaats van sch en meer als een een enkele maal booskap kon
hij niet vinden.
Wel hoorde hij 'de nozems van de Lindengracht',
van bioschoop spreken, wat als een
hypercorrectie moet worden beschouwd. [...]
Mittelmeijer trof nog wel restanten van velariseringen
aan. Een jongen van 14 jaar zei: hangt [hand] en langt
[land]
Bij een paar meisjes wangele [wandelen] en angere [andere].
Wat de korte klinkers a, e i en o betreft, kon ook hij vaststellen dat
deze voor t, d, st en n palataal werd uitgesproken, d.w.z. in de richting
van een e gaan.
Hij wijst op het voorkomen van een scherp-korte ò naast een zacht-korte
ó dòk - póp, mòppere - brómme, dòchter
- dóm.
Voor Sinterklaas hoorde hij wel Sunterklaas.
Paapie kraat [pijpje krijt]
Bij de lange klinker aa bleek de verdonkerde uitspraak ao op zijn retour
te zijn.
De ee en oo werden licht diftongisch
uitgesproken, ongeveer als eei en ou.
Een lichte naslag stelde hij vast bij de realisering van de eu: deu-er
en veu-er, terwijl ie en oe iets verlengd worden.
Maar naast moete komt voor motte; de uitspraak blomme
voor bloemen hoorde hij alleen nog van bloemenverkopers op de
markt.
De uitspraak van ei en ij was aa; paapie kraat [pijpje krijt]; de tweeklank
ui was een éénklank geworden: hààs, höös
[huis], tààn, töön [tuin], rààt,
rööt [ruit], sààpe, sööpe[zuipen].
Tussen de uitspraak van ou en au was geen verschil te horen: kaa[w]t
[koud], aa[w]t [oud], blaa[u]w [blauw], klaa[u]w
[klauw]; vrouw en nou klonken eerder als fraa en
naa.
Bij de medeklinkers viel vooral de verstemlozing
van v, g en z op: fier [vier], cheeife [geven] en swaa-en
[zwaan], met als tegenhanger, merkwaardigerwijs niet in de Jordaan,
maar in het andere Amsterdams: zuiker [suiker] en zent
[cent];
De mouillering [verzachting] van
de s-klank: sjesj [zes], sjoin [zon], mensj [mens]
en kunsj [kunst].
De voorbeelden van assimilatie van t waarop Van
Lennep en Thijm ook reeds
wezen kwam nog steeds veelvuldig voor: plaas [plaats], schaa-se
[schaatsen], áásmus [ijsmuts], klesse [kletsen],
dààslant [Duitsland] en booschap [boodschap].
Ook kwamen er overbodige t's voor, bijvoorbeeld
enkelt [enkel] en dubbelt [dubbel].
De d tussen twee klinkers werd gewoonlijk een j: boojem [bodem].
Het viel Mittelmeijer op dat de
l aan het begin van woorden heel 'dik' werd uitgesproken.
Over het algemeen heeft de Nederlander moeite met de klankcombinatie
wr, meestal maakt hij er vr van; bij de Jordaanse schoolkinderen werden
wreef, wrat en wringer: freef, frat en fringer.
naar
boven
Lik
op stuk, het Dialect van Amsterdam
[1985]
Het moderne onderzoek
Het moderne Amsterdams is beschreven in het Amerikaanse proefschrift
van dr. Henriëtte Schatz: Plat
Amsterdams in its Social Context.
Het verscheen in 1985 bij het P.J.Meertens-Instituut
in druk verscheen.
Eén jaar later volgde van haar hand een meer populaire studie
van het Amsterdamse dialect:
Het onderzoek van Dr. Schatz is gebaseerd op een uitgebreid corpus Amsterdamse
spreektaal, dat in de jaren 1975-1976 verzameld werd door de afdeling
Dialectologie van het Meertens Instituut. [...]
Het gehele verzameling teksten beluisterde ze om een meer algemene indruk
te krijgen van het Amsterdams.[...]
Het grote verschil tussen het vroegere dialectonderzoek, zoals het Dialecticon
van Winkler uit 1874 en de enquête
van 1877, en het proefschrift van Henriëtte
Schatz is, dat het proefschrift een kwantitatief onderzoek
is, op basis van gegevens die gerelateerd zijn aan sexe, leeftijd en
sociale status van een representatief aantal sprekers.
Het oudere materiaal is eerder een verzameling losse verschijnselen,
zonder dat men een precies inzicht krijgt in wie wat spraken tegen wie
en in welke situaties. In de enquête van 1877 zijn wel aanzetten
tot een moderne benadering, er wordt gesproken van 'oude dienstboden',
'oude lieden', 'personen tusschen 40 en 60 jaar', 'laagste standen'
en 'lagere volksklassen' en zelfs van 'beschaafde vrouwen, wanneer zij
op zuiverheid van uitspraak niet veel acht geven'.[...]
Ze ging ervan uit dat de sociale klasse, leeftijd, gesprekssituatie
en het geslacht invloed uitoefenden op het taalgebruik en haar vier
hypothesen waren:
1. Hoe lager de sociale klasse, hoe meer dialect er gesproken zou worden.
2. Ouderen waren dialectvaster zijn dan jongeren.
3. In een informele situatie zou men meer plat spreken dan in een formele.
4. Vrouwen spraken netter dan mannen.
De grote verrassing
was dat leeftijd geen rol, speelde, niet de oudere generatie, maar juist
de jongere was veel dialectischer. Ook de gesprekssituatie speelde geen
rol. Of er nu in een formele of informele situatie gesproken werd, dat
maakte voor het gebruik van dialect geen verschil.
Wel was het zo dat mannen veel meer dialect spraken dan vrouwen en dat
in het oordeel van dialectsprekers zelf plat sprekende vrouwen lager
gewaardeerd werden.
De groep plat
sprekende Amsterdammers. De uitspraak van de a in een woord als kaas.
Mannen spraken dit woord uit met een verdonkerder a als kaos,
vrouwen met een sterk nasale a: ka~a~s [...]
Amsterdamse proefpersonen die een oordeel moesten geven over de status
van dit Amsterdams stoorden er zich in het geheel niet aan. Kennelijk
gaat die typische tongpunt-r, voor heel normaal door. De lange e van
kees werd als tweeklank uitgesproken, ongeveer keis; de l in de woorden
als laden en balen was een 'dikke' l en de s van soep en persoon als
sj : sjoep en pursjoun. Maar als geheel kreeg het plat Amsterdams in
het oordeel van de sprekers ervan een lage waardering.
naar
boven

Maatschappelijke
positie van vrouwen en hun taal
[1989]
Taalgebruik van Amsterdamse vrouwen
Dr. Dédé Brouwer onderzocht
het , vooral in verband met 'zowel de ondergeschikte positie van vrouwen
in de maatschappij als de uiteenlopende sociale normen voor vrouwen
en mannen'.
Haar onderzoek is een heel verfijnde uitwerking en verdieping van de
vraag of het taalgebruik van vrouwen anders is als dat van mannen en
of dat samenhangt met de maatschappelijke positie van de vrouw.
Haar antwoord op de laatste vraag was een volmondig ja.
Vrouwen gebruiken vaker standaard Nederlands
en mannen vaker Amsterdams
Daarnaast zijn opleidingsniveau, het hebben van kinderen, en het hebben
van werk buitenshuis van de vrouw bepalend voor het taalgebruik.
Mannen die standaardtaal spreken genieten een hoger aanzien dan vrouwen
die dat doen. Binnen de dialectsprekende milieus zelf geldt dat mannen
die standaard Nederlands spreken als watjes worden beschouwd, maar een
dialectsprekende man is een echte macho, en dat in positieve zin.
Op dialect sprekende vrouwen daarentegen wordt neergezien, van hen wordt
verwacht dat ze hun best doen zo 'netjes' mogelijk te praten.
Dat heeft natuurlijk alles te maken met de rol als opvoedster van de
kinderen.
Voor hen wil ze uiteraard het beste, want iedereen wil vooruitkomen
in deze maatschappij. Om iets te bereiken is een goede beheersing van
het Nederlands, dat wil zeggen van de standaardtaal een vereiste.
naar
boven
Negentien
Amsterdamse Dialecten
[1870]
Amsterdamse stadstaal
Winkler uit 1874 geeft veel feiten
uit de geschiedenis van de Amsterdamse stadstaal. Winklers voornaamste
informant, Johan ter Gouw
stelde een indeling voor met 19 buurtgebonden dialectgebieden
die nam hij over in zijn Algemeen Nederduitsch en Friesch Idioticon.
Daarmee deed een merkwaardige dialectindeling
zijn intrede in de geschiedenis van het Amsterdams.
Merkwaardig om verschillende redenen.
Op het ogenblik dat Ter Gouw zijn mededelingen
aan Winkler deed, was de taaltoestand al verleden tijd; niet altijd
zijn het taalkundige argumenten die gehanteerd werden om de buurten
te onderscheiden, zo brachten de Portugese en Duitse Joden hun eigen
taal mee en was er in bepaalde buurten eerder sprake van een opeenhoping
van mensen met eenzelfde taalachtergrond of met een zelfde beroep en
dat verleidde Ter Gouw ertoe meteen aan invloed van dat vak en die talige
achtergrond op het actuele taalgebruik te denken.
De beschrijving van de Amsterdamse dialecten lijkt wel een soort stadswandeling
door de binnenstad rond 1870.

Korte
beschrijving van de 19 dialecten:
1. Het Kattenburgs
Deze tongval werd gesproken op het eiland Kattenburg. Maar het echte
Kattenburgs was toen al uitgestorven samen met de oude Kattenburgse
gewoonten. Dat alles was een gevolg van economische omstandigheden,
zoals de malaise in de scheepvaart, want de Kattenburgers waren grotendeels
scheepstimmerlieden.
Het echte Kattenburgs was een taaltje dat door de Amsterdammers uit
de binnenbuurten, door de die van de Kalverstraat bijvoorbeeld niet
makkelijk werd verstaan.
Winkler die overal Friese invloeden zag, meldt dat het Friese bestanddeel
er rijkelijk in vertegenwoordigd was en zelfs Noors of Deens kwam er
in voor.
Als voorbeeld van typisch Kattenburgs geeft hij het zinnetje: 'moet
je ook geschoren worden?',
dat in het Kattenburgs ongeveer klonk als: mójjók
geskórre wórre? en dat dan zeer snel en zeer
scherp uitgesproken.
2. Het Rapenburgs van de 'bijltjes'
Dit sprak men van de Scharrebiersluis tot de Kalkmarktsluis. Het leek
wel wat op het Kattenburgs, maar onderscheidde er zich ook van.
Vroeger noemde men de bewoners van Kattenburg en Rapenburg "Bijltjes".
Ze waren echte Oranjeklanten.
Vroeger kon een Kattenburger heel goed horen of hij met een mede-eilander
of een Wittenburger, een Oostenburger of een Kadijker te doen had.
Het maakte zelfs verschil uit of het een Kattenburger van 't Plein en
de Gracht of een van het Dijkje was.
Het Kadijks was ook nog in tweeën gescheiden, in een hoog- en laag-Kadijks;
't laatste werd het meest gesproken.
3. Het Kollegat, de Jonker- en Ridderstraats
Deze tongval hoorde thuis in de beide straten en in 't Kollegat.
Sedert de Franschen tijd zijn deze straten tot een smerige en vervallen
achterbuurt geworden, en heeft de bevolking er weinig oorspronkelijks
meer.
Maar in de 17e en 18e eeuw waren die beide straten vol welvaart en vrolijkheid.
Huis aan huis waren 't nagenoeg dans- en speelhuizen, er waren veel
zeemanskroegen, waar het lustig aan toeging en waar de Amsterdamse burgers
heengingen om te kijken en zich te verlustigen aan de [niet altijd even
nette] tonelen die er voorvielen.
In de 17de eeuw huisde een goed deel van de 'luchtige' bevolking van
deze buurt tijdens de zomer op Smerenburg op 't eiland Spitsbergen.
De tongval van de bewoners van de Jonkerstraat en de Ridderstraat kwam
het meest met het Kattenburgs overeen.
4. Het Jodenhoeks
Ooit was de Amsterdamse Jodenhoek bekend en befaamd. het was het
"Jerusalem der ballingschap" en omvatte: de Jode-Breestraat,
de Joden Houttuinen, de Houtgracht, de Sint Antoniesbreestraat, de eilanden
Vlooienburg, Uilenburg, Marken en de Vinkebuurt.
In de Jodenhoek sprak men ten tijde van Winkler drie verschillende tongvallen:
a] Het Amsterdams-joods, 'het afschuwelijkste
dialect der nederduitsche taal. De joodsche tongslag [accent] en tongval,
rijkelijk met slecht hebreeuwsche en slecht hoogduitsche woorden en
vormen vermengd, is overal bekend en overal dezelfde, maar klinkt, zoo
als Joden zelven mij meermalen verzekerd hebben, nergens zoo karakteristiek,
nergens zoo leelijk als juist hier'.
Vroeger was er ook nog een duidelijk onderscheid op te merken tussen
de Amsterdams-joodsche tongvallen van de Hoogduitse en van de Portugeese
Joden.
Vooral toen de Portugeese Joden nog onderling Portugees en Spaans bleven
spreken, was dit onderscheid groot; ook thans is het nog niet helemaal
uitgestorven.
De hedendaagse Portugese Joden van Amsterdam en niet alleen die uit
de lagere stand, spreken nog lelijker en opvallender joods dan hun Hoogduitse
volksgenooten doen.
b] Het Joods-Hollands, dat de meer
beschaafde en aanzienlijke Joden vandaag de dag spreken is een modern
Hollands dat met een joods accent [onder anderen met talrijke aspiraties]
gesproken wordt; het is vaak ook nog met enkele Hebreeuwse en Hoogduitse
vormen en woorden vermengd.
c] De tongval der Christenen die
in de Jodehoek wonen en die natuurlijk in hun woordenschat en zegswijzen,
zeker als het mensen betreft die niet of nauwelijks lezen kunnen iets
van den joodse manier ven spreken, zoals de aspiraties, hebben overgenomen.
Winkler noemt als voorbeeld :
'Maak me zoo'n lawaai'm niet!
ik sta je toch te zegge dat 't waar is;-'k weet 't van 'n knappe jodeman,
die 't me zellef op sabbes [of sjabbes] verteld het'.
5. Het Nieuwmarkts
Het wordt gesproken van de Nieuwmarkt langs Boomsloot tot de Oude Schans,
en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat.
Het platste Nieuwmarkts was te horen op de Nieuwmarkt bij de lappenkramen
en op 't Kleereslootje. Lapduyvels
noemden de 17de eeuwse Amsterdammers die kleerekramers, die nu ook al
nagenoeg uitgestorven zijn, hoewel er nog altijd een paar lappekramen
op de Nieuwmarkt staan.
Het fatsoenlijke Nieuwmarkts werd gesproken in de textielwinkels op
de Nieuwmarkt en door de bewoners van de genoemde grachten en straten.
Voor vijftig jaren kon men deze tongval nog in al zijn oorspronkelijkheid
horen.
Winkler vertelt het verhaal van een de Nieuwmarktse winkelierster achter
de toonbank die haar schaar nodig had om wat af te knippen, en riep:
Jung's,
jung's! kom 's gau-w-en raik me de schaar!
Toen zei haar klant, een mevrouw uit de Kalverstraat: Jufvrouw:
wel nou, kom an! je het ommers g'n-een jonge-n-achter de toonbank,
De winkelierster had geen zoons, maar twee dochters. Wel
me liefe mins, antwoordde deze tsin
m'n jung's, want out sin se nog niet!
In de Bethaniënstraat, de Bethaniëndwarsstraat en in de Hoogstraat
was vroeger het Neuwmarkts nog met matrozentaal
vermengd, door de invloed van 't Oostindischhuis en van de talrijke
matrozekroegen met welluidende namen als "drie Oostinjevaarders",
"Straat Sunda", "Straat Sumatra, " Straat Batavia"
enz.
6. Het Zeedijks
Men spreekt het op de Zeedijk in het laatste stuk van de Warmoesstraat,
de Scheiershoek, Gelderse kade, de Bantammerstraten en Schippersstraat.
Het is Neuwmarktsch met veel zeemanstaal gemengd.
7. Het Bierkaais
De Bierkaai is een labyrint van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in
de vierhoek tussen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg,
en daar spreekt men de Bierkaaise tongval.
De Bierkaai heeft nog een zeer oorspronkelijke bevolking; ook nu nog
treft men op de Bierkaai mensen aan, die roemen dat ze van oudsher Bierkaaiers
zijn, en dat hun voorouders nooit ergens anders gewoond hebben.
Het is een ruw volkje en vechtersbazen zijn er in overvloed. Dat
is vechten tegen de bierkaai
Hun tongval is zeer klankrijk, men moet het horen uit de mond van de
Bierkaaiers zelf.
8. Het Komkommerbuurts
Dat wordt gesproken in de Komkommerbuurt, het Weesperplein,
op het Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld, ten oosten van de
Amstel achter de Prinsegracht.
Het is verwant, maar toch nog goed te onderscheiden van 't zogenoemde
"Noorsebossies"
9. Het Noordsebos
't Noorsebossie strekt zich uit ten Westen van de Amstel achter de Prinsengracht
tot aan de Spiegelgracht.
Een Noordsebosser zegt:
nau-w-ik
weit wel dat vaaf m'l vaaf vaventwentig is
[nu ik weet wel dat vijf maal vijf vijfentwintig is].
10. Het Leidschebuurts
Achter de Prinsegracht van de Spiegelgracht tot de Leidschegracht in
gebruik.
De kinderen zingen er als zij schommelen:
Schoppe
schoppe maaie,
de brouit-ti kompt fan Laaie!
Fan Laaie kompt 'e brouit'
11.
Het Jordaans
De Jordaan strekt zich uit tussen Prinsengracht en Lijnbaangracht, van
de Passeerdersgracbt tot de Lindengracht.
De Jordaanse tongval onderscheidt zich heel duidelijk van andere Amsterdamse
dialecten; de Haarlemse I [dat is een 'dikke' l]en n [de n die de voorafgaande
a doet klinken als de a in het Duitse woord Mann] en de oi- klank in
plaats van ui zijn belangrijke eigenaardigheden; het is platter Hollands
en minder met Friese bestanddelen vermengd dan enig andere Amsterdamse
tongval. Oorspronkelijk is het Jordaans een boerentongval; in het begin
der 17de eeuw was de zogenoemde Jordaan een dicht bevolkte buitenbuurt,
waar tuinders en hoveniers woonden; die buurt is in 1612 binnen de wallen
van Amsterdam getrokken.
12. Fransepads
Dit werd gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en
Palmstraat, zo ook in enige enclaves in de Jordaan, als: op 't Schone
en op 't Vuile Weespad, 't Hof van Parijs, en 't Fort van Sjaco.
Het zogenoemde Franse Pad had vroeger een zeer slechte naam en de Fransepadse
tongval kenmerkte zich door een rijkdom van woorden en uitdrukkingen
uit de dieven- en bedelaarstaal.
Maar nu zijn 't Franse pad , 't Hof van Parijs en 't Fort van Sjaco
weg, alles is er beschaafd en verbeterd en de oude eigenaardige tongval
bestaat ook niet meer.
Het Franse Pad werd Willemsstraat en daar en in de Goudsbloemstraat
en de Palmstraat met omgeving spreken ze nu Haarlemmerdijks.
13. Het Haarlemmerdijks
Van de Haarlemmersluis tot de Haarlemmerpoort en van de Zandhoek tot
de Lindengracht gesproken, onderscheidt zich onder andere door de sterk
rochelende [Haarlemse] uitspraak van de g.
Het meest bijzondere kenmerk van de Haarlemmerdijkse tongval is de zware
uitspraak van de lange a, die sterk naar de oa der Groningers, Geldersen,
enz. overhelt.
Deze uitspraak wint, zonderling genoeg, hoe langer hoe meer veld in
dit gedeelte van Amsterdam. [...]
Hooghaarlemmerdijks
Dat ook vreemdelingen reeds voor lange tijd opmerkten dat de Haarlemmerdijkse
Amsterdammers er een eigen uitspraak op na hielden, bewijst het feit
dat men in Friesland gewoon is te zeggen van iemand die een gemaakt
en onnatuurlijk Hollandsch of boekentaal spreekt: 'die spreekt Hooghaarlemmerdijks'.
ien neelde met ien bleeuwen
dreed., en
zoo ook Street
voor Straat:
van waar men
hen schertzende weleens toeduwt
slee de heek in de peel en heel neeje.[...]
14. Het
Nieuwendijks
Deze tongval strekt zich uit langs de Nieuwendijk, oostwaarts over de
Haringpakkerij en het Damrak, tot de Warmoesstraat, van de Dam tot de
Oude Kerk, en westwaarts langs de Heren- en Keizersgracht, van de Leliegracht
tot de Brouwersgracht, en behoort dus tot een der meest verspreide tongvallen
van Amsterdam.
Het kenmerkt zich door een Noordhollandse kleur en door de korte klinkers
te rekken.
Men spreekt er van Kaaleferstraat
voor Kalverstraat, van Haarelemmerdei-ik
voor Haarlemmerdijk.
Deze tongval sprak Vondel, daarom kwam hij er toe om in zijn Gijsbrecht
van Aemstel verzen te maken als de volgende:
En vlughten haestigh
langs de Haerelemmer dijck.
Terstond vermeesteren de Haerelemmer poort,
Hij sellef was de voorste om elleck moet te geven.
En 't heerelijck gebouw sagh branden lichter laegen.
15. Het
Kalverstraats
De tongval van 't hartje van Amsterdam en als het beste en welluidendste
Amsterdams aangemerkt.
Het strekt zich uit in de lengte langs de gehele Kalverstraat, van de
Dam tot de Munttoren; voorts westwaarts langs Voor- en Achterburgwallen
en Singel, en ook langs een goed deel van de Heren- en Keizersgracht,
waar 't natuurlijk "zeer fatsoendelijk" gesproken wordt en
vermengd is met de fraaie "expressies" die de "elegante"
wereld er op na houdt.
Bij bejaarde heren echter, die op dit gedeelte van de Heren- en Keizersgracht
zijn geboren en opgevoed, hoort men nog duidelijk het echte Kalverstraats.
Oostwaarts strekt het Kalverstraats zich uit langs 't Rokin, de Nes
en de Fluwelen Burgwal
16.
het Gebed-zonder-ends
In de dwarsstraten
en stegen tussen Nes en Voorburgwal neemt het Kalverstraats reeds een
Bierkaaische kleur aan.
17.
Viswijventongval
Vroeger was nog een andere tongval te horen en wel op de grote Vismarkt.
Van die Amsterdamsche viswijventongval geeft Bredero een proefje in
zijn Moortje.
Dat was in 't begin der l7de eeuw en twee eeuwen later was die taal
nog bijna dezelfde.
Nu bestaat zij niet meer; de hele Vismarkt, met al haar schilderachtige
oorspronkelijkheid is verdwenen.
18. Het
Botermarkts
Men sprak het van de Munttoren tot de Blauwbrug [Reguliersbreestraat,
Botermarkt, Amstelstraat, Halvemaansteeg, Reguliersdwarsstraat, Utrechtsche
straat. met alle dwarsstraten en stegen].
Deze tongval is het meest met het Kalverstraats verwant, maar hij is
platter.
Zo zeggen de Kalverstraters boter
en schotel,
maar de Botermarkters botter en schottel.
Daarom zeiden de Kalverstraters als iemand plat sprak:
Hè, da' s nou recht op z'n Bottermarks!
Maar een dialect waarvan men zei dat de "duvel" zelf 't niet
verstaan kon
19. Het
Duvelshoeks
De Duivels- of Duvelshoek is een labyrint van stegen en dwarsstegen,
gelegen tussen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat.
Het Duvelshoeks was het Botermarkts in zijn platste platheid, doormengd
met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het Mofs en
Koeterwaalsch van de kermisgasten, negociants, nomades, colporteurs,
vagebonds, chevaliers d'industrie, Duitse kwakzalvers, Luikerwaalse
toverlantaarn- en rarekiekvertoners, Keulsche potten- en kannewijven,
Franse goochelaars, rattenvangers en "verdrijvers van wandgedierten",
Savooise lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, Italiaanse schoorsteenvegers,
tot verlopen en verwaaide Duitse en Brabantse studenten incluis, die
er alle hun verblijf hielden en er te zamen een Duvelshoeks jargon brabbelden.
Het is een indrukwekkende
lijst, die Winkler ons hier voorzet.
Maar het is jammer dat we zo weinig voorbeelden krijgen van klanken
of woorden die deze verschillende buurtgebonden dialecten karakteriseren.
Het
beste Jordaan-lied

Interieur Goudsbloemstraat
101
[1955]
Het stijfselkissie
"Elders in de stad gaat bet er heel wat vriendelijker aan toe.
In de Jordaan is iedereen 'oom' en 'tante' en 'neef en 'nicht' van elkaar,
lopen alle vrouwen in 'baaje rokken' en alle mannen in 'pilobroek en
boezeroen', heeft iedereen als kind in een 'stijfselkissie' gelegen,
drinkt men "pikke-tanussies', krijgen de bewoners een brok in de
keel bij de aanblik van de Westertoren, en wordt het geld verdiend als
orgeldraaier, garnalenpelster of porder, de man die de slaapkoppen in
de buurt wakker maakt.
Althans als we de liedjes over dat stadsdeel mogen geloven.
De
stemmen van de Jordaan
In elke mythe zit een kern van waarheid, maar
die waarheid heeft vrijwel niets meer met de jaren vijftig te maken
als het Jordaan-lied een ware rage is en en de rock-'n-roll nog even
op afstand houdt.
Er ontstaat een succesvolle revival van het vooroorlogse Jordaan-lied,
dat toen groot werd gemaakt door onder meer de Rotterdammer Louis
Davids en zijn vriendin Margie Morris.
In 1955 gaan Louis Noiret [Louis
Schwartt] en Henvo [Henk Voogd],
twee oude rotten in het Jordaan-genre op zoek naar 'de beste stemmen
van de Jordaan'.
De finaleavond in Krasnapolsky levert een overduidelijke winnaar op.
De zingende kelner Jan van Musscher,
bijgenaamd Johnny Jordaan,
krijgt iedereen plat met het lied 'De parel
van de Jordaan'.
Helena Kok-Polder,
in de buurt bekend als Tante Leen,
krijgt de tweede prijs:
Maar
als ik de Westertoren zie
Dan ben ik een heel ander mens
En hoor ik het galmen van jouw melodie
Dan leef ik geheel naar m'n wens
O Wester. jij brengt m'in vuur en vlam
Wanneer ik jouw klokken hoor slaan
Want jij bent de glorie van oud Amsterdam
En de parel van onze Jordaan
Het duo bezingt
een buurt die eigenlijk niet meer bestaat, en misschien zelfs wel nooit
heeft bestaan:
Ik
woon op een woning, men noemt het een krot
Maar ik zie geen enkel bewijs
Al staat aan de deur Onbewoonbaar verklaard
Voor mij blijft 't toch een paleis
Het huis is gebouwd in de zestiende eeuw
Het staat van de ouderdom scheef
Ik ben er geboren, ik ben er getrouwd
Ik woon er zolang als ik leef
Op die afgekeurde woning
In 't hartje van de Jordaan
Daarop sleet ik m'n jeugd
Had ik leed, had ik vreugd
In de strijd om een eerlijk bestaan
Maar toch voel ik mij een koning
Ook al vloeide er dikwijls een traan
Op die afgekeurde woning
In 't hart van de ouwe Jordaan.
Goed,
wat is nu Amsterdams?
Uit bovenstaande mag duidelijk geworden zijn dat het Amsterdamse plat
een taal is
die in de loop van de eeuwen aan veranderingen onderhevig is geweest.
Het grote breukpunt valt ergens tussen de 18de en de 19de eeuw,
als een eigen sociaal gebonden Amsterdams zich gaat ontwikkelen uit
een regionaal Noord-Hollands dialect.
Aan het begin van de 19de eeuw kondigden zich de grote veranderingen
al aan en sleutelwoorden zijn monoftongering
en diftongering.
De oude tweeklanken ei, ij en ui werden geleidelijk aan eenklanken en
de lange klinkers ee en oo kregen het karakter van een tweeklank.
De echte Noord-Hollandse verschijnselen zoals sk voor sch en het gebruik
van een voorvoegsel e- bij voltooide deelwoorden verdwenen.
Buurtgebonden
dialecten zijn er niet meer
Als er
voor een bepaalde klank meer uitspraakvarianten zijn, komen die naast
elkaar voor.
Duidelijk is ook dat die stadstaal zeer sterk onder de invloed komt
van het standaard Nederlands.
Wat betreft de houding ten opzichte van het Amsterdams, zullen we zien
dat de waardering nauw samenhangt met de positie van de gesproken standaardtaal.
naar
boven
Wat
is Amsterdams?
Het is een taal die vooral in klank, maar ook wel wat de woordenschat
en bepaalde grammaticale verschijnselen betreft,
afwijkt van de Nederlandse standaardtaal en die gesproken wordt door
mannen en vrouwen
die tot de lagere sociale klasse behoren en die in Amsterdam geboren
en getogen zijn.
Het is een taal die merkwaardigerwijs door de sprekers ervan minder
gewaardeerd lijkt te worden dan door de niet-sprekers
en die in de loop der jaren steeds meer aan prestige heeft gewonnen
en typisch Amsterdamse artiesten grote faam bezorgde,
zangers, toneelspelers, cabaretiers en schrijvers.
In Amsterdam wordt standaard Nederlands gesproken, met alle mogelijke
accenten en verder heel veel andere talen,
daarnaast is er het plat Amsterdams.
In de loop van de eeuwen hebben allerlei talen invloed gehad op die
ene variëteit, maar het hoofdbestanddeel bleef Nederlands.
De tekst is op verschillende
plaatsen ingekort.
Het geheel kunt u opvragen: archief
taal en beeld
naar
boven
Amsterdamse
Woordenschat
Israël
Querido
De
schrijver Querido
wilde een socialistisch kunstenaar zijn en ging midden tussen het proletariaat
in de Jordaan wonen
om daar zijn indrukken op te doen voor zijn boeken.
Hij verzamelde veel Jordaanse woorden in het Bargoens afkomstig van
het Jiddisch zoals:
Sliegeraarster:
verraadster
Linkmiegel:
slimmerik
Meine deine streken
Niesses:
vrouwen
Knurft:
pak slaag
Schroei:
honger
Bazar:
politiebureau
Juut:
pas op er komt politie aan
Knopsmeris:
politieagent in uniform
Jeile: narigheid
Jen:
leugen
Klapper:
plek van dieven
Kneibel:
sterke vent
Maffie: kwartje
Nijf:
mes
Sjikker:
dronken
Sperrewer:
paraplu
Gasjewijnen:
verdwenen
Hasjewijnen:
dood
Het
mooiste woord van Amsterdam
Een
boeket van woorden die zeker in de Jordaan gebruikt zijn
Aangezet door Het Parool en uitgeverij Nieuw Amsterdam verzamelde
Paul Arnoldussen de mooiste
woorden van de Amsterdammers.
De collectie wordt natuurlijk aangevoerd door de woorden die in het
lied van Johnny Jordaan voorkomen:
Een
pikketanussie gaat er altijd in
Een pikketanussie maakt je blij van zin
Want
het liefste word ik teut
Van zo'n Nederlandse Neut.
Kroegwoorden
Het is duidelijk dat de meeste woorden van een Amsterdammer in de kroeg
geboren zijn.
Pikketanussie of Pikketanissie is
een Jordaanse borrel
Keiltje of Keilewater is ook een
borrel. Keli is Hebreeuws voor het vat
Hassebassie of huppelolie is jenever
Neut is ook een glaasje alcohol
Neut gewarmd is dronken
Jajem is Hebreeuws voor wijn maar
het kan ook water zijn
Afzakkertje, de laatste slok voor
het weggaan.
Dronkemansgebed, speurtocht in je
zakken naar kleingeld voor een Keiltje
Uilezeik is verschaald bier
Kachel ben je als je niet meer op
je benen kunt staan.
Lappen moet je als je meebetaalt
aan het drankgelag.
Bakkie pleur
een kopje koffie
Elleboge roeren
is dobbelen
Flikt met de peise
is dobbelen met kaarten
Heet swartje
is een kleintje koffie
Janker
de harmonica
Er
zijn woorden die bij een grap horen:
Gebbetje, is de grap die gemaakt
wordt
Geintje is de verontschuldiging
als de grap te hard aankomt: "Het is maar een geintje".
Geinponum is de lolbroek zelf.
Ponum of Porum, Hebreeuws voor gezicht.
De plek waar je een klap kunt krijgen
Drijfsijssies zijn alle vogels die
in de grachten van de Jordaan zwemmen.
Boldootkar, het voertuig waarmee
de poepemmers opgehaald werden
Ammehoela:
'Ja, ik ben me daar gek'
Ammenooitniet:
'Daar begin ik niet aan'
De
woorden van het geldverkeer:
Poen heb je of niet
Gallemieze dan ben je blut
Dalles
is leven in armoede
Merode, als je daar in zit heb je
weinig te verteren
Habbekrats is bijna niets
Jatmous is het eerste geld dat een
straathandelaar op een dag binnen krijgt.
Jat is de hand de 'Jad' die het
geld uitgeeft.
Jatten is afhandig maken, stelen
dus.
Mansen is het ophalen van geld door
de orgeldraaier in het speciale mansbakkie.
Ramsj,
verkoop van boeken die over de uiterste houdbaarheidsdatum zijn, de
angst van iedere schrijver.
Tinnef, de waardeloze inhoud
Spie, een cent
Duppie, een dubbeltje
Heitje, een kwartje
Knaak, twee gulden vijftig
Joetje, tien gulden
Geeltje, vijfentwintig gulden
Meier,
honderd gulden
Rooie rug, een briefje van duizend
gulden.
Maar dat was allemaal in de tijd voor de Euro
Jiddische woorden
Woorden met een Hebreeuwse herkomst, doorspekken de woordenschat van
Amsterdammers:
Achenebbisj,
wat een zielige vertoning.
Kapsones boven
je stand doen
Mesjogge,
je bent gek, of je bent gek op.....
Kinnesinne,
afgunst
Kassiewijlen
hartstikke dood
Konkelefoezen,
achterbakse gesprekken
voeren
Heibel kun
je krijgen als je teveel aan het konkelefoezen bent
Gotspe,
dat is het toppunt
Schlemiel,
een onnozele hals
Ratsmodee,
je zit in moeilijkheden
Majem is
water en regen
In de Merode zitten
is armoede lijden
Asjewijne is verdwenen
Johnny Jordaan
zingt:
Want zit je in de zorgen of in de ratsmoedee
Dan helpt de een de ander
Zo zijn de Jordanezen, ze leven mee
Louloene, doe maar alsof je
niets gedaan hebt
Naatje,
dat is maar niks
Er stond vroeger een gedenkteken 'De Eendracht' op de Dam, de Jordaners
vonden het Naatje van de Dam
Versjteren, de boel in de war gooien
Goochem, slim kereltje
Mazzel, geluk hebben
Misjpoge,
de hele familie om je heen
Sjoege, je geeft geen sjoege als
je net doet alsof je van niets weet
Miesgasser is een vervelende goozer
Zwijntjesjager
is een goozer die fietsen jat
Penoze is de onderwereld
Turftrekker is een zakkenroller
Braceletjes zijn handboeien
Drijver op je pruik is een klap
op je hoofd
Inspringer is een inbraak
Nobel volk is dievenvolk
Uitknijse is uitkijken
Rus is een rechercheur
De draainatte kop krijgen is brigadier
worden
Vinkendresseur is een zakkenroller
Gannef is in de onderwereld een
dief zonder stijl
Aggenebbish is
een beetje armoedig
Afnokken als
je er vandoor gaat
Bavioane is hard werken
Geef
mij maar Amsterdam
Mokum is Amsterdam voor de Amsterdammers
Asjeweine
is verdwenen
Attenoje, krijg nou wat
Temeier, dienstbare dames van de
achterkant van de stad
Juffer in 't groen, ook een prostituee
Toges, een menselijke achtergevel
Luisterlappe zijn je oren
Patteklier is een particulier
Pieremegoggel, een bootje dat half
gezonken in de grachten hangt
Sappelen, ploeteren om het hoofd
boven water te houden
Ja, ik ben Blinde Maupie,
ik geloof er niets van
Dingetje bij de thee,
is een heel klein vrouwtje
Dikke tampeloeris,
[krijg een...] ik denk er niet over!
Fiselefasie,
dat is je gezicht
Gallish worden,
kwaad of onpasselijk worden
Geheimschrijver,
is een stiekemerd
Haar op de dijk!,
kijk daar komen de vrouwtjes
Mannekuil is
het bed
Kanen,
lekker zitten te eten
Kassie wijle,
dan ben je dood
Kouwe fietse zijn
je koude benen
Luizebos,
is een rotzak
Appies zijn
aardappelen
Dek zonder panne
is de blote hemel
Luchtklappertje
is een bovenwoning
Frontje is
je gezicht
Gleuf koter
is een deftige hoed
Tik met bengel
is een horloge aan een ketting
Gondel, een
damestas
Ladder oplope doe
je als je kwaad wordt
Knaagelinge zijn
ratten en muizen
Mauwerik is
de kat
Kom
over de brug
Kargadoor is de man die voor een
paar centen een koopman helpt zijn kar over de brug te duwen.
Was die man er nog maar, dan kon hij mij helpen met mijn fiets over
de brug te raken.
Bronnen:
Paul Arnoldussen,
Amsterdams mooiste woord, uitg. Het Parool/
NW A'dam
H de Jong, Amsterdam en de Jordaan
Ewoud Sanders in 'Onze Taal'
Gesprekken
in een Jordaans winkeltje
Nou
enne d'r suster is d'r fenochtend mit so feil es depetrippes of sau'n
brok eite noa 't gasthuis gemotte.
Watteusegt, juffrau, meint ufes 't heusjch?.
Nei, nei kaaik nouerissies, kaaik es wet een toffe maad het die Jen
tug .n lekkere kauter fen een niese.
En kompie den auk in staot fen ontbinding baufedraafe as mààn
fent?
Noue astie et op se heupe hep, 'n kreng is 't, 'n fuyle f'kwister.
Seg, loat jeij je test rippereire, ik loat maan aage nie besauneigere
haur, held op lange paute.
Gotsalmefille, d'r hei je Teun fen de Haorlemmerdaak, jeesis, wat be
jeij grausig, laakt wel 'n kesse-mejeu.
Geef maan 'n onsie teej fen dertien, tante Neil, en 'n ons spikkeloasies
fen acht. Neej, neej, ikke was foor, wet selle me nou, det peseirt maan
niet, de koleijre, jij mit je kepsoanus, kraag nou gaouw 't kleploaserus,
mins, je mot je aaghe goan f'rhuure bei muddam Seseine.
Hhehe, f'rbeelding. Steik jeij nau gaouw de maurd, 'k stoan hier tog
seiker niet foar lauwloene.
Vertaling:
Nou, en haar zuster moest vanmorgen met zo iets
als difterie naar het ziekenhuis.
Wat zegt u daar, juffrouw, is dat waar?
Nee, nee, kijk eens wat Jan toch een schat van een meid heeft.
En komt mijn vent ook wel eens opgewonden naar boven rennen?
Nou als hij het op zijn heupen heeft.
Een kreng is het, een vuile verkwister.
Zeg laat jij je hoofd eens nakijken, ik laat mij niet kort houden door
die held op sokken.
Goh, daar heb je Teun van de Haarlemmerdijk, Jezus wat zie jij er deftig
uit, je lijkt wel een pièce de milieu.
Geef mij een onsje thee van dertien cent, tante Neel, en een ons speculaas
van acht cent.
Nee, nee, ik was aan de beurt. Wat zullen we nu krijgen, je dringt niet
voor, krijg nou wat, jij met je kapsones.
Krijg nou wat, mens, je moet je zelf gaan verhuren bij Madame sans Gêne.
He he, wat een verbeelding. Steek jij nou gauw de moord, ik sta hier
toch zeker niet voor niets
naar
boven

Nog niet zo lang geleden
hoorde ik een van onze kamerleden klagen dat zijn collega's te vaak
inhoudsloze krachttermen gebruiken.
Vooral de geachte afgevaardigde G. Wilders
gebruikt in iedere spreekbeurt 'schande' en
'schandalig' zonder verdere
heldere onderbouwing van wat de man dan dwars zit.
Men was ook aan debatteren over de vraag of kamerleden zelf een kopje
koffie uit een Senseo moeten persen.
Gelijktijdig kreeg ik onderstaand artikel van het ministerie van Onderwijs
en Wetenschappen,
uit het clubblad 'O en W Visie.[1973], onder ogen, waaruit blijkt dat
deze onderwerpen geen nieuw verschijnsel zijn.
Taalarme rijken
of taalrijke armen
[...]
De alternatieve taalstructuren die de sociologen, psychologen, ecologen
en andere logen nodig hebben om hun projectie, concepties en problemen
in een adequate vorm te gieten, vereisen een langdurige en diepgaande
voorstudie van het nieuwe vocabularium en van reeds lang bestaande woorden.
[...]
Omdat ik het gymnasium ben misgelopen heb ik mij in latere jaren moeten
bekwamen om de gedachtewisselingen in onze tweede kamer te kunnen volgen.
Daar zaten en zitten verscheidene rederijke volksvertegenwoordigers
bij.
Voor alle moeilijke woorden die de geachte afgevaardigden gebruiken
bestaan heel goede Nederlandse woorden.
Die kenden ze blijkbaar niet.
Ze kwamen misschien uit kringen waar men geen gewoon Nederlands sprak
of ze waren dat al pleitend, en redevoerend vergeten.
Zoiets kan de beste gebeuren.
Maar de taalarmoede van onze kamerleden is nog niets vergeleken bij
de bittere armoede waaraan maatschappijkundige taalgebruikers lijden.
Het is misschien wel goed een actiegroep te stichten om deze ongelukkigen
in een project op te vangen en te begeleiden.
Ik zou daarbij vooral een beroep willen doen op de bevolking van de
echt levende buurten zoals de Jordaan, Kinkerbuurt, Oude Pijp. Het potjeslatijn
en het kannetjesgrieks ontbreekt. Maar het taalgevoel is van een veelvormigheid,
malsheid en beeldende kracht om van te genieten. De woorden zijn niet
allemaal 'deftig', maar deftigheid is het einde van lenig taalgebruik.
De uitspraak is niet volgens de regels van het ABN.
Spreekt iemand die 'menee de veurzittig'
beter dan een ander die zegt: 'meneir te faursitte'
? [...]
De woordkunst van Querido, Kloos, Paul van
Ostayen, Marsman en anderen, de woordkunst van het levende
volk, staat te weinig in aanzien.
Er blijken inderdaad teams bezig om taalarme groepen te begeleiden en
op hoger peil te brengen.
Tot mijn verbazing heb ik begrepen dat zij zich niet tot de taalarme
rijken, maar tot de taalrijke armen richten.
De verkeerde wereld!
Rechtsomkeert maken, heren!
Bron: H. van Hulst
Eén
op de drie mensen is analfabeet
In hetzelfde nummer van O en W Visie wordt gewag gemaakt van het feit
dat in 1970 810 miljoen van de 2335 miljoen volwassen wereldburgers
niet kunnen lezen of schrijven.
Unesco heeft als doelstelling van het Tweede Ontwikkelingsdecennium
van 1970 - 1980 dat alle kinderen op de wereld lager onderwijs krijgen.
Maar ja, men is zwaar teleurgesteld in de rijke landen die geen cent
aan schoolboeken wil uitgeven.
De hulp moet dus van schoolkinderen in Nederland komen die een balpen
of een oude schrijfmachine naar Chili sturen.
Koffie
duurder
Ook in dat zelfde blaadje een schrijnend verhaal over de prijs van koffie
op het ministerie.
Wie vroeger twee koppen koffie en een kop thee nam moest daarvoor 25
cent betalen en dat is nu 70 cent geworden.
Als de prijs een brood van 95 cent in één keer tot fl.
2,70 verhoogd zou worden zou het land op zijn kop staan.
Maar wat gebeurt er op het ministerie? niets'!.
Wat moet het toch erg zijn om op zo'n wreed ministerie te werken.
Henk van Faassen
naar
boven
|