[1850]
In de Jordaan woonden veel arbeiders
De huisvesting en leefomstandigheden waren niet altijd even ideaal.
Hele straten waren werkloos.
Het rommelt er voortdurend en er zijn regelmatig grote en kleine oplopen
die tot oproer leiden.
Je zou kunnen zeggen dat de socialistische beweging in een gemakkelijke
vijver kon vissen, maar dat was niet zo. Oranjeklanten bespotten en
bedreigen de socialen.
Ze zingen:
Wij
zijn oranjeklanten, wij hebben den koning en de politie op onze hand.
Weg
met de socialen zij moeten uit ons vaderland!
De
liberale regenten proberen de boel in de hand te houden, maar dat lukt
niet altijd.

Bijeenkomst
in het Volkspark
De
Sociaal Democratische Vereeniging met mannen als Jan
Fortuyn en Domela
Nieuwenhuis
maakt duidelijk dat er iets moet veranderen. Het weekblad
Recht voor Allen vertolkt de aanklachten van 'roojen', de
'socialen.
Die socialen komen meer dan eens in botsing met de oranje klanten, koningsgezinde
arbeiders.
Daartussen zit 'het gezag' dat vaak niet weet welke kant ze moeten kiezen
en de vele oproeren kunnen niet voorkomen worden.

Onthulling
van het standbeeld van Domela op het Nassauplein
[1886]
Domela Nieuwenhuis en de Jordaan
Wie is
Ferdinand
Domela Nieuwenhuis?
Domela Nieuwenhuis, is een pionier van het socialisme, een gelovige
die zich ontwikkelt tot socialist en later sociaalanarchist werd.
Domela is geboren in Amsterdam op 31 december 1846 en overleden in Hilversum
op 18 november 1919.
Hij komt uit een liberaal luthers professorengezin. Toen hij tien was
verloor hij zijn moeder en hertrouwde zijn vader.
Domela werd luthers predikant. Hij steunde als predikant arbeiders bij
verbetering van hun omstandigheden.
Hij was actief in de Vredesbond.
Die beweging wilde de gewone burger, de arbeider, mobiliseren.
Niet het leger in, geen wapens fabriceren, zo zou oorlog onmogelijk
worden.
Breuk
met de kerk
Na jaren van twijfel breekt Domela met de kerk. De dood in het kraambed
van zijn eerste vrouw en de invloed op zijn denken van Multatuli,
spelen daarbij een rol.
Hij wisselt veel van ideeën met Eduard
Douwes Dekker uit.
In de Vrijdenkersvereniging De Dageraad,
waar hij lid van is, komt hij al snel in botsing met de liberaal
denkenden, die het socialisme afwijzen.
Hij wordt secretaris van de Sociaal-democratische
Bond (SDB)
In 1876 houdt Domela zijn eerste spreekbeurt voor het Algemeen
Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV)
Bij 'socialisme' dacht Domela aan de opvattingen van 'utopische' socialisten.
Het blad Recht voor Allen, dat hij
opgericht heeft, gaat als orgaan van de sociaal-democratie fungeren.
Het duurt niet lang of Domela is de leider van de SDB.
Geheelonthouder
Behalve vrouwenemancipatie en atheïsme was
ook geheelonthouding kenmerkend voor het vroege Nederlandse socialisme.
Domela zelf kwam via het vegetarisme tot de geheelonthouding en duldde
vanaf dat moment ook geen drankgebruik meer in zijn omgeving en op bijeenkomsten
waar hij sprak. Hij behoorde tot degenen die algehele afschaffing van
alcoholhoudende drank voorstonden, niet alleen matiging van het gebruik.
Volgens Domela waren levenshervorming en maatschappijhervorming onlosmakelijk
met elkaar verbonden.
In
het gevang
In 1886 wordt Domela tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens
majesteitsschennis op grond van een hoofdartikel
dat in Recht voor Allen had gestaan. Of hij er zelf de schrijver
van was is onduidelijk gebleven, maar het stuk keerde zich tegen
de monarchie en Domela droeg hiervoor als hoofdredacteur de verantwoording.
Hij zit zijn straf uit in Utrecht, waar hij als een gewoon misdadiger
behandeld wordt.
Socialisten uit binnen en buitenland protesteren tegen die veroordeling.
Na zijn vrijlating op 31 augustus 1887 maakt hij een triomfale tournee
door het land.
In Rotterdam leidde zijn optreden tot rellen.
Niet
meer actief
Buiten de anarchistische beweging, in de praktische politiek, liet Domela
na 1900 weinig meer van zich horen.
Na de spoorwegstakingen van 1903 sprak
hij nog één keer tijdens de slotvergadering na de nederlaag.
Domela verhuisde in 1903 van Amsterdam naar het Gooi en waar hij rustig
aan zijn publicaties kon werken.
Anti
Bolsjewist
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die het Europese
anarchisme spleet, komt Domela weer even op de politieke
voorgrond. Domela is en blijft antimilitarist, maar wijst beslist niet
alle geweld af.
De Russische revolutie begroette hij geestdriftig, maar al snel zag
hij - na Lenin nog even voor een anarchist gehouden te hebben - niets
meer in het bolsjewisme.

Domela
Nieuwenhuis
Domela
en de Jordaan
[25 en 26 juli 1886]
De Jordaan en het Palingoproer
De aanleiding was het palingtrekken maar de oorzaak lag veel dieper:
de sociale ellende in de arbeidersbuurten. Er ontstonden hevige gevechten
tussen de politie met blanke sabel en Jordanezen die met alles gooiden
wat los en vast zat. Er waren optochten en barricades met rode vlaggen,
er werden tweehonderd infanteristen ingezet, die van vuurwapens gebruik
maakten, en aan het einde van de strijd bleken er 26 doden te zijn,
36 ernstig gewonden en 200 arrestanten.
Vrijwel alle Amsterdamse kranten gaven de
socialisten de schuld
Het Algemeen Handelsblad ging daarin voorop
en organiseerde een collecte ten bate van de gewonde politiemannen.
Alleen De Amsterdammer was genuanceerd en besteedde ook veel aandacht
aan de burgerslachtoffers in de Jordaan.
Het hele land werd opgeschrikt door het uitbreken en het neerslaan van
het palingoproer.
> lees meer
Vergaderplaatsen ontruimd
In de jaren 1886-1887 vergaderden de Amsterdamse socialisten meestal
in het Volkspark, omdat het hen onmogelijk gemaakt werd geschikte zalen
te huren.
Dinsdagavond 24 november 1885 werd in Café Zincken in Amsterdam
een vergadering van socialisten kort na de opening door politiecommissaris
Stork verboden. De volgepakte zaal werd hardhandig door de
politie ontruimd.
Kortom, geweldplegingen, aanhoudingen en veroordelingen van partijgenoten
waren aan de orde van den dag!
De Regering Heemskerk, met
als Minister van justitie de beruchte baron
Du Tour van Belinckhave ging met grof geweld te keer.
Voor socialisten, die toen midden in den strijd stonden, was het een
plezier te leven! Strijd en nogmaals strijd, allerwegen!
Het liberalisme verloor steeds meer terrein en de socialistische
beweging ging ondanks processen, smaad, achtervolging en hoon van orangisten
onverveerd verder.
Afscheid
In den loop van 1886 kwam Domela Nieuwenhuis, na zijn veroordeling,
in Rotterdam zijn afscheidsrede houden. Zijn komen en gaan was die dag
een ware zegetocht. Duizenden mensen liepen, strijdliederen zingend,
mee in den stoet! Men strooide bloemen op zijn weg en ook uit de vensters
gooide men met bloemen.
Het Rotterdamse
volk toonde zich die dag vol enthousiasme maar zou hem een jaar later
vervloeken, en als men gekund had, gestenigd hebben!
Met het oog op de vervolgingen allerwegen was het
Groepsstelsel ingevoerd.
Met dit stelsel was het mogelijk alle leden in korte tijd bijeen te
roepen. En dat dit nodig was zou spoedig blijken. Van colporteren was
in die dagen geen sprake meer. Ook op en na afloop van openbare vergaderingen
en meetings werd nu en dan door een wachtende, opgehitste menigte herrie
verwekt, waarvan het ingrijpen door de politie natuurlijk steeds weer
het gevolg was.
Nieuwenhuis mot zakkies plakken
De Pers van die dagen had stelselmatig het Koningschap tegenover het
Socialisme uitgespeeld, wat tot gevolg had dat het gepeupel, daardoor
opgezweept, bijna 'Oranjedol' werd. Men begon de onnozelste liedjes
te zingen, zoals
'Weg
met de socialen, leve Willem drie'
'Nieuwenhuis mot zakkies plakken leve Willem III'
'Leve demi-saison, alle socialisten in een harington!'
In het begin van den zomer, begon er in zekere, gezaghebbende, kringen
een beweging te ontstaan om Domela in vrijheid te laten. Omdat er sprake
was van een slechte gezondheidstoestand ging de regering, bevreesd voor
erger, ertoe over hem op 31 Augustus, op de verjaardag van
prinses Wilhelmina, in vrijheid
te stellen. Groot was de vreugde in socialistische rangen.
Maar de hitsige pers zweeg niet, integendeel. Het werd steeds erger!
Oranje
tegen rood
In de verschillende plaatsen waar Domela na zijn invrijheidstelling
optrad, ontstond
er een waar schrikbewind, een
Oranje furie !
Dat er iets broeide in Rotterdam was al enige tijd bekend en voorzorgen
tot zelfverdediging waren er dan ook genomen.
De commissaris van politie zei dat hij voor de goede orde instond en
zou weten zorg te dragen! Maar het bleek dat een groep rijke burgers
geld had uitgedeeld aan de verschillende kroeghouders in de buurt van
het vergaderlokaal, om het opgezweepte gepeupel vrij drank te kunnen
verstrekken. Maar ondanks de geruststellende verklaring van het politiehoofd
was de lokaalhouder, zo verstandig geweest de binnenkant van de vensters
van het lokaal van planken te voorzien, zodat stenen niet naar binnen
konden vliegen.
Een
partijgenoot schreef:
Toen ik mij dien avond rond 5 à 6 uur naar het lokaal begaf,
was de Binnenrotte aan weerszijden van het lokaal, tot op ongeveer 200
meter, door de politie afgezet. Daarachter dromde een massa volks, die
al tierende en zingende, ieder dien zij door het cordon zagen gaan,
uitjouwde en allerlei lieflijke scheldwoorden achterna zond.
Nu, ik wandelde rustig naar het lokaal, waar reeds een groot aantal
partijgenoten, mannen en vrouwen, aanwezig waren.
Zonder lidmaatschapskaart werd er niemand toegelaten.
Een uur later verscheen Domela Nieuwenhuis die per rijtuig tot dicht
bij het lokaal was gekomen.
Nooit zal ik den indruk vergeten, dien het aanschouwen van Domela op
ons allen maakte.
Was dat onze Domela?
Die man met dat vermagerde en bleke gelaat, geheel geschoren en geknipt?
Mannen en vrouwen heb ik zien huilen, van woede en smart! ...
Ik kan mij dan ook die arbeider voorstellen die bij het zien van Domela
in Amsterdam, het met tranen van woede en smart uitschreeuwde: "God
ver
domme!
Is dàt Nieuwenhuis!?
Voortdurend kwamen er nog partijgenoten binnen en deze vertelden ons
dat het politiekordon steeds meer en meer naar het lokaal oprukte.
De vrouwen hadden de Zaal feestelijk versierd met bloemen en planten
en ook om het podium waren planten geplaatst.
De Rotterdamse voorzitter Helsdingen
opende met een toepasselijk woord, ontroerd, de bijeenkomst en wees
op de agitatie die door de burgerpers op touw gezet was.
Ten slotte nam Domela Nieuwenhuis het woord om ons allen aan te sporen,
de strijd voor Waarheid
en Recht, voor het Socialisme, als wereld bevrijdend
ideaal met méér moed en met àlle krachten voort
te zetten.
Trots alle tegenwerking van de regering en een veile pers! ...
Tot zover konden
wij, ondanks het gehuil en geraas van buiten, hem nog volgen, doch nu
begon er een waar, en oorverdovend bombardement tegen de ruiten van
het lokaal, waarvan er op minder dan geen tijd geen enkel meer heel
was, doch gelukkig botsten de stenen af tegen de planken, voor zo lang
die stand zouden blijven houden!
Het was ons nu duidelijk dat de politie vals spel gespeeld had en ons
als 't ware in een muizenval gelokt had ...
Toen het geraas een ogenblik luwde, wilde Domela weer het woord nemen,
maar op dat zelfde ogenblik viel er van boven een zware steen door de
glazen lantaarn, die ongeveer in het midden der zaal was aangebracht!
Deze steen werd gevolgd door geschreeuw en gejuich en door meerdere
projectielen, die door de boven het lokaal wonende buren, uit hun vensters
werden geworpen!
Dat deed de maat overlopen! Temeer daar verschillende van ons door de
vallende scherven gewond waren.
Ook van buiten, aan de straatzijde begon het bombardement met vernieuwde
kracht en het gejoel der menigte en de kreten: 'Dood
aan de Socialen!' 'Oranje boven!' 'Weg met Nieuwenhuis!' werd
nu bepaald oorverdovend!
Wij trokken ons nu terug naar het achter, en lagere gedeelte der zaal,
waar we betrekkelijk veilig waren. Daar werd beraadslaagd, wat er ons
verder te doen stond.
De bijeenkomst kon natuurlijk zo niet worden voortgezet en hier blijven
was ook niet raadzaam, ja zelfs onmogelijk.
Dus werd er besloten de aftocht te beginnen.
Langs den kant der Binnenrotte zou dat gelijk staan met zelfmoord, maar
de achterzijde had een uitgang die was voorzien van twee brede lage
deuren.
De groote hoop der betoogers wist van dien uitgang niets af en verwachtten
onzen uittocht langs de voorzijde.
Doch de bewoners van de Lombardstraat wisten dat natuurlijk wel en wij
bemerkten dan ook alras, dat ook dáár een grote menigte
bijeen was.
Echter scheen men daar wat kalmer en enkel maar nieuwsgierig,
of was het een valstrik?
Domela die steeds zijn onveranderlijke kalmte bewaarde, zou nu met twee
van de minst bekende partijgenoten tot aan de stoomtram voor Schiedam
vergezeld worden en van uit Schiedam per spoor den Haag bereiken."
naar
boven

Jan
Fortuyn
[1855-1940]
Jan Antoon Fortuyn
Inspirator
Fortuyn heeft de socialistische beweging in Amsterdam
op gang gebracht en is een van de de zogenoemde 'twaalf
apostelen', de oprichters van de Sociaal
Democratische Arbeiders Partij.(SDAP)
Fortuyn is op 3 september 1855 in Amsterdam geboren en overleden in
Castricum op 9 oktober 1940.
Hij was de zoon van Jan
Fortuijn metselaar, en Antoinetta
Frederica Petronella van der Huur.
Op 14 oktober 1885 trouwde hij met Trijntje
Tolk, de huishoudster van Domela Nieuwenhuis.
Hij kreeg een dochter en twee zoons.
Na haar overlijden op 23 mei 1920 hertrouwde hij vier maanden later
met Maria
Johanna Elisabeth Mater, directrice van de
Coöperatie Samenwerkende
Linnennaaisters, en bemiddelaarster op het
Arbeidsbureau.
De vader van Fortuyn,
medeoprichter van de metselaarsvereniging
Door Eendracht Saâmgebracht, wilde niet dat
zijn enig kind ook metselaar zou worden. Hij zorgde ervoor dat Jan procureursklerk
op een advocatenkantoor werd.
Fortuyn ontwikkelde zich als vrijdenker en werd lid van de vrijdenkersvereniging
De Dageraad.
In 1878 schreef hij een enkele maal een artikel tegen de godsdienst,
tot verdriet van zijn moeder die gelovig was.
Zijn echte belangstelling ging uit naar het algemeen stemrecht. In 1879
werd hij bestuurslid en in 1882 secretaris van de Vereeniging
Algemeen Stemrecht in Amsterdam.
De
omgang met socialisten
Om het politieke leven een impuls te geven richtten Domela
Nieuwenhuis en Fortuyn
eind 1880 de staatkundige vereniging
De Unie
op. Fortuyn sprak begin 1881 op de eerste openbare bijeenkomst.
Door dit politieke werk ging hij veel met socialisten om. Hoewel hij
aanvankelijk sceptisch tegenover het socialisme stond, werd hij in 1882
lid van de Sociaal Democratische
Vereeniging en werd in 1883 voorzitter.
De
jonge garde
Fortuyn, die toen 28 jaar oud was en als klerk bij het advocatenkantoor
van Wertheim en Gomperts werkte, versloeg bij zijn
verkiezing als voorzitter Klaas Ris.
Die sprak over een tragisch element:
In het zich toch telkens
herhalende schouwspel,
degenen, die een zaak hebben voorbereid door soms levenslangen harden
arbeid,
te zien overvleugelen door jongeren.
De oudere generatie vroeg zich morrend af wat er van de afdeling terecht
moest komen, nu een 'heer' de leiding had gekregen.
Het wantrouwen werd echter gelogenstraft.
De eerste jaren waarin Fortuyn met strakke hand de afdeling leidde,
waren de meest succesvolle in de geschiedenis van Sociaal Democratische
Vereeniging.
Naar het oordeel van Domela Nieuwenhuis was Fortuyn:
De
man, die de beweging in Amsterdam groot gemaakt heeft.
Fortuyn, die in
zijn gehele leven weinig publiceerde, schreef in de jaren 1882 en 1883
Amsterdamsche Brieven in
Recht voor Allen.
In het laatste jaar kwam hij tevens in het landelijk bestuur van de
Nederlandsche Bond voor
Algemeen Kies- en Stemrecht.
Hij was aanwezig op het Internationaal Vrijdenkerscongres
in 1883 in Amsterdam.
Ziekte
en ontslag
Fortuyn werd in 1884 onverwacht bestuurslid van De
Dageraad, maar de niet-socialistische leden wisten hem en
Domela Nieuwenhuis in dat jaar uit de vereniging te werken.
In 1884, het sterfjaar van zijn vader, werd Fortuyn ernstig ziek en
voor zijn leven werd gevreesd. Maar hij herstelde en ging weer geheel
op in de strijd.
Hij wist uit ieder voorval propagandistische munt te slaan en was een
meester in het bedenken van pakkende titels en zinnen.
Maar zijn werkgever, het advocatenkantoor, stelde hem voor de keus:
matigen of ontslag.
Hij nam ontslag en werd copiist van brieven.
Een eigen gebouw
Fortuyn was een knap organisator en wist in 1886 voor de Sociaal-Democratische
Bond (SDB) het Volkspark te huren, zodat
zaalafdrijving niet meer dreigde.
In 1890 zorgde hij ervoor dat Joan Nieuwenhuis
het Bondsgebouw Constantia voor
de SDB bouwde.
Eigenaar werd de door Fortuyn gestichte Amsterdamsche
Arbeidersmaatschappij.
Later, toen Constantia wegens hypotheekschulden verkocht moest worden,
scholden tegenstanders hem uit voor 'Jan de dief'.
Boekhandelaar
in de Tuinstraat
Als spreker hanteerde Fortuyn de spot als krachtig wapen. Door zijn
juridische kennis wist hij meestal buiten bereik van justitie te blijven.
Maar toen hij eind 1885 sprak en relletjes uitbraken, werd hij verantwoordelijk
gesteld en tot twee weken cel veroordeeld.
Fortuyn had zich na zijn huwelijk in 1885 als boekhandelaar en uitgever
in de Jordaan gevestigd, waar hij met zijn vrouw en zijn moeder in de
Tuinstraat woonde.
Tijdens het Palingoproer in 1886 verspreidde hij een pamflet, waarin
de politie als stokslagersbende werd
aangeduid.
Hiervoor werd hij gearresteerd en zat zeventig dagen in voorarrest.
Hij werd veroordeeld tot vier maanden celstraf, maar de Hooge Raad vernietigde
echter dit vonnis.
Fortuyn wist de zaak volop in de publiciteit te krijgen, wat de andere
veroordeelden hielp bij hun uiteindelijke vrijlating.
Het
recht van de vuist of van de stem
Kort na het Palingoproer was Fortuyn weer middelpunt van volksoploopjes.
In 1887 werd Koning Willem III zeventig
jaar en trokken Oranjeklanten naar bekende socialisten op om die te
molesteren.
De ruiten van Fortuyns winkeltje in de Tuinstraat gingen aan diggelen
en hij moest gewapend over straat. De colporteur van 'Recht voor Allen',
Karel Anthonie Bos had een boekwinkeltje in de Hazenstraat
en dat werd ook aangevallen.
Als bekende verschijning sprak Fortuyn in deze tijd door het hele land
over Vuist- of Stemrecht. Fortuyn
was een heftig spreker met veel gebarentaal, maar van het opkomend anarchisme
moest hij weinig hebben. Geen vechtpartijen onder de leus van Oranje,
maar ook geen socialistische ordeverstoringen.
Hij bleef een aanhanger van de strijd voor algemeen stemrecht. Tijdens
de verkiezingen van 1888 en 1891 stond hij kandidaat voor de Tweede
Kamer.
Hij kwam in de hoofdstad op de achtergrond toen in 1890 de Centrale
Raad van de SDB, in 1893 gevolgd door de
redactie van Recht voor Allen en Domela Nieuwenhuis, zich
daar vestigde.
De verhouding met
Domela, bij wie zijn vrouw nog als huishoudster had gewerkt, was gespannen
en Fortuyn kreeg ruzie met een boekhandelaar. Die begon een lastercampagne
tegen hem, waarbij Fortuyn werd omschreven als 'ploert'.
Toen Fortuyn in februari 1892 tot secretaris van de Centrale Raad
was gekozen, wilde niemand, waarschijnlijk aangezet door Jan
Rot, met hem in het bestuur
zitting nemen.
Na het Kerstcongres van 1892 hield Fortuyn het voor gezien. Rot nam
zijn plaats in.
Slechts na een bestuurscrisis keerde Fortuyn nog even terug. De oude
vete met de broers Rot laaide weer op en na twee weken stapte hij weer
op.
Eerst
organiseren, dan revolutioneren
Fortuyn ging de geschiedenis in als één
van de 'twaalf apostelen' van de SDAP.
Maar zijn overgang kwam voor velen als een verrassing. Toch gaf zijn
opstelling in de programcommissie van de SDB in 1892 al aan waar hij
in de beweging stond.
Met wethouder
Willem Vliegen bepleitte
hij de opstelling van een 'program
van demokratische hervormingen'. Vliegen
raakte er toen van overtuigd dat onder het 'onstuimig doen' van Fortuyn
een 'praktische natuur' schuilging.
Die opstelling was al in 1888 naar voren gekomen, toen hij de anarchisten
voorhield eerst te organiseren en pas dan te revolutioneren.
In 1894 werd Fortuyn 'als persoon' gevraagd het manifest te ondertekenen
dat voorafging aan de oprichting van de SDAP.
De roemruchte vergadering op 1 oktober 1894 in Constantia, waar
de SDAP zich presenteerde en die in een ordinaire vechtpartij eindigde
met de aanhangers van Domela Nieuwenhuis, zal hem diep geschokt hebben.
Met Henri
Polak bemande hij het lokethokje bij de ingang
van de zaal. Als een dief in de nacht moest hij zich die avond met het
geld uit de voeten maken.
Zelf had hij zijn bedenkingen tegen de 'heren' . In werkelijkheid speelde
een oude vete over het begrafenisfonds van de SDB een rol, waarmee
Troelstra hem, aldus Henri Polak,
tot terugtreden dwong.
In 1898 verhuisde
het gezin Fortuyn naar de Kerkstraat,
waarmee een periode van twaalf bewogen jaren in de Jordaan werd afgesloten.
Zijn functioneren binnen de SDAP werd bemoeilijkt door zijn gezondheid.
Hij had een zwak zenuwgestel. Vliegen sprak van 'zenuwlijden', dat hem
het werken een paar keer onmogelijk maakte, maar er was meer.
Fortuyn had als spreker de gewoonte het publiek zijn woorden toe te
slingeren en wel zo snel dat men hem nauwelijks kon verstaan.
Ter gelegenheid
van zijn tachtigste verjaardag ontving hij een verslaggever van Het
Volk. Toen deze Fortuyn zag zitten met zijn 'fleurige puntbaard'
en 'levendige ogen' en zijn 'radde spraakje' hoorde, wist hij direct
wat Vliegen bedoelde met zijn typering van Fortuyn als enige
'Fransman in de Partij'.
naar
boven

Klaas
Ris
[1821-1902]
Klaas
Ris
Klaas
Ris mag worden beschouwd als een belangrijke energieleverancier
van die tijd als hij met zijn petroleumkar
door de Jordaan loopt. Belangrijker is dat hij herinnerd wordt als een
onruststoker naar de hoogmogende heren van bestuurders en werkgevers
toe. Hij werd niet belemmerd door een gebrekkige schoolopleiding om
op vele vergaderingen het hoogste woord te voeren en brochures te schrijven
over al het onrecht dat op zijn weg kwam.
Daarmee mag hij beschouwd worden als één van de voormannen
van het socialisme.
De
eerste openbare actie van Klaas was in 1877, toen hij bij
een van de audiënties van Willem III
in het paleis op de Dam de euvele moed had de koning persoonlijk
aan te spreken om hem de klachten van de Amsterdamse arbeiders over
te brengen. Het ging over het Kermisoproer
dat het jaar ervoor uitbrak omdat de Burgemeester het feest had verboden
vanwege de dronken arbeiders die riepen:
Godverdomme Kermis mot er wezen, Kermis mot
er zijn.
Anders slaan wij bij den Burgemeester de ruiten kort en klein.
Geslagen werd er, en wel door politie, cavalerie en infanterie.
De koning was woest en Klaas werd de deur uit gewerkt.
1867 Het
Kermisoproer
Een spontane rel die eerst niet door arbeidersorganisaties ondersteund
werd. Maar toen de overheid er met zulk grof geweld tegenaan ging bemoeide
zich de Amsterdamse afdeling van het Internationale
Werkliedenverbond, de Eerste Internationale,
zich ermee. Ris aarzelde niet om een aantal gewonden met verband en
al aan het publiek te tonen en zelfs niet om de weduwe
Pogge, wier man door een verdwaalde kogel dodelijk
was getroffen, met haar vier kinderen het toneel op te slepen.
Klaas Ris zit vanaf 1870 in die organisatie en zijn opstandige karakter
maakt hem tot een geschikte aanvoerder van de arbeiders die proberen
Burgemeester Den Tex,
te laten vallen. Klaas Ris was op de koning afgestapt om te vragen of
die niet kon zorgen dat de 'volksverneuker' Den Tex, zou worden ontslagen.
[1821]
Klaas Ris in
Westzaan geboren
Hij was een van negentien kinderen van een visserman. Toen hij tien
jaar was moest hij op een Zaanse papiermolen werken. In mei 1840 ging
hij in militaire dienst als infanterist, plaatsvervanger voor een rijkere
dorpsgenoot. Na zeven maanden tekende hij bij voor zes jaar dienst bij
de kurassiers, een zwaardere dienst met meer soldij. Nadat Ris in 1846
uit dienst ging belandde hij in Amsterdam.
Hij zocht er werk, en trouwde in 1847 met Anna
Maria Lunden. Het waren jaren van honger en ellende.
Hij kreeg steun van het Armenbestuur van de
Vereenigde Doopsgezinde Gemeente.
Die hielpen hem aan werk als molenaarsknecht bij de houtzagerij van
geloofsgenoot H.E. van
Gelder, op molen De Valk
aan het Noorderzaagpad. Klaas Ris kon er, met zijn vrouw en vijf dochters,
gratis wonen.
Klaas verdiende wat bij als 'pijpvoerder' bij
de vrijwillige brandweer. Daar ontwikkelde hij zich als een
geruchtmakend Amsterdamse arbeider. Hij schreef ook als propagandist
van de geheelonthouders brochures zoals:
Is Neerlands moed jenevermoed? dan vivat
de jenever!'
en met gevoel voor humor:
Vrouwen zijn gevaarlijker dan sterke drank.
Klaas Ris werd ook schrijver van opruiende geschriften
over het Brandweerwezen.
Wat is een brandmeester anders dan een sjouwerman?
Ris beschreef de bevelvoerende brandmeesters als volstrekt
nutteloze figuren, die bij branden vooral de blussers in de weg liepen
en hun premies in de wacht sleepten, zonder zelf ook maar het minste
risico te lopen.
Hij vond dat de brandmeester ondergeschikt aan de spuitgast hoorde te
zijn. De premie voor het uitrukken en het bluswerk werden door de gemeenten
uitgekeerd aan de bemanning van de brandspuiten. De brandmeester, zijn
spuitgasten en pijpvoeders als Klaas Ris hadden ieder recht op een deel
van die premie, maar veel bleef volgens Klaas aan de strijkstok hangen.
Het bedrag, dat hij tegoed had, had hij nauwkeurig becijferde op een
totaal van 33 gulden en 34 en een halve cent.
De burgemeester wees zijn eis tot uitbetaling echter van de hand, de
Brandraad en de rechter ook.
Maar Ris gaf niet op. Liefst vier brochures schreef hij over de premies
die hem door de neus waren geboord. Het was een erezaak geworden en
Ris werd een bekende figuur in Amsterdam.
Zelfs Multatuli toonde belangstelling
en vestigde in zijn bundels Ideeën aandacht op de persoon en denkbeelden
van Klaas Ris.
Het gezinsbudget van een werkman was gebaseerd op gegevens die Klaas
Ris moet hebben aangeleverd.
Historici hebben dit budget vaak geciteerd als illustratie van het schrijnend
gebrek dat werklieden en hun gezinnen in de 19e eeuw moesten lijden.
Een betrouwbare bron is het budget echter niet. De bijverdiensten uit
zijn betrekking bij de brandweer, de opbrengst van de brochureverkoop,
en de opbrengst van de verkoop van zaagsel en afvalhout dat een molenknecht
mocht houden, waren er niet bij opgeteld.
Dat Ris bovendien, ondanks zijn lidmaatschap van de
vrijdenkersvereniging De Dageraad, zijn leven lang
een beroep bleef doen op de Armenkas van de Doopsgezinden, was ook niet
duidelijk. In een gesprek met Multatuli over het werkliedenbudget, klaagde
Ris dat een werkman nooit vlees at. Maar dat was voor wat Ris zelf betreft
twijfelachtig. Één van zijn beste kameraden uit de arbeidersbeweging
was slager Albert Hofman uit de
Spuistraat. Die zal zijn vriend echt wel af en toe een stukje vlees
toegeschoven hebben.
In september 1885 verdiende een arbeider volgens Ris fl.9,- tot 10,-
per week bij een huur van fl. 5,-.
Toen molenaar Van Gelder stierf verloor
Klaas Ris zijn baan.
Anderen zeggen dat hij vanwege zijn geruchtmakende optreden na het
Kermisoproer na 26 jaar ontslagen werd.
In ieder geval timmerden
zijn kameraden voor hem een karretje en kochten een trechter en een
voorraad petroleum, zodat hij als petroleumventer in de Jordaan een
nieuw bestaan kon beginnen. Toen het trekken hem te zwaar werd, kreeg
Ris van zijn vrienden een mak ezelinnetje.
Vanuit zijn nieuwe woning Anjeliersgracht 236
(nu 496) ging hij met zijn petroleumkar vele jaren van deur tot deur.
Een jongere partijgenoot uit de Hazenstraat herinnerde zich: "Het
was een gekke kerel, wanneer hij een vrolijke bui had bracht hij, tot
ontsteltenis van mijn moeder, zijn ezeltje bij ons tot in de huiskamer.
In 1889 verdiende hij fl. 7,- tot 8,- per week en betaalde fl. 4,50
huur, maar met een afdak voor zijn petroleumkar en ezel.
Jan van Zutphen
spotte dat Ris daarom maar precariobelasting moest betalen en dan kiezer
kon worden. Ris vroeg zich af wie dan kiezer was, hij of de ezel?
[1863]
lid vrijdenkersvereniging De Dageraad.
Ris woonde de door Dr.S. Sarphati
georganiseerde bijeenkomsten in het Paleis
voor Volksvlijt bij.
Naar aanleiding van de eerste vergadering schreef hij
Een woord over voor en tegen arbeidersverenigingen.
Hij vond dat een kwartje entree veel te hoog en behalve dat vertrouwden
de arbeiders de hoge heren die in de vergaderingen het woord voerden
niet.
Het organiseren van vakverenigingen was tot 1872 verboden.
Ris vond dat patroons een vakvereniging moesten oprichten om samen afspraken
over de lonen te maken. Ris steunde het idee van woningbouwcoöperatie.
In november 1868 werd de Bouwmaatschappij
tot Verkrijging van Eigen Woningen opgericht op initiatief
van onder anderen Ris, de drukker
F.W. Vislaake en de metselaar
Jan Fortuyn. Na betaling van
inleggeld en een wekelijkse bijdrage van tien cent kon men een aandeel
krijgen, na inloting een huisje in de 'dubbeltjesbuurt'
huren en na twintig jaar eigenaar worden. De leden stroomden met duizenden
toe, de dubbeltjes begonnen zich op te stapelen, maar al snel rolden
de bestuurders over straat, elkaar openlijk beschuldigend van fraude
en diefstal.
De integriteit van Klaas Ris werd door niemand in twijfel getrokken,
maar heel toevallig was het natuurlijk wel dat in 1873 één
van de eerste gereed gekomen woningen van de Bouwmaatschappij, aan een
doodlopend zijstraatje van de Mauritskade,
bij loting toeviel aan de familie Ris. In 1871 legde de
arts H. Zeeman,
vrijmetselaar en meester van de loge
La Charité, de eerste steen voor dat eerste
huisje.
Voorzitter
Ris was lid van een boeket aan verenigingen en commissies waarvan hij
vaak ook de voorzitter was. Zoals: de Gemengde
Vereeniging van de sectie Amsterdam van de Eerste Internationale,
de Commissie tot Opwekking van het Vereenigingsleven,
de Bond van Houtzaagmolenaarsknechts,
het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond
en de Democratische Vereniging voor Algemeen
stemrecht.
In 1878 werd Ris lid en bestuurder van de Sociaal-democratische
Vereniging in Amsterdam en in 1881 bestuurder van de net
opgerichte Sociaal-democratische Bond. Hiervan was Ris één
van de kandidaten als voorzitter ondanks dat hij al 62 jaar was. Het
werd echter de veel jongere
J.A. Fortuyn.
In de SDB werd Ris gewaardeerd als voorzitter van vergaderingen en spreker.
Ongedwongen stond hij te spreken. Zijn forse figuur schuins naar het
publiek gekeerd. Meestal in een blauwe kiel en loshangend jasje, zijn
pet in zijn linkerhand, de rechterhand opgeheven, zo sprak hij zijn
gehoor toe. Hij sprak ironisch en scherp, maar altijd met overtuiging,
een echte gevoelssocialist.
Ris die hard moest werken viel tijdens vergaderingen wel eens in slaap.
Wanneer hij wakker schrok, riep hij uit: 'Het volk is ontwaakt, de strijd
kan beginnen'. Beter dan aan oorlogvoeren in Atjeh moest de regering
het geld besteden om de werkloosheid op te lossen. Werklozen konden
geen kant op.
Een enkele keer
voerde Ris zelf niet het hoogste woord, zoals op 8 september 1872, toen
Karl Marx
in zaal Dalrust, vlak
bij het Amstelhotel, zijn eerste en enige spreekbeurt in Amsterdam hield.
Men sprak over verheffing van den werkman, vernietiging van Kapitaal,
aanmaning tot samenwerking om daartoe te geraken. De belangstelling
van het publiek viel tegen, er waren ongeveer honderd mensen. De arbeiders
kwamen voor amusement en grappen ten koste van de Burgemeester
en Wetsverdraaiers. Diepzinnige ideologische toespraken of
scherpe politieke analyses hoefde niet.
Politiespion J.A. Hazenberg
vond het optreden van Ris maar niks:
"Er werden allerlei flauwe aardigheden gedebiteerd, geheel afwijkende
van de te behandelen zaak", rapporteerde hij.
Het ontstaan van de Sociaal-democratische Bond
rond 1880 was in Amsterdam mede te danken aan het publieke
rumoer dat Ris had veroorzaakt. Als veteraan en nestor trad de oude
Ris tot deze nieuwe beweging toe, maar al snel zouden nieuwe, jongere
krachten zijn plaats in de voorste rijen innemen. Ris kreeg een nieuwe
rol als eerbiedwaardig vertegenwoordiger van het oude geslacht.
Het
graf
Toen Klaas Ris op 79-jarige leeftijd in februari 1902 overleed, zamelden
de Amsterdamse socialisten geld bijeen voor een monumentaal graf op
de Nieuwe Oosterbegraafplaats.
De enorme steen was voorzien van een uit steen gehouwen portret van
de karakteristieke kop van Klaas Ris, een welverdiende lauwerkrans en
de bede "Zijn geest leve voort".
Om het graf en de gedenksteen voor het nageslacht te bewaren, werd het
graf in 1950 door de Partij
van de Arbeid aangekocht, waarna de inmiddels
verwijderde gedenksteen werd gerestaureerd en teruggeplaatst.
naar
boven

[1
maart 1879]
Recht voor Allen
Het weekblad Recht voor
Allen verschijnt voor het eerst
Het werd uitgegeven door de latere opvolger van Domela, Jan
Antoon Fortuyn, in diens boekwinkeltje in de Tuinstraat
dat later als de 'Algemeene
en Sociale Boekhandel' in de Nieuwe
Leliestraat gevestigd was.
Op de zaterdagavonden werd het blad met veel kabaal verspreid.
De verkopers kregen het regelmatig aan de stok met het volk uit de Jordaan
en met de politie.
In de volksbuurten huisden veel grote gezinnen op één
kamer of in vochtige kelders.
In de Jordaan, een eilandenrijk met modderpoelen, waren hele straten
werkloos. Het was de ideale doelgroep van het blad, maar juist de koningsgezinde
Jordanezen keerden zich menig maal tegen de idealistische verkopers.
Ze groeiden uit tot excentrieke straatfiguren.
Veel mensen kenden de felle antimonarchist Jacobus
de Zwart en de kameraden Anton
Belderok en de 'held' Karel
Anthonie Bos.
Tussen 1883 en 1886 groeide de oplage enorm.

Koning Gorilla
In het Nationaal archief ligt een brochure getiteld: 'Uit
het leven van Koning Gorilla'.
Hoewel de anonieme schrijver van het pamflet Koning Willem III nergens
met naam en toenaam noemt, is het iedereen duidelijk dat het over de
toenmalige impopulaire koning gaat.
Het pamflet komt uit socialistische hoek en verschijnt aan de vooravond
van de 70e verjaardag van de koning op 19 februari 1887
De brochure vindt gretig aftrek, er vindt een stormloop op de boekhandels
plaats.
Majesteitsschennis
Opmerkelijk is dat er geen stappen worden ondernomen tegen auteurs, uitgever
en verkopers, zelfs geen gerechtelijk vooronderzoek vindt plaats.
Normaal is men wel voortvarender, regelmatig verdwijnt een socialist in
de gevangenis.
De enige die in verband met de affaire wordt vervolgd is Jozef
Alexander Cohen,
(1864-1961) medewerker van het socialistisch partijblad 'Recht
voor Allen'.
Hij heeft naar de koning "Weg met Gorilla!" geroepen. Hij werd
bij verstek veroordeeld wegens majesteitsschennis en vluchtte naar Frankrijk.
Blijkbaar vinden de autoriteiten het beter zo min mogelijk aandacht aan
de zaak te besteden. Het zou alleen nog maar meer koren op de molen van
de socialisten zijn en het koningshuis verder beschadigen.
Cohen is opgegroeid
in een gelovig joods middenstandsmilieu. Hij brak met het oude geloof
zoals hij zich tegen iedere vorm van gezag zou verzetten. Zijn Indische
jaren (1882-1887) bracht hij grotendeels door in militaire gevangenissen.
Eenmaal gerepatrieerd bewoog hij zich in anarchistische
kringen . Werd medewerker aan anarchistische blaadjes en aan de
Figaro. Via Londen ging hij weer naar Holland, waar hij het non-conformistische
eenmansblad De Paradox
(1897-1898) uitgaf.
Vanaf 1899 vestigde hij zich definitief in Frankrijk, waar hij meewerkte
aan Le Temps
en Figaro en genaturaliseerd
werd. Van 1906 tot 1922 is hij in Parijs correspondent van De
Telegraaf
[1892]
Recht
voor Allen is naar de hoofdstad gekomen
Aan den eenen kant dus Troelstra
en Van der
Goes, aan den anderen Domela
Nieuwenhuis en Cornelissen.
De strijd tusschen de "revolutionnairen"
en de "parlementairen",
ook wel "mannen van den ge-lei-de-lij-ken weg" genoemd, totnogtoe
in de beide bladen en in enkele debat-vergaderingen gevoerd, zou nu
worden voortgezet in de afdeeling van den Sociaal-Democratischen
Bond
Van der Goes was al een poos geleden uit den Bond geroyeerd, zodat Troelstra
het zaakje in de huishoudelijke vergaderingen alleen moest opknappen;
De Levita,
en Loopuit
konden daarbij slechts de rol van schildknaap vervullen,
jong en onbedreven in het politieke debat als zij waren. Dolf de Levita
had zijn sporen bij de diamantbewerkers verdiend. Hij was tevens oprichter
van de zangvereniging 'De
Stem des Volks'
en schreef de overbekende 'Socialistenmars'
Na vele en herhaalde schermutselingen zou eindelijk de beslissende slag
geleverd worden:
Troelstra
zou zich hebben te verantwoorden wegens het ongehoorde feit dat hij
niet alleen door zijn komst te Amsterdam het partijorgaan ongeoorloofde
concurrentie aandeed, doch dat hij bovendien den partijpaus Domela en
diens optreden in zijn blad openlijk dorst te kritiseeren.
[1890]
1 mei wordt voor
de eerste keer in Nederland gevierd
Het spreekt vanzelf dat Recht voor Allen op de Dag van de Arbeid met
een speciaal nummer uitkwam.
Men schreef: '
Koningschap, militarisme, geestelijkheid, beurs en patroons
gaat ten onder
naarmate het schip der organisatie zich voortstuwt'
Bij Socialisme dacht Domela Nieuwenhuis aan
Utopische Socialisten
Hij werd secretaris van de Sociaal-Democratische
Bond (SDB).
Hij bracht daar Recht voor Allen als bondsorgaan
in.
De redactie verhuisde in 1893 van Den Haag naar Amsterdam. De redactielokalen
waren aan het Damrak gevestigd, dicht in de buurt van het Antirevolutionaire
blad De Standaard.
Tekenaar Braakensiek maakt een spotprent
waarin de twee dominees Domela
Nieuwenhuis en
Kuyper
elkaar de hand schudden. Samen zijn ze een dreigend gevaar
voor de bestaande orde van de liberale orde van de heren.
naar
boven
Het
Volkspark

Gebouw
voor bijeenkomsten in het Volkspark
Het volkspark
was een rommelige verzameling houten loodsen van een voormalige kartonnagefabriek.
Het park was eigenlijk een vervallen speeltuin iets buiten de stad in
het verlengde van de Bloemgracht, op de plek waar nu de Hugo de Grootbuurt
is. Bij de ingang stond een groot huis van steen, waar de beheerder
van het terrein zou komen te wonen en waar kleinere bestuursvergaderingen
gehouden konden worden.
De loodsen waren geen van allen waterdicht maar er werden toch de bijeenkomsten
van de Sociaal Democratische Bond gehouden.
In de grootste was een podium waar vergaderd werd bij het spaarzame
licht van petroleumlampen.
Het karakter van het Volkspark als een vrijplaats werd nog versterkt
door het afgesloten karakter van het terrein, omgeven door een droge
sloot en struikgewas.
De enige toegang was een brug die door een hoog ijzeren hek was afgesloten.
Een oud stenen tuinhuisje deed dienst als loket.
Wie hier binnen kwam stapte in een andere wereld.
Het was de enige plek waar Jan Antoon Fortuyn
ruimte kon huren.
De meeste zaalhouders weigerden, onder druk van de politie, aan de 'socialen'
vergaderruimte te verhuren.
In het Volkspark kwamen
zo'n 8000 mensen regelmatig luisteren naar de opzwepende redevoeringen
van Domela Nieuwenhuis.
Tijdens een toespraak van Domela Nieuwenhuis stond altijd een politieman
met zijn handen op zijn rug toe te kijken.
Op een kwade dag hoorde men een revolverschot.
Het bleek dat politiecommissaris
Stork beschoten was. De kogel had een gat in zijn
hoed had gemaakt en was vervolgens in de houten wand terecht gekomen.
Op de zaterdagavonden
werd met veel kabaal Recht voor Allen,
het blad van de Sociaal Democratische Bond
verspreid.
In de volksbuurten huisden veel grote gezinnen op één
kamer of in vochtige kelders.
In de Jordaan, een eilandenrijk met modderpoelen, waren hele straten
werkloos.
Het fascinerende
van Waarachtige Volksvrienden waren de sterke familie- en buurtbanden die deze vroege socialisten bij elkaar hielden.
Vrijwel zonder uitzondering woonden en werkten de socialisten in het westelijk
deel van Amsterdam - met name de Jordaan - en hun acties bereikten hooguit
de Dam of het huis van de burgemeester aan de Keizersgracht.
De voornaamste verzamelplaatsen waren wijkcafés, koffiehuizen en
het Volkspark.
Na de sloop van het Volkspark in 1891 nam gebouw
Constantia aan de Rozengracht de
functie van socialistenhol over.
naar
boven
[1890]
Gebouw
Constantia

Gebouw
Constantia Rozengracht / Toespraak Domela Nieuwenhuis
De
socialisten en de Jordaan
Nadat het Volkspark plaats moest maken voor de bebouwing van de Staatslieden-
en Hugo de Grootbuurt, gingen de partijgenoten met 30 cent per week,
sparen voor een eigen vergadergebouw.
De bekende schrijfster en feministe Wilhelmina
Drucker leende de helft van
het aankoopbedrag aan de bond uit.
In de zomer van 1890 was het dan eindelijk zover.
Op de zojuist gedempte Rozengracht was op nummer 152 een gloednieuw,
smal maar diep gebouw verrezen.
Beneden lag de inpandige grote zaal met een zuilenrij en een tribune.
Een trap ging naar de eerste en tweede verdieping waar twee kleinere
zalen waren. Op de derde verdieping was de woning van conciërge
Jacob de Boer: twee kamers en een keuken, verbonden door een doorgang
met bedstede.
Partijgenoot Joan Nieuwenhuis had
de bouwtekeningen gemaakt.
De opening werd verricht door Domela Nieuwenhuis
samen met de zeventigjarige Klaas Ris.
Hij gaf het de naam Constantia,
dat betekent standvastigheid.
Een mooie naam! Ja, standvastig moeten wij blijven voortgaan'. En voort
ging het.
De keuze voor de Rozengracht was heel gelukkig. Na de demping werd het
een drukke verkeersas tussen het centrum en de nieuwe arbeiderswijken
in het westen van de stad. Tot op de dag van vandaag trekken demonstraties
van de Dam via de Rozengracht naar het Museumplein.
Rozengracht 152 was de plek waar eerst de katholieke
kerk De Zaaier was en waar nu de Fatih
moskee is
Voorwaar een mooi voorbeeld van 'recycling' van plaatsen waar gelovigen
toegesproken worden.
Hier is de SDAP
Het gebouw staat op de strategische route van de Jordaan naar de Dam.
De laatste vergadering was er op 16 april 1899.
De meest geruchtmakende vergadering was er op 1 oktober 1894 toen de
Sociaal-Democratische Arbeiders Partij
(SDAP) in aanwezigheid van Troelstra
gepresenteerd werd. Er was geschreeuw en getier, maar het liep
toch goed af.
Het was verder wel een gezellige vergaderplek. Men nodigde zelfs wethouder
Treub uit om te vertellen wat die toch tegen
de socialisten had. Een smid riep op die bijeenkomst:
"Met die geleerdheid van die meneer heb ik niets te maken, maar
ik weet dat hij het liegt Gvd". Treub werd geen haar gekrenkt
Jan Antoon Fortuyn
verhuisde zijn
Algemene en Sociale Boekhandel van
de Tuinstraat naar de Nieuwe Leliestraat.
Amsterdam werd het centrum van de Socialistische Beweging.
Partijbestuur ging naar de stad en zelfs Domela
Nieuwenhuis ging in de Haarlemmerstraat wonen.
Het
hol van den leeuw
De beruchte meeting in Constantia, waarmede de pasgestichte SDAP haar
opwachting zou maken binnen "Amstel's veste en trouwe burgerij",
zal mij ook niet licht uit het geheugen gaan, al heb ik van de tooneelen
die daar werden afgespeeld ook niets met eigen oogen gezien, schreef Henri
Polak.
"Fortuyn en ik waren belast met
het innen der entrees. Zittende in het lokethokje merkten wij alras, dat,
hoe de zaak ook mocht loopen, het financieele succes verzekerd zou zijn.
De dubbeltjes stroomden binnen; er was haast geen bijhouden aan.
Het aantal "werkeloozen", dat, naar gewoonte, vrijen toegang
kwam vragen, was ditmaal bijzonder groot. Doch Fortuyn, die op dat gebied
een fijnen neus heeft, toonde zich bijzonder sceptisch en wilde aan die
plotseling ingetreden werkeloosheid geen geloof hechten; allen moesten
betalen, decreteerde hij; en wie geen dubbeltje had, moest het voor dien
avond maar zonder meeting zien te stellen.
De zaal was berstensvol
Enkele nakomers moesten nog geholpen en het ontvangen geld voor de goede
controle geteld worden.
Fortuyn en ik bleven dus in ons loketje aan het werk. Intusschen was de
vergadering aangevangen en al heel gauw begonnen onheilspellende geluiden
tot ons door te dringen. Fortuyn, die, zooals gezegd, op dat gebied een
fijnen neus heeft, zeide toen tot mij: "Weet je wat wij doen? Wij
pakken dat zoodje maar gauw ongeteld in en brengen het als de bliksem
bij mij thuis in veiligheid; want dat zaakie loopt hier nooit goed af
en dan kun je nooit weten wat er gebeurt."
Dies pakten wij het zoodje in en sjouwden het naar Fortuyn's huis in de
Nieuwe Leliestraat. Toen ik terug naar de Rozengracht.
Constantia binnenkomen - daaraan viel niet te denken. Ik bleef dus voor
de deur ronddrentelen.
Weldra voegde Poutsma
zich bij mij, die ook geen toegang tot de zaal had kunnen krijgen. Van
enkelen die naar buiten kwamen vernamen wij, dat het binnen een "pan"
was.
Er hadden meer dan heftige debatten plaats, men had grievend beleedigende
dingen naar het hoofd dersprekers geslingerd, er was gevochten, er was
met een mes gestoken enz. enz. Poutsma en ik probeerden de zaal binnen
te komen, doch vruchteloos".
Voorlopig geen sociaal democratische beweging
"Hier en daar ontmoetten wij groepjes "revolutionairen",
die evenmin als wij binnen de zaal hadden kunnen komen.
Een van die groepjes werd aangevoerd door iemand die thans tot onze beste
partijgenooten behoort, doch die mij toen een pak slaag presenteerde,
waarvoor ik echter beleefd bedankte. Even later stuitten wij op een ander
soortgelijk groepje, dat blijkbaar geen heil zag in mondelinge aanbiedingen,
doch op staanden voet den aanval begon.
Poutsma en ik verweerden ons echter geducht, doch zouden niettemin het
onderspit gedolven hebben, daar van alle kanten "revolutionaire"
hulptroepen opdaagden, als niet een detachement politie, met versnelden
pas aanrukkende, aan het gevecht een einde had gemaakt.
Enigszins gehavend zwierven wij toen nog een poosje rond en bemerkten
daarop, dat onze mannen het gebouw reeds verlaten hadden (later bleek,
dat dit door een achteruitgang was geschied), waarop wij ons huiswaarts
begaven, diep terneergeslagen en in de stellige overtuiging dat er in
geen vijfentwintig jaren aan een sociaal-democratische beweging te denken
zou zijn - althans niet in Amsterdam".
Bericht
uit de oertijd
Als
wij onze S.D.A.P. in een verloren oogenblik zoo eens rustig aanzien,
met haar honderdtal afdeelingen, met haar stedelijke, districts- en
gewestelijke federaties, met haar dagblad en vele weekbladen, met haar
zeven kamer- en vele gemeenteraadsleden, met haar bezoldigen secretaris
en propagandisten, met haar beduidenden invloed op de vakorganisatie
en op het politieke leven, met haar coöperatieve inrichtingen en
haar eigen gebouwen - dan is het voor ons "ouwetjes" nauwelijks
te gelooven, dat het pas tien jaren geleden is, dat wij in Amsterdam
stonden met een goed dozijn "parlementairen" tegenover een
overstelpende massa "revolutionairen" en dat alléén
te Utrecht iets te vinden was, dat op een sociaal-democratische beweging
leek.
Hoe versch liggen nog in ons geheugen de tooneelen, afgespeeld in Constantia
en bij Reens in de Nieuwstraat, gedurende de periode, liggende tusschen
het verschijnen van De Nieuwe Tijd en de oprichting der S.D.A.P., de
hevige twisten, die vaak in handtastelijkheden eindigden, de ruzievergaderingen,
de beruchte Constantia-meeting, de smaad- en scheldwoorden en het hoongelach
dat den pioniers onzer Partij aan alle kanten ten deel viel. Hoe zien
wij nog vóór ons, alsof het gisteren was, de giftige gezichten
en gebaren, waarmede wij begroet werden toen wij na de dwaze "Panama"-geschiedenis
uit Groningen terugkwamen, waar het Congres had plaats gehad, dat de
fameuse resolutie-Hoogezand-Sappemeer had aangenomen.
Enkele herinneringen uit die dagen, welke zoo ver-af schijnen en toch
nog zoo kort geleden zijn, mogen hier een plaats vinden, tot stichting
en vermaak der jongere partijgenooten, die deze woelige periode slechts
bij overlevering kennen.
De
groote zaal van Constantia was vol
"Een onheilspellende stilte hing in de unheimische, sombere ruimte.
De gewone huishoudelijke-vergaderings-formaliteiten werden vlug afgedaan
en toen... toen stond Cornelissen
op, bekom het tooneel, nam het potlood ter hand waarmede
hij gewoon was zijn argumenten de zaal in te prikken, schudde zijn zwarte
lokken even in bevallige wanorde, schoof zijn opengewerkte lavallière
recht, zette zijn gezicht in den gebruikelijken let-'s-op-hoe-handig-en-slim-ik-ben-plooi,
deed zijn gluur-oogjes glundertjes glinsteren en stak van wal, om de
acte van beschuldiging tegen Troelstra
en De Nieuwe Tijd voor te dragen.
Toen hij met
dat karreweitje onder luid applaus van de vrienden gereed gekomen was,
werd zijn plaats ingenomen door Coltof,
den onuitsprekelijken Coltof, den joodschen jodenhater, den smeder van
eigen, en ontmaskeraar van anderer intriges, die over het "zakelijke"
betoog van Cornelissen het gebruikelijke vuile moddersausje uitstortte,
ten einde het gerecht voor de liefhebbers des te smakelijker te maken.
Daarna kwam Domela zelf om de deur dicht te doen. De wijze waarop dit
geschiedde (het recept is onveranderd gebleven tot op dezen dag) kan
geacht worden bekend te zijn.
Eindelijk was het woord aan Troelstra, die zich tegen al het moois,
in het midden gebracht door het edele driemanschap Domela-Coltof-Cornelissen,
zoo goed mogelijk verweerde en ten slotte de situatie vergeleek bij
die uit Schiller's treurspel "De Roovers". Domela was dan
de oude heer Moor; Cornelissen was Frans Moor, de lief-doende,
kruiperige, valschaardige zoon; hij-zelf, Troelstra, was Karl Moor,
de eerlijke, oprechte zoon, die den vader dorst te weerstaan, doch hem
oprechtelijk, zonder bijbedoelingen liefhad".
Tumult van belang
"Er werd sterk geapplaudisseerd eener-, gefloten, gejouwd en geschreeuwd
anderzijds.
Midden in het kabaal sprong Cornelissen
op het tooneel, waar Troelstra
nog steeds stond, en begon tegen dezen uit te varen, zonder
zich echter onder al de herrie verstaanbaar te kunnen maken.
Onder deze scène was ook Domela op het tooneel gekomen en stond
tusschen de beide combattanten te oreeren, doch werd evenmin gehoord,
daar de aanwezigen zich middelerwijl in twee kampen hadden verdeeld,
die elkander bekrijschten en op het punt stonden handgemeen te worden.
Te midden van dien chaos, toen het pandemonium op zijn hoogst was, weerklonk
plotseling een fel-ratelende donderslag (men had door al het rumoer
op het naderen van het onweer niet gelet). Het lawaai verstomde een
oogenblik. Temidden van de stilte die er nu was, braken een paar ruiten
in de lantaarn boven het tooneel, die neerkletterden achter de drie
hoofdpersonen, op wie plotseling klaterende regenstroomen vielen. Donderslag
op donderslag dreunde en daverde nu door de zaal, alle andere geluiden
overstemmend; de regen plaste in dikke stralen op het tooneel en rommelde
neer op het zinken dak. Het zaalrumoer van twistgeschreeuw stak ook
weer op, werd feller en feller, totdat het eindelijk een onverdragelijk
geloei werd.
En in dien woesten geluiden-chaos verliep de vergadering, zonder dat
was uitgemaakt wie nu eigenlijk Frans en wie Karl Moor
was".
Zangvereniging
Voorwaarts
Er bestond in die dagen - misschien dat zij nog bestaat - een
gemengde zangvereeniging, "Voorwaarts" geheten.
Op een goeden dag legde haar muzikale leider zijn functie neer en het
bestuur slaagde er niet in, een plaatsvervanger te vinden; het was destijds
zoo goed als onmogelijk een musicus te ontdekken, die zijn naam wilde
verbinden aan een socialistische vereeniging.
Repetitiën konden dus niet meer plaats hebben en dientengevolge dreigde
de vereeniging totaal te verloopen.
Ten einde raad kwam het bestuur mij vragen, of ik genegen was de leiding
op mij te nemen. Ik had zulk een zaakje nooit bij de hand gehad en aarzelde
dus wel eenigszins; doch de nood was aan den man en dus besloot ik het
er maar op te wagen. Geruimen tijd ging alles goed. De repetitiën
vlotten best. Bij verschillende gezellige bijeenkomsten enz. werkte het
koor onder mijn leiding mede en uiteindelijk gaf de vereenig een concert,
bij welke gelegenheid mij een fraaie ebbenhouten, met zilver versierde
dirigeerstok werd aangeboden, als blijk van waardeering voor mijn belanglooze
diensten.
Weggejaagd
ad majorem Domelae gloriam
"De afdeeling Amsterdam van den Sociaal-Democratischen
Jongelingsbond zou in Constantia haar jaarfeest vieren.
De avond van het feest was dààr en ik maakte mij thuis
gereed om naar Constantia te gaan en mijn muzikale plichten te vervullen.
Daar werd gescheld; mijn vrouw opende de deur en liet binnen een partijgenoot
van zeer Domelistische kleur, vader van een meisje dat in mijn koor
zond.
Deze man, een vierkante, eerlijke kerel, kwam mij vertellen, dat het
koor dienzelfden middag een geheime vergadering had gehouden, waarin
besloten was, dat als Domela dien avond gesproken zou hebben en ik voor
het koor zou staat om het Vrijheidslied te doen zingen, de voorzitter
uit de rijen der zangers naar voren zou treden om mij te zeggen, dat
men van mij niet meer gediend was en dat ik op staanden voet kon vertrekken.
Mijn zegsman had dat van zijn dochter vernomen en daar hij vond dat
ik van den kant der zangvereeniging zulk een schandalige behandeling
niet had verdiend, kwam hij mij waarschuwen".
"Inderhaast ingewonnen inlichtingen bevestigde 's mans mededeelingen.
Er daar ik geen trek had voor het front der troepen te worden weggejaagd
ad majorem Domelae gloriam, pakte ik gauw mijn mooien dirigeerstok in
het étui, schreef een briefje aan het bestuur waarin ik zeer
vormelijk bedankte voor het directeurschap en zond een en ander per
kruier naar Constantia, waar geween en tandengeknars was omdat het mooie
plannetje zoo jammerlijk was mislukt en men mij den voorgenomen "loer"
niet had kunnen "draaien".
En zoo werd mijn muzikale carrière wreedelijk vernietigd en ben
ik in plaats van een beroemd dirigent, een vakvereenigings-baantjesjager
geworden.
Sic transit.... "
Hypotheekschuld en een Jezuïetenstreek
De exploitatie van Constantia was sinds de bouw in handen van de Amsterdamsche
Arbeiders-Maatschappij, een coöperatieve onderneming
die verder zorg droeg voor het bakken van socialistisch brood.
Binnen het bestuur van de AAM nam Fortuyn een vooraanstaande positie
in. Hij gold als een onomstreden organisator en zakelijk leider van
de beweging.
Fortuyn was als enige vooraanstaande socialist uit de Jordaan lid geworden
van de SDAP en daarmee was hij voor zijn voormalige partijgenoten een
verachtelijke overloper.
Begin 1899 besloot het bestuur van de AAM op aandringen van Fortuyn
dat de exploitatie van Constantia niet langer te verantwoorden viel.
De tekorten waren niet veroorzaakt door Constantia maar door de volksbakkerij.
Zakelijke argumenten maakten in de Jordaan geen indruk. Er was een hypotheekschuld.
Toen bleek wie zich tijdens de veiling van het gebouw had weten meester
te maken was de boot helemaal aan.
De rode burcht bleek verkocht aan het Roomse kerkbestuur van de St.
Ignatiusparochie, Jezuïeten nog wel.
Kaasboer Grijpink, die driftig tegen een dominee van de
Afgescheidenen had zitten opbieden, bleek niet meer dan een
stroman van de zwartrokken.
Kerkmeester
J.A.A. Grijpink,
kaashandelaar, kocht het op eigen naam voor f. 30.100,- en verkocht
het voor diezelfde som aan het kerkbestuur van de
Zaaier.
Zo kon, nog juist vóór het einde van de 19e eeuw
de eerste katholieke kerk in 'de Jordaan' worden gesticht
op de plek waar eerst het oproer kraaide..
naar
boven

In café De Leeuw van
Waterloo
[1887]
De
Leeuw van Waterloo
Het bierhuis , 'De
Leeuw van Waterloo' aan het Waterlooplein, wordt bestormd door Jordaners
die niets van het socialisme moeten hebben
[22 februari]
Hop,hop,hop,
Hang de socialisten op
Op het Waterlooplein valt een oranjegezinde menigte het café
van de socialist Paulus Jacobus Penning
aan.
Penning is actief in de vrijdenkersbeweging, de Eerste Internationale
en de Sociaal-Democratische Bond en caféhouder voor de beweging.
De Leeuw van Waterloo was een van de vergaderplaatsen van de socialisten.
Zestig agenten konden niet voorkomen dat men het café plunderde.
Het was ook mogelijk dat de agenten eigenlijk geen vinger uitstaken
om dat te voorkomen. De socialisten klommen gewapend met revolvers op
het biljart.
Burgemeester
van Tienhoven vond het wel prachtig dat de
jeugdige orangistische heethoofden de aanhangers der 'zogenaamde' socialistische
beweging te lijf gingen.
Veel deelnemers aan de aanval waren antisocialistisch gezinde joodse
buurtbewoners, die wellicht ook handelden uit afgunst ten aanzien van
de welgestelde Penning, die geen vergoeding kreeg voor de aangerichte
schade maar van de veelsoortige gebruikte projectielen een kolom bouwde
die hij midden in het café plaatste en die veel bekijks trok.
In zijn verdere ontwikkeling volgde Penning, Domela in diens langzame
ommezwaai naar het anarchisme.
lees hier
meer over de Leeuw van Waterloo
naar
boven
[1885]
Café
Zincken ontruimd
Dinsdagavond 24 november 1885 werd in Café Zincken in Amsterdam
een vergadering van socialisten kort na de opening door commissaris
Stork verboden. De volgepakte zaal aan het Westerdok naast
het Centraal Station werd hardhandig door de politie ontruimd. Stork
had tevoren vergeefs de eigenares bedreigd en had daarna een gedetailleerde
plattegrond van haar zaak laten maken.
Tientallen agenten vielen de zaal binnen en sloegen de aanwezigen door
de ramen naar buiten. Velen belandden in het gasthuis, enkelen in het
IJ.
Het waren rare snuiters
aan de rafelrand van Amsterdam; mannen van de daad, zingend en knokkend
voor de eer van het volk.
Anarchistische ruziezoekers en warhoofden, zei men later, maar hun daden
waren rationeel en rechtvaardig in de ogen van het volk.
Zoals de symbolische aanslag van behanger
Johan Geel als reactie op de
'slag om café Zincken'.
Geel was verontwaardigd en kocht voor vijf geleende guldens een revolver.
Daarmee vuurde hij op 4 juli 1886 op Stork.
De kogels misten weliswaar hun doel, maar het geknal dreunde nog lang
na in de arbeiderskoppen.
Toen Geel na zes jaar vrij kwam, maakte hij een feestelijke rondrit
in een open rijtuig door de Pijp.
Het fascinerende van Waarachtige Volksvrienden is dat het licht werpt
op de sterke familie- en buurtbanden die deze vroege socialisten bij elkaar
hielden.
Vrijwel zonder uitzondering woonden en werkten de socialisten in het westelijk
deel van Amsterdam - met name de Jordaan - en hun acties bereikten hooguit
de Dam of het huis van de burgemeester aan de Keizersgracht.
naar
boven
[1899]
School
voor Maatschappelijk Werk
Opleidingsinrichting
voor Socialen Arbeid
De school werd als eerste in de Jordaan opgericht.
De opleiding was gericht op onderwerpen zoals armenzorg, kinderzorg,
volksopvoeding en opzichterschap over arbeiderswoningen en in bedrijven.
Thema's die een directe band met de Jordaan hadden
De lessen
werden gegeven in een lokaal, dat door Ons
Huis in de Rozenstraat
ter beschikking werd gesteld.
[1905]
De school verhuist naar een pand aan de Lijnbaansgracht
en de naam wordt gewijzigd in School voor Maatschappelijk
Werk.
[1912-1913]
De school is tijdelijk gevestigd in de Kerkstraat, totdat een nieuw
gebouw werd betrokken in de Pieter de Hooghstraat.
[1957]
De school keert naar de Jordaan terug, nu naar een verbouwd pand aan
het Karthuizerplantsoen.
De school werd genoemd naar het Karthuizer klooster dat daar vroeger
stond, Sociale Akademie De Karthuizer.
naar
boven
[1890]
Ons Huis

Ons
Huis, Rozenstraat / nuttige handenarbeid
[1890 - 1892]
Ontstaan en oprichting
De industrialisatie van Amsterdam neemt grote vormen aan.
Van heinde en ver vestigden zich nieuwkomers in Amsterdam. De arbeidersklasse
neemt vooral in de Jordaan snel in omvang toe. Oude stadswijken kunnen
de snelle groei nauwelijks bijbenen Rond de grachtengordel worden dan
ook veel arbeiderswoningen gebouwd.
In de Jordaan en de Nieuwmarkt, was sprake van erbarmelijke woonomstandigheden.
Verheffing
van de arbeidersklasse
Zowel progressieve liberalen als socialisten zetten zich in voor een beschavingsoffensief
met de nadruk op cultuurspreiding en volksontwikkeling.
De letterkundige
Hélène Mercier,
begint, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland plannen te maken
voor een Nederlands volkshuis.
De zaak begint
te rollen als zij in de loop van 1890 J.A.
Tours en
de tabakshandelaar
P.W. Janssen ontmoet.
In 1891 levert mevrouw Mercier de ideeën, J.A. Tours de praktische
uitwerking en P.W. Janssen fourneerde het kapitaal.
[1891]
de vereniging Ons Huis
opgericht
Midden in de Jordaan, in de Rozenstraat, komt het volkshuis te staan
dat door C.W.
Posthumus Meijes ontworpen is.
Op 10 mei 1892 was de opening.
Ons Huis wilde neutraal zijn maar sommige confessionelen beschuldigen
Ons Huis ervan een socialistisch bolwerk te zijn.
Socialisten vonden de vereniging een vorm van patroniserend liefdewerk.
Het is van twee kanten niet goed.
Voor
de eerste keer in het gebouw in de Rozenstraat
Een mevrouw uit de zogenaamde 'betere stand' wil eens weten, wat dat
gebouw aan de Rozenstraat nu eigenlijk is. Zij begrijpt het niet. Het
heet een gebouw voor het volk, een geheel dat voor haar iets onbehaaglijks,
iets onfatsoenlijks, iets plats schijnt te betekenen.
Ach, houden die mensen ook van schaken en ' kunnen zij dat leren?
En talen, vreemde talen ' hebben zij daarvoor talent?
Wat zie ik? Ordelijk zitten zij daar samen en zitten in een clubje,
zeer gezellig.
Dan de arbeider. Die
komt ook eens wantrouwend kijken.
Men zegt dat het gebouw door een kapitalist opgericht is om de arbeiders
er onder te houden.
Denk maar niet dat een kapitalist ooit, zonder enige bijbedoeling, zijn
geld zou geven?
Hoewel de dame en
en arbeider na afloop van hun bezoek overtuigd waren van alle goede bedoelingen
bleef het verwijt, dat 'Ons Huis' door zijn ontwikkelingsarbeid de arbeiders
maar ontevreden maakte, bestaan.
[1892 - 1912]
Er komen te veel mensen
van buiten de Jordaan
Ons Huis heeft een leeszaal, er worden gymnastiek- en schermlessen,
clubs, kooklessen, verstellessen, kniplessen, wetenschappelijke voordrachten
en cursussen, taal- en andere lessen gegeven.
Op zondagavond zijn er muziek- en toneellessen.
In de eerste
jaren kwamen vooral mensen van buiten de Jordaan op Ons Huis af.
Het 'Orgaan' van Ons Huis, met een oplage van 800 exemplaren moest daarin
verandering brengen.
[1896]
Ons Huis sticht door de stad speelplaatsen
Kinderen voor een cent op de zaterdagmiddag konden spelen. Dat werd
een daverend succes.
[1906]
Grote
uitbreiding Ons Huis Rozenstraat
Met de nieuwbouw kwomt ook een eigen speelplaats.
Mevrouw Tours,
de vrouw van de directeur bedacht de
'Robinson Crusoë-club, waar jongens geleerd
werd om hun eigen sokken te stoppen, knopen aanzetten, afwassen en overhemden
verstellen.
Een andere succesvolle activiteit was het organiseren van volkszangavonden.
[1913]
Vacantieschool
In de zomermaanden is er een 'Vacantieschool'
voor kinderen uit de buurt.
Men was tussen 1900 en 1910 een beetje ingeslapen, maar na die tijd
was sprake van een versnelde groei.
Bekende mensen zoals de acteur
Louis Bouwmeester,
wethouder F.M. Wibaut,
de historici Hajo Brugmans
en H.
Enno van Gelder,
de architect H.P. Berlage
en de socialistische arts Jan
van Zutphen hielden er voordrachten
[1918]
Volksontwikkelingswerk
Ons Huis wordt op geheel nieuwe leest geschoeid.
Nieuwe volkshuizen zouden onder de paraplu van Ons Huis worden gesticht.
De samenwerking ging echter niet altijd zonder problemen.
Ons Huis in de Rozenstraat werd het
Moederhuis van waaruit alle activiteiten werden gecoördineerd.
Hoewel vereniging Ons Huis nog steeds een eigen positie innam binnen
de organisaties op het gebied van volksontwikkeling, was het gemeentelijk
beleid gericht op gelijkstelling van alle organisaties.
Oprichting van nieuwe afdelingen was er dan ook niet meer bij.
[1916]
Jeugdzorg
Ons Huis begeeft zich op het terrein van de jeugdzorg. De jongensverenigingen
slaan goed aan, maar soortelijke experimenten met meisjesverenigingen
mislukken en na 1922 werd niets meer van de meisjesverenigingen gehoord.
[1934]
Watersport
Ten behoeve van de rijpere jeugd kreeg Ons Huis een botenhuis aan de
Amstel.
Er was al een dergelijke voorziening in Wittenburg.
[1944]
De laatste twee oorlogsjaren
Het is een moeilijke tijd er zijn alle mogelijke beperkende bepalingen
en razzia's.
Bij de uitzending van de jongens naar Duitsland werd vrijwel overal
huisbezoek gebracht, om hen ervan te overtuigen dat zij niet moeten
gaan. Gingen zij toch, werd voortdurend contact met hen gehouden.
Gedurende de laatste oorlogswinter is de aandacht gericht op de kinderkeuken
en de kinderuitzending. Er wordt een clandestiene keuken in stand gehouden
die 1000 etende kinderen per dag telde. Dagelijks werden tientallen
kilometers afgelegd om melk voor de babykeuken te halen. Onvermoeibaar
werd door huishoudelijke dienst en vaste staf gewerkt. Het was geen
kleinigheid om met ongeschoold personeel op een bepaald uur maaltijden
klaar te hebben.
De clubs worden zo
goed als het gaat worden de clubs gehouden. Het gebouw was onverwarmd,
de kleding onvoldoende, toch werd er gezongen en gespeeld, er werden spelletjes
gespeeld, die men 's avonds thuis bij een carbid-lamp of bij een olielamp
konden worden gedaan.
[1945]
Bevrijding
Een grote stroom van drukte barst los na de bevrijding. Er was in kleine
kring al veel voorbereid en op 11 mei 1945 trok 'Ons Huis' met 600 jongeren
naar de Dam om de bevrijding te vieren.
[1952]
Het zestigjarig bestaan
van Ons Huis
Gerrit Kouwenaar werkt mee aan een
herdenkingsboek.
Net zoals in 1893 de dame uit de betere stand en de arbeider, bekeek
de dichter Gerrit Kouwenaar het gebouw in de Rozenstraat. Hij schreef:
Het
was een mooie voorjaarsavond.
Ik keek neer op de door verlichte vensters omspannen binnenplaats,
waar een groep opgeschoten jongens en meisjes volleybal speelde.
Ergens achter een deur klonk een stem, die nadrukkelijk een Franse zin
uitsprak,
welke daarna door een jonge meisjesstem werd herhaald.
Uit een ondefinieerbare richting drong een wals van Chopin tot mij door.
De volleybal kletste tegen de stenen. In de huiskamer zat een groepje
vrouwen rustig babbelend onder een schemerlamp.
En ik dacht er aan, dat er in dit gebouw een 300 mensen bezig waren
met andere, vollediger mensen te zijn, dan zij in hun gemechaniseerd
nummerbestaan in fabriek of kantoor konden wezen.
[1951]
Kunst voor de gewone man
Ons Huis werkt mee aan de organisatie van het Kunstmaand
Festival, een alternatief voor het deftige en dure Holland
Festival.
[1952]
Ken uw politicus
Landelijke en stedelijke politici werken mee aan de politieke cursussen.
Burgemeester A.J. d'Ailly,
bekend van de wandelgids, woonde in de Rozenstraat veel spiegelraadsvergaderingen
bij
De programmaboekjes waren strak en sober opgemaakt, in de van typograaf
en museumdirecteur
H.J. Sandberg.
[1966]
Cannabis
De jongeren in deze jaren zijn veel minder gezagsgetrouw dan men gewend
was en zij experimenteren meer.
De buurthuizen en jongerencentra in de westelijke tuinsteden kregen
bijvoorbeeld te maken met de vraag hoe om te gaan met marihuanagebruik.
[1976]
Ons
Huis in de Rozenstraat gesloten
De organisatie werkt gesloten, bijna dogmaties en is eerder gericht
op de vervulling van een aantal burokratiese behoeften zoals het organiseren
omwille van het organiseren.
Een anoniem zwartboek werd uitgeschreven.
Toen het bestuur een ultimatum naast zich neerlegde, werd het pand aan
de Rozenstraat bezet. De bezetting haalde de landelijke voorpagina's.

COC afd Amsterdam
Rozenstraat
[1979]
Het doek valt
Het pand wordt verkocht aan de afdeling Amsterdam van de Nederlandse
Vereniging ter bevordering van de Integratie van Homoseksuelen COC.
Maar er zijn daar eveneens geldproblemen en het gebouw is voor drieeneenhalf
miljoen euro verkocht aan Ymere.
COC Nederland en COC Amsterdam hoeven er nog niet op stel en sprong
uit, maar mogen het pand nog twee jaar huren.
COC Amsterdam wil een zogenaamd Roze Huis oprichten: een ontmoeting-
en activiteitenplek in de stad
Ons Huis verdwijnt
naar Nieuw West en gaat op in Impuls,
de Stichting Welzijn Westelijke Tuinsteden.
Bron: ISSG: archief
Ons Huis
naar
boven
[1918]
Amsterdams Tehuis Voor Arbeiders
(ATVA)
Aan wat vroeger de
Schans was en nu Marnixstraat heet lag een groot fabriekscomplex
Dat was tussen de bolwerken resp. Rijk en Osdorp op die verdedigingschans.
De molens die op de bolwerken stonden werden al rond 1825 afgebroken
en op de groenstrook tussen de bolwerken kwamen twee grote fabrieken.
Dat waren de Amsterdamse
Pijpgaz Compagnie en de Suikerraffinaderij
De Bruyn & Zn.,die later Amstel-suikerraffinaderij
heette.
De gasfabriek vertrok naar de Haarlemmertrekvaart en ook de suikerfabriek
verdween.
De Gemeente nam het terrein voorlopig over voor de Stadsreiniging.
[1901]
Het bejaardenhuis St Bernardus wordt
gebouwd
[1918]
Het Amsterdams Tehuis voor Arbeiders
staat er naast.
Het is een gebouw dat al zeer lang in het bezit is van de Algemene Woningbouw
Vereniging
Het is al bijna een eeuw oud.
Het ATVA is voortgekomen uit de overtuigingen van Louise
Went (1865-1951), een vrouw die van grote invloed is geweest
op het sociale karakter van de Amsterdamse volkshuisvesting.
Ze was een van de oprichters van de Vereniging
Amsterdams Bouwfonds en vond dat betere huizen voor de armen
een eerste stap naar een beter leven was.
Naar buitenlands voorbeeld zorgde ze er voor dat het ATVA, een fatsoenlijke
behuizing voor alleenstaande, armere arbeiders, gebouwd werd. Het ontwerp
is van haar echtgenoot, de architect
J.E. van der Pek.
Tussen 1916 en 1918 werd het ATVA gebouwd.
De kleine kamers, die in het buitenlandse voorbeeld van elkaar gescheiden
waren door muurtjes op driekwart van de hoogte, werden in het ATVA groter,
geheel van elkaar gescheiden en voorzien van eigen wasgelegenheid.
Men was hier meer gesteld op 'privacy'
Het werd een
enorm gebouw met 351 kamertjes van
7 tot 10 m2, een restaurant en een leeszaal.
De economische crisis in de jaren dertig veroorzaakte nogal wat huurderving
en tijdens de Tweede
Wereldoorlog werd het door de bezetter gevorderd. Na de oorlog verkeerde
het ATVA in slechte staat.
In 1975 werd het grondig gerenoveerd, de 351 kamertjes werden 171 tweekamer-appartementen.
Toch blijft het gebouw tot op de dag van vandaag min of meer trouw aan
het oorspronkelijke gebruiksdoel.
De inwoners zijn nog steeds alleenstaand en hebben meestal niet een
al te grote beurs.
In die zin is de overtuiging van Louise Went nog steeds geldig want
anders
Heeft een ongehuwde arbeider,
die hier ter stede zelfstandig wenscht te wonen
slechts de keus tusschen een onderkomen in een der slaapsteden
of in een hem veelal vreemd gezin als kostganger.
Hoewel de ATVA een tehuis voor arbeiders was konden ook enige studenten
voor fl.1.40 per dag een kamer van twee bij drie meter krijgen en voor
één gulden een portie snert komen eten.
Er zijn nog steeds
HAT eenheden te huur, maar of veel arbeiders er gebruik van maken is
zeer de vraag.
De imposante toegangen zijn tegenwoordig met hekken afgesloten om niet
als gratis nachtopvang voor daklozen te dienen.
Overigens is er onder de parkeergarage, even verder op een zogenoemd
Stoelenproject
waar zwervende mannen in de winter warm kunnen zitten slapen.
naar
boven
|