de Jordaan tussen taal en beeld
> Jordaan index

> lees over:
> Domela Nieuwenhuis
> Jan Fortuyn
> Klaas Ris

> Recht voor Allen

> Het Volkspark

Arbeiders in beweging

> lees over:
> Het gebouw Constantia

> Café De Leeuw van Waterloo

> Café Zincken

> School voor Maatschappelijk Werk
> Ons Huis
> Amsterdams Tehuis Voor Arbeiders


[1850]
In de Jordaan woonden veel arbeiders
De huisvesting en leefomstandigheden waren niet altijd even ideaal. Hele straten waren werkloos.
Het rommelt er voortdurend en er zijn regelmatig grote en kleine oplopen die tot oproer leiden.
Je zou kunnen zeggen dat de socialistische beweging in een gemakkelijke vijver kon vissen, maar dat was niet zo. Oranjeklanten bespotten en bedreigen de socialen.
Ze zingen:

Wij zijn oranjeklanten, wij hebben den koning en de politie op onze hand.
Weg met de socialen zij moeten uit ons vaderland!

De liberale regenten proberen de boel in de hand te houden, maar dat lukt niet altijd.


Bijeenkomst in het Volkspark

De Sociaal Democratische Vereeniging met mannen als Jan Fortuyn en Domela Nieuwenhuis maakt duidelijk dat er iets moet veranderen. Het weekblad Recht voor Allen vertolkt de aanklachten van 'roojen', de 'socialen.
Die socialen komen meer dan eens in botsing met de oranje klanten, koningsgezinde arbeiders.
Daartussen zit 'het gezag' dat vaak niet weet welke kant ze moeten kiezen en de vele oproeren kunnen niet voorkomen worden.



Onthulling van het standbeeld van Domela op het Nassauplein

[1886]
Domela Nieuwenhuis en de Jordaan


Wie is Ferdinand Domela Nieuwenhuis?
Domela Nieuwenhuis, is een pionier van het socialisme, een gelovige die zich ontwikkelt tot socialist en later sociaalanarchist werd.
Domela is geboren in Amsterdam op 31 december 1846 en overleden in Hilversum op 18 november 1919.
Hij komt uit een liberaal luthers professorengezin. Toen hij tien was verloor hij zijn moeder en hertrouwde zijn vader.
Domela werd luthers predikant. Hij steunde als predikant arbeiders bij verbetering van hun omstandigheden.
Hij was actief in de Vredesbond. Die beweging wilde de gewone burger, de arbeider, mobiliseren. Niet het leger in, geen wapens fabriceren, zo zou oorlog onmogelijk worden.

Breuk met de kerk
Na jaren van twijfel breekt Domela met de kerk. De dood in het kraambed van zijn eerste vrouw en de invloed op zijn denken van Multatuli, spelen daarbij een rol.
Hij wisselt veel van ideeën met Eduard Douwes Dekker uit.
In de Vrijdenkersvereniging De Dageraad, waar hij lid van is, komt hij al snel in botsing met de liberaal denkenden, die het socialisme afwijzen.
Hij wordt secretaris van de Sociaal-democratische Bond (SDB)
In 1876 houdt Domela zijn eerste spreekbeurt voor het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV)
Bij 'socialisme' dacht Domela aan de opvattingen van 'utopische' socialisten.
Het blad Recht voor Allen, dat hij opgericht heeft, gaat als orgaan van de sociaal-democratie fungeren. Het duurt niet lang of Domela is de leider van de SDB.

Geheelonthouder
Behalve vrouwenemancipatie en atheïsme was ook geheelonthouding kenmerkend voor het vroege Nederlandse socialisme. Domela zelf kwam via het vegetarisme tot de geheelonthouding en duldde vanaf dat moment ook geen drankgebruik meer in zijn omgeving en op bijeenkomsten waar hij sprak. Hij behoorde tot degenen die algehele afschaffing van alcoholhoudende drank voorstonden, niet alleen matiging van het gebruik. Volgens Domela waren levenshervorming en maatschappijhervorming onlosmakelijk met elkaar verbonden.

In het gevang
In 1886 wordt Domela tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis op grond van een hoofdartikel dat in Recht voor Allen had gestaan. Of hij er zelf de schrijver van was is onduidelijk gebleven, maar het stuk keerde zich tegen de monarchie en Domela droeg hiervoor als hoofdredacteur de verantwoording.
Hij zit zijn straf uit in Utrecht, waar hij als een gewoon misdadiger behandeld wordt.
Socialisten uit binnen en buitenland protesteren tegen die veroordeling.
Na zijn vrijlating op 31 augustus 1887 maakt hij een triomfale tournee door het land.
In Rotterdam leidde zijn optreden tot rellen.

Niet meer actief
Buiten de anarchistische beweging, in de praktische politiek, liet Domela na 1900 weinig meer van zich horen.
Na de spoorwegstakingen van 1903 sprak hij nog één keer tijdens de slotvergadering na de nederlaag.
Domela verhuisde in 1903 van Amsterdam naar het Gooi en waar hij rustig aan zijn publicaties kon werken.

Anti Bolsjewist
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die het Europese anarchisme spleet, komt Domela weer even op de politieke voorgrond. Domela is en blijft antimilitarist, maar wijst beslist niet alle geweld af.
De Russische revolutie begroette hij geestdriftig, maar al snel zag hij - na Lenin nog even voor een anarchist gehouden te hebben - niets meer in het bolsjewisme.


Domela Nieuwenhuis

Domela en de Jordaan

[25 en 26 juli 1886]
De Jordaan en het Palingoproer

De aanleiding was het palingtrekken maar de oorzaak lag veel dieper: de sociale ellende in de arbeidersbuurten. Er ontstonden hevige gevechten tussen de politie met blanke sabel en Jordanezen die met alles gooiden wat los en vast zat. Er waren optochten en barricades met rode vlaggen, er werden tweehonderd infanteristen ingezet, die van vuurwapens gebruik maakten, en aan het einde van de strijd bleken er 26 doden te zijn, 36 ernstig gewonden en 200 arrestanten.

Vrijwel alle Amsterdamse kranten gaven de socialisten de schuld
Het Algemeen Handelsblad ging daarin voorop en organiseerde een collecte ten bate van de gewonde politiemannen.
Alleen De Amsterdammer was genuanceerd en besteedde ook veel aandacht aan de burgerslachtoffers in de Jordaan.
Het hele land werd opgeschrikt door het uitbreken en het neerslaan van het palingoproer
. > lees meer

Vergaderplaatsen ontruimd
In de jaren 1886-1887 vergaderden de Amsterdamse socialisten meestal in het Volkspark, omdat het hen onmogelijk gemaakt werd geschikte zalen te huren.
Dinsdagavond 24 november 1885 werd in Café Zincken in Amsterdam een vergadering van socialisten kort na de opening door politiecommissaris Stork verboden. De volgepakte zaal werd hardhandig door de politie ontruimd.
Kortom, geweldplegingen, aanhoudingen en veroordelingen van partijgenoten waren aan de orde van den dag!
De Regering Heemskerk, met als Minister van justitie de beruchte baron Du Tour van Belinckhave ging met grof geweld te keer.
Voor socialisten, die toen midden in den strijd stonden, was het een plezier te leven! Strijd en nogmaals strijd, allerwegen!
Het liberalisme verloor steeds meer terrein en de socialistische beweging ging ondanks processen, smaad, achtervolging en hoon van orangisten onverveerd verder.

Afscheid
In den loop van 1886 kwam Domela Nieuwenhuis, na zijn veroordeling, in Rotterdam zijn afscheidsrede houden. Zijn komen en gaan was die dag een ware zegetocht. Duizenden mensen liepen, strijdliederen zingend, mee in den stoet! Men strooide bloemen op zijn weg en ook uit de vensters gooide men met bloemen.

Het Rotterdamse volk toonde zich die dag vol enthousiasme maar zou hem een jaar later vervloeken, en als men gekund had, gestenigd hebben!
Met het oog op de vervolgingen allerwegen was het Groepsstelsel ingevoerd. Met dit stelsel was het mogelijk alle leden in korte tijd bijeen te roepen. En dat dit nodig was zou spoedig blijken. Van colporteren was in die dagen geen sprake meer. Ook op en na afloop van openbare vergaderingen en meetings werd nu en dan door een wachtende, opgehitste menigte herrie verwekt, waarvan het ingrijpen door de politie natuurlijk steeds weer het gevolg was.

Nieuwenhuis mot zakkies plakken
De Pers van die dagen had stelselmatig het Koningschap tegenover het Socialisme uitgespeeld, wat tot gevolg had dat het gepeupel, daardoor opgezweept, bijna 'Oranjedol' werd. Men begon de onnozelste liedjes te zingen, zoals

'Weg met de socialen, leve Willem drie'
'Nieuwenhuis mot zakkies plakken leve Willem III'

'Leve demi-saison, alle socialisten in een harington!'


In het begin van den zomer, begon er in zekere, gezaghebbende, kringen een beweging te ontstaan om Domela in vrijheid te laten. Omdat er sprake was van een slechte gezondheidstoestand ging de regering, bevreesd voor erger, ertoe over hem op 31 Augustus, op de verjaardag van prinses Wilhelmina, in vrijheid te stellen. Groot was de vreugde in socialistische rangen.
Maar de hitsige pers zweeg niet, integendeel. Het werd steeds erger!

Oranje tegen rood
In de verschillende plaatsen waar Domela na zijn invrijheidstelling optrad, ontstond
er een waar schrikbewind, een Oranje furie !
Dat er iets broeide in Rotterdam was al enige tijd bekend en voorzorgen tot zelfverdediging waren er dan ook genomen.
De commissaris van politie zei dat hij voor de goede orde instond en zou weten zorg te dragen! Maar het bleek dat een groep rijke burgers geld had uitgedeeld aan de verschillende kroeghouders in de buurt van het vergaderlokaal, om het opgezweepte gepeupel vrij drank te kunnen verstrekken. Maar ondanks de geruststellende verklaring van het politiehoofd was de lokaalhouder, zo verstandig geweest de binnenkant van de vensters van het lokaal van planken te voorzien, zodat stenen niet naar binnen konden vliegen.

Een partijgenoot schreef:
Toen ik mij dien avond rond 5 à 6 uur naar het lokaal begaf, was de Binnenrotte aan weerszijden van het lokaal, tot op ongeveer 200 meter, door de politie afgezet. Daarachter dromde een massa volks, die al tierende en zingende, ieder dien zij door het cordon zagen gaan, uitjouwde en allerlei lieflijke scheldwoorden achterna zond.
Nu, ik wandelde rustig naar het lokaal, waar reeds een groot aantal partijgenoten, mannen en vrouwen, aanwezig waren.
Zonder lidmaatschapskaart werd er niemand toegelaten.
Een uur later verscheen Domela Nieuwenhuis die per rijtuig tot dicht bij het lokaal was gekomen.
Nooit zal ik den indruk vergeten, dien het aanschouwen van Domela op ons allen maakte.
Was dat onze Domela?
Die man met dat vermagerde en bleke gelaat, geheel geschoren en geknipt?
Mannen en vrouwen heb ik zien huilen, van woede en smart! ...
Ik kan mij dan ook die arbeider voorstellen die bij het zien van Domela in Amsterdam, het met tranen van woede en smart uitschreeuwde: "God…ver…domme! Is dàt Nieuwenhuis!?

Voortdurend kwamen er nog partijgenoten binnen en deze vertelden ons dat het politiekordon steeds meer en meer naar het lokaal oprukte.
De vrouwen hadden de Zaal feestelijk versierd met bloemen en planten en ook om het podium waren planten geplaatst.
De Rotterdamse voorzitter Helsdingen opende met een toepasselijk woord, ontroerd, de bijeenkomst en wees op de agitatie die door de burgerpers op touw gezet was.
Ten slotte nam Domela Nieuwenhuis het woord om ons allen aan te sporen, de strijd voor Waarheid en Recht, voor het Socialisme, als wereld bevrijdend ideaal met méér moed en met àlle krachten voort te zetten.
Trots alle tegenwerking van de regering en een veile pers! ...

Tot zover konden wij, ondanks het gehuil en geraas van buiten, hem nog volgen, doch nu begon er een waar, en oorverdovend bombardement tegen de ruiten van het lokaal, waarvan er op minder dan geen tijd geen enkel meer heel was, doch gelukkig botsten de stenen af tegen de planken, voor zo lang die stand zouden blijven houden!
Het was ons nu duidelijk dat de politie vals spel gespeeld had en ons als 't ware in een muizenval gelokt had ...
Toen het geraas een ogenblik luwde, wilde Domela weer het woord nemen, maar op dat zelfde ogenblik viel er van boven een zware steen door de glazen lantaarn, die ongeveer in het midden der zaal was aangebracht!
Deze steen werd gevolgd door geschreeuw en gejuich en door meerdere projectielen, die door de boven het lokaal wonende buren, uit hun vensters werden geworpen!
Dat deed de maat overlopen! Temeer daar verschillende van ons door de vallende scherven gewond waren.

Ook van buiten, aan de straatzijde begon het bombardement met vernieuwde kracht en het gejoel der menigte en de kreten: 'Dood aan de Socialen!' 'Oranje boven!' 'Weg met Nieuwenhuis!' werd nu bepaald oorverdovend!
Wij trokken ons nu terug naar het achter, en lagere gedeelte der zaal, waar we betrekkelijk veilig waren. Daar werd beraadslaagd, wat er ons verder te doen stond.
De bijeenkomst kon natuurlijk zo niet worden voortgezet en hier blijven was ook niet raadzaam, ja zelfs onmogelijk.
Dus werd er besloten de aftocht te beginnen.
Langs den kant der Binnenrotte zou dat gelijk staan met zelfmoord, maar de achterzijde had een uitgang die was voorzien van twee brede lage deuren.
De groote hoop der betoogers wist van dien uitgang niets af en verwachtten onzen uittocht langs de voorzijde.
Doch de bewoners van de Lombardstraat wisten dat natuurlijk wel en wij bemerkten dan ook alras, dat ook dáár een grote menigte bijeen was.
Echter scheen men daar wat kalmer en enkel maar nieuwsgierig, … of was het een valstrik?

Domela die steeds zijn onveranderlijke kalmte bewaarde, zou nu met twee van de minst bekende partijgenoten tot aan de stoomtram voor Schiedam vergezeld worden en van uit Schiedam per spoor den Haag bereiken."

naar boven



Jan Fortuyn

[1855-1940]
Jan Antoon Fortuyn

Inspirator
Fortuyn heeft de socialistische beweging in Amsterdam op gang gebracht en is een van de de zogenoemde 'twaalf apostelen', de oprichters van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij.(SDAP)

Fortuyn is op 3 september 1855 in Amsterdam geboren en overleden in Castricum op 9 oktober 1940.
Hij was de zoon van Jan Fortuijn metselaar, en Antoinetta Frederica Petronella van der Huur. Op 14 oktober 1885 trouwde hij met Trijntje Tolk, de huishoudster van Domela Nieuwenhuis. Hij kreeg een dochter en twee zoons.
Na haar overlijden op 23 mei 1920 hertrouwde hij vier maanden later met Maria Johanna Elisabeth Mater, directrice van de Coöperatie Samenwerkende Linnennaaisters, en bemiddelaarster op het Arbeidsbureau.

De vader van Fortuyn, medeoprichter van de metselaarsvereniging Door Eendracht Saâmgebracht, wilde niet dat zijn enig kind ook metselaar zou worden. Hij zorgde ervoor dat Jan procureursklerk op een advocatenkantoor werd.
Fortuyn ontwikkelde zich als vrijdenker en werd lid van de vrijdenkersvereniging De Dageraad.
In 1878 schreef hij een enkele maal een artikel tegen de godsdienst, tot verdriet van zijn moeder die gelovig was.
Zijn echte belangstelling ging uit naar het algemeen stemrecht. In 1879 werd hij bestuurslid en in 1882 secretaris van de Vereeniging Algemeen Stemrecht in Amsterdam.

De omgang met socialisten
Om het politieke leven een impuls te geven richtten Domela Nieuwenhuis en Fortuyn eind 1880 de staatkundige vereniging De Unie op. Fortuyn sprak begin 1881 op de eerste openbare bijeenkomst.
Door dit politieke werk ging hij veel met socialisten om. Hoewel hij aanvankelijk sceptisch tegenover het socialisme stond, werd hij in 1882 lid van de Sociaal Democratische Vereeniging en werd in 1883 voorzitter.

De jonge garde
Fortuyn, die toen 28 jaar oud was en als klerk bij het advocatenkantoor van Wertheim en Gomperts werkte, versloeg bij zijn verkiezing als voorzitter Klaas Ris. Die sprak over een tragisch element:

In het zich toch telkens herhalende schouwspel,
degenen, die een zaak hebben voorbereid door soms levenslangen harden arbeid,
te zien overvleugelen door jongeren.


De oudere generatie vroeg zich morrend af wat er van de afdeling terecht moest komen, nu een 'heer' de leiding had gekregen.
Het wantrouwen werd echter gelogenstraft.
De eerste jaren waarin Fortuyn met strakke hand de afdeling leidde, waren de meest succesvolle in de geschiedenis van Sociaal Democratische Vereeniging.
Naar het oordeel van Domela Nieuwenhuis was Fortuyn:

De man, die de beweging in Amsterdam groot gemaakt heeft.

Fortuyn, die in zijn gehele leven weinig publiceerde, schreef in de jaren 1882 en 1883 Amsterdamsche Brieven in Recht voor Allen.
In het laatste jaar kwam hij tevens in het landelijk bestuur van de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht.
Hij was aanwezig op het Internationaal Vrijdenkerscongres in 1883 in Amsterdam.

Ziekte en ontslag
Fortuyn werd in 1884 onverwacht bestuurslid van De Dageraad, maar de niet-socialistische leden wisten hem en Domela Nieuwenhuis in dat jaar uit de vereniging te werken.
In 1884, het sterfjaar van zijn vader, werd Fortuyn ernstig ziek en voor zijn leven werd gevreesd. Maar hij herstelde en ging weer geheel op in de strijd.
Hij wist uit ieder voorval propagandistische munt te slaan en was een meester in het bedenken van pakkende titels en zinnen.
Maar zijn werkgever, het advocatenkantoor, stelde hem voor de keus: matigen of ontslag.
Hij nam ontslag en werd copiist van brieven.

Een eigen gebouw
Fortuyn was een knap organisator en wist in 1886 voor de Sociaal-Democratische Bond (SDB) het Volkspark te huren, zodat zaalafdrijving niet meer dreigde.
In 1890 zorgde hij ervoor dat Joan Nieuwenhuis het Bondsgebouw Constantia voor de SDB bouwde.
Eigenaar werd de door Fortuyn gestichte Amsterdamsche Arbeidersma
atschappij.
Later, toen Constantia wegens hypotheekschulden verkocht moest worden, scholden tegenstanders hem uit voor 'Jan de dief'.

Boekhandelaar in de Tuinstraat
Als spreker hanteerde Fortuyn de spot als krachtig wapen. Door zijn juridische kennis wist hij meestal buiten bereik van justitie te blijven. Maar toen hij eind 1885 sprak en relletjes uitbraken, werd hij verantwoordelijk gesteld en tot twee weken cel veroordeeld.
Fortuyn had zich na zijn huwelijk in 1885 als boekhandelaar en uitgever in de Jordaan gevestigd, waar hij met zijn vrouw en zijn moeder in de Tuinstraat woonde.
Tijdens het Palingoproer in 1886 verspreidde hij een pamflet, waarin de politie als stokslagersbende werd aangeduid.
Hiervoor werd hij gearresteerd en zat zeventig dagen in voorarrest. Hij werd veroordeeld tot vier maanden celstraf, maar de Hooge Raad vernietigde echter dit vonnis.
Fortuyn wist de zaak volop in de publiciteit te krijgen, wat de andere veroordeelden hielp bij hun uiteindelijke vrijlating.

Het recht van de vuist of van de stem
Kort na het Palingoproer was Fortuyn weer middelpunt van volksoploopjes.
In 1887 werd Koning Willem III zeventig jaar en trokken Oranjeklanten naar bekende socialisten op om die te molesteren.
De ruiten van Fortuyns winkeltje in de Tuinstraat gingen aan diggelen en hij moest gewapend over straat. De colporteur van 'Recht voor Allen', Karel Anthonie Bos had een boekwinkeltje in de Hazenstraat en dat werd ook aangevallen.

Als bekende verschijning sprak Fortuyn in deze tijd door het hele land over Vuist- of Stemrecht. Fortuyn was een heftig spreker met veel gebarentaal, maar van het opkomend anarchisme moest hij weinig hebben. Geen vechtpartijen onder de leus van Oranje, maar ook geen socialistische ordeverstoringen.
Hij bleef een aanhanger van de strijd voor algemeen stemrecht. Tijdens de verkiezingen van 1888 en 1891 stond hij kandidaat voor de Tweede Kamer.
Hij kwam in de hoofdstad op de achtergrond toen in 1890 de Centrale Raad van de SDB, in 1893 gevolgd door de redactie van Recht voor Allen en Domela Nieuwenhuis, zich daar vestigde.

De verhouding met Domela, bij wie zijn vrouw nog als huishoudster had gewerkt, was gespannen en Fortuyn kreeg ruzie met een boekhandelaar. Die begon een lastercampagne tegen hem, waarbij Fortuyn werd omschreven als 'ploert'.
Toen Fortuyn in februari 1892 tot secretaris van de Centrale Raad was gekozen, wilde niemand, waarschijnlijk aangezet door Jan Rot, met hem in het bestuur zitting nemen.
Na het Kerstcongres van 1892 hield Fortuyn het voor gezien. Rot nam zijn plaats in.
Slechts na een bestuurscrisis keerde Fortuyn nog even terug. De oude vete met de broers Rot laaide weer op en na twee weken stapte hij weer op.

Eerst organiseren, dan revolutioneren
Fortuyn ging de geschiedenis in als één van de 'twaalf apostelen' van de SDAP.
Maar zijn overgang kwam voor velen als een verrassing. Toch gaf zijn opstelling in de programcommissie van de SDB in 1892 al aan waar hij in de beweging stond.
Met wethouder Willem Vliegen bepleitte hij de opstelling van een 'program van demokratische hervormingen'. Vliegen raakte er toen van overtuigd dat onder het 'onstuimig doen' van Fortuyn een 'praktische natuur' schuilging.
Die opstelling was al in 1888 naar voren gekomen, toen hij de anarchisten voorhield eerst te organiseren en pas dan te revolutioneren.

In 1894 werd Fortuyn 'als persoon' gevraagd het manifest te ondertekenen dat voorafging aan de oprichting van de SDAP.
De roemruchte vergadering op 1 oktober 1894 in Constantia, waar de SDAP zich presenteerde en die in een ordinaire vechtpartij eindigde met de aanhangers van Domela Nieuwenhuis, zal hem diep geschokt hebben.
Met Henri Polak bemande hij het lokethokje bij de ingang van de zaal. Als een dief in de nacht moest hij zich die avond met het geld uit de voeten maken.
Zelf had hij zijn bedenkingen tegen de 'heren' . In werkelijkheid speelde een oude vete over het begrafenisfonds van de SDB een rol, waarmee Troelstra hem, aldus Henri Polak, tot terugtreden dwong.

In 1898 verhuisde het gezin Fortuyn naar de Kerkstraat, waarmee een periode van twaalf bewogen jaren in de Jordaan werd afgesloten. Zijn functioneren binnen de SDAP werd bemoeilijkt door zijn gezondheid. Hij had een zwak zenuwgestel. Vliegen sprak van 'zenuwlijden', dat hem het werken een paar keer onmogelijk maakte, maar er was meer.
Fortuyn had als spreker de gewoonte het publiek zijn woorden toe te slingeren en wel zo snel dat men hem nauwelijks kon verstaan.

Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag ontving hij een verslaggever van Het Volk. Toen deze Fortuyn zag zitten met zijn 'fleurige puntbaard' en 'levendige ogen' en zijn 'radde spraakje' hoorde, wist hij direct wat Vliegen bedoelde met zijn typering van Fortuyn als enige 'Fransman in de Partij'.

naar boven



Klaas Ris

[1821-1902]
Klaas Ris

Klaas Ris mag worden beschouwd als een belangrijke energieleverancier van die tijd als hij met zijn petroleumkar door de Jordaan loopt. Belangrijker is dat hij herinnerd wordt als een onruststoker naar de hoogmogende heren van bestuurders en werkgevers toe. Hij werd niet belemmerd door een gebrekkige schoolopleiding om op vele vergaderingen het hoogste woord te voeren en brochures te schrijven over al het onrecht dat op zijn weg kwam.
Daarmee mag hij beschouwd worden als één van de voormannen van het socialisme.

De eerste openbare actie van Klaas was in 1877, toen hij bij een van de audiënties van Willem III in het paleis op de Dam de euvele moed had de koning persoonlijk aan te spreken om hem de klachten van de Amsterdamse arbeiders over te brengen. Het ging over het Kermisoproer dat het jaar ervoor uitbrak omdat de Burgemeester het feest had verboden vanwege de dronken arbeiders die riepen:

Godverdomme Kermis mot er wezen, Kermis mot er zijn.
Anders slaan wij bij den Burgemeester de ruiten kort en klein.


Geslagen werd er, en wel door politie, cavalerie en infanterie.
De koning was woest en Klaas werd de deur uit gewerkt.

1867 Het Kermisoproer
Een spontane rel die eerst niet door arbeidersorganisaties ondersteund werd. Maar toen de overheid er met zulk grof geweld tegenaan ging bemoeide zich de Amsterdamse afdeling van het Internationale Werkliedenverbond, de Eerste Internationale, zich ermee. Ris aarzelde niet om een aantal gewonden met verband en al aan het publiek te tonen en zelfs niet om de weduwe Pogge, wier man door een verdwaalde kogel dodelijk was getroffen, met haar vier kinderen het toneel op te slepen.
Klaas Ris zit vanaf 1870 in die organisatie en zijn opstandige karakter maakt hem tot een geschikte aanvoerder van de arbeiders die proberen Burgemeester Den Tex, te laten vallen. Klaas Ris was op de koning afgestapt om te vragen of die niet kon zorgen dat de 'volksverneuker' Den Tex, zou worden ontslagen.

[1821]
Klaas Ris in Westzaan geboren
Hij was een van negentien kinderen van een visserman. Toen hij tien jaar was moest hij op een Zaanse papiermolen werken. In mei 1840 ging hij in militaire dienst als infanterist, plaatsvervanger voor een rijkere dorpsgenoot. Na zeven maanden tekende hij bij voor zes jaar dienst bij de kurassiers, een zwaardere dienst met meer soldij. Nadat Ris in 1846 uit dienst ging belandde hij in Amsterdam.
Hij zocht er werk, en trouwde in 1847 met Anna Maria Lunden. Het waren jaren van honger en ellende. Hij kreeg steun van het Armenbestuur van de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente. Die hielpen hem aan werk als molenaarsknecht bij de houtzagerij van geloofsgenoot H.E. van Gelder, op molen De Valk aan het Noorderzaagpad. Klaas Ris kon er, met zijn vrouw en vijf dochters, gratis wonen.
Klaas verdiende wat bij als 'pijpvoerder' bij de vrijwillige brandweer. Daar ontwikkelde hij zich als een geruchtmakend Amsterdamse arbeider. Hij schreef ook als propagandist van de geheelonthouders brochures zoals:
Is Neerlands moed jenevermoed? dan vivat de jenever!'
en met gevoel voor humor:
Vrouwen zijn gevaarlijker dan sterke drank
.

Klaas Ris werd ook schrijver van opruiende geschriften over het Brandweerwezen.
Wat is een brandmeester anders dan een sjouwerman?
Ris beschreef de bevelvoerende brandmeesters als volstrekt nutteloze figuren, die bij branden vooral de blussers in de weg liepen en hun premies in de wacht sleepten, zonder zelf ook maar het minste risico te lopen.
Hij vond dat de brandmeester ondergeschikt aan de spuitgast hoorde te zijn. De premie voor het uitrukken en het bluswerk werden door de gemeenten uitgekeerd aan de bemanning van de brandspuiten. De brandmeester, zijn spuitgasten en pijpvoeders als Klaas Ris hadden ieder recht op een deel van die premie, maar veel bleef volgens Klaas aan de strijkstok hangen. Het bedrag, dat hij tegoed had, had hij nauwkeurig becijferde op een totaal van 33 gulden en 34 en een halve cent.
De burgemeester wees zijn eis tot uitbetaling echter van de hand, de Brandraad en de rechter ook.
Maar Ris gaf niet op. Liefst vier brochures schreef hij over de premies die hem door de neus waren geboord. Het was een erezaak geworden en Ris werd een bekende figuur in Amsterdam.
Zelfs Multatuli toonde belangstelling en vestigde in zijn bundels Ideeën aandacht op de persoon en denkbeelden van Klaas Ris.
Het gezinsbudget van een werkman was gebaseerd op gegevens die Klaas Ris moet hebben aangeleverd.
Historici hebben dit budget vaak geciteerd als illustratie van het schrijnend gebrek dat werklieden en hun gezinnen in de 19e eeuw moesten lijden.
Een betrouwbare bron is het budget echter niet. De bijverdiensten uit zijn betrekking bij de brandweer, de opbrengst van de brochureverkoop, en de opbrengst van de verkoop van zaagsel en afvalhout dat een molenknecht mocht houden, waren er niet bij opgeteld.

Dat Ris bovendien, ondanks zijn lidmaatschap van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, zijn leven lang een beroep bleef doen op de Armenkas van de Doopsgezinden, was ook niet duidelijk. In een gesprek met Multatuli over het werkliedenbudget, klaagde Ris dat een werkman nooit vlees at. Maar dat was voor wat Ris zelf betreft twijfelachtig. Één van zijn beste kameraden uit de arbeidersbeweging was slager Albert Hofman uit de Spuistraat. Die zal zijn vriend echt wel af en toe een stukje vlees toegeschoven hebben.
In september 1885 verdiende een arbeider volgens Ris fl.9,- tot 10,- per week bij een huur van fl. 5,-.
Toen molenaar Van Gelder stierf verloor Klaas Ris zijn baan.
Anderen zeggen dat hij vanwege zijn geruchtmakende optreden na het Kermisoproer na 26 jaar ontslagen werd.

In ieder geval timmerden zijn kameraden voor hem een karretje en kochten een trechter en een voorraad petroleum, zodat hij als petroleumventer in de Jordaan een nieuw bestaan kon beginnen. Toen het trekken hem te zwaar werd, kreeg Ris van zijn vrienden een mak ezelinnetje.
Vanuit zijn nieuwe woning Anjeliersgracht 236 (nu 496) ging hij met zijn petroleumkar vele jaren van deur tot deur. Een jongere partijgenoot uit de Hazenstraat herinnerde zich: "Het was een gekke kerel, wanneer hij een vrolijke bui had bracht hij, tot ontsteltenis van mijn moeder, zijn ezeltje bij ons tot in de huiskamer.
In 1889 verdiende hij fl. 7,- tot 8,- per week en betaalde fl. 4,50 huur, maar met een afdak voor zijn petroleumkar en ezel.
Jan van Zutphen spotte dat Ris daarom maar precariobelasting moest betalen en dan kiezer kon worden. Ris vroeg zich af wie dan kiezer was, hij of de ezel?

[1863]
lid vrijdenkersvereniging De Dageraad.

Ris woonde de door Dr.S. Sarphati georganiseerde bijeenkomsten in het Paleis voor Volksvlijt bij. Naar aanleiding van de eerste vergadering schreef hij
Een woord over voor en tegen arbeidersverenigingen.

Hij vond dat een kwartje entree veel te hoog en behalve dat vertrouwden de arbeiders de hoge heren die in de vergaderingen het woord voerden niet.
Het organiseren van vakverenigingen was tot 1872 verboden.
Ris vond dat patroons een vakvereniging moesten oprichten om samen afspraken over de lonen te maken. Ris steunde het idee van woningbouwcoöperatie. In november 1868 werd de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen opgericht op initiatief van onder anderen Ris, de drukker F.W. Vislaake en de metselaar Jan Fortuyn. Na betaling van inleggeld en een wekelijkse bijdrage van tien cent kon men een aandeel krijgen, na inloting een huisje in de 'dubbeltjesbuurt' huren en na twintig jaar eigenaar worden. De leden stroomden met duizenden toe, de dubbeltjes begonnen zich op te stapelen, maar al snel rolden de bestuurders over straat, elkaar openlijk beschuldigend van fraude en diefstal.
De integriteit van Klaas Ris werd door niemand in twijfel getrokken, maar heel toevallig was het natuurlijk wel dat in 1873 één van de eerste gereed gekomen woningen van de Bouwmaatschappij, aan een doodlopend zijstraatje van de Mauritskade, bij loting toeviel aan de familie Ris. In 1871 legde de arts H. Zeeman, vrijmetselaar en meester van de loge La Charité, de eerste steen voor dat eerste huisje.

Voorzitter
Ris was lid van een boeket aan verenigingen en commissies waarvan hij vaak ook de voorzitter was. Zoals: de Gemengde Vereeniging van de sectie Amsterdam van de Eerste Internationale, de Commissie tot Opwekking van het Vereenigingsleven, de Bond van Houtzaagmolenaarsknechts, het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond en de Democratische Vereniging voor Algemeen stemrecht.
In 1878 werd Ris lid en bestuurder van de Sociaal-democratische Vereniging in Amsterdam en in 1881 bestuurder van de net opgerichte Sociaal-democratische Bond. Hiervan was Ris één van de kandidaten als voorzitter ondanks dat hij al 62 jaar was. Het werd echter de veel jongere
J.A. Fortuyn.
In de SDB werd Ris gewaardeerd als voorzitter van vergaderingen en spreker. Ongedwongen stond hij te spreken. Zijn forse figuur schuins naar het publiek gekeerd. Meestal in een blauwe kiel en loshangend jasje, zijn pet in zijn linkerhand, de rechterhand opgeheven, zo sprak hij zijn gehoor toe. Hij sprak ironisch en scherp, maar altijd met overtuiging, een echte gevoelssocialist.
Ris die hard moest werken viel tijdens vergaderingen wel eens in slaap. Wanneer hij wakker schrok, riep hij uit: 'Het volk is ontwaakt, de strijd kan beginnen'. Beter dan aan oorlogvoeren in Atjeh moest de regering het geld besteden om de werkloosheid op te lossen. Werklozen konden geen kant op.

Een enkele keer voerde Ris zelf niet het hoogste woord, zoals op 8 september 1872, toen Karl Marx in zaal Dalrust, vlak bij het Amstelhotel, zijn eerste en enige spreekbeurt in Amsterdam hield. Men sprak over verheffing van den werkman, vernietiging van Kapitaal, aanmaning tot samenwerking om daartoe te geraken. De belangstelling van het publiek viel tegen, er waren ongeveer honderd mensen. De arbeiders kwamen voor amusement en grappen ten koste van de Burgemeester en Wetsverdraaiers. Diepzinnige ideologische toespraken of scherpe politieke analyses hoefde niet.

Politiespion J.A. Hazenberg vond het optreden van Ris maar niks:
"Er werden allerlei flauwe aardigheden gedebiteerd, geheel afwijkende van de te behandelen zaak"
, rapporteerde hij.
Het ontstaan van de Sociaal-democratische Bond rond 1880 was in Amsterdam mede te danken aan het publieke rumoer dat Ris had veroorzaakt. Als veteraan en nestor trad de oude Ris tot deze nieuwe beweging toe, maar al snel zouden nieuwe, jongere krachten zijn plaats in de voorste rijen innemen. Ris kreeg een nieuwe rol als eerbiedwaardig vertegenwoordiger van het oude geslacht.

Het graf
Toen Klaas Ris op 79-jarige leeftijd in februari 1902 overleed, zamelden de Amsterdamse socialisten geld bijeen voor een monumentaal graf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.
De enorme steen was voorzien van een uit steen gehouwen portret van de karakteristieke kop van Klaas Ris, een welverdiende lauwerkrans en de bede "Zijn geest leve voort".
Om het graf en de gedenksteen voor het nageslacht te bewaren, werd het graf in 1950 door de Partij van de Arbeid aangekocht, waarna de inmiddels verwijderde gedenksteen werd gerestaureerd en teruggeplaatst.

naar boven



[1 maart 1879]
Recht voor Allen


Het weekblad Recht voor Allen verschijnt voor het eerst
Het werd uitgegeven door de latere opvolger van Domela, Jan Antoon Fortuyn, in diens boekwinkeltje in de Tuinstraat dat later als de 'Algemeene en Sociale Boekhandel' in de Nieuwe Leliestraat gevestigd was.
Op de zaterdagavonden werd het blad met veel kabaal verspreid.
De verkopers kregen het regelmatig aan de stok met het volk uit de Jordaan en met de politie.
In de volksbuurten huisden veel grote gezinnen op één kamer of in vochtige kelders.
In de Jordaan, een eilandenrijk met modderpoelen, waren hele straten werkloos. Het was de ideale doelgroep van het blad, maar juist de koningsgezinde Jordanezen keerden zich menig maal tegen de idealistische verkopers. Ze groeiden uit tot excentrieke straatfiguren.
Veel mensen kenden de felle antimonarchist Jacobus de Zwart en de kameraden Anton Belderok en de 'held' Karel Anthonie Bos.
Tussen 1883 en 1886 groeide de oplage enorm.

Koning Gorilla
In het Nationaal archief ligt een brochure getiteld: 'Uit het leven van Koning Gorilla'. Hoewel de anonieme schrijver van het pamflet Koning Willem III nergens met naam en toenaam noemt, is het iedereen duidelijk dat het over de toenmalige impopulaire koning gaat.
Het pamflet komt uit socialistische hoek en verschijnt aan de vooravond van de 70e verjaardag van de koning op 19 februari 1887
De brochure vindt gretig aftrek, er vindt een stormloop op de boekhandels plaats.

Majesteitsschennis
Opmerkelijk is dat er geen stappen worden ondernomen tegen auteurs, uitgever en verkopers, zelfs geen gerechtelijk vooronderzoek vindt plaats.
Normaal is men wel voortvarender, regelmatig verdwijnt een socialist in de gevangenis.
De enige die in verband met de affaire wordt vervolgd is Jozef Alexander Cohen, (1864-1961) medewerker van het socialistisch partijblad 'Recht voor Allen'.
Hij heeft naar de koning "Weg met Gorilla!" geroepen. Hij werd bij verstek veroordeeld wegens majesteitsschennis en vluchtte naar Frankrijk.
Blijkbaar vinden de autoriteiten het beter zo min mogelijk aandacht aan de zaak te besteden. Het zou alleen nog maar meer koren op de molen van de socialisten zijn en het koningshuis verder beschadigen.
Cohen is opgegroeid in een gelovig joods middenstandsmilieu. Hij brak met het oude geloof zoals hij zich tegen iedere vorm van gezag zou verzetten. Zijn Indische jaren (1882-1887) bracht hij grotendeels door in militaire gevangenissen. Eenmaal gerepatrieerd bewoog hij zich in anarchistische kringen . Werd medewerker aan anarchistische blaadjes en aan de Figaro. Via Londen ging hij weer naar Holland, waar hij het non-conformistische eenmansblad De Paradox (1897-1898) uitgaf.
Vanaf 1899 vestigde hij zich definitief in Frankrijk, waar hij meewerkte aan Le Temps en Figaro en genaturaliseerd werd. Van 1906 tot 1922 is hij in Parijs correspondent van De Telegraaf

[1892]
Recht voor Allen is naar de hoofdstad gekomen
Aan den eenen kant dus Troelstra en Van der Goes, aan den anderen Domela Nieuwenhuis en Cornelissen.
De strijd tusschen de "revolutionnairen" en de "parlementairen", ook wel "mannen van den ge-lei-de-lij-ken weg" genoemd, totnogtoe in de beide bladen en in enkele debat-vergaderingen gevoerd, zou nu worden voortgezet in de afdeeling van den Sociaal-Democratischen Bond
Van der Goes was al een poos geleden uit den Bond geroyeerd, zodat Troelstra het zaakje in de huishoudelijke vergaderingen alleen moest opknappen;
De Levita, en Loopuit konden daarbij slechts de rol van schildknaap vervullen, jong en onbedreven in het politieke debat als zij waren. Dolf de Levita had zijn sporen bij de diamantbewerkers verdiend. Hij was tevens oprichter van de zangvereniging 'De Stem des Volks' en schreef de overbekende 'Socialistenmars'
Na vele en herhaalde schermutselingen zou eindelijk de beslissende slag geleverd worden:
Troelstra zou zich hebben te verantwoorden wegens het ongehoorde feit dat hij niet alleen door zijn komst te Amsterdam het partijorgaan ongeoorloofde concurrentie aandeed, doch dat hij bovendien den partijpaus Domela en diens optreden in zijn blad openlijk dorst te kritiseeren.

[1890]
1 mei wordt voor de eerste keer in Nederland gevierd
Het spreekt vanzelf dat Recht voor Allen op de Dag van de Arbeid met een speciaal nummer uitkwam.
Men schreef: '
Koningschap, militarisme, geestelijkheid, beurs en patroons
gaat ten onder
naarmate het schip der organisatie zich voortstuwt'


Bij Socialisme dacht Domela Nieuwenhuis aan Utopische Socialisten

Hij werd secretaris van de Sociaal-Democratische Bond (SDB).
Hij bracht daar Recht voor Allen als bondsorgaan in.
De redactie verhuisde in 1893 van Den Haag naar Amsterdam. De redactielokalen waren aan het Damrak gevestigd, dicht in de buurt van het Antirevolutionaire blad De Standaard.
Tekenaar Braakensiek maakt een spotprent waarin de twee dominees Domela Nieuwenhuis en Kuyper elkaar de hand schudden. Samen zijn ze een dreigend gevaar voor de bestaande orde van de liberale orde van de heren.

naar boven


Het Volkspark


Gebouw voor bijeenkomsten in het Volkspark

Het volkspark was een rommelige verzameling houten loodsen van een voormalige kartonnagefabriek.
Het park was eigenlijk een vervallen speeltuin iets buiten de stad in het verlengde van de Bloemgracht, op de plek waar nu de Hugo de Grootbuurt is. Bij de ingang stond een groot huis van steen, waar de beheerder van het terrein zou komen te wonen en waar kleinere bestuursvergaderingen gehouden konden worden.
De loodsen waren geen van allen waterdicht maar er werden toch de bijeenkomsten van de Sociaal Democratische Bond gehouden.
In de grootste was een podium waar vergaderd werd bij het spaarzame licht van petroleumlampen.
Het karakter van het Volkspark als een vrijplaats werd nog versterkt door het afgesloten karakter van het terrein, omgeven door een droge sloot en struikgewas.
De enige toegang was een brug die door een hoog ijzeren hek was afgesloten. Een oud stenen tuinhuisje deed dienst als loket.
Wie hier binnen kwam stapte in een andere wereld.
Het was de enige plek waar Jan Antoon Fortuyn ruimte kon huren.
De meeste zaalhouders weigerden, onder druk van de politie, aan de 'socialen' vergaderruimte te verhuren.

In het Volkspark kwamen zo'n 8000 mensen regelmatig luisteren naar de opzwepende redevoeringen van Domela Nieuwenhuis.
Tijdens een toespraak van Domela Nieuwenhuis stond altijd een politieman met zijn handen op zijn rug toe te kijken.
Op een kwade dag hoorde men een revolverschot.
Het bleek dat politiecommissaris Stork beschoten was. De kogel had een gat in zijn hoed had gemaakt en was vervolgens in de houten wand terecht gekomen.

Op de zaterdagavonden werd met veel kabaal Recht voor Allen, het blad van de Sociaal Democratische Bond verspreid.
In de volksbuurten huisden veel grote gezinnen op één kamer of in vochtige kelders.
In de Jordaan, een eilandenrijk met modderpoelen, waren hele straten werkloos.

Het fascinerende van Waarachtige Volksvrienden waren de sterke familie- en buurtbanden die deze vroege socialisten bij elkaar hielden.
Vrijwel zonder uitzondering woonden en werkten de socialisten in het westelijk deel van Amsterdam - met name de Jordaan - en hun acties bereikten hooguit de Dam of het huis van de burgemeester aan de Keizersgracht.
De voornaamste verzamelplaatsen waren wijkcafés, koffiehuizen en het Volkspark.
Na de sloop van het Volkspark in 1891 nam gebouw Constantia aan de Rozengracht de functie van socialistenhol over.

naar boven


[1890]
Gebouw Constantia


Gebouw Constantia Rozengracht / Toespraak Domela Nieuwenhuis

De socialisten en de Jordaan
Nadat het Volkspark plaats moest maken voor de bebouwing van de Staatslieden- en Hugo de Grootbuurt, gingen de partijgenoten met 30 cent per week, sparen voor een eigen vergadergebouw.
De bekende schrijfster en feministe Wilhelmina Drucker leende de helft van het aankoopbedrag aan de bond uit.
In de zomer van 1890 was het dan eindelijk zover.
Op de zojuist gedempte Rozengracht was op nummer 152 een gloednieuw, smal maar diep gebouw verrezen.
Beneden lag de inpandige grote zaal met een zuilenrij en een tribune. Een trap ging naar de eerste en tweede verdieping waar twee kleinere zalen waren. Op de derde verdieping was de woning van conciërge Jacob de Boer: twee kamers en een keuken, verbonden door een doorgang met bedstede.
Partijgenoot Joan Nieuwenhuis had de bouwtekeningen gemaakt.
De opening werd verricht door Domela Nieuwenhuis samen met de zeventigjarige Klaas Ris. Hij gaf het de naam Constantia, dat betekent standvastigheid.
Een mooie naam! Ja, standvastig moeten wij blijven voortgaan'. En voort ging het.
De keuze voor de Rozengracht was heel gelukkig. Na de demping werd het een drukke verkeersas tussen het centrum en de nieuwe arbeiderswijken in het westen van de stad. Tot op de dag van vandaag trekken demonstraties van de Dam via de Rozengracht naar het Museumplein.

Rozengracht 152 was de plek waar eerst de katholieke kerk De Zaaier was en waar nu de Fatih moskee is
Voorwaar een mooi voorbeeld van 'recycling' van plaatsen waar gelovigen toegesproken worden.

Hier is de SDAP
Het gebouw staat op de strategische route van de Jordaan naar de Dam.
De laatste vergadering was er op 16 april 1899.

De meest geruchtmakende vergadering was er op 1 oktober 1894 toen de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in aanwezigheid van Troelstra gepresenteerd werd. Er was geschreeuw en getier, maar het liep toch goed af.
Het was verder wel een gezellige vergaderplek. Men nodigde zelfs wethouder Treub uit om te vertellen wat die toch tegen de socialisten had. Een smid riep op die bijeenkomst: "Met die geleerdheid van die meneer heb ik niets te maken, maar ik weet dat hij het liegt Gvd". Treub werd geen haar gekrenkt
Jan Antoon Fortuyn verhuisde zijn Algemene en Sociale Boekhandel van de Tuinstraat naar de Nieuwe Leliestraat.
Amsterdam werd het centrum van de Socialistische Beweging.
Partijbestuur ging naar de stad en zelfs Domela Nieuwenhuis ging in de Haarlemmerstraat wonen.

Het hol van den leeuw
De beruchte meeting in Constantia, waarmede de pasgestichte SDAP haar opwachting zou maken binnen "Amstel's veste en trouwe burgerij", zal mij ook niet licht uit het geheugen gaan, al heb ik van de tooneelen die daar werden afgespeeld ook niets met eigen oogen gezien, schreef Henri Polak.
"Fortuyn en ik waren belast met het innen der entrees. Zittende in het lokethokje merkten wij alras, dat, hoe de zaak ook mocht loopen, het financieele succes verzekerd zou zijn. De dubbeltjes stroomden binnen; er was haast geen bijhouden aan.
Het aantal "werkeloozen", dat, naar gewoonte, vrijen toegang kwam vragen, was ditmaal bijzonder groot. Doch Fortuyn, die op dat gebied een fijnen neus heeft, toonde zich bijzonder sceptisch en wilde aan die plotseling ingetreden werkeloosheid geen geloof hechten; allen moesten betalen, decreteerde hij; en wie geen dubbeltje had, moest het voor dien avond maar zonder meeting zien te stellen.

De zaal was berstensvol
Enkele nakomers moesten nog geholpen en het ontvangen geld voor de goede controle geteld worden.
Fortuyn en ik bleven dus in ons loketje aan het werk. Intusschen was de vergadering aangevangen en al heel gauw begonnen onheilspellende geluiden tot ons door te dringen. Fortuyn, die, zooals gezegd, op dat gebied een fijnen neus heeft, zeide toen tot mij: "Weet je wat wij doen? Wij pakken dat zoodje maar gauw ongeteld in en brengen het als de bliksem bij mij thuis in veiligheid; want dat zaakie loopt hier nooit goed af en dan kun je nooit weten wat er gebeurt."
Dies pakten wij het zoodje in en sjouwden het naar Fortuyn's huis in de Nieuwe Leliestraat. Toen ik terug naar de Rozengracht.
Constantia binnenkomen - daaraan viel niet te denken. Ik bleef dus voor de deur ronddrentelen.
Weldra voegde Poutsma zich bij mij, die ook geen toegang tot de zaal had kunnen krijgen. Van enkelen die naar buiten kwamen vernamen wij, dat het binnen een "pan" was.
Er hadden meer dan heftige debatten plaats, men had grievend beleedigende dingen naar het hoofd dersprekers geslingerd, er was gevochten, er was met een mes gestoken enz. enz. Poutsma en ik probeerden de zaal binnen te komen, doch vruchteloos".

Voorlopig geen sociaal democratische beweging

"Hier en daar ontmoetten wij groepjes "revolutionairen", die evenmin als wij binnen de zaal hadden kunnen komen.
Een van die groepjes werd aangevoerd door iemand die thans tot onze beste partijgenooten behoort, doch die mij toen een pak slaag presenteerde, waarvoor ik echter beleefd bedankte. Even later stuitten wij op een ander soortgelijk groepje, dat blijkbaar geen heil zag in mondelinge aanbiedingen, doch op staanden voet den aanval begon.
Poutsma en ik verweerden ons echter geducht, doch zouden niettemin het onderspit gedolven hebben, daar van alle kanten "revolutionaire" hulptroepen opdaagden, als niet een detachement politie, met versnelden pas aanrukkende, aan het gevecht een einde had gemaakt.
Enigszins gehavend zwierven wij toen nog een poosje rond en bemerkten daarop, dat onze mannen het gebouw reeds verlaten hadden (later bleek, dat dit door een achteruitgang was geschied), waarop wij ons huiswaarts begaven, diep terneergeslagen en in de stellige overtuiging dat er in geen vijfentwintig jaren aan een sociaal-democratische beweging te denken zou zijn - althans niet in Amsterdam".

Bericht uit de oertijd
Als wij onze S.D.A.P. in een verloren oogenblik zoo eens rustig aanzien, met haar honderdtal afdeelingen, met haar stedelijke, districts- en gewestelijke federaties, met haar dagblad en vele weekbladen, met haar zeven kamer- en vele gemeenteraadsleden, met haar bezoldigen secretaris en propagandisten, met haar beduidenden invloed op de vakorganisatie en op het politieke leven, met haar coöperatieve inrichtingen en haar eigen gebouwen - dan is het voor ons "ouwetjes" nauwelijks te gelooven, dat het pas tien jaren geleden is, dat wij in Amsterdam stonden met een goed dozijn "parlementairen" tegenover een overstelpende massa "revolutionairen" en dat alléén te Utrecht iets te vinden was, dat op een sociaal-democratische beweging leek.
Hoe versch liggen nog in ons geheugen de tooneelen, afgespeeld in Constantia en bij Reens in de Nieuwstraat, gedurende de periode, liggende tusschen het verschijnen van De Nieuwe Tijd en de oprichting der S.D.A.P., de hevige twisten, die vaak in handtastelijkheden eindigden, de ruzievergaderingen, de beruchte Constantia-meeting, de smaad- en scheldwoorden en het hoongelach dat den pioniers onzer Partij aan alle kanten ten deel viel. Hoe zien wij nog vóór ons, alsof het gisteren was, de giftige gezichten en gebaren, waarmede wij begroet werden toen wij na de dwaze "Panama"-geschiedenis uit Groningen terugkwamen, waar het Congres had plaats gehad, dat de fameuse resolutie-Hoogezand-Sappemeer had aangenomen.
Enkele herinneringen uit die dagen, welke zoo ver-af schijnen en toch nog zoo kort geleden zijn, mogen hier een plaats vinden, tot stichting en vermaak der jongere partijgenooten, die deze woelige periode slechts bij overlevering kennen.

De groote zaal van Constantia was vol
"Een onheilspellende stilte hing in de unheimische, sombere ruimte.
De gewone huishoudelijke-vergaderings-formaliteiten werden vlug afgedaan en toen... toen stond Cornelissen op, bekom het tooneel, nam het potlood ter hand waarmede hij gewoon was zijn argumenten de zaal in te prikken, schudde zijn zwarte lokken even in bevallige wanorde, schoof zijn opengewerkte lavallière recht, zette zijn gezicht in den gebruikelijken let-'s-op-hoe-handig-en-slim-ik-ben-plooi, deed zijn gluur-oogjes glundertjes glinsteren en stak van wal, om de acte van beschuldiging tegen Troelstra en De Nieuwe Tijd voor te dragen.
Toen hij met dat karreweitje onder luid applaus van de vrienden gereed gekomen was, werd zijn plaats ingenomen door Coltof, den onuitsprekelijken Coltof, den joodschen jodenhater, den smeder van eigen, en ontmaskeraar van anderer intriges, die over het "zakelijke" betoog van Cornelissen het gebruikelijke vuile moddersausje uitstortte, ten einde het gerecht voor de liefhebbers des te smakelijker te maken.
Daarna kwam Domela zelf om de deur dicht te doen. De wijze waarop dit geschiedde (het recept is onveranderd gebleven tot op dezen dag) kan geacht worden bekend te zijn.
Eindelijk was het woord aan Troelstra, die zich tegen al het moois, in het midden gebracht door het edele driemanschap Domela-Coltof-Cornelissen, zoo goed mogelijk verweerde en ten slotte de situatie vergeleek bij die uit Schiller's treurspel "De Roovers". Domela was dan de oude heer Moor; Cornelissen was Frans Moor, de lief-doende, kruiperige, valschaardige zoon; hij-zelf, Troelstra, was Karl Moor, de eerlijke, oprechte zoon, die den vader dorst te weerstaan, doch hem oprechtelijk, zonder bijbedoelingen liefhad".

Tumult van belang
"Er werd sterk geapplaudisseerd eener-, gefloten, gejouwd en geschreeuwd anderzijds.
Midden in het kabaal sprong Cornelissen op het tooneel, waar Troelstra nog steeds stond, en begon tegen dezen uit te varen, zonder zich echter onder al de herrie verstaanbaar te kunnen maken.
Onder deze scène was ook Domela op het tooneel gekomen en stond tusschen de beide combattanten te oreeren, doch werd evenmin gehoord, daar de aanwezigen zich middelerwijl in twee kampen hadden verdeeld, die elkander bekrijschten en op het punt stonden handgemeen te worden.
Te midden van dien chaos, toen het pandemonium op zijn hoogst was, weerklonk plotseling een fel-ratelende donderslag (men had door al het rumoer op het naderen van het onweer niet gelet). Het lawaai verstomde een oogenblik. Temidden van de stilte die er nu was, braken een paar ruiten in de lantaarn boven het tooneel, die neerkletterden achter de drie hoofdpersonen, op wie plotseling klaterende regenstroomen vielen. Donderslag op donderslag dreunde en daverde nu door de zaal, alle andere geluiden overstemmend; de regen plaste in dikke stralen op het tooneel en rommelde neer op het zinken dak. Het zaalrumoer van twistgeschreeuw stak ook weer op, werd feller en feller, totdat het eindelijk een onverdragelijk geloei werd.
En in dien woesten geluiden-chaos verliep de vergadering, zonder dat was uitgemaakt wie nu eigenlijk Frans en wie Karl Moor was".

Zangvereniging Voorwaarts
Er bestond in die dagen - misschien dat zij nog bestaat - een gemengde zangvereeniging, "Voorwaarts" geheten. Op een goeden dag legde haar muzikale leider zijn functie neer en het bestuur slaagde er niet in, een plaatsvervanger te vinden; het was destijds zoo goed als onmogelijk een musicus te ontdekken, die zijn naam wilde verbinden aan een socialistische vereeniging.
Repetitiën konden dus niet meer plaats hebben en dientengevolge dreigde de vereeniging totaal te verloopen.
Ten einde raad kwam het bestuur mij vragen, of ik genegen was de leiding op mij te nemen. Ik had zulk een zaakje nooit bij de hand gehad en aarzelde dus wel eenigszins; doch de nood was aan den man en dus besloot ik het er maar op te wagen. Geruimen tijd ging alles goed. De repetitiën vlotten best. Bij verschillende gezellige bijeenkomsten enz. werkte het koor onder mijn leiding mede en uiteindelijk gaf de vereenig een concert, bij welke gelegenheid mij een fraaie ebbenhouten, met zilver versierde dirigeerstok werd aangeboden, als blijk van waardeering voor mijn belanglooze diensten.

Weggejaagd ad majorem Domelae gloriam
"De afdeeling Amsterdam van den Sociaal-Democratischen Jongelingsbond zou in Constantia haar jaarfeest vieren.
De avond van het feest was dààr en ik maakte mij thuis gereed om naar Constantia te gaan en mijn muzikale plichten te vervullen.
Daar werd gescheld; mijn vrouw opende de deur en liet binnen een partijgenoot van zeer Domelistische kleur, vader van een meisje dat in mijn koor zond.
Deze man, een vierkante, eerlijke kerel, kwam mij vertellen, dat het koor dienzelfden middag een geheime vergadering had gehouden, waarin besloten was, dat als Domela dien avond gesproken zou hebben en ik voor het koor zou staat om het Vrijheidslied te doen zingen, de voorzitter uit de rijen der zangers naar voren zou treden om mij te zeggen, dat men van mij niet meer gediend was en dat ik op staanden voet kon vertrekken.
Mijn zegsman had dat van zijn dochter vernomen en daar hij vond dat ik van den kant der zangvereeniging zulk een schandalige behandeling niet had verdiend, kwam hij mij waarschuwen".

"Inderhaast ingewonnen inlichtingen bevestigde 's mans mededeelingen.
Er daar ik geen trek had voor het front der troepen te worden weggejaagd ad majorem Domelae gloriam, pakte ik gauw mijn mooien dirigeerstok in het étui, schreef een briefje aan het bestuur waarin ik zeer vormelijk bedankte voor het directeurschap en zond een en ander per kruier naar Constantia, waar geween en tandengeknars was omdat het mooie plannetje zoo jammerlijk was mislukt en men mij den voorgenomen "loer" niet had kunnen "draaien".
En zoo werd mijn muzikale carrière wreedelijk vernietigd en ben ik in plaats van een beroemd dirigent, een vakvereenigings-baantjesjager geworden.
Sic transit.... "


Hypotheekschuld en een Jezuïetenstreek
De exploitatie van Constantia was sinds de bouw in handen van de Amsterdamsche Arbeiders-Maatschappij, een coöperatieve onderneming die verder zorg droeg voor het bakken van socialistisch brood.
Binnen het bestuur van de AAM nam Fortuyn een vooraanstaande positie in. Hij gold als een onomstreden organisator en zakelijk leider van de beweging.
Fortuyn was als enige vooraanstaande socialist uit de Jordaan lid geworden van de SDAP en daarmee was hij voor zijn voormalige partijgenoten een verachtelijke overloper.
Begin 1899 besloot het bestuur van de AAM op aandringen van Fortuyn dat de exploitatie van Constantia niet langer te verantwoorden viel. De tekorten waren niet veroorzaakt door Constantia maar door de volksbakkerij. Zakelijke argumenten maakten in de Jordaan geen indruk. Er was een hypotheekschuld.

Toen bleek wie zich tijdens de veiling van het gebouw had weten meester te maken was de boot helemaal aan.
De rode burcht bleek verkocht aan het Roomse kerkbestuur van de St. Ignatiusparochie, Jezuïeten nog wel.
Kaasboer Grijpink, die driftig tegen een dominee van de Afgescheidenen had zitten opbieden, bleek niet meer dan een stroman van de zwartrokken.

Kerkmeester J.A.A. Grijpink, kaashandelaar, kocht het op eigen naam voor f. 30.100,- en verkocht het voor diezelfde som aan het kerkbestuur van de Zaaier.
Zo kon, nog juist vóór het einde van de 19e eeuw de eerste katholieke kerk in 'de Jordaan' worden gesticht op de plek waar eerst het oproer kraaide..

naar boven



In café De Leeuw van Waterloo

[1887]
De Leeuw van Waterloo

Het bierhuis , 'De Leeuw van Waterloo' aan het Waterlooplein, wordt bestormd door Jordaners die niets van het socialisme moeten hebben

[22 februari]
Hop,hop,hop, Hang de socialisten op
Op het Waterlooplein valt een oranjegezinde menigte het café van de socialist Paulus Jacobus Penning aan.
Penning is actief in de vrijdenkersbeweging, de Eerste Internationale en de Sociaal-Democratische Bond en caféhouder voor de beweging. De Leeuw van Waterloo was een van de vergaderplaatsen van de socialisten.
Zestig agenten konden niet voorkomen dat men het café plunderde.
Het was ook mogelijk dat de agenten eigenlijk geen vinger uitstaken om dat te voorkomen. De socialisten klommen gewapend met revolvers op het biljart.
Burgemeester van Tienhoven vond het wel prachtig dat de jeugdige orangistische heethoofden de aanhangers der 'zogenaamde' socialistische beweging te lijf gingen.
Veel deelnemers aan de aanval waren antisocialistisch gezinde joodse buurtbewoners, die wellicht ook handelden uit afgunst ten aanzien van de welgestelde Penning, die geen vergoeding kreeg voor de aangerichte schade maar van de veelsoortige gebruikte projectielen een kolom bouwde die hij midden in het café plaatste en die veel bekijks trok.

In zijn verdere ontwikkeling volgde Penning, Domela in diens langzame ommezwaai naar het anarchisme.

lees hier meer over de Leeuw van Waterloo

naar boven


[1885]
Café Zincken ontruimd
Dinsdagavond 24 november 1885 werd in Café Zincken in Amsterdam een vergadering van socialisten kort na de opening door commissaris Stork verboden. De volgepakte zaal aan het Westerdok naast het Centraal Station werd hardhandig door de politie ontruimd. Stork had tevoren vergeefs de eigenares bedreigd en had daarna een gedetailleerde plattegrond van haar zaak laten maken.
Tientallen agenten vielen de zaal binnen en sloegen de aanwezigen door de ramen naar buiten. Velen belandden in het gasthuis, enkelen in het IJ.

Het waren rare snuiters aan de rafelrand van Amsterdam; mannen van de daad, zingend en knokkend voor de eer van het volk.
Anarchistische ruziezoekers en warhoofden, zei men later, maar hun daden waren rationeel en rechtvaardig in de ogen van het volk.
Zoals de symbolische aanslag van behanger Johan Geel als reactie op de 'slag om café Zincken'.
Geel was verontwaardigd en kocht voor vijf geleende guldens een revolver.
Daarmee vuurde hij op 4 juli 1886 op Stork.
De kogels misten weliswaar hun doel, maar het geknal dreunde nog lang na in de arbeiderskoppen.
Toen Geel na zes jaar vrij kwam, maakte hij een feestelijke rondrit in een open rijtuig door de Pijp.
Het fascinerende van Waarachtige Volksvrienden is dat het licht werpt op de sterke familie- en buurtbanden die deze vroege socialisten bij elkaar hielden.
Vrijwel zonder uitzondering woonden en werkten de socialisten in het westelijk deel van Amsterdam - met name de Jordaan - en hun acties bereikten hooguit de Dam of het huis van de burgemeester aan de Keizersgracht.

naar boven


[1899]
School voor Maatschappelijk Werk

Opleidingsinrichting voor Socialen Arbeid
De school werd als eerste in de Jordaan opgericht.
De opleiding was gericht op onderwerpen zoals armenzorg, kinderzorg, volksopvoeding en opzichterschap over arbeiderswoningen en in bedrijven.
Thema's die een directe band met de Jordaan hadden
De lessen werden gegeven in een lokaal, dat door Ons Huis in de Rozenstraat ter beschikking werd gesteld.

[1905]
De school verhuist naar een pand aan de Lijnbaansgracht en de naam wordt gewijzigd in School voor Maatschappelijk Werk.
[1912-1913]
De school is tijdelijk gevestigd in de Kerkstraat, totdat een nieuw gebouw werd betrokken in de Pieter de Hooghstraat.
[1957]
De school keert naar de Jordaan terug, nu naar een verbouwd pand aan het Karthuizerplantsoen.
De school werd genoemd naar het Karthuizer klooster dat daar vroeger stond, Sociale Akademie De Karthuizer.

naar boven


[1890]
Ons Huis


Ons Huis, Rozenstraat / nuttige handenarbeid

[1890 - 1892]
Ontstaan en oprichting
De industrialisatie van Amsterdam neemt grote vormen aan. Van heinde en ver vestigden zich nieuwkomers in Amsterdam. De arbeidersklasse neemt vooral in de Jordaan snel in omvang toe. Oude stadswijken kunnen de snelle groei nauwelijks bijbenen Rond de grachtengordel worden dan ook veel arbeiderswoningen gebouwd.
In de Jordaan en de Nieuwmarkt, was sprake van erbarmelijke woonomstandigheden.

Verheffing van de arbeidersklasse
Zowel progressieve liberalen als socialisten zetten zich in voor een beschavingsoffensief met de nadruk op cultuurspreiding en volksontwikkeling.

De letterkundige Hélène Mercier, begint, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland plannen te maken voor een Nederlands volkshuis.
De zaak begint te rollen als zij in de loop van 1890 J.A. Tours en de tabakshandelaar P.W. Janssen ontmoet.
In 1891 levert mevrouw Mercier de ideeën, J.A. Tours de praktische uitwerking en P.W. Janssen fourneerde het kapitaal.

[1891]
de vereniging Ons Huis opgericht
Midden in de Jordaan, in de Rozenstraat, komt het volkshuis te staan dat door C.W. Posthumus Meijes ontworpen is.
Op 10 mei 1892 was de opening.
Ons Huis wilde neutraal zijn maar sommige confessionelen beschuldigen Ons Huis ervan een socialistisch bolwerk te zijn.
Socialisten vonden de vereniging een vorm van patroniserend liefdewerk. Het is van twee kanten niet goed.

Voor de eerste keer in het gebouw in de Rozenstraat
Een mevrouw uit de zogenaamde 'betere stand' wil eens weten, wat dat gebouw aan de Rozenstraat nu eigenlijk is. Zij begrijpt het niet. Het heet een gebouw voor het volk, een geheel dat voor haar iets onbehaaglijks, iets onfatsoenlijks, iets plats schijnt te betekenen.

Ach, houden die mensen ook van schaken en ' kunnen zij dat leren?
En talen, vreemde talen ' hebben zij daarvoor talent?
Wat zie ik? Ordelijk zitten zij daar samen en zitten in een clubje, zeer gezellig.

Dan de arbeider. Die komt ook eens wantrouwend kijken.

Men zegt dat het gebouw door een kapitalist opgericht is om de arbeiders er onder te houden.
Denk maar niet dat een kapitalist ooit, zonder enige bijbedoeling, zijn geld zou geven?

Hoewel de dame en en arbeider na afloop van hun bezoek overtuigd waren van alle goede bedoelingen bleef het verwijt, dat 'Ons Huis' door zijn ontwikkelingsarbeid de arbeiders maar ontevreden maakte, bestaan.

[1892 - 1912]
Er komen te veel mensen van buiten de Jordaan
Ons Huis heeft een leeszaal, er worden gymnastiek- en schermlessen, clubs, kooklessen, verstellessen, kniplessen, wetenschappelijke voordrachten en cursussen, taal- en andere lessen gegeven.
Op zondagavond zijn er muziek- en toneellessen.
In de eerste jaren kwamen vooral mensen van buiten de Jordaan op Ons Huis af.
Het 'Orgaan' van Ons Huis, met een oplage van 800 exemplaren moest daarin verandering brengen.

[1896]
Ons Huis sticht door de stad speelplaatsen
Kinderen voor een cent op de zaterdagmiddag konden spelen. Dat werd een daverend succes.

[1906]
Grote uitbreiding Ons Huis Rozenstraat
Met de nieuwbouw kwomt ook een eigen speelplaats.
Mevrouw Tours, de vrouw van de directeur bedacht de 'Robinson Crusoë-club, waar jongens geleerd werd om hun eigen sokken te stoppen, knopen aanzetten, afwassen en overhemden verstellen.
Een andere succesvolle activiteit was het organiseren van volkszangavonden.

[1913]
Vacantieschool
In de zomermaanden is er een 'Vacantieschool' voor kinderen uit de buurt.
Men was tussen 1900 en 1910 een beetje ingeslapen, maar na die tijd was sprake van een versnelde groei.
Bekende mensen zoals de acteur Louis Bouwmeester, wethouder F.M. Wibaut, de historici Hajo Brugmans en H. Enno van Gelder, de architect H.P. Berlage en de socialistische arts Jan van Zutphen hielden er voordrachten

[1918]
Volksontwikkelingswerk

Ons Huis wordt op geheel nieuwe leest geschoeid.
Nieuwe volkshuizen zouden onder de paraplu van Ons Huis worden gesticht. De samenwerking ging echter niet altijd zonder problemen.
Ons Huis in de Rozenstraat werd het Moederhuis van waaruit alle activiteiten werden gecoördineerd.
Hoewel vereniging Ons Huis nog steeds een eigen positie innam binnen de organisaties op het gebied van volksontwikkeling, was het gemeentelijk beleid gericht op gelijkstelling van alle organisaties.
Oprichting van nieuwe afdelingen was er dan ook niet meer bij.

[1916]
Jeugdzorg
Ons Huis begeeft zich op het terrein van de jeugdzorg. De jongensverenigingen slaan goed aan, maar soortelijke experimenten met meisjesverenigingen mislukken en na 1922 werd niets meer van de meisjesverenigingen gehoord.

[1934]
Watersport
Ten behoeve van de rijpere jeugd kreeg Ons Huis een botenhuis aan de Amstel.
Er was al een dergelijke voorziening in Wittenburg.

[1944]
De laatste twee oorlogsjaren
Het is een moeilijke tijd er zijn alle mogelijke beperkende bepalingen en razzia's.
Bij de uitzending van de jongens naar Duitsland werd vrijwel overal huisbezoek gebracht, om hen ervan te overtuigen dat zij niet moeten gaan. Gingen zij toch, werd voortdurend contact met hen gehouden.
Gedurende de laatste oorlogswinter is de aandacht gericht op de kinderkeuken en de kinderuitzending. Er wordt een clandestiene keuken in stand gehouden die 1000 etende kinderen per dag telde. Dagelijks werden tientallen kilometers afgelegd om melk voor de babykeuken te halen. Onvermoeibaar werd door huishoudelijke dienst en vaste staf gewerkt. Het was geen kleinigheid om met ongeschoold personeel op een bepaald uur maaltijden klaar te hebben.

De clubs worden zo goed als het gaat worden de clubs gehouden. Het gebouw was onverwarmd, de kleding onvoldoende, toch werd er gezongen en gespeeld, er werden spelletjes gespeeld, die men 's avonds thuis bij een carbid-lamp of bij een olielamp konden worden gedaan.

[1945]
Bevrijding
Een grote stroom van drukte barst los na de bevrijding. Er was in kleine kring al veel voorbereid en op 11 mei 1945 trok 'Ons Huis' met 600 jongeren naar de Dam om de bevrijding te vieren.

[1952]
Het zestigjarig bestaan van Ons Huis
Gerrit Kouwenaar werkt mee aan een herdenkingsboek.
Net zoals in 1893 de dame uit de betere stand en de arbeider, bekeek de dichter Gerrit Kouwenaar het gebouw in de Rozenstraat. Hij schreef:
Het was een mooie voorjaarsavond.
Ik keek neer op de door verlichte vensters omspannen binnenplaats,
waar een groep opgeschoten jongens en meisjes volleybal speelde.
Ergens achter een deur klonk een stem, die nadrukkelijk een Franse zin uitsprak,
welke daarna door een jonge meisjesstem werd herhaald.
Uit een ondefinieerbare richting drong een wals van Chopin tot mij door.
De volleybal kletste tegen de stenen. In de huiskamer zat een groepje vrouwen rustig babbelend onder een schemerlamp.
En ik dacht er aan, dat er in dit gebouw een 300 mensen bezig waren met andere, vollediger mensen te zijn, dan zij in hun gemechaniseerd nummerbestaan in fabriek of kantoor konden wezen.

[1951]
Kunst voor de gewone man

Ons Huis werkt mee aan de organisatie van het Kunstmaand Festival, een alternatief voor het deftige en dure Holland Festival.

[1952]
Ken uw politicus

Landelijke en stedelijke politici werken mee aan de politieke cursussen. Burgemeester A.J. d'Ailly, bekend van de wandelgids, woonde in de Rozenstraat veel spiegelraadsvergaderingen bij
De programmaboekjes waren strak en sober opgemaakt, in de van typograaf en museumdirecteur H.J. Sandberg.

[1966]
Cannabis

De jongeren in deze jaren zijn veel minder gezagsgetrouw dan men gewend was en zij experimenteren meer.
De buurthuizen en jongerencentra in de westelijke tuinsteden kregen bijvoorbeeld te maken met de vraag hoe om te gaan met marihuanagebruik.

[1976]
Ons Huis in de Rozenstraat gesloten
De organisatie werkt gesloten, bijna dogmaties en is eerder gericht op de vervulling van een aantal burokratiese behoeften zoals het organiseren omwille van het organiseren.
Een anoniem zwartboek werd uitgeschreven.
Toen het bestuur een ultimatum naast zich neerlegde, werd het pand aan de Rozenstraat bezet. De bezetting haalde de landelijke voorpagina's.


COC afd Amsterdam Rozenstraat

[1979]
Het doek valt
Het pand wordt verkocht aan de afdeling Amsterdam van de Nederlandse Vereniging ter bevordering van de Integratie van Homoseksuelen COC.
Maar er zijn daar eveneens geldproblemen en het gebouw is voor drieeneenhalf miljoen euro verkocht aan Ymere.
COC Nederland en COC Amsterdam hoeven er nog niet op stel en sprong uit, maar mogen het pand nog twee jaar huren.
COC Amsterdam wil een zogenaamd Roze Huis oprichten: een ontmoeting- en activiteitenplek in de stad

Ons Huis verdwijnt naar Nieuw West en gaat op in Impuls, de Stichting Welzijn Westelijke Tuinsteden.

Bron: ISSG: archief Ons Huis

naar boven


[1918]
Amsterdams Tehuis Voor Arbeiders
(ATVA)

Aan wat vroeger de Schans was en nu Marnixstraat heet lag een groot fabriekscomplex
Dat was tussen de bolwerken resp. Rijk en Osdorp op die verdedigingschans.
De molens die op de bolwerken stonden werden al rond 1825 afgebroken en op de groenstrook tussen de bolwerken kwamen twee grote fabrieken.
Dat waren de Amsterdamse Pijpgaz Compagnie en de Suikerraffinaderij De Bruyn & Zn.,die later Amstel-suikerraffinaderij heette.
De gasfabriek vertrok naar de Haarlemmertrekvaart en ook de suikerfabriek verdween.
De Gemeente nam het terrein voorlopig over voor de Stadsreiniging.

[1901]
Het bejaardenhuis St Bernardus wordt gebouwd
[1918]
Het Amsterdams Tehuis voor Arbeiders staat er naast.
Het is een gebouw dat al zeer lang in het bezit is van de Algemene Woningbouw Vereniging

Het is al bijna een eeuw oud.

Het ATVA is voortgekomen uit de overtuigingen van Louise Went (1865-1951), een vrouw die van grote invloed is geweest op het sociale karakter van de Amsterdamse volkshuisvesting.
Ze was een van de oprichters van de Vereniging Amsterdams Bouwfonds en vond dat betere huizen voor de armen een eerste stap naar een beter leven was.
Naar buitenlands voorbeeld zorgde ze er voor dat het ATVA, een fatsoenlijke behuizing voor alleenstaande, armere arbeiders, gebouwd werd. Het ontwerp is van haar echtgenoot, de architect J.E. van der Pek.
Tussen 1916 en 1918 werd het ATVA gebouwd.
De kleine kamers, die in het buitenlandse voorbeeld van elkaar gescheiden waren door muurtjes op driekwart van de hoogte, werden in het ATVA groter, geheel van elkaar gescheiden en voorzien van eigen wasgelegenheid.
Men was hier meer gesteld op 'privacy'
Het werd een enorm gebouw met 351 kamertjes van 7 tot 10 m2, een restaurant en een leeszaal.

De economische crisis in de jaren dertig veroorzaakte nogal wat huurderving en tijdens de Tweede
Wereldoorlog werd het door de bezetter gevorderd. Na de oorlog verkeerde het ATVA in slechte staat.
In 1975 werd het grondig gerenoveerd, de 351 kamertjes werden 171 tweekamer-appartementen.
Toch blijft het gebouw tot op de dag van vandaag min of meer trouw aan het oorspronkelijke gebruiksdoel.
De inwoners zijn nog steeds alleenstaand en hebben meestal niet een al te grote beurs.
In die zin is de overtuiging van Louise Went nog steeds geldig want anders
H
eeft een ongehuwde arbeider, die hier ter stede zelfstandig wenscht te wonen
slechts de keus tusschen een onderkomen in een der slaapsteden
of in een hem veelal vreemd gezin als kostganger.

Hoewel de ATVA een tehuis voor arbeiders was konden ook enige studenten voor fl.1.40 per dag een kamer van twee bij drie meter krijgen en voor één gulden een portie snert komen eten.

Er zijn nog steeds HAT eenheden te huur, maar of veel arbeiders er gebruik van maken is zeer de vraag.
De imposante toegangen zijn tegenwoordig met hekken afgesloten om niet als gratis nachtopvang voor daklozen te dienen.
Overigens is er onder de parkeergarage, even verder op een zogenoemd Stoelenproject waar zwervende mannen in de winter warm kunnen zitten slapen.

naar boven



> Aanvullingen en verbeteringen ontvang ik graag hier
> Bijgewerkt 10 08 10


naar Jordaan index