de Jordaan


> Jordaan index

> recht en orde
> onderwijs

> cultuur


tussen taal en beeld Ferdinand
Domela Nieuwenhuis


[1846-1919]

Wie is Ferdinand Domela Nieuwenhuis?

Domela Nieuwenhuis, was een pionier van het socialisme, een gelovige die zich ontwikkelt tot socialist en later sociaalanarchist werd.
Domela is geboren in Amsterdam op 31 december 1846 en overleden in Hilversum op 18 november 1919.
Hij komt uit een liberaal luthers professorengezin. Toen hij tien was verloor hij zijn moeder en hertrouwde zijn vader.
Domela werd luthers predikant. Hij steunde als predikant arbeiders bij verbetering van hun omstandigheden.

Vredesbond
De beweging wilde de gewone burger, de arbeider, mobiliseren. Niet het leger in, geen wapens fabriceren, zo zou oorlog onmogelijk worden.
Domela was kamerlid, maar tegelijkertijd beschouwd als majesteitsschenner en anarchist.
Zelf behoorde hij niet tot de arbeidersklasse en daardoor een afstand tussen hem en het gewone volk.
Hij was een bemiddeld man en daar schaamde hij zich enigszins voor. Maar daarentegen liet hij zich nooit betalen voor zijn werk 'ten dienste van het volk'
Hij jaagde zijn erfenissen, door onverstandige beleggingen, er snel doorheen.
Al zijn geld investeerde hij in de revolutie.

Familieman
De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis tonen de familieman achter de mythische arbeidersheld, en de ideologische en financiële conflicten tussen de revolutionair en zijn gegoede familie.
Hij trouwde vier keer en kreeg acht kinderen. Met Johanna Domela, die zangeres en actrice was, onderhield hij een uitgebreide correspondentie.

Breuk met de kerk
Na jaren van twijfel breekt Domela met de kerk.
De dood in het kraambed van zijn eerste vrouw en de invloed op zijn denken van Multatuli, spelen daarbij een rol. Hij wisselt veel van ideeën met Eduard Douwes Dekker uit.

Hij is
lid van de Vrijdenkersvereniging De Dageraad , maar komt hij al snel in botsing met de liberaal denkenden, die het socialisme afwijzen.
Van de Sociaal-democratische Bond is hij secretaris, maar het duurt niet lang of Domela is de leider ervan.

In 1876 houdt Domela zijn eerste spreekbeurt voor het
Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond
Bij 'socialisme' dacht Domela aan de opvattingen van 'utopische' socialisten.
Het blad, Recht voor Allen , dat hij opgericht heeft, gaat als orgaan van de sociaal-democratie fungeren.


Geheelonthouder
Behalve vrouwenemancipatie en atheïsme was ook geheelonthouding kenmerkend voor het vroege Nederlandse socialisme.
Domela zelf kwam via het vegetarisme tot de geheelonthouding en duldde vanaf dat moment ook geen drankgebruik meer in zijn omgeving en op bijeenkomsten waar hij sprak.
Hij behoorde tot degenen die algehele afschaffing van alcoholhoudende drank voorstonden, niet alleen matiging van het gebruik.
Volgens Domela waren levenshervorming en maatschappijhervorming
onlosmakelijk met elkaar verbonden.

In het gevang
In 1886 wordt Domela tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis op grond van een hoofdartikel dat in Recht voor Allen had gestaan.
Of hij er zelf de schrijver van was is onduidelijk gebleven, maar het stuk keerde zich tegen de monarchie en Domela droeg hiervoor als hoofdredacteur de verantwoording.
Hij zit zijn straf uit in Utrecht, waar hij als een gewoon misdadiger behandeld wordt.
Socialisten uit binnen en buitenland protesteren tegen die veroordeling.
Na zijn vrijlating op 31 augustus 1887 maakt hij een triomfale tournee door het land. In Rotterdam leidde zijn optreden tot rellen.
Ook in Amsterdam bleef het niet rustig.

Een schot op politiecommissaris Stork in het Volkspark
De eerste reizigers kwamen uit het Weesperpoortstation naar buiten. Ze kregen de verrassing van hun leven toen ze door vierduizend Amsterdammers werden ontvangen.
Het lawaai van duizenden stemmen verstomde, toen de profetenkop van Domela Nieuwenhuis eensklaps zichtbaar was. Een geweldige kreet van genegenheid en vertrouwen en kameraadschap ruiste als een stormvlaag over het stationsplein. Een rode vlag klapperde op de zomerbries.

Nadat de politie de menigte uit elkaar had geslagen, gingen de kameraden op pad naar het Volkspark.
Overal moesten de rijtuigen zich stapvoets door een compacte, juichende menigte een weg banen.
Toen zij op weg naar het Volkspark de Westerstraat bereikten, stonden ze nu en dan haast volkomen stil.
In deze buurt, waar een halfjaar geleden een socialist zijn leven niet zeker was, wapperden nu de rode vlaggen, geen kind was thuis gebleven, heel de Jordaan stond juichend langs de kant.

Minstens achtduizend Amsterdammers waren opgekomen om Domela te begroeten en naar hem te luisteren, maar slechts tweeduizend in de grote zaal konden zijn rede horen.
Hij sprak over de ergernis der machthebbers die de stroom destijds niet hadden kunnen keren, en de grond onder hun voeten voelden wegzinken.


Het Volkspark

Op dat ogenblik kwam van buiten het geluid van een zachte, doffe klap, in de doodstille zaal duidelijk te horen. Door de ramen was te zien dat arbeiders in paniek vluchten, politieagenten, met getrokken sabel renden heen en weer. Groepen nieuwsgierigen dromden angstig bij elkaar
Paniek maakte zich meester van de mensen die in de grote zaal waren opgesloten.
Domela probeerde verder te spreken, maar dat was onbegonnen werk. Het geluid als van een opgejaagde kolossale bijenzwerm vulde de grote ruimte. Iedereen stond op, stoelen vielen om, de eerste mensen vluchtten en sleepten anderen mee.

De voorzitter van de vergadering, Jan Antoon Fortuyn,
liet zijn hamer met een geweldige roffel op de tafel neer donderen. 'Ga zitten!' schreeuwde hij. 'Geen paniek! Er is niets aan de hand!'
Maar de menigte was niet meer te houden. De voorste rijen probeerden over het toneel uit de zaal te komen, anderen drukten de zijramen in en vluchtten daardoor naar buiten.

De kern van geharde partijgenoten kreeg na enkele minuten de situatie weer in de hand.
Langzaam keerde de rust terug. De mensen gingen weer zitten, de stem van Fortuyn werd opnieuw hoorbaar. 'Rustig blijven! Hier gebeurt niets, als iedereen zich kalm houdt. Ga zitten, de spreker gaat voort.

Intussen was Jan van Zutphen bij de ingang van de zaal geweest en had geïnformeerd naar de oorzaak van de consternatie. Een lijkbleke agent had hem ingelicht, en Jan had fluisterend zijn bericht aan Fortuyn overgebracht. 'Behanger Geel heeft op commissaris Stork geschoten. Hij heeft gemist, is gearresteerd en weggebracht.'

Fortuyn hamerde. 'Er is buiten een schot gelost op een politiecommissaris. Het schot miste en de dader is gepakt. Vrienden, wij vergaderen door!'

Niet meer actief
Buiten de anarchistische beweging, in de praktische politiek, liet Domela na 1900 weinig meer van zich horen.
Na de spoorwegstakingen van 1903 sprak hij nog één keer tijdens de slotvergadering na de nederlaag.
Domela verhuisde in 1903 van Amsterdam naar het Gooi en waar hij probeerde rustig aan zijn publicaties te werken.
Moeilijkheden in zijn huwelijk met zijn vierde vrouw Bertha doet hem verzuchten: "Ik ben nu bijna zestig jaar, het beste is er af, maar zoo mijn leven ondermijnd te zien is niet alles"

Anti Bolsjewist
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die het Europese anarchisme spleet, komt Domela weer even op de politieke voorgrond. Domela is en blijft antimilitarist, maar wijst beslist niet alle geweld af.
De Russische revolutie begroette hij geestdriftig, maar al snel zag hij, na Lenin nog even voor een anarchist gehouden te hebben, niets meer in het bolsjewisme.

Afscheid
In den loop van 1886 kwam Domela Nieuwenhuis, na zijn veroordeling, in Rotterdam zijn afscheidsrede houden. Zijn komen en gaan was die dag een ware zegetocht.
Duizenden mensen liepen, strijdliederen zingend, mee in den stoet! Men strooide bloemen op zijn weg en ook uit de vensters gooide men met bloemen.

Het Rotterdamse volk toonde zich die dag vol enthousiasme maar zou hem een jaar later vervloeken, en als men gekund had, gestenigd hebben!
Met het oog op de vervolgingen allerwegen was het Groepsstelsel ingevoerd. Met dit stelsel was het mogelijk alle leden in korte tijd bijeen te roepen. En dat dit nodig was zou spoedig blijken. Van colporteren was in die dagen geen sprake meer.
Ook op en na afloop van openbare vergaderingen en meetings werd nu en dan door een wachtende, opgehitste menigte herrie verwekt, waarvan het ingrijpen door de politie natuurlijk steeds weer het gevolg was.

Nieuwenhuis mot zakkies plakken
De Pers van die dagen had stelselmatig het Koningschap tegenover het Socialisme uitgespeeld, wat tot gevolg had dat het gepeupel, daardoor opgezweept, bijna 'Oranjedol' werd. Men begon de onnozelste liedjes te zingen, zoals:

'Weg met de socialen, leve Willem drie'
'Nieuwenhuis mot zakkies plakken leve Willem III'

'Leve demi-saison, alle socialisten in een harington!'



Domela en de socialisten in de Jordaan


Het Palingoproer [25 en 26 juli 1886]
De aanleiding was het palingtrekken maar de oorzaak lag veel dieper: de sociale ellende in de arbeidersbuurten. Er ontstonden hevige gevechten tussen de politie met blanke sabel en Jordanezen die met alles gooiden wat los en vast zat.
Er waren optochten en barricades met rode vlaggen, er werden tweehonderd infanteristen ingezet, die van vuurwapens gebruik maakten, en aan het einde van de strijd bleken er 26 doden te zijn, 36 ernstig gewonden en 200 arrestanten.

De socialisten krijgen de schuld
Het Algemeen Handelsblad ging daarin voorop en organiseerde een collecte ten bate van de gewonde politiemannen. Alleen de krant De Amsterdammer was genuanceerd en besteedde ook veel aandacht aan de burgerslachtoffers in de Jordaan.
Het hele land werd opgeschrikt door het uitbreken en het neerslaan van het palingoproer.


> lees meer over het Palingoproer


Vergaderplaatsen ontruimd
In de jaren 1886-1887 vergaderden de Amsterdamse socialisten meestal in het Volkspark, omdat het hen onmogelijk gemaakt werd geschikte zalen te huren.

Dinsdagavond 24 november 1885 werd in Café Zincken in Amsterdam een vergadering van socialisten kort na de opening door politiecommissaris Stork verboden. De volgepakte zaal werd hardhandig door de politie ontruimd.
Het liberalisme verloor steeds meer terrein en de socialistische beweging ging ondanks processen, smaad, achtervolging en hoon van orangisten onverveerd verder.


> lees verder over caféde Leeuw van Waterloo en café Zincken



Oranje tegen Rood


In het begin van den zomer, begon er in zekere, gezaghebbende, kringen een beweging te ontstaan om Domela in vrijheid te laten.
Omdat er sprake was van een slechte gezondheidstoestand ging de regering, bevreesd voor erger, ertoe over hem op 31 Augustus, op de verjaardag van prinses Wilhelmina, in vrijheid te stellen. Groot was de vreugde in socialistische rangen. Maar de hitsige pers zweeg niet, integendeel. Het werd steeds erger!
In de verschillende plaatsen waar Domela na zijn invrijheidstelling optrad, ontstond er een waar schrikbewind, een Oranje furie!

Dat er iets broeide in Rotterdam was al enige tijd bekend en voorzorgen tot zelfverdediging waren er dan ook genomen. De commissaris van politie zei dat hij voor de goede orde instond en zou weten zorg te dragen!
Maar het bleek dat een groep rijke burgers geld had uitgedeeld aan de verschillende kroeghouders in de buurt van het vergaderlokaal, om het opgezweepte gepeupel vrij drank te kunnen verstrekken.
Ondanks de geruststellende verklaring van het politiehoofd was de lokaalhouder zo verstandig geweest de binnenkant van de vensters van het lokaal van planken te voorzien, zodat stenen niet naar binnen konden vliegen.

Een partijgenoot schreef:
Toen ik mij dien avond rond 5 à 6 uur naar het lokaal begaf, was de Binnenrotte aan weerszijden van het lokaal, tot op ongeveer 200 meter, door de politie afgezet. Daarachter dromde een massa volks, die al tierende en zingende, ieder dien zij door het cordon zagen gaan, uitjouwde en allerlei lieflijke scheldwoorden achterna zond.
Nu, ik wandelde rustig naar het lokaal, waar reeds een groot aantal partijgenoten, mannen en vrouwen, aanwezig waren. Zonder lidmaatschapskaart werd er niemand toegelaten.
Een uur later verscheen Domela Nieuwenhuis die per rijtuig tot dicht bij het lokaal was gekomen.
Nooit zal ik den indruk vergeten, dien het aanschouwen van Domela op ons allen maakte.
Was dat onze Domela? Die man met dat vermagerde en bleke gelaat, geheel geschoren en geknipt?
Mannen en vrouwen heb ik zien huilen, van woede en smart! ...
Ik kan mij dan ook die arbeider voorstellen die bij het zien van Domela in Amsterdam, het met tranen van woede en smart uitschreeuwde: God…ver…domme! Is dàt Nieuwenhuis!?

Voortdurend kwamen er nog partijgenoten binnen en deze vertelden ons dat het politiekordon steeds meer en meer naar het lokaal oprukte. De vrouwen hadden de Zaal feestelijk versierd met bloemen en planten en ook om het podium waren planten geplaatst.
De Rotterdamse voorzitter Helsdingen opende met een toepasselijk woord, ontroerd, de bijeenkomst en wees op de agitatie die door de burgerpers op touw gezet was.
Ten slotte nam Domela Nieuwenhuis het woord om ons allen aan te sporen, de strijd voor Waarheid en Recht, voor het Socialisme, als wereld bevrijdend ideaal met méér moed en met àlle krachten voort te zetten.
Trots alle tegenwerking van de regering en een veile pers! ...

Tot zover konden wij, ondanks het gehuil en geraas van buiten, hem nog volgen, doch nu begon er een waar, en oorverdovend bombardement tegen de ruiten van het lokaal, waarvan er op minder dan geen tijd geen enkel meer heel was, doch gelukkig botsten de stenen af tegen de planken, voor zo lang die stand zouden blijven houden!
Het was ons nu duidelijk dat de politie vals spel gespeeld had en ons als 't ware in een muizenval gelokt had ...
Toen het geraas een ogenblik luwde, wilde Domela weer het woord nemen, maar op dat zelfde ogenblik viel er van boven een zware steen door de glazen lantaarn, die ongeveer in het midden der zaal was aangebracht! Deze steen werd gevolgd door geschreeuw en gejuich en door meerdere projectielen, die door de boven het lokaal wonende buren, uit hun vensters werden geworpen!
Dat deed de maat overlopen! Temeer daar verschillende van ons door de vallende scherven gewond waren.

Ook van buiten, aan de straatzijde begon het bombardement met vernieuwde kracht en het gejoel der menigte en de kreten: 'Dood aan de Socialen!' 'Oranje boven!' 'Weg met Nieuwenhuis!' werd nu bepaald oorverdovend!
Wij trokken ons nu terug naar het achter, en lagere gedeelte der zaal, waar we betrekkelijk veilig waren. Daar werd beraadslaagd, wat er ons verder te doen stond.
De bijeenkomst kon natuurlijk zo niet worden voortgezet en hier blijven was ook niet raadzaam, ja zelfs onmogelijk. Dus werd er besloten de aftocht te beginnen.
Langs den kant der Binnenrotte zou dat gelijk staan met zelfmoord, maar de achterzijde had een uitgang die was voorzien van twee brede lage deuren. De groote hoop der betoogers wist van dien uitgang niets af en verwachtten onzen uittocht langs de voorzijde. Doch de bewoners van de Lombardstraat wisten dat natuurlijk wel en wij bemerkten dan ook alras, dat ook dáár een grote menigte bijeen was. Echter scheen men daar wat kalmer en enkel maar nieuwsgierig, … of was het een valstrik?

Domela die steeds zijn onveranderlijke kalmte bewaarde, zou nu met twee van de minst bekende partijgenoten tot aan de stoomtram voor Schiedam vergezeld worden en van uit Schiedam per spoor den Haag bereiken."



De socialisten vergaderen in h
et Volkspark


Het volkspark was een rommelige verzameling houten loodsen van een voormalige kartonnagefabriek.
Het park was eigenlijk een vervallen speeltuin iets buiten de stad in het verlengde van de Bloemgracht, op de plek waar nu de Hugo de Grootbuurt is.
In het Volkspark kwamen zo'n 8000 mensen regelmatig luisteren naar de opzwepende redevoeringen van Domela Nieuwenhuis.
Tijdens een toespraak stond altijd een politieman met zijn handen op zijn rug toe te kijken.
Op een kwade dag hoorde men een revolverschot. Het bleek dat politiecommissaris Stork beschoten was. De kogel had een gat in zijn hoed had gemaakt en was vervolgens in de houten wand terecht gekomen.
Na de sloop van het Volkspark in 1891 nam gebouw Constantia aan de Rozengracht de functie van socialistenhol over.


Toespraak Domela Nieuwenhuis in gebouw Constantia



Zangvereniging Voorwaarts


Weggejaagd ad majorem Domelae gloriam
"De afdeeling Amsterdam van den Sociaal-Democratischen Jongelingsbond zou in Constantia haar jaarfeest vieren.
De avond van het feest was dààr en ik maakte mij thuis gereed om naar Constantia te gaan en mijn muzikale plichten te vervullen. Daar werd gescheld; mijn vrouw opende de deur en liet binnen een partijgenoot van zeer Domelistische kleur, vader van een meisje dat in mijn koor zond.
Deze man, een vierkante, eerlijke kerel, kwam mij vertellen, dat het koor dienzelfden middag een geheime vergadering had gehouden, waarin besloten was, dat als Domela dien avond gesproken zou hebben en ik voor het koor zou staat om het Vrijheidslied te doen zingen, de voorzitter uit de rijen der zangers naar voren zou treden om mij te zeggen, dat men van mij niet meer gediend was en dat ik op staanden voet kon vertrekken.
Mijn zegsman had dat van zijn dochter vernomen en daar hij vond dat ik van den kant der zangvereeniging zulk een schandalige behandeling niet had verdiend, kwam hij mij waarschuwen".

"Inderhaast ingewonnen inlichtingen bevestigde 's mans mededeelingen. Er daar ik geen trek had voor het front der troepen te worden weggejaagd ad majorem Domelae gloriam, pakte ik gauw mijn mooien dirigeerstok in het étui, schreef een briefje aan het bestuur waarin ik zeer vormelijk bedankte voor het directeurschap en zond een en ander per kruier naar Constantia, waar geween en tandengeknars was omdat het mooie plannetje zoo jammerlijk was mislukt en men mij den voorgenomen "loer" niet had kunnen "draaien". En zoo werd mijn muzikale carrière wreedelijk vernietigd en ben ik in plaats van een beroemd dirigent, een vakvereenigings-baantjesjager geworden.
Sic transit....



Brieven aan zijn dochter, actrice en zangeres Johanna Domela
[1875-1947]

Deze brieven mochten pas geopend worden na de dood, in 1992, van de jongste zoon van Ferdinand, beeldend kunstenaar Cesar Domela.
Johanna Domela studeerde, na haar eindexamen hbs, zang in Berlijn en kreeg brieven van haar vader met adviezen "Je moet meer diskussies uitlokken en niet zo gesloten zijn".
Maar Ferdinand schreef ook openhartig aan zijn dochter over de problemen met zijn, 'hysterische, vierde vrouw Bertha, en rouwde over de dood van Johanna's halfzusje Annie.
Onbezorgd is mijn oude dag zeker niet. Zeker om je los te maken van de wereld en het scheiden gemakkelijker te maken.


Oranjegezinde dronkenlappen
In één van de brieven beschrijft hij de aanvallen van 'oranjeklanten' die het gezin te verduren krijgt.
Baarn 30 augustus 1898

Lieve Johanna
(...) Wij hebben anders gisteren een dagje gehad dat ons zal heugen.
Ongeveer elf uur kwamen eenige stomdronken lui, natuurlijk volop getooid in oranje (het zijn de dagen van de kroning van prinses Wilhelmina) het hekje binnendringen en den tuin in, om te eischen dat wij de vlag zouden uitsteken.
Wij. zeiden dat wij doen zouden wat wij wilden en hun vrij lieten om feest te vieren maar zelven ook vrij wenschten te blijven. Een der kerels pakte mij in de borst, maar mama was er direkt bij en je hadt eens moeten zien hoe zij hem het hekje uitgooide.
Natuurlijk was Annietje doodsbleek en angstig, ook Saar was geheel ontdaan. George hield zich flink en had een kleinen revolver waarmede hij dreigde en ofschoon er niets opzat, helpt zoo'n dingetje toch goed. Eindelijk trokken zij af met de belofte terug te zullen komen en alles kort en klein te slaan.
Ons eerste werk was om de kinderen weg te expedieeren, Annietje met Saar naar Amsterdam en Ellie naar Hilversum, terwijl ik naar Amsterdam schreef om mij voor den nacht een paar flinke partijgenooten te zenden.
Alles ging goed, totdat tegen half zeven diezelfde bende weer verscheen, natuurlijk weer dronken.
Eén was erbij met 'n geweer. Mama stond als een leeuwin in de warande en zei: schiet nu maar, als jullie zulke helden bent.
Een vent wilde de tafel opnemen van de warande, maar mama gaf hem een zet dat hij in de bloemen terecht kwam. Een ander ging mama te lijf en pakte haar bij de polsen, maar sterk als zij is, rukte zij zich los en gaf dien vent een opstopper dat hij op zij viel.
Daar kwam de politie aan en er werd met de sabel op ingeslagen.
Een paar oude menschen, een juffrouw geheel gelijk aan juffr. Laps van Multatuli en haar man, een dito zemelknooper, begonnen het volk op te stoken en te praten over de eeuwigheid en over zooveel leelijks wat ik van de koningin gezegd zou hebben.
Eindelijk kwam er nog een boer, een echt fanatieke met schuim op den mond die een mes in zijn zak had, dat hij wilde trekken, hij wou binnendringen maar zijn vrouw krabde hem in 't gezicht om het hem te beletten en sleepte hem ten slotte weg. Dit was het gevaarlijkste individu.
Een oogenblik later kwamen een paar partijgenooten juist toen alles afgeloopen was.
De politie bleef toen het huis bewaken. Maar wij vertrouwden dit niet, de politie is nooit heelemaal te vertrouwen, en wij maakten ons klaar om onszelven te verdedigen, als zij 's nachts terugkwamen.
De groote kast zetten wij voor de glazen deur, de piano voor het raam in de eene kamer en het buffetkastje voor dat van de huiskamer. De keukendeur barrikadeerden wij ook. En nu zaten wij veilig en wel. Wij gingen slapen en de nacht verliep stil.
Echter men dreigde ons voor woensdag.
Hedenochtend kwam eerst de hoofdagent en later de burgemeester om zijn leedwezen te betuigen over het gebeurde. Hij vroeg of wij er wat op tegen hadden om de driekleur uit te steken, waarop wij natuurlijk antwoordden dit niet te zullen doen. Hij zeide ons alle bescherming toe en vertrok daarop.
Wij zullen voor woensdag onze voorzorgsmaatregelen nemen en er komen weer een paar partijgenooten uit Amsterdam.
Gelukkig is de dag goed bekomen aan mama, alleen gevoelt zij pijn aan haar polsen en armen.
Zij heeft zich kranig gehouden en stond daar zoo fier, dat de omstanders er wel respekt voor gekregen zullen hebben. Tite en Willem (zwager en schoonzuster van Domela) waren zoo wat weggevlucht, die hulp is niets waard. Maar nu wij zonder kinderen zijn, gevoelen wij ons vrijer in onze bewegingen, zooals je begrijpen kunt. Nu weet je hoe het hier is toegegaan.
(...) Gegroet met tante van ons allen

Dronkemanspartijen zijn de mensch onwaardig
Amsterdam 8 februari 1901

Lieve Johanna,
We hadden allang een brief verwacht, want je begrijpt, dat wij brandende zijn van nieuwsgierigheid naar de kritieken. (...)
Echter die jool in die Weinstube stond mij heelemaal niet aan, ik ben niet geschikt voor zulke feesten.
Daarbij komt, dat ik mij eigenlijk in mijn ziel bedroef over zulke dingen, want ik vraag mijzelven af, welke reformatorische kracht er kan uitgaan van personen, die aan zulke dingen meedoen.
Verbeeld je dat daar 'n arbeider binnen kwam en dat alles zag, zou hij niet, en met recht, zeggen: jullie bent geen haar beter dan de bourgeois, jullie doet alleen niet als zij, omdat je er geen geld voor hebt.
En de man zou gelijk hebben. Hoe kan men de wereld hervormen, als men niet allereerst zichzelven heeft hervormd? Dat wil niet zeggen dat men volmaakt is, dat is niemand, maar men kan toch streven een beetje volmaakt te zijn. Er blijft toch altijd nog genoeg te wenschen over. Vind je dat zelve ook niet? (...)
Nu alles goed en wel, men kan best vroolijk zijn zonder wijn en moet zorg dragen steeds mensch te zijn in alles. Dronkemanspartijen zijn den mensch onwaardig.
Je ziet dat ik me dus eigenlijk geërgerd heb of liever nog bedroefd, want ik denk dan bij mezelven: en dat wil de wereld gaan hervormen! Misschien neem ik dat wel wat streng op, maar moet men niet in dien geest handelen? Ik kan me niet begrijpen dat jij als vegetariër meedoet aan het wijn drinken, want het alkoholisme moet toch bestreden worden, al ware het alleen om de rampzalige gevolgen die het veroorzaakt. Ik kan mij begrijpen dat jullie na dien afloop in 'n stemming waart, die je deedt handelen op die manier, maar bedenk eens dat ook menig arbeider op dezelfde wijze tot den drank is gekomen, om zijn leed te verzetten. Neen, blijf nuchter en waak, dat is beter dan er 'n roes in te zetten, want de gevolgen daarvan zijn treurig. (...)
Mama zendt je vele hartelijke groeten en Cesar veel kusjes bij prokuratie. Groet Bertha van ons.
Omhelsd door je liefh. Vader F.D.N

Een openhartige brief over zijn 'hysterische' vierde vrouw Bertha
Hilversum, 26 januari 1906

Lieve Johanna,
Gisteravond brak ik den brief af om het vervolg over te laten aan mama. En toch voel ik behoefte hem voort te zetten maar buiten haar om. Ja, lieve Jo, kom als je kan en het jou toekomst niet hindert, want wij hebben je noodig. Doe het al is het om mijnentwille. Want zoo'n leven als ik nu leid, is haast niet te dragen. Ik voel dat ik er bij onderga, geestelijk en ook geldelijk zonder dat ik kans zie er eenige verandering in te brengen.

Nu vannacht hadden we weer zoo'n nachtje als meermalen.
Eerst stelde ma zich vast in het hoofd dat Cesar zoo naar, zoo zwak was. Het zou wel mis loopen. Het kind zweette zoo erg en zou de koorts wel hebben. Alle praten hielp niets, zij snikte het uit alsof er gevaar was. Er was heelemaal niets, want de jongen heeft den heelen dag vroolijk en goed gespeeld.
Hij krijgt nu zijn eieren niet, want de dokter was tegen de eierenvoeding en wilde juist zijn heele voeding veranderen, die zooals ik altijd gezegd heb, te eenzijdig eiwit bevatte. En mama zweert bij eieren.
Toen was er weer zoo'n ondragelijke jeuk aan de kuiten en al krabde ik nog zoo, dat was niets.
En zo werd het over half twee toen ik insliep en om half zeven er weer uit om naar Hilversum te gaan.
Dat houd ik zoo niet uit.

Wij leven vrij zuinig maar het eene oogenblik wil mama alles doen en het andere is alles vergeten en misschien ligt het ook aan mij, maar praten geeft niets. Slechts een enkele keer en dan hoe lang duurt de invloed? Ik kan feitelijk haast niets uitvoeren. Elke keer dat ik uitga, wordt het mij eigenlijk moeilijk gemaakt. O Jo, je weet niet wat zoo'n leven is en dan is zij weer heel lief.

Ik ben nu bijna 60 jaar, het beste is eraf maar zoo zijn leven ondermijnd te zien, dat is niet alles.
Soms ben ik erg neerslachtig. Je doet alles wat je kan en nooit wordt het op prijs gesteld.
Het kost hoopen geld en toch draait het weer op niets neer, je zult het zien.
En bij dat alles sta je onmachtig. Ik wil en kan haar niet verlaten in den toestand, waarin zij verkeert.
Als zij alleen in de inrichting was zonder huishouden, zonder Cesar, zonder mij, het zou het beste zijn, maar dat krijg ik immers niet gedaan.
Je leeft heelemaal bij verrassingen, daar de stemming nu zóó en dan weer anders is.
En had ik maar ruim geld, maar ik zit altijd vast en zelfs de schulden zijn lang niet afbetaald.
Wij leven anders eenvoudig en betalen alles kontant. Dat gaat goed.

Als ma klaagt over alle pijnen van den voetzool tot het hoofdhaar toe en daar komt iemand om met haar mee te gaan naar het Rembrandttheater of naar de opera, zij gaat mee, men merkt niets aan haar en straks krijg ik bij de terugkomst weer alle mogelijke klaagliederen. (...)

Enfin je zit vast aan alle kanten en ik weet soms niet wat en hoe.
Straks kom ik thuis maar ik weet niet hoe de toestand zal wezen, het is altijd een verrassing.
En opspelen geeft niets en ik kan het ook niet.
Soms beklaag ik Cesar, want zoo wordt hij gemaakt tot een zenuwlijder, het kan haast niet anders.
Verscheur dezen brief maar na lezing en denk maar dat ik toch iemand moet hebben, aan wien ik mij uitstort. Misschien is het morgen weer anders, maar van nacht was het om wanhopig te worden.
Onbezorgd is mijn oude dag zeker niet. Zeker om je los te maken van de wereld en het scheiden makkelijk te maken.
Nu genoeg. Zie maar dat je komt zonder schade voor je belang hoor.
Hartelijk omhelsd door je liefh. Vader F:D.N



Begrafenis
Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Op 18 november 1919 overleed Ferdinand Domela Nieuwenhuis op 72-jarige leeftijd in Hilversum.
Zijn uitvaart werd op 22 november gehouden in Amsterdam, voorafgegaan door een rouwstoet door zijn geboortestad. Ongeveer 12.000 mensen kwamen hun laatste eer bewijzen aan Domela Nieuwenhuis. Vertegenwoordigers van 160 organisaties waren aanwezig en stonden met vaandels en kransen langs de route. Domela werd als een van de eerste Nederlanders gecremeerd op de Westerveld begraafplaats in Driehuis.


Uit heel Nederland zijn de mensen gekomen om de laatste eer te bewijzen aan de volksleider.
Vanaf het Centraal station wordt Domela door de stad gedragen.
De trams op de Hooge Sluis kunnen niet voor- of achteruit.

Verslag van de historicus Jan Romein:

‘Hij leefde in het hart van de tienduizenden die twintig en meer rijen dicht stonden aangetreden langs de trottoirs waar de rouwstoet voorbij trok; waar wenende moeders hun kinderen optilden om hun dit ééns te laten zien en nooit te doen vergeten; waar wit-gehandschoende agenten, diep onder de indruk van dit ongedachte, onwillekeurig het saluut brachten. Hij leefde in de harten van die weer andere tienduizenden, die zwijgend, schouder aan schouder geschaard, het Stationsplein tussen beide viaducten en tot op de kade over het water vulden. Hij leefde in heel die onoverzienbare zee van vlaggen, vaandels en banieren, rood, met goud en zilver bestikt en gedoft door het rouwcrêpe, wijnrood, purperrood, gladiolenrood, hoog en hoger boven de mensenzee uit, uitvlammend tegen het gedekte grijs van de druilerige novemberhemel.’


Onthulling in 1931 van het standbeeld van Domela op het Nassauplein
Het beeld is gemaakt door Johan Polet.



> naar boven


> Arbeiders in Beweging
> Jordaan index

 


> Aanvullingen en verbeteringen graag hier

Bronnen
o.a.
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. /
Bert Altena, de familiecorrespondentie van Domela Nieuwenhuis, uitgave IISG, ISBN 90 6861 134 8 /