
[1846-1919]
Wie
is Ferdinand Domela Nieuwenhuis?
Domela Nieuwenhuis, was een pionier van het socialisme, een gelovige
die zich ontwikkelt tot socialist en later sociaalanarchist werd. Domela
is geboren in Amsterdam op 31 december 1846 en overleden in Hilversum
op 18 november 1919. Hij komt uit een liberaal luthers professorengezin.
Toen hij tien was verloor hij zijn moeder en hertrouwde zijn vader.
Domela werd luthers predikant. Hij steunde als predikant arbeiders bij
verbetering van hun omstandigheden.
De Vredesbond
Die beweging wilde de gewone burger, de arbeider, mobiliseren. Niet
het leger in, geen wapens fabriceren, zo zou oorlog onmogelijk worden.
Domela was kamerlid, maar tegelijkertijd beschouwd als majesteitsschenner
en anarchist.
Zelf behoorde hij niet tot de arbeidersklasse en daardoor een afstand
tussen hem en het gewone volk.
Hij was een bemiddeld man en daar schaamde hij zich enigszins voor.
Maar daarentegen liet hij zich nooit betalen voor zijn werk 'ten
dienste van het volk'
Hij jaagde zijn erfenissen, door onverstandige beleggingen, snel doorheen.
Al zijn geld investeerde hij in de revolutie.
Domela,
de familieman
De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis tonen
de familieman achter de mythische arbeidersheld, en de ideologische
en financiële conflicten tussen de revolutionair en zijn gegoede
familie.
Hij trouwde vier keer en kreeg acht kinderen.
Breuk
met de kerk
Na jaren van twijfel breekt Domela met de kerk. De dood in het kraambed
van zijn eerste vrouw en de invloed op zijn denken van Multatuli,
spelen daarbij een rol. Hij wisselt veel van
ideeën met Eduard Douwes Dekker uit.
Vrijdenkersvereniging De Dageraad
Hij is
lid, maar komt hij al snel in botsing met de liberaal denkenden,
die het socialisme afwijzen.
De Sociaal-democratische Bond
Daarvan is hij secretaris, maar het
duurt niet lang of Domela is de leider van de SDB.
Algemeen
Nederlandsch Werklieden-Verbond
In 1876 houdt Domela daar zijn eerste spreekbeurt.
Bij 'socialisme' dacht Domela aan de opvattingen van 'utopische' socialisten.
Recht voor Allen
Dit blad,
dat hij opgericht heeft, gaat als orgaan van de sociaal-democratie fungeren.
Geheelonthouder
Behalve vrouwenemancipatie en atheïsme was
ook geheelonthouding kenmerkend voor het vroege Nederlandse socialisme.
Domela zelf kwam via het vegetarisme tot de geheelonthouding en duldde
vanaf dat moment ook geen drankgebruik meer in zijn omgeving en op bijeenkomsten
waar hij sprak.
Hij behoorde tot degenen die algehele afschaffing van alcoholhoudende
drank voorstonden, niet alleen matiging van het gebruik. Volgens Domela
waren levenshervorming en maatschappijhervorming onlosmakelijk
met elkaar verbonden.
In
het gevang
In 1886 wordt Domela tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens
majesteitsschennis op grond van een hoofdartikel
dat in Recht voor Allen had gestaan. Of hij er zelf de schrijver
van was is onduidelijk gebleven, maar het stuk keerde zich tegen
de monarchie en Domela droeg hiervoor als hoofdredacteur de verantwoording.
Hij zit zijn straf uit in Utrecht, waar hij als een gewoon misdadiger
behandeld wordt. Socialisten uit binnen en buitenland protesteren tegen
die veroordeling. Na zijn vrijlating op 31 augustus 1887 maakt hij een
triomfale tournee door het land. In Rotterdam leidde zijn optreden tot
rellen.
Ook in Amsterdam bleef het niet rustig.
Een schot op commissaris Stork in het Volkspark
De eerste reizigers kwamen uit het Weesperpoortstation naar buiten.
Ze kregen de verrassing van hun leven toen ze door vierduizend Amsterdammers
werden ontvangen.
Het lawaai van duizenden stemmen verstomde, toen de profetenkop van
Domela Nieuwenhuis eensklaps zichtbaar was. Een geweldige kreet van
genegenheid en vertrouwen en kameraadschap ruiste als een stormvlaag
over het stationsplein. Een rode vlag klapperde op de zomerbries.
Nadat de politie de menigte uit elkaar had geslagen, gingen de kameraden
op pad naar het Volkspark.
Overal moesten de rijtuigen zich stapvoets door een compacte, juichende
menigte een weg banen.
Toen zij op weg naar het Volkspark de Westerstraat bereikten, stonden
ze nu en dan haast volkomen stil.
In deze buurt, waar een halfjaar geleden een socialist zijn leven niet
zeker was, wapperden nu de rode vlaggen, geen kind was thuis gebleven,
heel de Jordaan stond juichend langs de kant.
Minstens achtduizend Amsterdammers waren opgekomen om Domela te begroeten
en naar hem te luisteren, maar slechts tweeduizend in de grote zaal
konden zijn rede horen.
Hij sprak over de ergernis der machthebbers die de stroom destijds niet
hadden kunnen keren, en de grond onder hun voeten voelden wegzinken.

Bijeenkomst in het Volkspark
Op dat ogenblik kwam van buiten het geluid van een zachte, doffe klap
in de doodstille zaal duidelijk te horen. Door de ramen was te zien
dat arbeiders in paniek vluchten, politieagenten, met getrokken sabel
renden heen en weer. Groepen nieuwsgierigen dromden angstig bij elkaar
Paniek maakte zich meester van de mensen die in de grote zaal waren
opgesloten. Domela probeerde verder te spreken, maar dat was onbegonnen
werk. Het geluid als van een opgejaagde kolossale bijenzwerm vulde de
grote ruimte. Iedereen stond op, stoelen vielen om, de eerste mensen
vluchtten en sleepten anderen mee.
Fortuyn, die voorzitter van de vergadering, liet zijn hamer met
een geweldige roffel op de tafel neer donderen. 'Ga zitten!' schreeuwde
hij. 'Geen paniek! Er is niets aan de hand!' Maar de menigte was niet
meer te houden. De voorste rijen probeerden over het toneel uit de zaal
te komen, anderen drukten de zijramen in en vluchtten daardoor naar
buiten.
De kern van geharde partijgenoten kreeg na enkele minuten de situatie
weer in de hand.
Langzaam keerde de rust terug. De mensen gingen weer zitten, de stem
van Fortuyn werd opnieuw hoorbaar. 'Rustig blijven! Hier gebeurt niets,
als iedereen zich kalm houdt. Ga zitten, de spreker gaat voort.
Intussen was Jan van Zutphen bij de ingang van de zaal geweest
en had geïnformeerd naar de oorzaak van de consternatie. Een lijkbleke
agent had hem ingelicht, en Jan had fluisterend zijn bericht aan Fortuyn
overgebracht. 'Behanger Geel heeft op commissaris Stork geschoten.
Hij heeft gemist, is gearresteerd en weggebracht.'
Fortuyn hamerde. 'Er is buiten een schot gelost op een politiecommissaris.
Het schot miste en de dader is gepakt. Vrienden, wij vergaderen door!'
Niet
meer actief
Buiten de anarchistische beweging, in de praktische politiek, liet Domela
na 1900 weinig meer van zich horen. Na de spoorwegstakingen
van 1903 sprak hij nog één keer tijdens
de slotvergadering na de nederlaag.
Domela verhuisde in 1903 van Amsterdam naar het Gooi en waar hij probeerde
rustig aan zijn publicaties te werken. Moeilijkheden in zijn huwelijk
met zijn vierde vrouw Bertha doet hem verzuchten: "Ik ben nu
bijna zestig jaar, het beste is er af, maar zoo mijn leven ondermijnd
te zien is niet alles"
Anti
Bolsjewist
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die het Europese
anarchisme spleet, komt Domela weer even op de politieke
voorgrond. Domela is en blijft antimilitarist, maar wijst beslist niet
alle geweld af.
De Russische revolutie begroette hij geestdriftig, maar al snel zag
hij, na Lenin nog even voor een anarchist gehouden te hebben, niets
meer in het bolsjewisme.
Afscheid
In den loop van 1886 kwam Domela Nieuwenhuis, na zijn veroordeling, in
Rotterdam zijn afscheidsrede houden. Zijn komen en gaan was die dag een
ware zegetocht.
Duizenden mensen liepen, strijdliederen zingend, mee in den stoet! Men
strooide bloemen op zijn weg en ook uit de vensters gooide men met bloemen.
Het Rotterdamse
volk toonde zich die dag vol enthousiasme maar zou hem een jaar later
vervloeken, en als men gekund had, gestenigd hebben!
Met het oog op de vervolgingen allerwegen was het
Groepsstelsel ingevoerd. Met
dit stelsel was het mogelijk alle leden in korte tijd bijeen te roepen.
En dat dit nodig was zou spoedig blijken. Van colporteren was in die dagen
geen sprake meer.
Ook op en na afloop van openbare vergaderingen en meetings werd nu en
dan door een wachtende, opgehitste menigte herrie verwekt, waarvan het
ingrijpen door de politie natuurlijk steeds weer het gevolg was.
Nieuwenhuis mot zakkies plakken
De Pers van die dagen had stelselmatig het Koningschap tegenover het Socialisme
uitgespeeld, wat tot gevolg had dat het gepeupel, daardoor opgezweept,
bijna 'Oranjedol' werd. Men begon de onnozelste liedjes te zingen, zoals
'Weg
met de socialen, leve Willem drie'
'Nieuwenhuis mot zakkies plakken leve Willem III'
'Leve demi-saison, alle socialisten in een harington!'

Domela
en de socialisten in de Jordaan
[25 en 26 juli 1886]
Het Palingoproer
De aanleiding was het palingtrekken maar de oorzaak lag veel dieper:
de sociale ellende in de arbeidersbuurten. Er ontstonden hevige gevechten
tussen de politie met blanke sabel en Jordanezen die met alles gooiden
wat los en vast zat.
Er waren optochten en barricades met rode vlaggen, er werden tweehonderd
infanteristen ingezet, die van vuurwapens gebruik maakten, en aan het
einde van de strijd bleken er 26 doden te zijn, 36 ernstig gewonden
en 200 arrestanten.
Vrijwel alle Amsterdamse kranten gaven de
socialisten de schuld
Het Algemeen Handelsblad ging daarin voorop
en organiseerde een collecte ten bate van de gewonde politiemannen.
Alleen De Amsterdammer was genuanceerd en besteedde ook veel aandacht
aan de burgerslachtoffers in de Jordaan.
Het hele land werd opgeschrikt door het uitbreken en het neerslaan van
het palingoproer.
> lees meer over het Palingoproer
Vergaderplaatsen ontruimd
In de jaren 1886-1887 vergaderden de Amsterdamse socialisten meestal
in het Volkspark, omdat het hen onmogelijk gemaakt werd geschikte zalen
te huren.
Dinsdagavond 24 november 1885 werd in Café Zincken in
Amsterdam een vergadering van socialisten kort na de opening door politiecommissaris
Stork verboden. De volgepakte zaal werd hardhandig door de politie
ontruimd.
Het liberalisme verloor steeds meer terrein en de socialistische
beweging ging ondanks processen, smaad, achtervolging en hoon van orangisten
onverveerd verder.
> lees verder over café de
Leeuw van Waterloo en café Zincken
Oranje
tegen Rood
n het begin van den zomer, begon er in zekere,
gezaghebbende, kringen een beweging te ontstaan om Domela in vrijheid
te laten.
Omdat er sprake was van een slechte gezondheidstoestand ging de regering,
bevreesd voor erger, ertoe over hem op 31 Augustus, op de verjaardag
van prinses Wilhelmina, in vrijheid te stellen. Groot was de vreugde
in socialistische rangen. Maar de hitsige pers zweeg niet, integendeel.
Het werd steeds erger! In
de verschillende plaatsen waar Domela na zijn invrijheidstelling optrad,
ontstond
er een waar schrikbewind, een Oranje furie !
Dat er iets broeide in Rotterdam was al enige tijd bekend en voorzorgen
tot zelfverdediging waren er dan ook genomen. De commissaris van politie
zei dat hij voor de goede orde instond en zou weten zorg te dragen!
Maar het bleek dat een groep rijke burgers geld had uitgedeeld aan de
verschillende kroeghouders in de buurt van het vergaderlokaal, om het
opgezweepte gepeupel vrij drank te kunnen verstrekken. Maar ondanks
de geruststellende verklaring van het politiehoofd was de lokaalhouder,
zo verstandig geweest de binnenkant van de vensters van het lokaal van
planken te voorzien, zodat stenen niet naar binnen konden vliegen.
Een
partijgenoot schreef:
Toen ik mij dien avond rond 5 à 6 uur naar het lokaal begaf,
was de Binnenrotte aan weerszijden van het lokaal, tot op ongeveer 200
meter, door de politie afgezet. Daarachter dromde een massa volks, die
al tierende en zingende, ieder dien zij door het cordon zagen gaan,
uitjouwde en allerlei lieflijke scheldwoorden achterna zond.
Nu, ik wandelde rustig naar het lokaal, waar reeds een groot aantal
partijgenoten, mannen en vrouwen, aanwezig waren. Zonder lidmaatschapskaart
werd er niemand toegelaten.
Een uur later verscheen Domela Nieuwenhuis die per rijtuig tot dicht
bij het lokaal was gekomen.
Nooit zal ik den indruk vergeten, dien het aanschouwen van Domela op
ons allen maakte.
Was dat onze Domela? Die man met dat vermagerde en bleke gelaat, geheel
geschoren en geknipt?
Mannen en vrouwen heb ik zien huilen, van woede en smart! ...
Ik kan mij dan ook die arbeider voorstellen die bij het zien van Domela
in Amsterdam, het met tranen van woede en smart uitschreeuwde: God
ver
domme!
Is dàt Nieuwenhuis!?
Voortdurend kwamen er nog partijgenoten binnen
en deze vertelden ons dat het politiekordon steeds meer en meer naar
het lokaal oprukte. De vrouwen hadden de Zaal feestelijk versierd met
bloemen en planten en ook om het podium waren planten geplaatst.
De Rotterdamse voorzitter Helsdingen opende met een toepasselijk
woord, ontroerd, de bijeenkomst en wees op de agitatie die door de burgerpers
op touw gezet was.
Ten slotte nam Domela Nieuwenhuis het woord om ons allen aan te sporen,
de strijd voor Waarheid en Recht, voor het Socialisme, als wereld
bevrijdend ideaal met méér moed en met àlle krachten
voort te zetten.
Trots alle tegenwerking van de regering en een veile pers! ...
Tot zover konden
wij, ondanks het gehuil en geraas van buiten, hem nog volgen, doch nu
begon er een waar, en oorverdovend bombardement tegen de ruiten van
het lokaal, waarvan er op minder dan geen tijd geen enkel meer heel
was, doch gelukkig botsten de stenen af tegen de planken, voor zo lang
die stand zouden blijven houden!
Het was ons nu duidelijk dat de politie vals spel gespeeld had en ons
als 't ware in een muizenval gelokt had ...
Toen het geraas een ogenblik luwde, wilde Domela weer het woord nemen,
maar op dat zelfde ogenblik viel er van boven een zware steen door de
glazen lantaarn, die ongeveer in het midden der zaal was aangebracht!
Deze steen werd gevolgd door geschreeuw en gejuich en door meerdere
projectielen, die door de boven het lokaal wonende buren, uit hun vensters
werden geworpen!
Dat deed de maat overlopen! Temeer daar verschillende van ons door de
vallende scherven gewond waren.
Ook van buiten, aan de straatzijde begon het
bombardement met vernieuwde kracht en het gejoel der menigte en de kreten:
'Dood aan de Socialen!' 'Oranje boven!' 'Weg met Nieuwenhuis!'
werd nu bepaald oorverdovend!
Wij trokken ons nu terug naar het achter, en lagere gedeelte der zaal,
waar we betrekkelijk veilig waren. Daar werd beraadslaagd, wat er ons
verder te doen stond.
De bijeenkomst kon natuurlijk zo niet worden voortgezet en hier blijven
was ook niet raadzaam, ja zelfs onmogelijk. Dus werd er besloten de
aftocht te beginnen.
Langs den kant der Binnenrotte zou dat gelijk staan met zelfmoord, maar
de achterzijde had een uitgang die was voorzien van twee brede lage
deuren. De groote hoop der betoogers wist van dien uitgang niets af
en verwachtten onzen uittocht langs de voorzijde. Doch de bewoners van
de Lombardstraat wisten dat natuurlijk wel en wij bemerkten dan ook
alras, dat ook dáár een grote menigte bijeen was. Echter
scheen men daar wat kalmer en enkel maar nieuwsgierig,
of was
het een valstrik?
Domela die steeds zijn onveranderlijke kalmte bewaarde, zou nu met twee
van de minst bekende partijgenoten tot aan de stoomtram voor Schiedam
vergezeld worden en van uit Schiedam per spoor den Haag bereiken."

De
socialisten vergaderen in het
Volkspark
Het volkspark was een rommelige verzameling
houten loodsen van een voormalige kartonnagefabriek.
Het park was eigenlijk een vervallen speeltuin iets buiten de stad in
het verlengde van de Bloemgracht, op de plek waar nu de Hugo de Grootbuurt
is.
In
het Volkspark kwamen zo'n 8000 mensen regelmatig luisteren naar de opzwepende
redevoeringen van Domela Nieuwenhuis.
Tijdens een toespraak van Domela Nieuwenhuis stond altijd een politieman
met zijn handen op zijn rug toe te kijken.
Op een kwade dag hoorde men een revolverschot. Het bleek dat politiecommissaris
Stork beschoten was. De kogel had een gat in zijn hoed had gemaakt
en was vervolgens in de houten wand terecht gekomen.
Na de sloop van het Volkspark in 1891 nam gebouw Constantia aan
de Rozengracht de functie van socialistenhol over.

Toespraak Domela Nieuwenhuis
in gebouw Constantia
>
lees hier meer over het Volkspark en gebouw Constantia
Zangvereniging
Voorwaarts
Weggejaagd
ad majorem Domelae gloriam
"De afdeeling Amsterdam van den Sociaal-Democratischen
Jongelingsbond zou in Constantia haar jaarfeest vieren.
De avond van het feest was dààr en ik maakte mij thuis
gereed om naar Constantia te gaan en mijn muzikale plichten te vervullen.
Daar werd gescheld; mijn vrouw opende de deur en liet binnen een partijgenoot
van zeer Domelistische kleur, vader van een meisje dat in mijn koor
zond.
Deze man, een vierkante, eerlijke kerel, kwam mij vertellen, dat het
koor dienzelfden middag een geheime vergadering had gehouden, waarin
besloten was, dat als Domela dien avond gesproken zou hebben en ik voor
het koor zou staat om het Vrijheidslied te doen zingen, de voorzitter
uit de rijen der zangers naar voren zou treden om mij te zeggen, dat
men van mij niet meer gediend was en dat ik op staanden voet kon vertrekken.
Mijn zegsman had dat van zijn dochter vernomen en daar hij vond dat
ik van den kant der zangvereeniging zulk een schandalige behandeling
niet had verdiend, kwam hij mij waarschuwen".
"Inderhaast ingewonnen inlichtingen bevestigde 's mans mededeelingen.
Er daar ik geen trek had voor het front der troepen te worden weggejaagd
ad majorem Domelae gloriam, pakte ik gauw mijn mooien dirigeerstok in
het étui, schreef een briefje aan het bestuur waarin ik zeer
vormelijk bedankte voor het directeurschap en zond een en ander per
kruier naar Constantia, waar geween en tandengeknars was omdat het mooie
plannetje zoo jammerlijk was mislukt en men mij den voorgenomen "loer"
niet had kunnen "draaien". En zoo werd mijn muzikale carrière
wreedelijk vernietigd en ben ik in plaats van een beroemd dirigent,
een vakvereenigings-baantjesjager geworden.
Sic transit....

Brieven
aan zijn dochter, actrice en zangeres Johanna
[1875-1947]
Deze
brieven mochten pas geopend worden na de dood, in 1992, van de jongste
zoon van Ferdinand, beeldend kunstenaar Cesar Domela.
Johanna Domela studeerde, na haar eindexamen hbs, zang in Berlijn en
kreeg brieven van haar vader met adviezen "Je moet meer diskussies
uitlokken en niet zo gesloten zijn".
Maar Ferdinand schreef ook openhartig aan zijn dochter over de problemen
met zijn, 'hysterische, vierde vrouw Bertha, en rouwde over de
dood van Johanna's halfzusje Annie.
Onbezorgd is mijn oude dag zeker niet. Zeker om je los te maken van
de wereld en het scheiden gemakkelijker te maken.
Oranjegezinde
dronkenlappen
In één van de brieven beschrijft hij de aanvallen van
'oranjeklanten' die het gezin te verduren krijgt.
Baarn 30 augustus 1898
Lieve Johanna
(...) Wij hebben anders gisteren een dagje gehad dat ons zal heugen.
Ongeveer elf uur kwamen eenige stomdronken lui, natuurlijk volop getooid
in oranje (het zijn de dagen van de kroning van prinses Wilhelmina)
het hekje binnendringen en den tuin in, om te eischen dat wij de vlag
zouden uitsteken.
Wij. zeiden dat wij doen zouden wat wij wilden en hun vrij lieten om
feest te vieren maar zelven ook vrij wenschten te blijven. Een der kerels
pakte mij in de borst, maar mama was er direkt bij en je hadt eens moeten
zien hoe zij hem het hekje uitgooide.
Natuurlijk was Annietje doodsbleek en angstig, ook Saar was geheel ontdaan.
George hield zich flink en had een kleinen revolver waarmede hij dreigde
en ofschoon er niets opzat, helpt zoo'n dingetje toch goed. Eindelijk
trokken zij af met de belofte terug te zullen komen en alles kort en
klein te slaan.
Ons eerste werk was om de kinderen weg te expedieeren, Annietje met
Saar naar Amsterdam en Ellie naar Hilversum, terwijl ik naar Amsterdam
schreef om mij voor den nacht een paar flinke partijgenooten te zenden.
Alles ging goed, totdat tegen half zeven diezelfde bende weer verscheen,
natuurlijk weer dronken.
Eén was erbij met 'n geweer. Mama stond als een leeuwin in de
warande en zei: schiet nu maar, als jullie zulke helden bent.
Een vent wilde de tafel opnemen van de warande, maar mama gaf hem een
zet dat hij in de bloemen terecht kwam. Een ander ging mama te lijf
en pakte haar bij de polsen, maar sterk als zij is, rukte zij zich los
en gaf dien vent een opstopper dat hij op zij viel.
Daar kwam de politie aan en er werd met de sabel op ingeslagen.
Een paar oude menschen, een juffrouw geheel gelijk aan juffr. Laps van
Multatuli en haar man, een dito zemelknooper, begonnen het volk op te
stoken en te praten over de eeuwigheid en over zooveel leelijks wat
ik van de koningin gezegd zou hebben.
Eindelijk kwam er nog een boer, een echt fanatieke met schuim op den
mond die een mes in zijn zak had, dat hij wilde trekken, hij wou binnendringen
maar zijn vrouw krabde hem in 't gezicht om het hem te beletten en sleepte
hem ten slotte weg. Dit was het gevaarlijkste individu.
Een oogenblik later kwamen een paar partijgenooten juist toen alles
afgeloopen was.
De politie bleef toen het huis bewaken. Maar wij vertrouwden dit niet,
de politie is nooit heelemaal te vertrouwen, en wij maakten ons klaar
om onszelven te verdedigen, als zij 's nachts terugkwamen.
De groote kast zetten wij voor de glazen deur, de piano voor het raam
in de eene kamer en het buffetkastje voor dat van de huiskamer. De keukendeur
barrikadeerden wij ook. En nu zaten wij veilig en wel. Wij gingen slapen
en de nacht verliep stil.
Echter men dreigde ons voor woensdag.
Hedenochtend kwam eerst de hoofdagent en later de burgemeester om zijn
leedwezen te betuigen over het gebeurde. Hij vroeg of wij er wat op
tegen hadden om de driekleur uit te steken, waarop wij natuurlijk antwoordden
dit niet te zullen doen. Hij zeide ons alle bescherming toe en vertrok
daarop.
Wij zullen voor woensdag onze voorzorgsmaatregelen nemen en er komen
weer een paar partijgenooten uit Amsterdam.
Gelukkig is de dag goed bekomen aan mama, alleen gevoelt zij pijn aan
haar polsen en armen.
Zij heeft zich kranig gehouden en stond daar zoo fier, dat de omstanders
er wel respekt voor gekregen zullen hebben. Tite en Willem (zwager en
schoonzuster van Domela) waren zoo wat weggevlucht, die hulp is niets
waard. Maar nu wij zonder kinderen zijn, gevoelen wij ons vrijer in
onze bewegingen, zooals je begrijpen kunt. Nu weet je hoe het hier is
toegegaan.
(...) Gegroet met tante van ons allen
Dronkemanspartijen
zijn de mensch onwaardig
Amsterdam 8 februari
1901
Lieve Johanna,
We hadden allang een brief verwacht, want je begrijpt, dat wij brandende
zijn van nieuwsgierigheid naar de kritieken. (...)
Echter die jool in die Weinstube stond mij heelemaal niet aan, ik ben
niet geschikt voor zulke feesten.
Daarbij komt, dat ik mij eigenlijk in mijn ziel bedroef over zulke dingen,
want ik vraag mijzelven af, welke reformatorische kracht er kan uitgaan
van personen, die aan zulke dingen meedoen.
Verbeeld je dat daar 'n arbeider binnen kwam en dat alles zag, zou hij
niet, en met recht, zeggen: jullie bent geen haar beter dan de bourgeois,
jullie doet alleen niet als zij, omdat je er geen geld voor hebt.
En de man zou gelijk hebben. Hoe kan men de wereld hervormen, als men
niet allereerst zichzelven heeft hervormd? Dat wil niet zeggen dat men
volmaakt is, dat is niemand, maar men kan toch streven een beetje volmaakt
te zijn. Er blijft toch altijd nog genoeg te wenschen over. Vind je
dat zelve ook niet? (...)
Nu alles goed en wel, men kan best vroolijk zijn zonder wijn en moet
zorg dragen steeds mensch te zijn in alles. Dronkemanspartijen zijn
den mensch onwaardig.
Je ziet dat ik me dus eigenlijk geërgerd heb of liever nog bedroefd,
want ik denk dan bij mezelven: en dat wil de wereld gaan hervormen!
Misschien neem ik dat wel wat streng op, maar moet men niet in dien
geest handelen? Ik kan me niet begrijpen dat jij als vegetariër
meedoet aan het wijn drinken, want het alkoholisme moet toch bestreden
worden, al ware het alleen om de rampzalige gevolgen die het veroorzaakt.
Ik kan mij begrijpen dat jullie na dien afloop in 'n stemming waart,
die je deedt handelen op die manier, maar bedenk eens dat ook menig
arbeider op dezelfde wijze tot den drank is gekomen, om zijn leed te
verzetten. Neen, blijf nuchter en waak, dat is beter dan er 'n roes
in te zetten, want de gevolgen daarvan zijn treurig. (...)
Mama zendt je vele hartelijke groeten en Cesar veel kusjes bij prokuratie.
Groet Bertha van ons.
Omhelsd door je liefh. Vader F.D.N
Een
openhartige brief over zijn 'hysterische' vierde vrouw Bertha
Hilversum, 26 januari 1906
Lieve Johanna,
Gisteravond brak ik den brief af om het vervolg over te laten aan mama.
En toch voel ik behoefte hem voort te zetten maar buiten haar om. Ja,
lieve Jo, kom als je kan en het jou toekomst niet hindert, want wij
hebben je noodig. Doe het al is het om mijnentwille. Want zoo'n leven
als ik nu leid, is haast niet te dragen. Ik voel dat ik er bij onderga,
geestelijk en ook geldelijk zonder dat ik kans zie er eenige verandering
in te brengen.
Nu vannacht hadden
we weer zoo'n nachtje als meermalen.
Eerst stelde ma zich vast in het hoofd dat Cesar zoo naar, zoo zwak
was. Het zou wel mis loopen. Het kind zweette zoo erg en zou de koorts
wel hebben. Alle praten hielp niets, zij snikte het uit alsof er gevaar
was. Er was heelemaal niets, want de jongen heeft den heelen dag vroolijk
en goed gespeeld.
Hij krijgt nu zijn eieren niet, want de dokter was tegen de eierenvoeding
en wilde juist zijn heele voeding veranderen, die zooals ik altijd gezegd
heb, te eenzijdig eiwit bevatte. En mama zweert bij eieren.
Toen was er weer zoo'n ondragelijke jeuk aan de kuiten en al krabde
ik nog zoo, dat was niets.
En zo werd het over half twee toen ik insliep en om half zeven er weer
uit om naar Hilversum te gaan.
Dat houd ik zoo niet uit.
Wij leven vrij zuinig
maar het eene oogenblik wil mama alles doen en het andere is alles vergeten
en misschien ligt het ook aan mij, maar praten geeft niets. Slechts
een enkele keer en dan hoe lang duurt de invloed? Ik kan feitelijk haast
niets uitvoeren. Elke keer dat ik uitga, wordt het mij eigenlijk moeilijk
gemaakt. O Jo, je weet niet wat zoo'n leven is en dan is zij weer heel
lief.
Ik ben nu bijna
60 jaar, het beste is eraf maar zoo zijn leven ondermijnd te zien, dat
is niet alles.
Soms ben ik erg neerslachtig. Je doet alles wat je kan en nooit wordt
het op prijs gesteld.
Het kost hoopen geld en toch draait het weer op niets neer, je zult
het zien.
En bij dat alles sta je onmachtig. Ik wil en kan haar niet verlaten
in den toestand, waarin zij verkeert.
Als zij alleen in de inrichting was zonder huishouden, zonder Cesar,
zonder mij, het zou het beste zijn, maar dat krijg ik immers niet gedaan.
Je leeft heelemaal bij verrassingen, daar de stemming nu zóó
en dan weer anders is.
En had ik maar ruim geld, maar ik zit altijd vast en zelfs de schulden
zijn lang niet afbetaald.
Wij leven anders eenvoudig en betalen alles kontant. Dat gaat goed.
Als ma klaagt over
alle pijnen van den voetzool tot het hoofdhaar toe en daar komt iemand
om met haar mee te gaan naar het Rembrandttheater of naar de opera,
zij gaat mee, men merkt niets aan haar en straks krijg ik bij de terugkomst
weer alle mogelijke klaagliederen. (...)
Enfin je zit vast
aan alle kanten en ik weet soms niet wat en hoe.
Straks kom ik thuis maar ik weet niet hoe de toestand zal wezen, het
is altijd een verrassing.
En opspelen geeft niets en ik kan het ook niet.
Soms beklaag ik Cesar, want zoo wordt hij gemaakt tot een zenuwlijder,
het kan haast niet anders.
Verscheur dezen brief maar na lezing en denk maar dat ik toch iemand
moet hebben, aan wien ik mij uitstort. Misschien is het morgen weer
anders, maar van nacht was het om wanhopig te worden.
Onbezorgd is mijn oude dag zeker niet. Zeker om je los te maken van
de wereld en het scheiden makkelijk te maken.
Nu genoeg. Zie maar dat je komt zonder schade voor je belang hoor.
Hartelijk omhelsd door je liefh. Vader F:D.N
Onthulling van
het standbeeld van Domela op het Nassauplein
|