de Jordaan


> Jordaan index

> recht en orde
> onderwijs

> cultuur


tussen taal en beeld Klaas Ris


Klaas Ris [1821-1902]

Klaas Ris, één van de voormannen van het socialisme

Klaas mag worden beschouwd als een belangrijke energieleverancier van die tijd als hij met zijn petroleumkar door de Jordaan loopt. Belangrijker is dat hij herinnerd wordt als een onruststoker naar de hoogmogende heren van bestuurders en werkgevers toe.
Hij werd niet belemmerd door zijn gebrekkige schoolopleiding om op vele vergaderingen het hoogste woord te voeren en brochures te schrijven over al het onrecht dat op zijn weg kwam.

Het Kermisoproer

De eerste openbare actie van Klaas was in 1877, toen hij bij een audiëntie van Koning Willem III in het paleis op de Dam de euvele moed had de koning persoonlijk aan te spreken om hem de klachten van de Amsterdamse arbeiders over te brengen.
Het ging over het Kermisoproer dat het jaar ervoor uitbrak omdat de Burgemeester het feest had verboden vanwege de dronken arbeiders die riepen:


Godverdomme Kermis mot er wezen, Kermis mot er zijn.
Anders slaan wij bij den Burgemeester de ruiten kort en klein.


Geslagen werd er, en wel door politie, cavalerie en infanterie.
De koning was woest en Klaas werd de deur uit gewerkt.
Een spontane rel die eerst niet door arbeidersorganisaties ondersteund werd.
Maar toen de overheid er met zulk grof geweld tegenaan ging bemoeide zich de Amsterdamse afdeling van het Internationale Werkliedenverbond, de Eerste Internationale, zich ermee.
Ris aarzelde niet om een aantal gewonden met verband en al aan het publiek te tonen en zelfs niet om de weduwe Pogge, wier man door een verdwaalde kogel dodelijk was getroffen, met haar vier kinderen het toneel op te slepen.
Klaas Ris zit vanaf 1870 in die organisatie en zijn opstandige karakter maakt hem tot een geschikte aanvoerder van de arbeiders die proberen Burgemeester Den Tex, te laten vallen.
Klaas Ris was op de koning afgestapt om te vragen of die niet kon zorgen dat de 'volksverneuker' Den Tex, zou worden ontslagen.



[1821]
Klaas Ris in Westzaan geboren
Hij was een van negentien kinderen van een visserman. Toen hij tien jaar was moest hij op een Zaanse papiermolen werken.
In mei 1840 ging hij in militaire dienst als infanterist, plaatsvervanger voor een rijkere dorpsgenoot.
Na zeven maanden tekende hij bij voor zes jaar dienst bij de kurassiers, een zwaardere dienst met meer soldij.
Nadat Ris in 1846 uit dienst ging belandde hij in Amsterdam.
Hij zocht er werk, en trouwde in 1847 met Anna Maria Lunden.
Het waren jaren van honger en ellende. Hij kreeg steun van het Armenbestuur van de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente.
Die hielpen hem aan werk als molenaarsknecht bij de houtzagerij van geloofsgenoot H.E. van Gelder, op molen De Valk aan het Noorderzaagpad. Klaas Ris kon er, met zijn vrouw en vijf dochters, gratis wonen.
Klaas verdiende wat bij als 'pijpvoerder' bij de vrijwillige brandweer.
Daar ontwikkelde hij zich als een geruchtmakend Amsterdamse arbeider.
Hij schreef ook als propagandist van de geheelonthouders brochures zoals:
Is Neerlands moed jenevermoed? dan vivat de jenever!'
en met gevoel voor humor:
Vrouwen zijn gevaarlijker dan sterke drank.

Wat is een brandmeester anders dan een sjouwerman?

Klaas Ris werd ook schrijver van opruiende geschriften over het Brandweerwezen.

Ris beschreef de bevelvoerende brandmeesters als volstrekt nutteloze figuren, die bij branden vooral de blussers in de weg liepen en hun premies in de wacht sleepten, zonder zelf ook maar het minste risico te lopen.
Hij vond dat de brandmeester ondergeschikt aan de spuitgast hoorde te zijn.
De premie voor het uitrukken en het bluswerk werden door de gemeenten uitgekeerd aan de bemanning van de brandspuiten.
De brandmeester, zijn spuitgasten en pijpvoeders als Klaas Ris hadden ieder recht op een deel van die premie, maar veel bleef volgens Klaas aan de strijkstok hangen.
Het bedrag, dat hij tegoed had, had hij nauwkeurig becijferde op een totaal van 33 gulden en 34 en een halve cent.
De burgemeester wees zijn eis tot uitbetaling echter van de hand, de Brandraad en de rechter ook.
Maar Ris gaf niet op. Liefst vier brochures schreef hij over de premies die hem door de neus waren geboord. Het was een erezaak geworden en Ris werd een bekende figuur in Amsterdam.
Zelfs Multatuli toonde belangstelling en vestigde in zijn bundels Ideeën aandacht op de persoon en denkbeelden van Klaas Ris.
Het gezinsbudget van een werkman was gebaseerd op gegevens die Klaas Ris moet hebben aangeleverd.
Historici hebben dit budget vaak geciteerd als illustratie van het schrijnend gebrek dat werklieden en hun gezinnen in de 19e eeuw moesten lijden.
Een betrouwbare bron is het budget echter niet.
De bijverdiensten uit zijn betrekking bij de brandweer, de opbrengst van de brochureverkoop, en de opbrengst van de verkoop van zaagsel en afvalhout dat een molenknecht mocht houden, waren er niet bij opgeteld.


Vrijdenkersvereniging De Dageraad

Dat Ris bovendien, ondanks zijn lidmaatschap van deze club , zijn leven lang een beroep bleef doen op de Armenkas van de Doopsgezinden, was ook niet duidelijk.
In een gesprek met Eduard Douwes Dekker over het werkliedenbudget, klaagde Ris dat een werkman nooit vlees at.
Maar dat was voor wat Ris zelf betreft twijfelachtig.
Eén van zijn beste kameraden uit de arbeidersbeweging was slager Albert Hofman uit de Spuistraat.
Die zal zijn vriend echt wel af en toe een stukje vlees toegeschoven hebben.
In september 1885 verdiende een arbeider volgens Ris fl.9,- tot 10,- per week bij een huur van fl. 5,-.
Toen molenaar Van Gelder stierf verloor Klaas Ris zijn baan.
Anderen zeggen dat hij vanwege zijn geruchtmakende optreden na het Kermisoproer na 26 jaar ontslagen werd.

Ris woonde de door Dr.S. Sarphati georganiseerde bijeenkomsten in het Paleis voor Volksvlijt bij.
Naar aanleiding van de eerste vergadering schreef hij: Een woord over voor en tegen arbeidersverenigingen.
Hij vond dat een kwartje entree veel te hoog en behalve dat vertrouwden de arbeiders de hoge heren die in de vergaderingen het woord voerden niet.
Het organiseren van vakverenigingen was tot 1872 verboden.
Ris vond dat patroons een vakvereniging moesten oprichten om samen afspraken over de lonen te maken.



Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen


Ris steunde het idee van een woningbouwcoöperatie. In november 1868 werd die opgericht op initiatief van onder anderen Ris, de drukker F.W. Vislaake en de metselaar Jan Fortuyn de vader van Jan Antoon Fortuyn.
Na betaling van inleggeld en een wekelijkse bijdrage van tien cent kon men een aandeel krijgen, na inloting een huisje in de 'dubbeltjesbuurt' huren en na twintig jaar eigenaar worden.
De leden stroomden met duizenden toe, de dubbeltjes begonnen zich op te stapelen, maar al snel rolden de bestuurders over straat, elkaar openlijk beschuldigend van fraude en diefstal.
De integriteit van Klaas Ris werd door niemand in twijfel getrokken, maar heel toevallig was het natuurlijk wel dat in 1873 één van de eerste gereed gekomen woningen van de Bouwmaatschappij, gelegen aan een doodlopend zijstraatje van de Mauritskade, bij loting toeviel aan de familie Ris.
In 1871 legde de arts H. Zeeman, vrijmetselaar en meester van de loge La Charité, de eerste steen voor dat eerste huisje.

Ris was lid van een boeket aan verenigingen en commissies waarvan hij vaak ook de voorzitter was.
Zoals: de Gemengde Vereeniging van de sectie Amsterdam van de Eerste Internationale, de Commissie tot Opwekking van het Vereenigingsleven, de Bond van Houtzaagmolenaarsknechts, het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond en de Democratische Vereniging voor Algemeen stemrecht.

In 1878 werd Ris lid en bestuurder van de Sociaal-democratische Vereniging in Amsterdam en in 1881 bestuurder van de net opgerichte Sociaal-democratische Bond.
Hiervan was Ris één van de kandidaten als voorzitter ondanks dat hij al 62 jaar was. Het werd echter de veel jongere
J.A. Fortuyn.
In de SDB werd Ris gewaardeerd als voorzitter van vergaderingen en spreker.
Ongedwongen stond hij te spreken. Zijn forse figuur schuins naar het publiek gekeerd. Meestal in een blauwe kiel en loshangend jasje, zijn pet in zijn linkerhand, de rechterhand opgeheven, zo sprak hij zijn gehoor toe.
Hij sprak ironisch en scherp, maar altijd met overtuiging, een echte gevoelssocialist.
Ris die hard moest werken viel tijdens vergaderingen wel eens in slaap.
Wanneer hij dan wakker schrok, riep hij uit: 'Het volk is ontwaakt, de strijd kan beginnen'.
Beter dan aan oorlogvoeren in Atjeh moest de regering het geld besteden om de werkloosheid op te lossen.
Werklozen konden geen kant op.



Karl Marx spreekt

Een enkele keer voerde Ris zelf niet het hoogste woord, zoals op 8 september 1872, toen Karl Marx in zaal Dalrust, waarschijnlijk het tegenwoordige café- restaurant De IJsbreker, vlak bij het Amstelhotel, zijn eerste en enige spreekbeurt in Amsterdam hield.
Het ging over de verheffing van den werkman, vernietiging van Kapitaal, aanmaning tot samenwerking om daartoe te geraken. Men sprak over de 'IJsbrekerkliek' en de Amsterdamse Sowjet, waar David Wijnkoop deel van uitmaakte.
De belangstelling van het publiek viel tegen, er waren ongeveer honderd mensen.
De arbeiders kwamen voor amusement en grappen ten koste van de Burgemeester en Wetsverdraaiers.
Diepzinnige ideologische toespraken of scherpe politieke analyses hoefde niet.


Ris wordt in de gaten gehouden
Politiespion J.A. Hazenberg
vond het optreden van Ris maar niks:
"Er werden allerlei flauwe aardigheden gedebiteerd, geheel afwijkende van de te behandelen zaak"
, rapporteerde hij.
Het ontstaan van de Sociaal-democratische Bond rond 1880 was in Amsterdam mede te danken aan het publieke rumoer dat Ris had veroorzaakt.
Als veteraan en nestor trad de oude Ris tot deze nieuwe beweging toe, maar al snel zouden nieuwe, jongere krachten zijn plaats in de voorste rijen innemen.
Ris kreeg een nieuwe rol als eerbiedwaardig vertegenwoordiger van het oude geslacht.



Een petroleumkar met een ezelinnetje er voor

Toen Ris wegens zijn opruiende acties werkloos geworden was timmerden zijn kameraden een karretje en kochten een trechter en een voorraad petroleum, zodat hij als petroleumventer in de Jordaan als kleine zelfstandige een nieuw bestaan kon beginnen.
Ze schreven de ledenlijst van de bond voor Ris over en zorgden ervoor dat elk lid een brief kreeg waarin die aan zijn solidariteitsplicht werd herinnerd om petroleum bij Klaas te kopen.
Ris begon vol moed aan zijn nieuwe werk. Maar het aantal leden was niet groot en het was over de gehele stad verspreid: hij moest soms een half uur lopen om van de ene klant naar de andere te komen.
Toen het trekken van de kar te zwaar werd, Klaas kon de kar onmogelijk alleen de vele Amsterdamse bruggen opduwen, timmerden een paar handige jongens bomen aan de kar. Anderen gingen op stap om een gezonde, niet al te veel etende, ezel te zoeken.
Ze vonden een kleine grijze ezelin, die zo vervaarlijk kon balken en zo vlug en onvermoeid haar hoefjes op de keien liet tokkelen, dat ze een grote plaats in de harten van alle partijgenoten ging innemen.
Klaas, als dierenvriend, kon hele gesprekken met haar voeren. Als ze zijn stem hoorde, flapperde ze met haar slordige oren van genegenheid
Vanuit zijn woning, Anjeliersgracht 236, nu 496, ging hij met zijn petroleumkar vele jaren van deur tot deur.
Een jongere partijgenoot uit de Hazenstraat herinnerde zich: "Het was een gekke kerel, wanneer hij een vrolijke bui had bracht hij, tot ontsteltenis van mijn moeder, zijn ezeltje bij ons tot in de huiskamer".
In 1889 verdiende hij fl. 7,- tot 8,- per week en betaalde fl. 4,50 huur, inclusief een afdak voor zijn petroleumkar en ezel.
Ris werd een populaire verschijning in Amsterdam.
Hij was de hele dag, van de vroege ochtend tot de late avond 'onder de mensen', hoorde hun klachten, leerde hun moeilijkheden kennen als geen ander, en gebruikte deze kennis van het arbeidersleven in zijn redevoeringen, die hij tot op hoge leeftijd bleef houden.
Toen hij, door het bezit van een ezel, onder de bepalingen van de kieswet stemgerechtigd werd, liet hij niet na dat op vergaderingen breed uit te meten.
Jan van Zutphen, de bestuurder van de Diamantbewerkersbond, spotte dat Ris daarom ook maar precariobelasting moest betalen.
Ris vroeg zich af wie dan kiezer was, hij of de ezel?


Zijn graf
Toen Klaas Ris op 79-jarige leeftijd in februari 1902 overleed, zamelden de Amsterdamse socialisten geld bijeen voor een monumentaal graf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.
De enorme steen was voorzien van een uit steen gehouwen portret van de karakteristieke kop van Klaas Ris, een welverdiende lauwerkrans en de bede "Zijn geest leve voort".
Om het graf en de gedenksteen voor het nageslacht te bewaren, werd het graf in 1950 door de Partij van de Arbeid aangekocht, waarna de inmiddels verwijderde gedenksteen werd gerestaureerd en teruggeplaatst.



> naar boven
> terug naar Arbeiders in Beweging
> terug naar Jordaan index


> Aanvullingen en verbeteringen graag hier

Bronnen
o.a.
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, IISG /