de Jordaan


> Jordaan index

> recht en orde
> het nieuwe werck
> onderwijs

> cultuur


tussen taal en beeld het Volkspark en
gebouw Constantia

Bijeenkomsten in het Volkspark

Het volkspark was een rommelige verzameling houten loodsen van een voormalige kartonnagefabriek.
Het park was eigenlijk een vervallen speeltuin iets buiten de stad in het verlengde van de Bloemgracht, op de plek waar nu de Hugo de Grootbuurt is.
Bij de ingang stond een groot huis van steen, waar de beheerder van het terrein zou komen te wonen en waar kleinere bestuursvergaderingen gehouden konden worden.
De loodsen waren geen van allen waterdicht maar er werden toch de bijeenkomsten van de Sociaal Democratische Bond gehouden.
In de grootste was een podium waar vergaderd werd bij het spaarzame licht van petroleumlampen.
Het karakter van het Volkspark als een vrijplaats werd nog versterkt door het afgesloten karakter van het terrein, omgeven door een droge sloot en struikgewas.



De enige toegang was een brug die door een hoog ijzeren hek was afgesloten.
Een oud stenen tuinhuisje deed dienst als loket.
Wie hier binnen kwam stapte in een andere wereld.
Het was de enige plek waar Jan Antoon Fortuyn ruimte kon huren.
De meeste zaalhouders weigerden, onder druk van de politie, aan de 'socialen' vergaderruimte te verhuren.




Politiespion
Minstens achtduizend Amsterdammers waren opgekomen om Domela Nieuwenhuis te begroeten en naar hem te luisteren maar slechts de bijna tweeduizend in de grote zaal konden zijn rede horen.
Hij sprak over de ergernis der machthebbers die de stroom destijds niet hadden kunnen keren, en de grond onder hun voeten voelden wegzinken.
Tijdens een toespraak van Domela Nieuwenhuis stond altijd een politieman met zijn handen op zijn rug toe te kijken.
'Wanneer gij voortgaat de regering te belasteren, zal ik verplicht zijn de vergadering te ontbinden' was steevast het motto van de commissaris van politie.

Op een kwade dag hoorde men buiten een revolverschot.
Door de ramen zag men arbeiders in paniek vluchten. Politieagenten, met getrokken sabel rende heen en weer.
Paniek maakte zich ook meester van de mensen die in zaal waren opgesloten.
Domela probeerde door te spreken, maar het was onbegonnen werk.
Stoelen vielen om, de eerste mensen vluchtten en sleepten anderen mee.
Fortuyn, die voorzitter van de vergadering was, liet zijn hamer met een geweldige roffel op de tafel neer donderen. 'Ga zitten!' schreeuwde hij. 'Geen paniek! Er is niets aan de hand!'
Maar de menigte was niet meer te houden. De voorste rijen probeerden over het toneel uit de val van de zaal te komen, anderen drukten de zijramen in en vluchtten daardoor naar buiten.
De kern van geharde partijgenoten, door de hele zaal verspreid, kreeg na enkele minuten de situatie weer in de hand. Langzaam keerde de rust terug. De mensen gingen weer zitten, de stem van Fortuyn werd opnieuw hoorbaar.
'Kameraad Geel heeft op commissaris Stork geschoten. Hij heeft gemist, is gearresteerd en weggebracht.'
De kogel had een gat in zijn hoed had gemaakt en was vervolgens in de houten wand terecht gekomen.


Colportatie
Op de zaterdagavonden werd met veel kabaal Recht voor Allen, het blad van de Sociaal Democratische Bond verspreid.
In de volksbuurten huisden veel grote gezinnen op één kamer of in vochtige kelders.
In de Jordaan, een eilandenrijk met modderpoelen, waren hele straten werkloos.
Het fascinerende van Waarachtige Volksvrienden waren de sterke familie- en buurtbanden die deze vroege socialisten bij elkaar hielden.
Vrijwel zonder uitzondering woonden en werkten de socialisten in het westelijk deel van Amsterdam - met name in de Jordaan - en hun acties bereikten hooguit de Dam of het huis van de burgemeester aan de Keizersgracht.
De voornaamste verzamelplaatsen waren wijkcafés, koffiehuizen en het Volkspark.
Na de sloop van het Volkspark in 1891 nam gebouw Constantia aan de Rozengracht de functie van socialistenhol over.


Gebouw Constantia [1890]


Gebouw Constantia Rozengracht / Toespraak Domela Nieuwenhuis

De socialisten en de Jordaan
Nadat het Volkspark plaats moest maken voor de bebouwing van de Staatslieden- en Hugo de Grootbuurt, gingen de partijgenoten met 30 cent per week, sparen voor een eigen vergadergebouw.
De bekende schrijfster en feministe Wilhelmina Drucker leende de helft van het aankoopbedrag aan de bond uit.
In de zomer van 1890 was het dan eindelijk zover.
Op de zojuist in 1889 gedempte Rozengracht was op nummer 152 een gloednieuw, smal maar diep gebouw verrezen.

Op deze plek stond eerst de katholieke kerk De Zaaier en nu de Fatih moskee.
Voorwaar een mooi voorbeeld van 'recycling' van plaatsen waar gelovigen toegesproken worden.


Beneden was de inpandige grote zaal met een zuilenrij en een tribune.
Een trap ging naar de eerste en tweede verdieping waar twee kleinere zalen waren.
Op de derde verdieping was de woning van conciërge Jacob de Boer.
Dat waren twee kamers en een keuken, verbonden door een doorgang met bedstede.
Partijgenoot Joan Nieuwenhuis had de bouwtekeningen gemaakt.

Standvastig
De opening werd verricht door Domela Nieuwenhuis samen met de zeventigjarige Klaas Ris.
Hij gaf het de naam Constantia, dat betekent standvastigheid.
Een mooie naam! Ja, standvastig moeten wij blijven voortgaan'. En voort ging het.
De keuze voor de Rozengracht was heel gelukkig.
Na de demping werd het een drukke verkeersas tussen het centrum en de nieuwe arbeiderswijken in het westen van de stad.
Tot op de dag van vandaag trekken demonstraties van de Dam via de Rozengracht naar het Museumplein.

Nicolaas Tetterode, directeur van de lettergieterij op de Bloemgracht, woonde van 1857 tot 1878 aan de Rozengracht, op de plaats waar nu de Fatih moskee is. Het zal hem niet erg hebben bevallen dat zijn vroegere huis werd gesloopt voor de bouw van 'Constantia'. In 1890 leidde de bewustwording van de arbeiders er namelijk toe dat de lettergieters weigerden dat een niet-lettergieter door de directie, Nicolaas en zijn zoon Jan, tot hun chef werd benoemd. De directie concludeerde dat er gestaakt werd en collectief ontslag volgde, wat Domela Nieuwenhuis in Recht voor Allen deed schamperen dat dat wel erg makkelijk was: je ontslaat de stakers en er is geen staking meer.


Hier is de SDAP
De meest geruchtmakende vergadering in Constantia was op 1 oktober 1894 toen de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij in aanwezigheid van Troelstra gepresenteerd werd.
Er was geschreeuw en getier, maar het liep toch goed af.
Het was verder wel een gezellige vergaderplek.
Men nodigde zelfs wethouder Treub uit om te vertellen wat die toch tegen de socialisten had.
Een smid riep op die bijeenkomst: "Met die geleerdheid van die meneer heb ik niets te maken, maar ik weet dat hij het liegt Gvd".
Treub werd geen haar gekrenkt
.

Het hol van den leeuw

De beruchte meeting in Constantia, waarmede de pasgestichte SDAP haar opwachting zou maken binnen "Amstel's veste en trouwe burgerij", zal mij ook niet licht uit het geheugen gaan, al heb ik van de tooneelen die daar werden afgespeeld ook niets met eigen oogen gezien, aldus schreef Henri Polak.
"Fortuyn en ik waren belast met het innen der entrees.
Zittende in het lokethokje merkten wij alras, dat, hoe de zaak ook mocht loopen, het financieele succes verzekerd zou zijn.
De dubbeltjes stroomden binnen; er was haast geen bijhouden aan.
Het aantal "werkeloozen", dat, naar gewoonte, vrijen toegang kwam vragen, was ditmaal bijzonder groot.
Doch Fortuyn toonde zich bijzonder sceptisch en wilde aan die plotseling ingetreden werkeloosheid geen geloof hechten.
Allen moesten betalen, decreteerde hij; en wie geen dubbeltje had, moest het voor dien avond maar zonder meeting zien te stellen.

De zaal was berstensvol
Enkele nakomers moesten nog geholpen en het ontvangen geld voor de goede controle geteld worden.
Fortuyn en ik bleven dus in ons loketje aan het werk.
Intusschen was de vergadering aangevangen en al heel gauw begonnen onheilspellende geluiden tot ons door te dringen.
Fortuyn, die op dat gebied een fijnen neus heeft, zeide toen tot mij: "Weet je wat wij doen? Wij pakken dat zoodje maar gauw ongeteld in en brengen het als de bliksem bij mij thuis in veiligheid; want dat zaakie loopt hier nooit goed af en dan kun je nooit weten wat er gebeurt."
Dies pakten wij het zoodje in en sjouwden het naar Fortuyn's huis in de Nieuwe Leliestraat.
Toen ging ik terug naar de Rozengracht.
Constantia binnenkomen, daaraan viel niet te denken. Ik bleef dus voor de deur ronddrentelen.
Weldra voegde Poutsma zich bij mij, die ook geen toegang tot de zaal had kunnen krijgen.
Van enkelen die naar buiten kwamen vernamen wij, dat het binnen een "pan" was.
Er hadden meer dan heftige debatten plaats, men had grievend beleedigende dingen naar het hoofd dersprekers geslingerd, er was gevochten, er was met een mes gestoken enz. enz. Poutsma en ik probeerden de zaal binnen te komen, doch vruchteloos".

Voorlopig geen sociaal democratische beweging

"Hier en daar ontmoetten wij groepjes "revolutionairen", die evenmin als wij binnen de zaal hadden kunnen komen.
Een van die groepjes werd aangevoerd door iemand die thans tot onze beste partijgenooten behoort, doch die mij toen een pak slaag presenteerde, waarvoor ik echter beleefd bedankte.
Even later stuitten wij op een ander soortgelijk groepje, dat blijkbaar geen heil zag in mondelinge aanbiedingen, doch op staanden voet den aanval begon.
Poutsma en ik verweerden ons echter geducht, doch zouden niettemin het onderspit gedolven hebben, daar van alle kanten "revolutionaire" hulptroepen opdaagden, als niet een detachement politie, met versnelden pas aanrukkende, aan het gevecht een einde had gemaakt.
Enigszins gehavend zwierven wij toen nog een poosje rond en bemerkten daarop, dat onze mannen het gebouw reeds verlaten hadden. Later bleek, dat dit door een achteruitgang was geschied. Wij begaven ons huiswaarts, diep terneergeslagen en in de stellige overtuiging dat er in geen vijfentwintig jaren aan een sociaal-democratische beweging te denken zou zijn, althans niet in Amsterdam".


Berichten uit de oertijd
Als wij onze S.D.A.P. in een verloren oogenblik zoo eens rustig aanzien, met haar honderdtal afdeelingen, met haar stedelijke, districts- en gewestelijke federaties, met haar dagblad en vele weekbladen, met haar zeven kamer- en vele gemeenteraadsleden, met haar bezoldigen secretaris en propagandisten, met haar beduidenden invloed op de vakorganisatie en op het politieke leven, met haar coöperatieve inrichtingen en haar eigen gebouwen - dan is het voor ons "ouwetjes" nauwelijks te gelooven, dat het pas tien jaren geleden is, dat wij in Amsterdam stonden met een goed dozijn "parlementairen" tegenover een overstelpende massa "revolutionairen" en dat alléén te Utrecht iets te vinden was, dat op een sociaal-democratische beweging leek.

Hoe versch liggen nog in ons geheugen de tooneelen, afgespeeld in Constantia, gedurende de periode liggende tusschen het verschijnen van De Nieuwe Tijd en de oprichting der S.D.A.P., de hevige twisten, die vaak in handtastelijkheden eindigden, de ruzievergaderingen, de beruchte Constantia-meeting, de smaad- en scheldwoorden en het hoongelach dat den pioniers onzer Partij aan alle kanten ten deel viel.
Het zijn enkele herinneringen uit die dagen, welke zoo veraf schijnen en toch nog zoo kort geleden zijn.
Ze mogen tot stichting en vermaak der jongere partijgenooten dienen, die deze woelige periode slechts bij overlevering kennen.

De groote zaal van Constantia was vol
"Een onheilspellende stilte hing in de unheimische, sombere ruimte.
De gewone huishoudelijke-vergaderings-formaliteiten werden vlug afgedaan en toen... toen stond Cornelissen op, bekom het tooneel, nam het potlood ter hand waarmede hij gewoon was zijn argumenten de zaal in te prikken, schudde zijn zwarte lokken even in bevallige wanorde, schoof zijn opengewerkte lavallière recht, zette zijn gezicht in den gebruikelijken let-'s-op-hoe-handig-en-slim-ik-ben-plooi, deed zijn gluur-oogjes glundertjes glinsteren en stak van wal, om de acte van beschuldiging tegen Troelstra en De Nieuwe Tijd voor te dragen.

Toen hij met dat karreweitje, onder luid applaus van de vrienden, gereed gekomen was, werd zijn plaats ingenomen door Coltof, den onuitsprekelijken Coltof, den joodschen jodenhater, den smeder van eigen, en ontmaskeraar van anderer intriges, die over het zakelijke betoog van Cornelissen het gebruikelijke vuile moddersausje uitstortte, ten einde het gerecht voor de liefhebbers des te smakelijker te maken.
Daarna kwam Domela zelf om de deur dicht te doen.
De wijze waarop dit geschiedde (het recept is onveranderd gebleven tot op dezen dag) kan geacht worden bekend te zijn.
Eindelijk was het woord aan Troelstra, die zich tegen al het moois, in het midden gebracht door het edele driemanschap Domela-Coltof-Cornelissen, zoo goed mogelijk verweerde en ten slotte de situatie vergeleek bij die uit Schiller's treurspel "De Roovers".
Domela was daarin de oude heer Moor; Cornelissen was Frans Moor, de lief-doende, kruiperige, valschaardige zoon.
Troelstra zelf, was Karl Moor, de eerlijke, oprechte zoon, die den vader dorst te weerstaan, doch hem oprechtelijk, zonder bijbedoelingen liefhad".


Tumult van belang
"Er werd sterk geapplaudisseerd eener-, gefloten, gejouwd en geschreeuwd anderzijds.
Midden in het kabaal sprong Cornelissen op het tooneel, waar Troelstra nog steeds stond, en begon tegen dezen uit te varen, zonder zich echter onder al de herrie verstaanbaar te kunnen maken.
Onder deze scène was ook Domela op het tooneel gekomen en stond tusschen de beide combattanten te oreeren, doch werd evenmin gehoord, daar de aanwezigen zich middelerwijl in twee kampen hadden verdeeld, die elkander bekrijschten en op het punt stonden handgemeen te worden.
Te midden van dien chaos, toen het pandemonium op zijn hoogst was, weerklonk plotseling een fel-ratelende donderslag.
Men had door al het rumoer niet op het naderen van onweer gelet.
Het lawaai verstomde een oogenblik.
Temidden van de stilte die er nu was, braken een paar ruiten in de lantaarn boven het tooneel, die neerkletterden achter de drie hoofdpersonen, op wie plotseling klaterende regenstroomen vielen.
Donderslag op donderslag dreunde en daverde nu door de zaal, alle andere geluiden overstemmend.
De regen plaste in dikke stralen op het tooneel en rommelde neer op het zinken dak.
Het zaalrumoer van twistgeschreeuw stak ook weer op, werd feller en feller, totdat het eindelijk een onverdragelijk geloei werd.
En in dien woesten geluiden-chaos verliep de vergadering, zonder dat was uitgemaakt wie nu eigenlijk Frans Moor en wie Karl Moor was".


Zangvereniging Voorwaarts
Er bestond in die dagen - misschien dat zij nog bestaat - een gemengde zangvereeniging, "Voorwaarts" geheten.
Op een goeden dag legde haar muzikale leider zijn functie neer en het bestuur slaagde er niet in, een plaatsvervanger te vinden; het was destijds zoo goed als onmogelijk een musicus te ontdekken, die zijn naam wilde verbinden aan een socialistische vereeniging.
Repetitiën konden dus niet meer plaats hebben en dientengevolge dreigde de vereeniging totaal te verloopen.
Ten einde raad kwam het bestuur mij vragen, of ik genegen was de leiding op mij te nemen. Ik had zulk een zaakje nooit bij de hand gehad en aarzelde dus wel eenigszins; doch de nood was aan den man en dus besloot ik het er maar op te wagen. Geruimen tijd ging alles goed. De repetitiën vlotten best. Bij verschillende gezellige bijeenkomsten enz. werkte het koor onder mijn leiding mede en uiteindelijk gaf de vereenig een concert, bij welke gelegenheid mij een fraaie ebbenhouten, met zilver versierde dirigeerstok werd aangeboden, als blijk van waardeering voor mijn belanglooze diensten.

Weggejaagd ad majorem Domelae gloriam
"De afdeeling Amsterdam van den Sociaal-Democratischen Jongelingsbond zou in Constantia haar jaarfeest vieren.
De avond van het feest was dààr en ik maakte mij thuis gereed om naar Constantia te gaan en mijn muzikale plichten te vervullen.
Daar werd gescheld; mijn vrouw opende de deur en liet binnen een partijgenoot van zeer Domelistische kleur, vader van een meisje dat in mijn koor zond.
Deze man, een vierkante, eerlijke kerel, kwam mij vertellen, dat het koor dienzelfden middag een geheime vergadering had gehouden, waarin besloten was, dat als Domela dien avond gesproken zou hebben en ik voor het koor zou staat om het Vrijheidslied te doen zingen, de voorzitter uit de rijen der zangers naar voren zou treden om mij te zeggen, dat men van mij niet meer gediend was en dat ik op staanden voet kon vertrekken.
Mijn zegsman had dat van zijn dochter vernomen en daar hij vond dat ik van den kant der zangvereeniging zulk een schandalige behandeling niet had verdiend, kwam hij mij waarschuwen".

"Inderhaast ingewonnen inlichtingen bevestigde 's mans mededeelingen.
Er daar ik geen trek had voor het front der troepen te worden weggejaagd ad majorem Domelae gloriam, pakte ik gauw mijn mooien dirigeerstok in het étui, schreef een briefje aan het bestuur waarin ik zeer vormelijk bedankte voor het directeurschap en zond een en ander per kruier naar Constantia, waar geween en tandengeknars was omdat het mooie plannetje zoo jammerlijk was mislukt en men mij den voorgenomen "loer" niet had kunnen "draaien".
En zoo werd mijn muzikale carrière wreedelijk vernietigd en ben ik in plaats van een beroemd dirigent, een vakvereenigings-baantjesjager geworden.
Sic transit.... "


Hypotheekschuld
De exploitatie van Constantia was sinds de bouw in handen van de Amsterdamsche Arbeiders-Maatschappij, een coöperatieve onderneming die voornamelijk zorg droeg voor het bakken van socialistisch brood.
Binnen het bestuur van de AAM nam Fortuyn een vooraanstaande positie in.
Hij gold als een onomstreden organisator en zakelijk leider van de beweging.
Fortuyn was als enige vooraanstaande socialist uit de Jordaan lid geworden van de SDAP en daarmee was hij voor zijn voormalige partijgenoten een verachtelijke overloper.

Begin 1899 besloot het bestuur van de AAM op aandringen van Fortuyn dat de exploitatie van Constantia niet langer te verantwoorden viel. De tekorten waren echter niet veroorzaakt door Constantia maar door de volksbakkerij.
Zakelijke argumenten maakten in de Jordaan geen indruk. Er was een hypotheekschuld.
De laatste vergadering werd er op 16 april 1899 gehouden.


Jezu´etenstreek
Toen bleek wie zich tijdens de veiling van het gebouw had weten meester te maken was de boot helemaal aan. De rode burcht bleek verkocht aan het Roomse kerkbestuur van de St. Ignatiusparochie, Jezu´eten nog wel.
Kerkmeester J.A.A. Grijpink, kaashandelaar, kocht het gebouw op eigen naam voor f. 30.100,- en verkocht het voor diezelfde som aan het kerkbestuur van de Zaaier. Hij had eerst driftig tegen een dominee van de Afgescheidenen zitten opbieden.
Zo kon, nog juist vóór het einde van de 19e eeuw de eerste katholieke kerk in 'de Jordaan' worden gesticht op de plek waar eerst het oproer kraaide.


> naar boven

> terug naar Arbeiders in Beweging
> terug naar Jordaan index


> Aanvullingen en verbeteringen graag hier


Bronnen
o.a.
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, IISG /