
Het
bierhuis De Leeuw van Waterloo aan het Waterlooplein
Hop,hop,hop,
Hang de socialisten op
Het 22 februari 1887. Op het Waterlooplein valt een oranjegezinde menigte
het café van de socialist Paulus Jacobus
Penning aan. Jordaners moeten
niets van socialisten hebben.
Penning is actief in de vrijdenkersbeweging, de Eerste Internationale
en de Sociaal-Democratische Bond en bovendien caféhouder voor
de beweging.
De Leeuw van Waterloo was een van de weinige vergaderplaatsen van de
socialisten.
Zestig agenten konden niet voorkomen dat men het café plunderde.
Het was ook mogelijk dat de agenten eigenlijk geen vinger uitstaken
om dat te voorkomen.
De socialisten klommen gewapend met revolvers op het biljart.
Burgemeester van Tienhoven
vond het wel prachtig dat de jeugdige orangistische heethoofden de aanhangers
der 'zogenaamde' socialistische beweging te lijf gingen.
Veel deelnemers aan de aanval waren antisocialistisch gezinde joodse
buurtbewoners, die wellicht ook handelden uit afgunst ten aanzien van
de welgestelde Penning, die geen vergoeding kreeg voor de aangerichte
schade maar van de veelsoortige gebruikte projectielen een kolom bouwde
die hij midden in het café plaatste en die veel bekijks trok.
In zijn verdere ontwikkeling volgde Penning, Domela in diens langzame
ommezwaai naar het anarchisme.
Verslag
van een ooggetuige
'De troep hield stand, zwaaide met de vlaggen boven het hoofd der
mannen, die op de stoep stonden; het bekende lied werd gezongen, en
eindelijk een ruit boven hun hoofden ingeslagen.
De menigte drong op.
Al vechtende werd de stoep ontruimd, en nu werden die zelfde vlaggenstokken,
waaraan de Nationale driekleur en die van het Vorstenhuis waren gehecht,
gebruikt om al de glazen, zover men die kon bereiken, in te slaan.
Toen dit ongeveer een klein kwartier geduurd had, en de woedende menigte
storm begon te lopen op de gesloten deur, zond een ons bekend persoon,
ten einde te voorkomen, dat er wellicht een afgrijselijker toneel zou
plaats hebben, iemand naar den dichtstbijzijnde politiepost om hulp.
Deze
kwam opdagen: een brigadier en vijf agenten. De brigadier trok zijn
sabel, de agenten drongen het volk van de deur weg, de vlaggen, enigszins
gehavend, bleven echter omhoog steken, en daarop beval de brigadier
de menigte om haren weg te vervolgen.
Er werd niemand gearresteerd'.
De
politie was te voren gewaarschuwd
Dit blijkt uit een telegrafisch bevel van den Hoofdcommissaris aan de
commissarissen der secties, getekend 2 uur 55, Dinsdag 22 Februari 1887,
luidende als volgt:
'Met het oog op gebeurlijkheden als voortzetting van de zoogenaamd antisocialistische
beweging van gisteren avond, zullen heden avond van 7 uur af aan ieder
sectiebureau een 10 tal agenten, een brigadier en inspecteur gereed
moeten gehouden worden om terstond zonodig handelend te kunnen optreden.
Heren Commissarissen van Politie worden uitgenodigd indien zich optochten
mochten trachten te vormen, te trachten de deelnemers daaraan van hun
voornemen te doen afzien en voorts met de meeste gematigdheid te doen
naar omstandigheden; zo nodig kunnen rondes worden ingehouden of ook
de minst nodige vaste posten worden ingetrokken'
Uit het dagrapport
van de politie blijkt dat men het Waterlooplein
in het oog hield. Van 's middags twaalf uur tot 's avonds half negen
gebeurde er niets bijzonders. Alleen was het er voortdurend vrij vol
met groepen jongens en mannen.
Het blijkt intussen dat niet alleen de hoofdcommissaris beducht was
voor onlusten in het algemeen; de commissaris van de derde sectie, die
schuin tegenover het café van Penning zijn bureau heeft,
vreesde zeer speciaal wanordelijkheden in zijn district.
Reeds om 12:50 telegrafeert hij aan zijn chef:
'Acht u het goed dat ik heden avond met het oog op mogelijke herhaling
van ongeregeldheden door intrekken van rondes en niet hoog nodige posten,
enige reserve aan mijn bureau verenig?'
De
stemming van de politie
Rechercheurs rapporteren dat men bij Penning voornemens is een uitval
te doen naar aanleiding waarvan versterking naar plein is gezonden om
het publiek kalm uiteen te doen gaan, en geen dreigende houding aanneemt.
Het is dus niet genoeg dat de ruiten zijn ingeslagen, dat twee dagen
lang de straat weergalmd heeft van bedreigingen, hier en daar reeds
door daden vergezeld, neen, er moet nog meer gebeuren om de handhavers
der orde te overtuigen dat de verstoring niet van den kant der socialisten
zou komen.
Nog steeds zijn zij het op wie men het oog geslagen houdt, de hand aan
den sabel.
Intussen werd het in den omtrek van het café steeds woeliger.
De leider seint om half elf aan al zijn ondergeschikten:
'een groote volksmenigte zijn op 'Willemsstraat geweest en zijn aangesproken
om kalm en fatsoenlijk hun weg te vervolgen, waarop werd geantwoord:
dan gaan we naar Waterlooplein en zijn gegaan: Haarlemmerdijk en Haarlemmerstraat.'
Er wordt niets gedaan om deze menigte op het plein behoorlijk te ontvangen
of onderweg te verstrooien.
Ook de bewindvoerder van de betrokken sectie ziet niets dan de socialisten.
Hij telegrafeert naar het hoofdbureau om 10:33:
'zooeven kom ik van het plein merkende dat het bij Penning nog al vol
was en hoor dat vele met queues in de hand staan om zich bij het uitkomen
zoo noodig te weren.'
Men zou kunnen opmerken dat deze lieden inderdaad geen andere keus hadden.
Hoe dit zij, het plein werd al voller, en natuurlijk niet kalmer.
De bevelvoerende commissaris had om , assistentie verzocht, 'daar de
menigte steeds aangroeit', en van zijn superieur ook werkelijk acht
dienders ontvangen. Deze acht mannen zullen waarschijnlijk acht reuzen
zijn geweest.
Tenslotte om 11 uur en 20 minuten, begint het lieve leven. De leider
krijgt deze tijding van de derde sectie:
'Een groote volksmenigte bevindt zich op het Waterlooplein, er worden
schoten gelost. Verzoeke assistentie.'
Te laat!
Men ziet dat geen hand is uitgestoken om het plein te ontruimen.
Na al wat er voorgevallen was, na de officieel uitgesproken vrees voor
herhalingen door de politie zelve, klinkt de depêche van 9:50
van de derde sectie aan het hoofdbureau, tenminste zéér
liefelijk:
'ik heb last gegeven het publiek uiteen te doen gaan, waaraan rustig
en kalm zacht aan gevolg werd gegeven!'
Beschrijvingen van verslaggevers:
Het Handelsblad, de Amsterdammer, de Amsterdamsche Courant en De Echo
plaatsen ronkende artikelen.
Ook thans scheen de politie niet te vermoeden, wat deze bende in den
zin had, want de kring der omstanders werd opnieuw verbroken en de troep
schaarde zich voor De Leeuw van Waterloo .....
Verdraaiïng van de feiten
Ieder zal na het lezen van dit viertal kranten tot het besluit komen,
dat de schoten der koffiehuisbezoekers gevolgd zijn op aanvallende daden
van de anderen.
Er is verschil over de bijzonderheden waaruit die aanvallen zouden hebben
bestaan.
De Amsterdammer heeft het rammeien van de deur niet gezien, evenmin
als de Amsterdamsche Courant.
Dit bewijst niet, dat het niet gebeurd is, want én het Handelsblad
én de Echo noemen zelfs, en met dezelfde woorden,
de instrumenten die de belegeraars zouden gebruikt hebben.
Er is door B en W een administratief onderzoek
ingesteld
Dat onderzoek heeft andere uitkomsten opgeleverd dan hetgeen in de bladen
is meegedeeld.
Er volgt de befaamde insinuatie dat de verslaggevers niet normaal waren.
Met een kort en niet zeer duidelijk woord spreken B. en W. nu over hún
resultaten.
Penning heeft de menigte getart en de raadgevingen der politie in den
wind geslagen.
Kan men de socialisten kwalijk nemen, dat zij bij onze overheid menen
bij den duivel te biecht te gaan?
Om te bewijzen dat de vrienden van Penning de aanvallers waren, redeneren
B. en W. als volgt:
Misschien waren de 'eerste steenworpen' het sein van geestverwanten
dat zij de belegeraars in den rug zouden aanvallen.
Denkt de Burgemeester niet dat men met evenveel recht zou kunnen zeggen:
vermoedelijk heeft de Heer Van Tienhoven
zelf het kogelfleschje in de glazen gesmeten? Waar zouden die hulptroepen
dan gebleven zijn?
Gooit men iemand zijn glazen in om hem te waarschuwen? en dat eenige
sekonden achter elkaar.
Al maar seinen?
Een zonderling sein-toestel.
'Méer dan waarschijnlijk' achten B. en W. het verder, dat
de schoten wéér signalen zijn geweest.
Zo zijn, in deze eerste phase van de strijd, alle feitelijkheden door
de sociaal-demokraten gepleegd...
Heeft men geen recht om deze ridicule en schandelijke verdraaiing van
de waarheid, die door vier getuigen met groote eenstemmigheid is gestaafd,
schandelijk en ridicuul te noemen?
Het bombardement, dat moeilijk ronduit te loochenen viel, wordt op deze
wijze verklaard.
Wel zijn de socialisten met steenen gegooid maar dat deden andere socialisten.
Wat is er werkelijk gebeurd?
De bezwarendste getuige, berichtgever van het
Handelsblad werd door B en W 'verhoord', zoals hij voor de rechtbank
later verklaarde.
De uitslag was, dat hij niet gezien had wat hij had gezien.
De vraag blijft over, wie deze reporter gefopt heeft: zijn lezers of
het achtbaar college, dat, alsof de wereld omgekeerd ware, hem ging
'verhoren.'
Eindelijk
spreekt het Handelsblad haar laatste woord
Na de raadszitting van 11 Mei.
Alle twijfel is ten ene male verdwenen. De zaak is zo klaar als een
klontje.
'De toelichting van den Burgemeester en van den Wethouder
Roëll heeft doen uitkomen, dat de genomen maatregelen
wellicht veel kwaad hadden voorkomen, en dat zonder het onvoorziene
lossen van de bekende schoten de ernstige feitelijkheden van 23 Februari
zouden zijn uitgebleven.
Nu weet de redactie het zeker: zonder het schieten zou er niets gebeurd
zijn. Inderdaad overwegend en belangrijk.
Het is om doodstil van te worden.
De verslaggever van het Handelsblad is niet de enige persoon, die over
de aanslagen op de deur naderhand tot betere gedachten is gekomen. Bij
de officiële stukken is een door twee brigadiers gemaakte verklaring
omtrent het gebeurde.
Vier dagen later, op 28 Februari, verzocht een dezer Heren 'een leemte'
in de bedoelde verklaring te mogen aanvullen.
'dat hij na inzage daarvan thans verklaart zich daarna geheel te houden,
doch verzoekt daaraan toe te voegen dat daar, waar hij verklaart dat
de volksmenigte het bierhuis is binnengedrongen en ook de agenten daarin
heeft opgedrongen, volstrekt niet wil geacht worden beweerd te hebben,
dat de bezoekers van het bierhuis niet eerst een aanval op het buitenstaande
publiek gedaan hebben en hem zulks zeer waarschijnlijk voorkomt enz.'
Politie
en Oranjeklanten tegen de Socialisten
Eén zaak is uit deze beschrijvingen met zekerheid af te leiden:
dat de dienders en het volk zich tegen de menschen in het koffiehuis
hebben vereenigd.
Al aanvaardt
men de gunstigste omstandigheden voor de politie; al geeft men toe,
dat alle ergernis door de socialisten is gegeven; al gelooft men dat
de lieden op het plein voor hun plezier uit wandelen waren - dan nog
is het gedrag der agenten, behalve een laagheid, een domheid geweest.
In
het politiebureau heerst een vreselijke verwarring
De gearresteerde socialisten, waarsonder vrouwen, werden door troepjes
binnen gebracht, onder het zingen van 'hangt de socialisten op,' en
'leve de politie!' terwijl het schoppen en slagen op hun hoofden regende.
'Wij zagen dat de politie een persoon arresteerde, en die aan de
omstanders overleverde, om hem naar het politiebureau te brengen.
Het verblijf der agenten was gevuld met een troep schreeuwende kerels;
orde of bevel heerschte daar niet.
Wij struikelden over een man niet kenbaar door hoofdwonden en bloed,
die voor dood op den grond lag.'
Er was geen dokter; de verslaggever liet Dr.
de Vries van de Muidergracht halen.
Het was nog niet uit:
'Daar hebben ze er weer een - de agenten haalden ze uit het koffiehuis
als palingen uit een fuik.... onkenbaar van bloed, geduwd, geslagen
en getrapt, wordt er weer een naar binnen, geworpen, en nog een, en
nog een.... Al weer een en weer een. In het politiebureau was van orde
of bevel voeren hoegenaamd niets te bespeuren, etc.
Hoe
is het mogelijk?
'Alleen in een land, waar de macht berust bij een kleine minderheid,
die tezamen een bepaalde sociale klasse vormt, is zo iets mogelijk.
En dan nog enkel in de buitengewone omstandigheden waarin men thans
verkeert, dat die minderheid van alle kanten aanstalten ziet, om aan
haar overmacht een einde te maken.
Zolang zij evenwel in een blinde reactie haar vertrouwen stelt, zolang
hare aanvoerders menen dat in dezen strijd álle middelen geoorloofd
zijn, zij ook de minst edelmoedige middelen niet versmaden, zolang de
politieke verdraagzaamheid een zo zwak element van onze beschaving is,
zolang moet de vrees voor plotselinge en geweldige botsingen ieder denkend
mens blijven verontrusten....
Men kan er voorlopig niets aan doen, dan zeggen waar het op staat.
De klassenstrijd zal misschien altijd blijven duren; maar dan moeten
wij, publicisten, die over niets dan over een weinig geest en enig gevoel
van betamelijkheid te disponeren hebben, tenminste den stand der partijen
aan de belangstellende toeschouwers uitleggen.
Dát heb ik gedaan, omdat ik weet dat wat hier geschreven staat,
niet zoo spoedig wordt vergeten, schrijft
Ph. Hack van Outheusden, in De Nieuwe
Gids 1888.
Een gedenkteken bleef achter
Hoewel de volgende dagen de onrust bleef voortduren, kwamen gevaarlijke
uitbarstingen niet meer voor.
De bedreigde plaatsen werden elke avond bezet met sterke socialistische
afweerformaties, waarvoor het gepeupel langzamerhand een zeer merkbaar
respect begon te krijgen.
Waar de politie niet, zoals op het Waterlooplein, zelf mee ging doen,
konden de strijdbare jonge partijgenoten de hop-hop-hop-schreeuwers
gemakkelijk de baas blijven.
Op woensdagmorgen kwamen in de zaak van Penning een paar metselaars
en timmerlieden bij elkaar.
Ze metselden met cement de op het slagveld achtergebleven stukken spiegelglas,
bierpullen, keien, kapotte biljartkeus en stoelen tot
één hoge, kegelvormig uitlopende kolom, op.
Deze kolom stond midden in het totaal vernielde lokaal. Aan de stukken
keu, die uit het cement staken, werden de hoeden, die de
aanvallers in de strijd kwijt waren geraakt, opgehangen.
Donderdag heropende de niet te breken Penning zijn zaak. En van de eerste
dag af, kreeg hij het drukker dan ooit. Want vele Amsterdammers wilden
die gedenknaald midden in een kroeg met eigen ogen zien.
Er waren partijgenoten die tot uit Utrecht en Den Haag kwamen, alleen
om in 'De Leeuw van Waterloo' de zuil der Oranjefurie te bewonderen.

Café
Zincken ontruimd
Dinsdagavond 15 december 1885 werd in Café Zincken in Amsterdam
een vergadering van socialisten kort na de opening door commissaris
Stork
verboden.
De volgepakte zaal aan het Westerdok naast het Centraal Station werd
hardhandig door de politie ontruimd.
Stork had tevoren vergeefs de eigenares bedreigd en had daarna een gedetailleerde
plattegrond van haar zaak laten maken.
Tientallen agenten vielen de zaal binnen en sloegen de aanwezigen door
de ramen naar buiten. Velen belandden in het gasthuis, enkelen in het
IJ.
Jan van Zutphen was erbij, toen de Amsterdamse politie, die op 18 september
was toegejuicht om haar tolerantie bij de grote kiesrechtbetoging, met
honderd man een vreedzame vergadering uit elkaar hakte.
Fortuyn zou spreken over het onderwerp 'Waar zijn de moordenaars?'
en de zaal was stampvol gelopen met een publiek, dat voor een deel
uit werklozen bestond.
Jan van Zutphen stond vóór het podium en zijn blik zwierf
over de gezichten, die onder het gaslicht als helwitte vlekken tegen
het grijs van de tabakswalm afstaken.
Hij zag koppen met donkere schaduwen onder de ogen en ingevallen wangen,
hij zag vrouwengezichten waarin de grote ogen het lamplicht weerspiegelden,
hij zag de glimlach van verstandhouding op de gezichten der partijgenoten
als zijn blik de hunne ontmoette.
Er broeide iets. Harder, een vriend van de schermclub, had Jan apart
genomen en hem gewaarschuwd, dat er een hele bende politie in en achter
het huis verborgen was.
Jan is naar Fortuyn en Penning gegaan, die bij het trapje naar het podium
stonden te praten, en hij had de waarschuwing overgebracht.
Fortuyn had de schouders opgehaald. 'We leven in één
kooi met een roofdier, Van Zutphen,' zei hij, 'misschien slaat
het vandaag zijn klauwen uit, misschien morgen. Maar als je denkt, dat
het altijd verdiept blijven zal in het lezen van bijbelteksten, ken
je de wilde
beesten niet, Van Zutphen.'
Jan dacht aan Fortuyn's vergelijking, toen hij plotseling een aantal
politieagenten de overvolle zaal zag binnenkomen. Hij telde er vijftien,
ze gingen aan de zijkanten van de zaal tegen de muren staan. En langs
het middenpad tussen de rijen banken kwam met de hand
op het gevest van zijn sabel de politiecommissaris Stork in hoogsteigen
persoon naar het spreekgestoelte stappen.
Het werd doodstil in de zaal.
Jan stapte op het podium en ging aan de bestuurstafel zitten. Vlak achter
hem besteeg commissaris Stork het podium. Zonder het 'bestuur een blik
waardig te keuren, posteerde hij zich naast de katheder, waar Fortuyn
wachtte op het sein om te beginnen.
Penning, de voorzitter, stond op. 'Vrienden,' zei hij, 'het
is voor de sociaal-democraten niet gemakkelijk in Amsterdam een vergadering
te beleggen. Zelfs het Volkspark is voor ons gesloten, hoewel wij wettelijk
onaantastbare overeenkomsten hebben aangegaan, die ons recht buiten
twijfel stellen. Vanavond zijn wij in staat u in deze zaal welkom te
heten. Fortuyn zal tot u spreken. Ik hoop en vertrouw, dat zijn woorden
-die in uw nood en onrecht wortelen -u de aanwezigheid van ongenode
en onwelkome gasten zullen doen vergeten. Het woord is aan Fortuyn.'
Fortuyn begon voor zijn doen zeer langzaam en zorgvuldig overwogen te
spreken. Hij wist, dat Stork snakte naar de kans de vergadering te ontbinden
en hij wilde, vóór het zover kwam, enkele hoofdzaken gezegd
hebben. Uiterst beheerst, stelde hij, dat er schandelijke
aantijgingen jegens de sociaal-democraten werden rondgestrooid, ze zouden
moordzuchtig zijn, verzot zijn op geweld in allerlei vormen; kortom
allerlei duivelse eigenschappen zouden in de socialisten triomferen
en hen tot vijanden van de mensheid maken.
'Ik zal vanavond antwoord geven op de vraag of deze aantijgingen
juist zijn. En dan zal ik daaraan verbinden, mijne vrienden' -en
hier kreeg zijn stem onwillekeurig het radde en scherpe karakter, dat
ieder herkende -'een onderzoek naar de vraag' -even een seconde
pauze -'naar de zeer gewichtige vraag, of het niet zó is,
dat veeleer de machthebbers in een staat, die u' -zijn hand met
uitgestoken wijsvinger vloog als een zweepslag naar voren -'als onmondige
behandelt, verkort in uw rechten, tot dagelijkse armoede en honger veroordeelt,
elke wettige weg tot verbetering van uw lot verspert' -opnieuw een
ogenblik pauze -'of niet de machthebbers in zo'n staat intiemer omgang
hebben met moordzucht dan wij en gij, die hun slachtoffers zijn. ..'
Op dat ogenblik deed commissaris Stork een paar stappen naar voren,
zodat hij tussen spreker en publiek stond.
Hij riep met stentorstem: 'Ik verzoek de spreker zich te matigen.
Wanneer hij voortgaat de regering te belasteren, zal ik verplicht zijn
de vergadering te ontbinden.'
Het was of hij een bom in de vergadering had gegooid. De hele zaal was
plotseling een heksenketel van met de vuisten zwaaiende, schreeuwende
mannen en vrouwen. Hier en daar vielen banken en stoelen om, sommige
mensen raakten van de voeten, gillen klonken
boven de storm van dreigementen en vervloekingen uit. Penning was gaan
staan en donderde met de hamer op de bestuurstafel. 'Zitten!' schreeuwde
hij. 'Het woord is aan Fortuyn.
Fortuyn had zijn eigen pogingen om het lawaai te overschreeuwen opgegeven.
Hij stond onbeweeglijk in zijn katheder. Zijn wenkbrauwen waren gefronst
en een diepe plooi stond loodrecht in zijn voorhoofd. Soms hief hij
de hand omhoog ten teken dat hij verder wou gaan, maar het publiek zag
hem nauwelijks -het zag alleen de commissaris, die met een .verachtelijke
glimlach over de opgewonden massa heen keek.
Dit alles duurde hooguit drie, vier minuten.
Toen begon het lawaai langzaam te verminderen. In de betrekkelijke stilte
klonk de veel te harde schreeuw van iemand, die over zijn
zenuwen heen was: 'Moordenaars! Vervloekte moordenaars!'
Op hetzelfde ogenblik nam Fortuyn opnieuw het woord:
Met het grootst mogelijk volume van zijn wat schrale stem, begon hij:
'Vrienden, luister naar me. Stilte daarachter...'
Commissaris Stork viel hem in de rede. 'Indien de spreker niet in
staat is, de orde te bewaren, zal ik zelf optreden. Ik ben commissaris
van politie en ik verzoek de spreker zich te matigen.'
Fortuyn liet geen halve seconde ruimte tussen het laatste woord van
Stork en zijn nieuw begin. 'Vrienden!' riep hij. 'Luister
nu in stilte...'
Op dit ogenblik snerpte een politiefluit.
Jan stond onmiddellijk naast zijn stoel en zag door de twee ingangen
van de zaal tientallen agenten naar binnen stormen.
Ze begonnen onmiddellijk op het ten dele nog zittende publiek in te
slaan.
In de volgende minuten. werd de zaal leeggeranseld.
Op het podium bleef Fortuyn onbeweeglijk in zijn katheder staan. Om
hem heen stonden Penning, Bos, Klaas Ris, Jan van
Zutphen en andere bestuursleden.
De verslaggevers van de kranten hadden zich eveneens op het podium in
veiligheid gebracht. Ze zagen hoe de agenten de mensen naar buiten sloegen,
waar andere agenten hen opwachtten, ze zagen hoe mannen en vrouwen door
de ruiten gejaagd werden, hoe tafels, stoelen en spiegels kapot werden
geslagen en getrapt...Jan voelde zich ziek van walging. Dat was dus
het gezag, dat de ordonnantiën Gods moest in stand houden. Dat
was wat de heersende klasse te brengen had aan de werklozen, die in
het hartje van de winter, zonder een cent, aan kou en honger werden
prijsgegeven.
[Fragment uit: 'Ome Jan' , Het leven van Jan van Zutphen, door Age Scheffer]
Een reactie kon niet uitblijven
Het waren rare snuiters aan de rafelrand van Amsterdam; mannen van de
daad, zingend en knokkend voor de eer van het volk.
Anarchistische ruziezoekers en warhoofden, zei men later, maar hun daden
waren rationeel en rechtvaardig in de ogen van het volk.
Zoals de symbolische aanslag van behanger
Johan Geel
als reactie op de 'slag om café Zincken'.
Geel was verontwaardigd en kocht voor vijf geleende guldens een revolver.
Daarmee vuurde hij op 4 juli 1886 op Stork.
De kogels misten weliswaar hun doel, maar het geknal dreunde nog lang
na in de arbeiderskoppen.
Toen Geel na zes jaar vrij kwam, maakte hij een feestelijke rondrit
in een open rijtuig door de Pijp.
Het fascinerende van Waarachtige Volksvrienden is dat het licht werpt
op de sterke familie- en buurtbanden die deze vroege socialisten bij
elkaar hielden.
Vrijwel zonder uitzondering woonden en werkten de socialisten in het
westelijk deel van Amsterdam - met name de Jordaan - en hun acties bereikten
hooguit de Dam of het huis van de burgemeester aan de Keizersgracht.
|