
Koffiepiksters
Onderzoek
naar de Amsterdamse Volkstaal
[1877]
Een enquête
Voor de 19de eeuw kunnen we niet om de enquête van
W.W. van Lennep en J.A. Alberdingk Thijm heen.
Zij stelden een onderzoek in naar de Amsterdamse volkstaal.[...]
Het is de moeite waard stil te staan bij hun bevindingen, want nu gaan
we kennis maken met de onmiddellijke voorganger van het hedendaagse
Amsterdams.[...]
Binnen het dialectologisch onderzoek in Nederland is deze Amsterdamse
enquête een primeur, het is de eerste echte vragenlijst waarin
naar klanken, woorden en uitdrukkingen wordt gevraagd. Daarvóór
maakte de dialectonderzoekers gebruik van één vaste tekst
die in dialect vertaald moest worden. [...]
Uitspraak
der klinkers:
Klinkt op de tong der Amsterdammers, wier spraak door u beluisterd is,
de a:
1. In staal, naam, kaas, kwaad, zuiver of gemengd [ao, oa]?
2. Maken zij
onderscheid tusschen de open a voor de r en voor de andere medeklinkers
?
3. Zeggen
zij kaart, gelijk zij staat en staal zeggen? Maken zij onderscheid tusschen
de a in staat en in staal?
4. Indien
zij de a in kaart en bewaren uitspreken als in staat of staal, spreken
zij haar dan toch niet verschillend uit in paarsch, laars, paard, kaars
en staal?
5. Ook in
zwaard en rechtvaardig?
6. Zeggen
zij parel, paerel, perel? Kerel of kaerel?
7. Zeggen
zij dakke, voor daken? zatte voor zaten? atte voor aten? brocbt, voor
bracht? docht, voor dacht? karse,voor . kersen? varse, voor verse [versche]?
star of ster?
Straattaal
De
Amsterdamsche straatjongen sprak van zijn baos
en vaoder.
De kwestie van de uitspraak van de klank aa was kennelijk een belangrijk
punt.
Het bleek dat veel Amsterdammers die aa uitspraken als een ao-klank,
soms iets meer nog in de richting van de oo.
Voor kaas was bij sommigen nog de uitspraak kaes in gebruik; de a in
kwaje jongen werd zuiver uitgesproken die op het einde van bijna soms
dof als bijnu.
En net als dat nu het geval is, hoorde men in dezelfde buurt de aa verschillend
uitspreken.
De gesloten a, vooral vóór de n werd 'kort wordt afgebeten'
uitgesproken als mann, Jann, of menn, Jenn. [...]
In tegenstelling tot het moderne plat Amsterdams maakte men in de 19de
eeuw nog wel onderscheid tussen de uitspraak van a voor r en voor andere
letters.
Zo hoorde men wel de uitspraak paers, laers, paerd, kaers, staert
naast loars, poard, stoart of start.[...]
'Zweert en rechtveerdig hoort men nog soms van oude menschen en van
vrome moeders, vooral in deftige kringen.
Voor parel hoort men niet zelden paerel of perrel; voor kerel meest
kerel, zelden kaerel'.[...]
Geschiedenis
van het dialectonderzoek
[1969]
De Nederlandse Dialectatlassen
In 1969 verscheen deel 13: Dialectatlas van Noord-Holland. Het deel
was samengesteld door Dr.
Jo Daan.
De Reeks is een van de grootste ondernemingen uit de geschiedenis van
het dialectonderzoek binnen het Nederlandse taalgebied. Het was initiatief
van de Gentse hoogleraar Edgard
Blancquaert. [...]
Jo Daan maakte voor Amsterdam drie verschillende opnames, Kattenburg,
Spaarndam en de Jordaan. Ze deed dat rond 1950.
De houding ten opzichte van het eigen dialect was tamelijk negatief
en dat maakte het moeilijk om geschikte zegslieden te vinden. De opname
van de Jordaan springt er echt uit; Kattenburg en de Spaarndammerbuurt
lijken veel op elkaar.
Ome Willem
Voor de Jordaan beschikte Jo Daan slechts over één zegsman,
Willem Bruyn,
beter bekend als de muzikant 'Ome Willem"; ten tijde van de opname
was 69 jaar oud. [...]
Wat vooral opvalt in het dialect van de Jordaan van rond 1950 is de
uitspraak sk voor sch, dat gebeurt met een welhaast ijzeren
consequentie.: skip, skipper, skeipe, skink
in [schip, schipper, schepen, schenk in].
Het gebeurt ook tussen woorden, bijvoorbeeld in de zin: 'In de Schelde
zwemmen is gevaarlijk' , klinkt als kevaorlek.
De 'lange ij' klinkt in de Jordaan als aa: raap [rijp], vaaf
[vijf], waan [wijn];
het Kattenburgs heeft réép, faaf, wèèn
en de Spaarndammerbuurt rèèp, fééf
en wéén.
Interessant is het zinnetje 'er waren vijf prijzen'.
De Jordaan: vaaif praaize, Kattenburg faaf praase en de
Spaarndammerbuurt fééf préése.
Een ei is in de Jordaan en op Kattenburg 'n aaj, in de
Spaarndammerbuurt 'n aej.
De a in gegaan, gedaan en maakte is in de Jordaan
en in de Spaarndammerbuurt verdonkerd tot een ao-achtige klank: gegaon,
gedaon, maokte. [...]
Kaas klinkt in de Jordaan en in de Spaarndammerbuurt als kaos,
op Kattenburg als kaas.
De uitspraak van e in leven, gebleven, hemel en
kerel vertoont ook de nodige variatie;
de Jordaan zegt leeive, heimel, gebleeive en keeirel;
Kattenburg leeive, heemel, gebleeve en keerel
:
Spaarndammerbuurt leeive, heeimel, gebleeive en
voor kerel wordt gouser gegeven. [...]

Klanken
van schoolkinderen in de Jordaan
[1959]
Taalkundige observaties
De Nijmeegse neerlandicus Joop Mittelmeijer
onderzocht de klanken van de schoolgaande jeugd in de Jordaan.[...]
Het dialect van de Jordaanse schooljeugd van rond 1950 maakt op sommige
punten nog een conservatieve indruk, maar verschilt in een aantal opzichten
toch al van de rond 1950 gemaakte bandopname van Jo
Daan.
Mittemeijer heeft zeer naarstig gezocht naar gevallen van sk
in plaats van sch en meer als een een enkele maal booskap kon
hij niet vinden.
Wel hoorde hij 'de nozems van de Lindengracht',
van bioschoop spreken, wat als een
hypercorrectie moet worden beschouwd. [...]
Mittelmeijer trof nog wel restanten van velariseringen
aan. Een jongen van 14 jaar zei: hangt [hand] en langt
[land]
Bij een paar meisjes wangele [wandelen] en angere [andere].
Wat de korte klinkers a, e i en o betreft, kon ook hij vaststellen dat
deze voor t, d, st en n palataal werd uitgesproken, d.w.z. in de richting
van een e gaan.
Hij wijst op het voorkomen van een scherp-korte ò naast een zacht-korte
ó dòk - póp, mòppere - brómme, dòchter
- dóm.
Voor Sinterklaas hoorde hij wel Sunterklaas.
Paapie kraat [pijpje krijt]
Bij de lange klinker aa bleek de verdonkerde uitspraak ao op zijn retour
te zijn.
De ee en oo werden licht diftongisch uitgesproken,
ongeveer als eei en ou.
Een lichte naslag stelde hij vast bij de realisering van de eu: deu-er
en veu-er, terwijl ie en oe iets verlengd worden.
Maar naast moete komt voor motte; de uitspraak blomme
voor bloemen hoorde hij alleen nog van bloemenverkopers op de
markt.
De uitspraak van ei en ij was aa; paapie kraat [pijpje krijt]; de tweeklank
ui was een éénklank geworden: hààs, höös
[huis], tààn, töön [tuin], rààt,
rööt [ruit], sààpe, sööpe[zuipen].
Tussen de uitspraak van ou en au was geen verschil te horen: kaa[w]t
[koud], aa[w]t [oud], blaa[u]w [blauw], klaa[u]w
[klauw]; vrouw en nou klonken eerder als fraa en
naa.
Bij de medeklinkers viel vooral de verstemlozing
van v, g en z op: fier [vier], cheeife [geven] en swaa-en
[zwaan], met als tegenhanger, merkwaardigerwijs niet in de Jordaan,
maar in het andere Amsterdams: zuiker [suiker] en zent
[cent];
De mouillering [verzachting] van de s-klank:
sjesj [zes], sjoin [zon], mensj [mens] en kunsj
[kunst].
De voorbeelden van assimilatie van t waarop Van
Lennep en Thijm
ook reeds wezen kwam nog steeds veelvuldig voor: plaas [plaats],
schaa-se [schaatsen], áásmus [ijsmuts],
klesse [kletsen], dààslant [Duitsland] en
booschap [boodschap].
Ook kwamen er overbodige t's voor, bijvoorbeeld
enkelt [enkel] en dubbelt [dubbel].
De d tussen twee klinkers werd gewoonlijk een j: boojem [bodem].
Het viel Mittelmeijer
op dat de l aan het begin van woorden heel 'dik' werd uitgesproken.
Over het algemeen heeft de Nederlander moeite met de klankcombinatie
wr, meestal maakt hij er vr van; bij de Jordaanse schoolkinderen werden
wreef, wrat en wringer: freef, frat en fringer.
Lik
op stuk, het Dialect van Amsterdam
[1985]
Het moderne onderzoek
Het moderne Amsterdams is beschreven in het Amerikaanse
proefschrift
van dr. Henriëtte Schatz: Plat
Amsterdams in its Social Context.
Het verscheen in 1985 bij het P.J.Meertens-Instituut in druk
verscheen.
Eén jaar later volgde van haar hand een meer populaire studie
van het Amsterdamse dialect:
Het onderzoek van Dr. Schatz is gebaseerd op een uitgebreid corpus Amsterdamse
spreektaal, dat in de jaren 1975-1976 verzameld werd door de afdeling
Dialectologie van het Meertens Instituut. [...]
Het gehele verzameling teksten beluisterde ze om een meer algemene indruk
te krijgen van het Amsterdams.[...]
Het grote verschil tussen het vroegere dialectonderzoek,
zoals het Dialecticon van Winkler uit 1874 en de enquête
van 1877,
en het proefschrift van Henriëtte Schatz is, dat het proefschrift
een kwantitatief onderzoek is, op basis van gegevens die gerelateerd
zijn aan sexe, leeftijd en sociale status van een representatief aantal
sprekers.
Het oudere materiaal is eerder een verzameling losse verschijnselen,
zonder dat men een precies inzicht krijgt in wie wat spraken tegen wie
en in welke situaties. In de enquête van 1877 zijn wel aanzetten
tot een moderne benadering, er wordt gesproken van 'oude dienstboden',
'oude lieden', 'personen tusschen 40 en 60 jaar', 'laagste standen'
en 'lagere volksklassen' en zelfs van 'beschaafde vrouwen, wanneer zij
op zuiverheid van uitspraak niet veel acht geven'.[...]
Ze ging ervan uit dat de sociale klasse, leeftijd, gesprekssituatie
en het geslacht invloed uitoefenden op het taalgebruik en haar vier
hypothesen waren:
1. Hoe lager de sociale klasse, hoe meer dialect er gesproken zou worden.
2. Ouderen waren dialectvaster zijn dan jongeren.
3. In een informele situatie zou men meer plat spreken dan in een formele.
4. Vrouwen spraken netter dan mannen.
De grote verrassing
was dat leeftijd geen rol, speelde, niet de oudere generatie, maar juist
de jongere was veel dialectischer. Ook de gesprekssituatie speelde geen
rol. Of er nu in een formele of informele situatie gesproken werd, dat
maakte voor het gebruik van dialect geen verschil.
Wel was het zo dat mannen veel meer dialect spraken dan vrouwen en dat
in het oordeel van dialectsprekers zelf plat sprekende vrouwen lager
gewaardeerd werden.
De groep plat
sprekende Amsterdammers. De uitspraak van de a in een woord als kaas.
Mannen spraken dit woord uit met een verdonkerder a als kaos,
vrouwen met een sterk nasale a: ka~a~s [...]
Amsterdamse proefpersonen die een oordeel moesten geven over de status
van dit Amsterdams stoorden er zich in het geheel niet aan. Kennelijk
gaat die typische tongpunt-r, voor heel normaal door. De lange e van
kees werd als tweeklank uitgesproken, ongeveer keis; de l in de woorden
als laden en balen was een 'dikke' l en de s van soep en persoon als
sj : sjoep en pursjoun. Maar als geheel kreeg het plat Amsterdams in
het oordeel van de sprekers ervan een lage waardering.

Maatschappelijke
positie van vrouwen en hun taal
[1989]
Taalgebruik van Amsterdamse vrouwen
Dr. Dédé Brouwer
onderzocht het , vooral in verband met 'zowel de ondergeschikte
positie van vrouwen in de maatschappij als de uiteenlopende sociale
normen voor vrouwen en mannen'.
Haar onderzoek is een heel verfijnde uitwerking en verdieping van de
vraag of het taalgebruik van vrouwen anders is als dat van mannen en
of dat samenhangt met de maatschappelijke positie van de vrouw.
Haar antwoord op de laatste vraag was een volmondig ja.
Vrouwen gebruiken vaker standaard Nederlands
en mannen vaker Amsterdams
Daarnaast zijn opleidingsniveau, het hebben van kinderen, en het hebben
van werk buitenshuis van de vrouw bepalend voor het taalgebruik.
Mannen die standaardtaal spreken genieten een hoger aanzien dan vrouwen
die dat doen. Binnen de dialectsprekende milieus zelf geldt dat mannen
die standaard Nederlands spreken als watjes worden beschouwd, maar een
dialectsprekende man is een echte macho, en dat in positieve zin.
Op dialect sprekende vrouwen daarentegen wordt neergezien, van hen wordt
verwacht dat ze hun best doen zo 'netjes' mogelijk te praten.
Dat heeft natuurlijk alles te maken met de rol als opvoedster van de
kinderen.
Voor hen wil ze uiteraard het beste, want iedereen wil vooruitkomen
in deze maatschappij. Om iets te bereiken is een goede beheersing van
het Nederlands, dat wil zeggen van de standaardtaal een vereiste.
naar
boven
|