Negentien
Amsterdamse Dialecten
[1870]
Amsterdamse stadstaal
Winkler uit 1874 geeft veel feiten uit
de geschiedenis van de Amsterdamse stadstaal.
Winklers voornaamste informant, Johan ter Gouw stelde een indeling
voor met 19 buurtgebonden dialectgebieden die nam hij over in zijn Algemeen
Nederduitsch en Friesch Idioticon. Daarmee deed een merkwaardige dialectindeling
zijn intrede in de geschiedenis van het Amsterdams.
Merkwaardig om verschillende redenen. Op het ogenblik dat Ter Gouw zijn
mededelingen aan Winkler deed, was de taaltoestand al verleden tijd;
niet altijd zijn het taalkundige argumenten die gehanteerd werden om
de buurten te onderscheiden, zo brachten de Portugese en Duitse Joden
hun eigen taal mee en was er in bepaalde buurten eerder sprake van een
opeenhoping van mensen met eenzelfde taalachtergrond of met een zelfde
beroep en dat verleidde Ter Gouw ertoe meteen aan invloed van dat vak
en die talige achtergrond op het actuele taalgebruik te denken.
De beschrijving van de Amsterdamse dialecten lijkt wel een soort stadswandeling
door de binnenstad rond 1870.

Korte
beschrijving van de 19 dialecten:
1. Het Kattenburgs
Deze tongval werd gesproken op het eiland Kattenburg. Maar het echte
Kattenburgs was toen al uitgestorven samen met de oude Kattenburgse
gewoonten. Dat alles was een gevolg van economische omstandigheden,
zoals de malaise in de scheepvaart, want de Kattenburgers waren grotendeels
scheepstimmerlieden.
Het echte Kattenburgs was een taaltje dat door de Amsterdammers uit
de binnenbuurten, door de die van de Kalverstraat bijvoorbeeld niet
makkelijk werd verstaan.
Winkler die overal Friese invloeden zag, meldt dat het Friese bestanddeel
er rijkelijk in vertegenwoordigd was en zelfs Noors of Deens kwam er
in voor.
Als voorbeeld van typisch Kattenburgs geeft hij het zinnetje:
'moet je ook geschoren worden?',
dat in het Kattenburgs ongeveer klonk als: mójjók
geskórre wórre? en dat dan zeer snel en zeer
scherp uitgesproken.
2. Het Rapenburgs van de 'bijltjes'
Dit sprak men van de Scharrebiersluis tot de Kalkmarktsluis. Het leek
wel wat op het Kattenburgs, maar onderscheidde er zich ook van. Vroeger
noemde men de bewoners van Kattenburg en Rapenburg "Bijltjes".
Ze waren echte Oranjeklanten.
Vroeger kon een Kattenburger heel goed horen of hij met een mede-eilander
of een Wittenburger, een Oostenburger of een Kadijker te doen had. Het
maakte zelfs verschil uit of het een Kattenburger van 't Plein en de
Gracht of een van het Dijkje was. Het Kadijks was ook nog in tweeën
gescheiden, in een hoog- en laag-Kadijks; 't laatste werd het meest
gesproken.
3. Het Kollegat, de Jonker- en Ridderstraats
Deze tongval hoorde thuis in de beide straten en in 't Kollegat.
Sedert de Franschen tijd zijn deze straten tot een smerige en vervallen
achterbuurt geworden, en heeft de bevolking er weinig oorspronkelijks
meer. Maar in de 17e en 18e eeuw waren die beide straten vol welvaart
en vrolijkheid. Huis aan huis waren 't nagenoeg dans- en speelhuizen,
er waren veel zeemanskroegen, waar het lustig aan toeging en waar de
Amsterdamse burgers heengingen om te kijken en zich te verlustigen aan
de [niet altijd even nette] tonelen die er voorvielen.
In de 17de eeuw huisde een goed deel van de 'luchtige' bevolking van
deze buurt tijdens de zomer op Smerenburg op 't eiland Spitsbergen.
De tongval van de bewoners van de Jonkerstraat en de Ridderstraat kwam
het meest met het Kattenburgs overeen.
4. Het Jodenhoeks
Ooit was de Amsterdamse Jodenhoek bekend en befaamd. het was het
"Jerusalem der ballingschap" en omvatte: de Jode-Breestraat,
de Joden Houttuinen, de Houtgracht, de Sint Antoniesbreestraat, de eilanden
Vlooienburg, Uilenburg, Marken en de Vinkebuurt.
In de Jodenhoek sprak men ten tijde van Winkler drie verschillende tongvallen:
a] Het Amsterdams-joods, 'het afschuwelijkste
dialect der nederduitsche taal. De joodsche tongslag [accent] en tongval,
rijkelijk met slecht hebreeuwsche en slecht hoogduitsche woorden en
vormen vermengd, is overal bekend en overal dezelfde, maar klinkt, zoo
als Joden zelven mij meermalen verzekerd hebben, nergens zoo karakteristiek,
nergens zoo leelijk als juist hier'.
Vroeger was er ook nog een duidelijk onderscheid op te merken tussen
de Amsterdams-joodsche tongvallen van de Hoogduitse en van de Portugeese
Joden.
Vooral toen de Portugeese Joden nog onderling Portugees en Spaans bleven
spreken, was dit onderscheid groot; ook thans is het nog niet helemaal
uitgestorven.
De hedendaagse Portugese Joden van Amsterdam en niet alleen die uit
de lagere stand, spreken nog lelijker en opvallender joods dan hun Hoogduitse
volksgenooten doen.
b] Het Joods-Hollands, dat de meer
beschaafde en aanzienlijke Joden vandaag de dag spreken is een modern
Hollands dat met een joods accent [onder anderen met talrijke aspiraties]
gesproken wordt; het is vaak ook nog met enkele Hebreeuwse en Hoogduitse
vormen en woorden vermengd.
c] De tongval der Christenen die
in de Jodehoek wonen en die natuurlijk in hun woordenschat en zegswijzen,
zeker als het mensen betreft die niet of nauwelijks lezen kunnen iets
van den joodse manier ven spreken, zoals de aspiraties, hebben overgenomen.
Winkler
noemt als voorbeeld :
'Maak me zoo'n lawaai'm niet!
ik sta je toch te zegge dat 't waar is;-'k weet 't van 'n knappe jodeman,
die 't me zellef op sabbes [of sjabbes] verteld het'.
5. Het Nieuwmarkts
Het wordt gesproken van de Nieuwmarkt langs Boomsloot tot de Oude Schans,
en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat.
Het platste Nieuwmarkts was te horen op de Nieuwmarkt bij de lappenkramen
en op 't Kleereslootje. Lapduyvels
noemden de 17de eeuwse Amsterdammers die kleerekramers, die nu ook al
nagenoeg uitgestorven zijn, hoewel er nog altijd een paar lappekramen
op de Nieuwmarkt staan.
Het fatsoenlijke Nieuwmarkts werd gesproken in de textielwinkels op
de Nieuwmarkt en door de bewoners van de genoemde grachten en straten.
Voor vijftig jaren kon men deze tongval nog in al zijn oorspronkelijkheid
horen.
Winkler vertelt het verhaal van een de Nieuwmarktse winkelierster achter
de toonbank die haar schaar nodig had om wat af te knippen, en riep:
Jung's,
jung's! kom 's gau-w-en raik me de schaar!
Toen zei haar klant, een mevrouw uit de Kalverstraat: Jufvrouw:
wel nou, kom an! je het ommers g'n-een jonge-n-achter de toonbank,
De winkelierster had geen zoons, maar twee dochters. Wel
me liefe mins, antwoordde deze tsin
m'n jung's, want out sin se nog niet!
In de Bethaniënstraat, de Bethaniëndwarsstraat en in de Hoogstraat
was vroeger het Neuwmarkts nog met matrozentaal
vermengd, door de invloed van 't Oostindischhuis en van de talrijke
matrozekroegen met welluidende namen als "drie Oostinjevaarders",
"Straat Sunda", "Straat Sumatra, " Straat Batavia"
enz.
6. Het Zeedijks
Men spreekt het op de Zeedijk in het laatste stuk van de Warmoesstraat,
de Scheiershoek, Gelderse kade, de Bantammerstraten en Schippersstraat.
Het is Neuwmarktsch met veel zeemanstaal gemengd.
7. Het Bierkaais
De Bierkaai is een labyrint van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in
de vierhoek tussen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg,
en daar spreekt men de Bierkaaise tongval.
De Bierkaai heeft nog een zeer oorspronkelijke bevolking; ook nu nog
treft men op de Bierkaai mensen aan, die roemen dat ze van oudsher Bierkaaiers
zijn, en dat hun voorouders nooit ergens anders gewoond hebben.
Het is een ruw volkje en vechtersbazen zijn er in overvloed. Dat
is vechten tegen de bierkaai
Hun tongval is zeer klankrijk, men moet het horen uit de mond van de
Bierkaaiers zelf.
8. Het Komkommerbuurts
Dat wordt gesproken in de Komkommerbuurt, het Weesperplein,
op het Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld, ten oosten van de
Amstel achter de Prinsegracht.
Het is verwant, maar toch nog goed te onderscheiden van 't zogenoemde
"Noorsebossies"
9. Het Noordsebos
't Noorsebossie strekt zich uit ten Westen van de Amstel achter de Prinsengracht
tot aan de Spiegelgracht.
Een Noordsebosser zegt:
nau-w-ik
weit wel dat vaaf m'l vaaf vaventwentig is
[nu ik weet wel dat vijf maal vijf vijfentwintig is].
10. Het Leidschebuurts
Achter de Prinsegracht van de Spiegelgracht tot de Leidschegracht in
gebruik.
De kinderen zingen er als zij schommelen:
Schoppe
schoppe maaie,
de brouit-ti kompt fan Laaie!
Fan Laaie kompt 'e brouit'
11.
Het Jordaans
De Jordaan strekt zich uit tussen Prinsengracht en Lijnbaangracht, van
de Passeerdersgracbt tot de Lindengracht.
De Jordaanse tongval onderscheidt zich heel duidelijk van andere Amsterdamse
dialecten; de Haarlemse I [dat is een 'dikke' l]en n [de n die de voorafgaande
a doet klinken als de a in het Duitse woord Mann] en de oi- klank in
plaats van ui zijn belangrijke eigenaardigheden; het is platter Hollands
en minder met Friese bestanddelen vermengd dan enig andere Amsterdamse
tongval. Oorspronkelijk is het Jordaans een boerentongval; in het begin
der 17de eeuw was de zogenoemde Jordaan een dicht bevolkte buitenbuurt,
waar tuinders en hoveniers woonden; die buurt is in 1612 binnen de wallen
van Amsterdam getrokken.
12. Fransepads
Dit werd gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en
Palmstraat, zo ook in enige enclaves in de Jordaan, als: op 't Schone
en op 't Vuile Weespad, 't Hof van Parijs, en 't Fort van Sjaco.
Het zogenoemde Franse Pad had vroeger een zeer slechte naam en de Fransepadse
tongval kenmerkte zich door een rijkdom van woorden en uitdrukkingen
uit de dieven- en bedelaarstaal.
Maar nu zijn 't Franse pad , 't Hof van Parijs en 't Fort van Sjaco
weg, alles is er beschaafd en verbeterd en de oude eigenaardige tongval
bestaat ook niet meer.
Het Franse Pad werd Willemsstraat en daar en in de Goudsbloemstraat
en de Palmstraat met omgeving spreken ze nu Haarlemmerdijks.
13. Het Haarlemmerdijks
Van de Haarlemmersluis tot de Haarlemmerpoort en van de Zandhoek tot
de Lindengracht gesproken, onderscheidt zich onder andere door de sterk
rochelende [Haarlemse] uitspraak van de g.
Het meest bijzondere kenmerk van de Haarlemmerdijkse tongval is de zware
uitspraak van de lange a, die sterk naar de oa der Groningers, Geldersen,
enz. overhelt.
Deze uitspraak wint, zonderling genoeg, hoe langer hoe meer veld in
dit gedeelte van Amsterdam. [...]
Hooghaarlemmerdijks
Dat ook vreemdelingen reeds voor lange tijd opmerkten dat de Haarlemmerdijkse
Amsterdammers er een eigen uitspraak op na hielden, bewijst het feit
dat men in Friesland gewoon is te zeggen van iemand die een gemaakt
en onnatuurlijk Hollandsch of boekentaal spreekt: 'die spreekt Hooghaarlemmerdijks'.
ien
neelde met ien bleeuwen dreed.,
en zoo
ook Street
voor
Straat:
van waar men
hen schertzende weleens toeduwt
slee de heek
in de peel en heel neeje.[...]
14. Het
Nieuwendijks
Deze tongval strekt zich uit langs de Nieuwendijk, oostwaarts over de
Haringpakkerij en het Damrak, tot de Warmoesstraat, van de Dam tot de
Oude Kerk, en westwaarts langs de Heren- en Keizersgracht, van de Leliegracht
tot de Brouwersgracht, en behoort dus tot een der meest verspreide tongvallen
van Amsterdam.
Het kenmerkt zich door een Noordhollandse kleur en door de korte klinkers
te rekken.
Men spreekt er van Kaaleferstraat
voor Kalverstraat, van Haarelemmerdei-ik
voor Haarlemmerdijk.
Deze tongval sprak Vondel, daarom kwam hij er toe om in zijn Gijsbrecht
van Aemstel verzen
te maken als de volgende:
En vlughten haestigh langs de Haerelemmer dijck.
Terstond vermeesteren de Haerelemmer poort,
Hij sellef was de voorste om elleck moet te geven.
En 't heerelijck gebouw sagh branden lichter laegen.
15. Het
Kalverstraats
De tongval van 't hartje van Amsterdam en als het beste en welluidendste
Amsterdams aangemerkt.
Het strekt zich uit in de lengte langs de gehele Kalverstraat, van de
Dam tot de Munttoren; voorts westwaarts langs Voor- en Achterburgwallen
en Singel, en ook langs een goed deel van de Heren- en Keizersgracht,
waar 't natuurlijk "zeer fatsoendelijk" gesproken wordt en
vermengd is met de fraaie "expressies" die de "elegante"
wereld er op na houdt.
Bij bejaarde heren echter, die op dit gedeelte van de Heren- en Keizersgracht
zijn geboren en opgevoed, hoort men nog duidelijk het echte Kalverstraats.
Oostwaarts strekt het Kalverstraats zich uit langs 't Rokin, de Nes
en de Fluwelen Burgwal
16.
het Gebed-zonder-ends
In de dwarsstraten
en stegen tussen Nes en Voorburgwal neemt het Kalverstraats reeds een
Bierkaaische kleur aan.
17.
Viswijventongval
Vroeger was nog een andere tongval te horen en wel op de grote Vismarkt.
Van die Amsterdamsche viswijventongval geeft Bredero een proefje
in zijn Moortje.
Dat was in 't begin der l7de eeuw en twee eeuwen later was die taal
nog bijna dezelfde.
Nu bestaat zij niet meer; de hele Vismarkt, met al haar schilderachtige
oorspronkelijkheid is verdwenen.
18. Het
Botermarkts
Men sprak het van de Munttoren tot de Blauwbrug [Reguliersbreestraat,
Botermarkt, Amstelstraat, Halvemaansteeg, Reguliersdwarsstraat, Utrechtsche
straat. met alle dwarsstraten en stegen].
Deze tongval is het meest met het Kalverstraats verwant, maar hij is
platter.
Zo zeggen de Kalverstraters boter
en schotel,
maar de Botermarkters botter en schottel.
Daarom zeiden de Kalverstraters als iemand plat sprak:
Hè, da' s nou recht op z'n Bottermarks!
Maar een dialect waarvan men zei dat de "duvel" zelf 't niet
verstaan kon
19. Het
Duvelshoeks
De Duivels- of Duvelshoek is een labyrint van stegen en dwarsstegen,
gelegen tussen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat.
Het Duvelshoeks was het Botermarkts in zijn platste platheid, doormengd
met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het Mofs en
Koeterwaalsch van de kermisgasten, negociants, nomades, colporteurs,
vagebonds, chevaliers d'industrie, Duitse kwakzalvers, Luikerwaalse
toverlantaarn- en rarekiekvertoners, Keulsche potten- en kannewijven,
Franse goochelaars, rattenvangers en "verdrijvers van wandgedierten",
Savooise lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, Italiaanse schoorsteenvegers,
tot verlopen en verwaaide Duitse en Brabantse studenten incluis, die
er alle hun verblijf hielden en er te zamen een Duvelshoeks jargon brabbelden.
Het is een indrukwekkende
lijst, die Winkler ons hier voorzet.
Maar het is jammer dat we zo weinig voorbeelden krijgen van klanken
of woorden die deze verschillende buurtgebonden dialecten karakteriseren.

Interieur
Goudsbloemstraat 101
Het beste Jordaan-lied
"Elders in de stad gaat het er rond 1955 heel wat vriendelijker
aan toe.
In de Jordaan is iedereen 'oom' en 'tante' en 'neef en 'nicht' van elkaar,
lopen alle vrouwen in 'baaje rokken' en alle mannen in 'pilobroek en
boezeroen', heeft iedereen als kind in een 'stijfselkissie' gelegen,
drinkt men "pikke-tanussies', krijgen de bewoners een brok in de
keel bij de aanblik van de Westertoren, en wordt het geld verdiend als
orgeldraaier, garnalenpelster of porder, de man die de slaapkoppen in
de buurt wakker maakt.
Althans als we de liedjes over dat stadsdeel mogen geloven.
De
stemmen van de Jordaan
In elke mythe zit een kern van waarheid, maar
die waarheid heeft vrijwel niets meer met de jaren vijftig te maken
als het Jordaan-lied een ware rage is en en de rock-'n-roll nog even
op afstand houdt.
Er ontstaat een succesvolle revival van het vooroorlogse Jordaan-lied,
dat toen groot werd gemaakt door onder meer de Rotterdammer Louis
Davids en zijn vriendin Margie Morris.
In 1955 gaan Louis Noiret [Louis Schwartt] en Henvo [Henk
Voogd], twee oude rotten in het Jordaan-genre op zoek naar 'de beste
stemmen van de Jordaan'.
De finaleavond in Krasnapolsky levert een overduidelijke winnaar op.
De zingende kelner Jan van Musscher, bijgenaamd Johnny Jordaan,
krijgt iedereen plat met het lied 'De parel van de Jordaan'.
Helena Kok-Polder, in de buurt bekend als Tante Leen, krijgt
de tweede prijs:
Maar
als ik de Westertoren zie
Dan ben ik een heel ander mens
En hoor ik het galmen van jouw melodie
Dan leef ik geheel naar m'n wens
O Wester. jij brengt m'in vuur en vlam
Wanneer ik jouw klokken hoor slaan
Want jij bent de glorie van oud Amsterdam
En de parel van onze Jordaan
Het duo bezingt
een buurt die eigenlijk niet meer bestaat, en misschien zelfs wel nooit
heeft bestaan:
Ik
woon op een woning, men noemt het een krot
Maar ik zie geen enkel bewijs
Al staat aan de deur Onbewoonbaar verklaard
Voor mij blijft 't toch een paleis
Het huis is gebouwd in de zestiende eeuw
Het staat van de ouderdom scheef
Ik ben er geboren, ik ben er getrouwd
Ik woon er zolang als ik leef
Op die afgekeurde woning
In 't hartje van de Jordaan
Daarop sleet ik m'n jeugd
Had ik leed, had ik vreugd
In de strijd om een eerlijk bestaan
Maar toch voel ik mij een koning
Ook al vloeide er dikwijls een traan
Op die afgekeurde woning
In 't hart van de ouwe Jordaan.
Wat
is nu precies Amsterdams?
Uit bovenstaande mag duidelijk geworden zijn dat het Amsterdamse plat
een taal is die in de loop van de eeuwen aan veranderingen onderhevig
is geweest. Het grote breukpunt valt ergens tussen de 18de en de 19de
eeuw, als een eigen sociaal gebonden Amsterdams zich gaat ontwikkelen
uit een regionaal Noord-Hollands dialect.
Aan het begin van de 19de eeuw kondigden zich de grote veranderingen
al aan en sleutelwoorden zijn monoftongering
en diftongering.
De oude tweeklanken ei, ij en ui werden geleidelijk aan eenklanken en
de lange klinkers ee en oo kregen het karakter van een tweeklank.
De echte Noord-Hollandse verschijnselen zoals sk voor sch en het gebruik
van een voorvoegsel e- bij voltooide deelwoorden verdwenen.
Buurtgebonden
dialecten zijn er niet meer
Als er
voor een bepaalde klank meer uitspraakvarianten zijn, komen die naast
elkaar voor.
Duidelijk is ook dat die stadstaal zeer sterk onder de invloed komt
van het standaard Nederlands.
Wat betreft de houding ten opzichte van het Amsterdams, zullen we zien
dat de waardering nauw samenhangt met de positie van de gesproken standaardtaal.
Wat
is Amsterdams?
Het is een taal die vooral in klank, maar ook wel wat de woordenschat
en bepaalde grammaticale verschijnselen betreft, afwijkt van de Nederlandse
standaardtaal en die gesproken wordt door mannen en vrouwen die tot
de lagere sociale klasse behoren en die in Amsterdam geboren en getogen
zijn.
Het is een taal die merkwaardigerwijs door de sprekers ervan minder
gewaardeerd lijkt te worden dan door de niet-sprekers en die in de loop
der jaren steeds meer aan prestige heeft gewonnen en typisch Amsterdamse
artiesten grote faam bezorgde, zangers, toneelspelers, cabaretiers en
schrijvers.
In Amsterdam wordt standaard Nederlands gesproken, met alle mogelijke
accenten en verder heel veel andere talen, daarnaast is er het plat
Amsterdams.
In de loop van de eeuwen hebben allerlei talen invloed gehad op die
ene variëteit, maar het hoofdbestanddeel bleef Nederlands.
naar
boven
|