|
haeC.
stat. Caritate DoM.Vs
Dit is een huis voor liefdadigheid

Door
Moeders vlyt en dienst, kleedt, spyst men d'ouderloos.
Goed is 't, die dankbaar is, en deugd omhelst altoos.
Uit liefde tot de Wees sproot dit Roomsch huisbestier.
Barmhartigheid en straf is by de Vaders hier.
[1705]
Onder de tien Platanen is een plek van rust
Tussen Elandsstraat en Lauriergracht in het hart
van de Jordaan bevindt zich het voormalig RK Jongensweeshuis.
Het oudste gedeelte werd gebouwd rond 1550, het was een houten woonhuis
waarvan de originele constructie nog gedeeltelijk bewaard is gebleven.
Boven de ingang van het hoofdgebouw staat: haeC. stat. Caritate DoM.Vs.
De hoofdletters die in deze tekst verwerkt zijn, CCDMV, vormen het jaartal
1705, de oprichting van dit gebouw.
Nog dagelijks klinken om 9, 3 en 6 uur de klokslagen van het uurwerk
dat in de dakkapel gebouwd is. Oorspronkelijk was dit uurwerk en de
luidklok uit 1769, maar tijdens de restauratie is er een poging ondernomen
om de bronzen klok te stelen, waarbij het uurwerk vernield werd. In
1997 is de klok gerestaureerd.
[1954]
Kindertehuis Amstelstad
Na
de opheffing van het Jongensweeshuis en
het samengaan met het Maagdenhuis komt er, onder de naam Amstelstad,
een lekentehuis voor voogdijkinderen, jongens en meisjes.
Het katholieke fundament brokkelt af en er worden ook kinderen van andere
gezindten geplaatst.
Het gebouw voldoet niet meer aan de eisen van een modern kindertehuis
en er wordt op 6 juni 1968 aan de Fred. Roeskestraat door prinses Beatrix
een nieuw gebouw geopend. Lees verder hier
[1971]
Het Ortho Pedagogisch Centrum krijgt de
naam de Platanen
Na het vertrek van Amstelstad is in het gebouw een open inrichting voor
zwakzinnigen gevestigd.
Het OPC is in 1964 opgericht door de bevlogen arts Ben
Sajet. Het
gebouw krijgt dan pas de naam waaronder het in de Jordaan bekend is
geworden: 'de Platanen', genoemd naar de tien bomen die op de binnenplaats
staan. lees verder hier
[1997]
Kindercentrum De Platanen / Jeugdtheater
/ woonfunctie
Het gebouw heeft twee jaar leeg gestaan en is toen gerestaureerd.
Jonge kinderen hebben het hoofdgebouw van het weeshuis overgenomen.
Er is een crèche voor baby's, een dagverblijf voor peuters en
een Naschoolse Opvang.
In en rond de voormalige kapel van het Jongensweeshuis komt een jeugdtheater.
De zijvleugels, waar eens de refter van de nonnen was en waar de slaapzalen
waren, zijn verbouwd tot woonappartementen voor
senioren en HAT eenheden. Lees verder hier
De
geschiedenis
van het RK jongensweeshuis
[1578]
De Calvinistische omwenteling
Deze gebeurtenis veroorzaakte het verlies van katholieke gebouwen en
opheffing van katholieke organisaties. De kloosterbroeders werden de
stad uitgejaagd terwijl de nonnetjes mochten blijven.
Het Maagdenhuis en het Begijnhof werden gespaard omdat
daar toch allen maar meisjes en oude vrouwtjes zaten. Voor weesjongens
moesten andere plekken gezocht worden.
Behalve dat was er ook de strijd tussen de Jezuïeten en
Jansenisten.
De katholieken waren een gedoogde minderheid, die hun geloof niet publiekelijk
belijden mochten en in schuilkerken bijeenkwamen. Voor Rome was de Republiek
een missiegebied.
[1664]
Pestepidemieën
Amsterdam groeide van 30.000 inwoners in 1585 tot 115.00 inwoners in
1630.
In de jaren daarna woedden enkele pestepidemieën die duizenden
slachtoffers maakten.
Er heerst een epidemie met 34.000 doden.
Voeg hierbij de Engelse zeeoorlogen en de voortdurende armoede van het
gewone volk tijdens de Gouden Eeuw en het is duidelijk dat er grote
aantallen wezen moesten worden gehuisvest.
Werckelicke hulp
De eerste weeshuisjes staan in Amsterdam tussen Rokin en Kalverstraat
en bieden plaats aan zeven of acht kinderen. Maar wanneer hun aantal
in 1553 is uitgegroeid tot 200, zijn de huisjes te klein en het geld
is op. De kinderen zullen het huis moeten verlaten 'tenzij dat het
bij mijnheeren de Burgemeesteren werckelicke hulp ende assistentie gedaen
werdt.'
Er wordt een huis aan de Kalverstraat gekocht. Dat wordt het eerste
weeshuis van de stad. Om de nieuwbouw van een Burgerweeshuis
te betalen wordt een loterij gehouden.Tegenwoordig is dat het een Amsterdam
(historisch) Museum.
[1673]
Er moest een katholiek weeshuis komen
Sinds 1632 was de armenzorg in handen van een
aantal vermogende personen die de 'Beurs voor Catolijke Armen'
beheerden. Ze vergaderden in een 'Catolijk Armen Comptoir' in
de Spuistraat 303.
Er wordt in een gehuurd huis in de Weesperstraat, 'naest den soeten
invall', een aantal weesjongens ondergebracht.
Na een speciale inzameling, een 'ommegangh met sackies', had
men een kapitaal van 3459 guldens en 3 stuyver werkkapitaal bijeen.
Al eerder kwam er geld beschikbaar uit de nalatenschap van de teerkoper
Hendrik IJsbrands. Vooral
is Maria Magdalena Gravin Moens de weldoenster die geld voor
de stichting van het weeshuis doneert. Zij kent weeshuispastoor Offermans,
die ook kerk 'de Duif' aan de Prinsengracht gesticht heeft.
Het is uitgegroeid tot een groot en rijk Jongensweeshuis.
In een rekest van de regenten van het Weeshuis aan de burgemeesters
van Amsterdam van 1723, wordt betreffende de begindatum van het Weeshuis
gezegd, 'Dat de roomsche gemeente binnen deze stad in het Jaer 1673
en 1674 een aanvang makende om de weesjongens van haere religie tot
haare kosten te onderhouden, deselve Jongens hebben gesteld onder het
opsigt van twee bestierders, welke bestierders de jongens van minder
ouderdom bij de anderen hebben geplaatst in een particulieren hujs op
de Weesperstraat ten dien eijnde gehuurd om daar als in een kostschool
en van het nodige te werden besorgt, en tot lesen en schrijven als andersints
bequaam gemaakt'.
[1682]
Een gedoogd weeshuis
Het katholieke initiatief was niet naar de zin
van de Gereformeerde Kerckeraad. Die beklaagde zich dat er een
soort Paaps weeshuis in de Weesperstraat was. De Papisten worden door
de Burgemeester op het matje geroepen. Ze krijgen te horen: "sulks
is in deze stad niet te dulden", maar ze worden stilzwijgend
gedoogd want de weeskinderen moesten toch ergens heen.
Een jaar later bleek dat er schooljongens en zogenoemde werkjongens
al naar de Lauriergracht verhuisd waren. Dat gebeurde zonder enige ruchtbaarheid
en tot ongenoegen van de Gereformeerden.
[1686]
Er wordt een huis aan
de Lauriergracht gehuurd
Wegens plaatsgebrek had men namelijk besloten de oudere weesjongens,
de zogenoemde werkjongens, bijeen te brengen in een gebouw samen met
de schooljongens. Dit samen wonen bleef zo door bijna drie eeuwen heen,
met dien verstande, dat met een nadrukkelijke samenvoeging van de leefwijze
van werk- en schooljongens rond 1680, steeds meer werkjongens bij pleeggezinnen
of familie buiten het weeshuis geplaatst werden. De leefwijze van de
jongens die dagelijks buiten het weeshuis in contact kwamen met de werkelijkheid
van hun bestaan, had teveel negatieve invloed op de dicipline van de
andere jongens.

Eerste
vestiging in verffabriekjes
Het weeshuis is aan de Lauriergracht gebouwd,
op de plek waar het pakhuis Venetië en
de verffabrieken De Blauwselmolen en De Indigo's Ton
stonden. Deze panden waren eigendom van schepen De Vroede.
Hier werden in 1685 door de Gereformeerde Kerkeraad de Paapse weesjongens
opnieuw 'ontdekt'.
Dat waren toen tussen de 120 en 150 wezen. Die konden moeilijk weggestuurd
worden als een lid van het stadsbestuur zelf de panden beschikbaar stelde.
[1705]
De eerste gebouwen voor
het weeshuis worden in gebruik genomen
In augustus 1700 werd de eerste steen voor een nieuw weeshuis gelegd
en in 1701 was er een eerste regentenvergadering. Hoewel men genoeg
geld in kas had duurde het toch enige jaren voor het weeshuis klaar
was.
Het RC Jongensweeshuis bestaat uit meerdere gebouwen en is ontworpen
door Steven
Vennecool
(1657-1719), de laatste van de grote architecten uit de 17e eeuw.
Er wordt in 1790 een stuk bijgebouwd. Het het laatste gedeelte is in
1883 afgebouwd.
Het werk is begroot voor fl. 50.000.
Achter de drie panden aan de gracht kon het weeshuis zich rond een binnenplaats
uitbreiden, zonder dat er aan de buitenkant, behalve een saaie muur,
iets van te zien was. Na de bouw van de kapel op een verdieping bovenop
die muur, waren er drie deuren nodig. De middelste was groter dan de
twee andere toegangen. Op de eerste verdieping zijn vijf dichtgemetselde
ramen te zien. Slechts de bovenste delen zijn vensteropeningen. Behalve
die openingen is er nog een rond venster en een compleet raam zichtbaar.
zie
plattegrond begane
grond
zie plattegrond eerste
verdieping
zie plattegrond zolderverdieping
Via een poort aan de Lauriergracht kwam je door een donkere gang met
een ijzeren hek aan het eind.
Links van de gang was het huis van de pastoor. Rechts een huiskapel,
maar die mag niet door de wezen gebruikt worden omdat er een kerkscheuring
gaande is.
Het weeshuis komt in handen van een Jansenistische
priester, maar de weeskinderen hadden daar geen weet
van. Ze worden als 'verdoolde schapen'
van de ene kerk naar de andere gestuurd.
Aan
de rechterkant van de binnenplaats is een gaanderij waar de wezen bij
slecht weer kunnen schuilen. In die gaanderij zijn de kastjes voor de
kleding en het gereedschap van de werkjongens.
Alle weesjongen kregen éénmaal per jaar nieuwe kleren.
Naast de gaanderij zijn de kamers van de binnenvader en -moeder, de
keuken en het washuis.
De kinderen tussen de 4 en 6 jaar worden overdag in die keuken opgevangen.
Wezen onder de vier jaar werden eerst bij een min ondergebracht.
Boven op het statige hoofdgebouw met de trap, komt een klok en een windvaan
met een zeemeermin.
Er is daar een onverwarmde eetzaal met lange banken voor de middag-
en avondmaaltijd.
Achter het hoofdgebouw is een kleine binnenplaats met een uitgang naar
de Elandsstraat. Het poortje dateert uit 1747. Rond die binnenplaats
waren de bakkerij, een kleermakerswinkel en een washok met regenwaterpomp
en stenen wasbakken.
De naastliggende woonhuizen aan de Elandsstraat worden stuk voor stuk
aan het weeshuis toegevoegd.
Bijzonderheid is dat onder het complex een gangensysteem
loopt dat het weeshuis verbindt met voormalige kloosters in de omgeving.
Het zou ook kunnen zijn dat de gangen voor wateropslag gebruikt werden.
Tijdens de oorlog werden er wapens voor het verzet verborgen.
[1782]
Iets gezondere lucht en een kapel
De regenten besluiten in dit jaar om in de muur van de school van het
weeshuis een aantal gaten te hakken om de benauwde lucht weg te nemen.
De graanzolder wordt tot slaapzalen verbouwd en ze besluiten om niet
meer dan twee zieke kinderen in een eenpersoons krib te leggen.

Het altaar [L] en het orgel [R] van
de kapel
Het belangrijkste besluit was om binnen het
weeshuis een kapel in te richten
Men wilde voorkomen dat 'de weeskinderen herwaarts en derwaarts ter
kerke moetende gaan, aan haarzelven en haar eigen bestiering overgelaaten
moeten worden en geene behoorlijke moreele educatie kunnen genieten'
De regenten laten op de zolder van de westelijke vleugel, boven de ingang,
een kapel bouwen die alleen voor het weeshuis zal zijn. Ze stellen een
rekest aan het stadsbestuur op om zelf een pastoor aan te mogen stellen.
Dat werd Joannes Andreas Offermans, een vertrouweling van Gravin
Moens. Hij kreeg een traktement van 1000 guldens per
jaar. Hij leidde niet alleen de diensten in de kapel, maar gaf de jongens
ook godsdienstles.
Op
geschikte plaatsen in de kapel werden spreuken aangebracht.
De
sonde stookt
Het eeuwig vuur,
De deugd baart vreugd,
Na stervensuur
Het eerste dat de pastoor deed was de ochtend-, avondgebeden en die
bij de maaltijd te veranderen.
Het hek ging voor de jongens op de vrije zondag pas ná de mis
open, maar het avondverlof werd wel met een uur verlengd.
Het tekenonderwijs werd ook verbeterd. Dat was wel handig voor de leerschool
van de jongens als timmerman.
De kapel was, in
vergelijking tot de leefruimtes van het weeshuis, luxueus ingericht.
Veel houtsnijwerk en marmer. Een altaar met een draaibaar tabernakel
en een fraaie reliekschrijn. Een koepelvormig, mooi beschilderd, plafond.
Een orgel. Rondom een kruiswegstatie. In de ramen die naar de binnenplaats
uitkeken zat glas in lood waardoor de platanen vaag zichtbaar waren.
Dat gaf de jongens de gelegenheid tijdens de vele diensten weg te dromen.
De ramen naar de grachtkant waren dichtgemetseld. Geen contact met de
boze buitenwereld.
Uyt
liefde tot de wees
Spruyt dit rooms huysbestier,
Barmhartigheid en straf
Is bij de vader hier.
Het
onderwijs
Een groep weesjongens kreeg een ambachtelijke opleiding, maar er er
waren ook kinderen die verder konden leren en het in enkele gevallen
zelfs tot chirurgijn brachten en latijn leerden om later priester te
worden. Er was een boven- en ondermeester aangesteld. Ze verdienden
weinig, waren intern en hadden ook andere taken. Om wat bij te verdienen
namen ze clandestien kinderen van buiten het weeshuis op school aan.
Zorg
voor het uiterlijk van de wezen
Er was een huisknecht die maandelijks het haar knipte, maar de werkjongens
moesten dat zelf betalen.Een kleermaker controleerde wekelijks de jongens
en herstelde hun kleding. De regenten hadden het beste met de jongens
voor.
De regenten konden het bestuur naar buiten niet aan
De weesjongens moesten behoed worden voor drankmisbruik. Het was banken
verboden om aan weesjongens geld uit te lenen. Om aan drank en rookwaar
te komen verkochten de weesjongens hun boterhammen die ze voor op het
werk meekregen. In de buurt van het weeshuis woonden lieden die er een
handeltje in zagen. De weeskinderen pikten brood en beleg van de ontbijttafel
en verkochten het buiten de poort.

De
weesjongens spelen op de binnenplaats [1780]
[1788]
Oproer op de Lauriergracht
Het zijn onrustige jaren. Het was de tijd van
de inval van de Pruisische troepen en het herstel van Stadhouder
Willem V in zijn functies. Buiten de muren van het weeshuis zijn
er de tegenstellingen tussen de Patriotten en de Oranjegezinden.
[1781-1813]
Het beheer
Sinds 1684 zijn er steeds vier regenten. Kort na elkaar stierven drie
regenten. Mr.François Hovius
wordt de nieuwe regent. Het is een erefunctie zonder betaling, en een
regent maakt tot zijn dood deel uit van het college.
Hovius krijgt steeds meer macht en stelt regels
op voor de zes suppoosten, de binnenvader, de meesters, de kleermaker
en de broodsnijder.
Omdat het archief een rommeltje is waarbij perkamenten uit de 18e eeuw
in een mand op zolder staan en die door de weesjongens als pakpapier
gebruikt worden, besluit Hovius een degelijk archiefbeheer in te stellen.
De archiefkasten zijn nog steeds te zien in de voormalige regentenkamer.
Hovius is de zoon van dokter Jacobus Hovius die de weesjongens
gratis behandelde. Die was, evenals zijn zoon, lid van het Amsterdamse
reisgezelschap 'Semper Idem'. François
studeerde in Leiden rechten. Toen hij afgestudeerd was werd hij lid
van het 'Caecilea Collegie', een club van voorname katholieken
die iedere donderdag de mis zongen. Uit die club werden een aantal regenten
van het weeshuis aangesteld. Dat had weer als gevolg dat de Jansinisten
steeds minder invloed kregen.
De regenten hebben verschillende taken, de een hield de investeringen
bij terwijl een ander de betalingen en ontvangsten deed. Dat waren de
inkomsten van het werk van de weesjongens, die daar zelf alleen maar
een zakcentje aan over hielden.
Het
gezag
Er waren eigenlijk maar zes personen die gezag over de weesjongens hadden,
de rest was bedienend personeel. De jongens die buiten het huis werken
komen in aanraking met zaken die zeker niet bij een goede opvoeding
behoren.
Bij weesmeisjes is dat minder een probleem die bleven veelal binnen
het Maagdenhuis werken.
Er waren weesjongens die niet Patriottisch waren en die dienst genomen
hadden in het leger van de Staten van Holland om stadhouder Willem V
te verhinderen terug te keren.
Dat gaf in en rondom het weeshuis veel onrust.
De
houten bijlen compagnie
De regenten dringen er bij de hoofdofficier van de stad op aan de houten
bijlen compagnie, een stelletje hangjongeren uit die tijd, aan te pakken.
Er mogen geen opruiende liederen, die gepeupel op de been brengen, in
de buurt van het weeshuis gezongen worden.
Maar het bleek dat een aantal weesjongens zelf bij het houten bijlen
genootschap hoorden.
Het verderf was het weeshuis binnen geslopen. Oproerige weesjongens
werden het huis uitgegooid.
Een wees werd opgepakt omdat hij niet genoegzaam van oranjetekens was
voorzien.
De regenten werden op het matje geroepen en alle
weeskinderen kregen voortaan een vetleren Oranje Cocarde te dragen
als ze naar buiten gingen.
Bij de marine
Alle jongens boven de 17 jaar oud moesten zich aanmelden voor dienst
op 's Lands Vloot.
Dat vonden de weesjongens wel wat. Ze verdienden fl.12,- in de maand,
gratis uitrusting en ontvingen fl.25,- bij indiensttreding.
Van de zestien die zich aangemeld hadden werden er acht afgekeurd. De
rest ging aan boord van de Batavia. Een
jaar later lag het schip nog steeds voor de rede van Texel. Het weeshuis
stuurde voor fl.9,15 groente en aardappels, koffie en thee voor de jongens.
[1811]
Leegloop
Napoleon had dringend soldaten nodig. Weesjongens
tussen de 15 en 19 jaar oud werden zonder meer bij de Keizerlijke Garde
ingelijfd.
Regent Hovius probeerde op alle mogelijke manieren de jongens
te beschermen. Dat lukte niet altijd, men kwam controleren en nam 10
kinderen mee, vier te kleine kinderen, twee zieken, twee met een 'zeer
hoofd', eentje die 'innocent' en een die 'lam' was.
Het Jongensweeshuis moest 167 wezen uitbesteden naar het platteland,
zo werd door de Utrechtse Commissie vastgesteld. Dat heette dan
dat ze 'bedankt' hadden voor het weeshuis. Ze verdwenen naar familie,
bazen in de stad of naar de provincie.
Op deze manier ontkwamen de jongens met hulp van regent Hovius aan de
militaire dienst.

Bezoek
van kardinaal van Rossum.
Bij dergelijke gelegenheden kwamen ook de meisjes uit het Maagdenhuis
opdraven.
[1822]
Directeur Eberson sterft en Reemer volgt hem
op
Johannes Adam Reemer, zelf
weeskind uit het Jongensweeshuis, was opgeklommen tot bovenmeester.
Hij was minder hardvochtig dan Eberson
en stelde dat de jongens zich meer 'broeders' van elkaar moesten voelen.
Daar maakten ze behoorlijk misbruik van. Reemer
moest ook iets aan de behuizing doen. De drie huizen die van schepen
de Vroede gekocht waren werden zo bouwvallig dat ze gesloopt moesten
worden.
Een weesjongen mocht nog wel de eerste steen voor nieuwbouw leggen maar
toen was het geld op en wordt een provisorische buitenmuur aan de Lauriergracht
geplaatst.
[1838]
Eindelijk neemt nieuwbouw een aanvang
Aan de Lauriergracht komt een blinde gevel met drie ingangen, één
voor de wezen, één voor de regenten en één
voor de bezoekers van de kapel die nu op de bovenverdieping gebouwd
is. Enige openheid naar buiten was overbodig. De zijvleugels worden
verlengd en bestemd voor slaapzalen voor éénpersoons ijzeren
bedden met houten schotjes er omheen voor de privacy. Nu konden de jongens
zich aan- en uitkleden zonder elkaar te zien, want er was nog steeds
het gevaar van homofilie.
Naar
Veenhuizen
De straffen voor onhandelbare jongens logen er
niet om. Ze werden naar Frederiksoord en de heropvoedingsinrichting
Veenhuizen verplaatst. Nog erger was het als de jongens gedwongen
werden in zeedienst te gaan.
Overigens was het in Veenhuizen geen pretje. De jongens sliepen in hangmatten,
de hygiëne was slecht er heerste een oogziekte en er werden, bij
inspectie door ds.Otto Gerhard Heldring, honderd knapen aangetroffen
'die door onanie tot pygmeeën waren gekrompen'. In Veenhuizen
verbleven de 'paupers' van de gemeenschap. Die inrichting werd in 1869
op last van de overheid gesloten, maar Frederiksoord bleef in gebruik.

De binnenplaats omstreeks 1900 / rechts: Eerwaarde moeder overste

De broeders van Maastricht / de binnenplaats omstreeks 1930
[1845-1900]
De Broeders van Maastricht
vestigen zich in Amsterdam
De regenten vragen een jonge congregatie van Broeders te Maastricht
een aantal broeders ter beschikking te stellen voor de dagelijkse zorg
van de weesjongens. De gedachte is dat geestelijken niet betaald hoeven
te worden, hoewel ze wel fl.100,- per jaar toegeschoven kregen. Maar
ze mogen beslist geen onderwijs geven, vonden de regenten.
De congregatie stuurde twee broeders en 5 novicen om deze taak op zich
te nemen. Die vormden een apart en geheimzinnig groepje binnen het weesthuis.
De broeders zorgden ervoor dat de devotie ook buiten de plichtmatige
mis in de kapel merkbaar was. Ze waren wel ingetogen, maar deelden af
en toe wel een doffe klap uit. Overigens was er wel degelijk sprake
van religieuze beïnvloeding want 19 weesjongens traden in bij de
congregatie.
Wie is de baas
De broeders noemden het weeshuis bij hun intrede op 10 april 1845 het
H. Hieronymus Emilianisgesticht. Ze wilden kennelijk de macht overnemen.
De broederoverste had een lijst van eisen die aan de directie voorgelegd
werd. De directeur mocht niet getrouwd zijn en er geen dienstmaagd op
na houden. Zonder toestemming van de broederoverste mocht het bestuur
zich niet met de kinderen bemoeien, hen geen straffen opleggen of vrijheden
toestaan. Het familiebezoek moest beperkt worden en het beheer van de
keuken zou een zaak van de broeders zijn.
Hoewel de
broeders, meestal van eenvoudige komaf, het niet zo goed met de hoge
heren regenten konden vinden ontstond op den duur toch een vorm van
tevredenheid over hun inzet.
Aframmelingen en publiekelijke lijfstraffen werden afgeschaft maar het
cachot en het blok bleven.Er waren jongens die de broeders niet vertrouwden
en er waren er die zo opstandig werden dat ze de broeders met een schaar
aanvielen. Jongens die zich niet aan de tucht van de broeders wilden
onderwerpen werden 'wegens uitbreidend kwaad en onzedelijk gedrag'
naar Veenhuizen, en later naar Frederiksoord, uitgezet. Dat gebeurde
tussen 1845 en 1880 zo'n 51 keer!
[1856]
De wezen krijgen het iets beter
Er komt een inrichting voor stortbaden. Een anonieme schenker geeft
400 witte borden zodat de jongens niet meer met z'n vieren of zessen
uit één tinnen bak hoeven te eten. Schoenen gaan de klompen
vervangen. Er is zelfs sprake van toneelvoorstellingen als een regent
iets te vieren had.
Ook bezochten de oudste jongens af een toe een schilderijententoonstelling.
Er komt een nieuwe vleugel aan de Elandsstraat met een eetzaal, een
recreatiezaal voor de werkjongens en een tekenschool. Een paar jaar
later wordt een timmermanswerkplaats zelfs omgebouwd tot een biljartzaal.
In 1845 werd een kegelbaan op de binnenplaats aangelegd.

Vernieuwing
van de kleding der weesjongens. vlnr: / 1780 / 1849 / 1900 / 1920 /
Men probeerde aan te sluiten bij de burgermode. De kuitbroeken verdwenen,
de hoge hoeden werden door petten vervangen en de 'wezenrok' werd een
jacquet jasje dat door de jongens een 'stalen pen' genoemd werd.
[1886]
Het Palingoproer heeft ook zijn weerslag op
het weeshuis
De geweerschoten zijn in het weeshuis duidelijk
te horen. Door werkloosheid en armoede stijgt het aantal wezen. Het
is bovendien steeds moeilijker stageplekken voor werkjongens te vinden.
Werkjongens komen in aanraking met het socialisme en bezoeken zelfs
vergaderingen in het Volkspark. De bazen ontslaan zulke jongens, de
politie brengt ze op en vervolgens worden ze door het regentencollege
naar Frederiksoord verbannen. De broeders van Maastricht hebben het
behoorlijk moeilijk met die socialistische weesjongens.
De
Zusters van De Voorzienigheid
Ingang van 'De Voorzienigheid' in
de Elandsstraat
Het viel de kinderen op dat de zusters altijd met z'n tweeën de
straat op gingen en schuin de trap afliepen.
[1900-1960]
Arme zusters
Na 55 jaar, nemen de religieuze zusters van de congregatie der Arme
zusters van het Goddelijk Kind de zorg voor de weesjongens van de
Broeders van Maastricht over.
Ze zijn afkomstig van de onderwijscongregatie 'De Voorzienigheid'
die gevestigd was in het blok tussen de Hazenstraat, de Konijnenstraat
en de Lauriergracht.
De broeders vertrekken
in burgerkleding met de noorderzon terug naar Maastricht.
Er zitten nu 70 wezen en 9 zusters in een veel te groot gebouw
Eer en deugd
De zusters zijn in het geheel niet voor het werk
met weesjongens opgeleid.
De hardvochtige en onpersoonlijke benadering van de jongens paste wel
in het katholieke patroon maar was verre van 'Goddelijk'. De zusters
hebben een streng regime. Het troosten van jongens was er niet bij.
Ze straffen door ze met hun ring een 'deuk' op het achterhoofd te geven
of trokken ze ritmisch hard aan hun kraag. De jongens noemden dat 'sjokkie
rijden'.
De zakken van de jongens worden dichtgenaaid. Ze moeten met hun zwembroek
aan onder de douche. Ondanks die maatregelen worden verschillende onzedelijkheden
ontdekt, er werden twee jongens naakt bij elkaar in bed aangetroffen.
De zusters hebben zelf geen idee hoe ze seksualiteit moesten benaderen.
Denken aan onkuisheid was voor hen al onkuis op zichzelf.
Daar tegenover proberen de zusters met een St. Nicolaasfeest, uitstapjes
en zelfs een vakantie in een vakantiekolonie in Dieren een beter opvoedingsklimaat
te scheppen.
Ze richten in het weeshuis zelfs een 'Vereniging voor Eer en Deugd op.
[1905]
Van opvangen naar opvoeden
In dit jaar worden de Kinderwetten
aangenomen, waardoor er een Voogdijraad ontstond die het opvoedingsbelang
van kinderen moest waarborgen. De staatsbemoeienis was voor de
zusters een groot probleem omdat ze daarmee hun roeping ontrouw moesten
worden. Toen bijvoorbeeld Belgische vluchtelingen opgenomen moesten
worden werden die in het Aloysiusgesticht geplaatst en werden in ruil
daarvoor evenveel katholieke kinderen naar het jongensweeshuis overgeplaatst.
Later kon men dit beleid niet volhouden en kwamen er Volendammertjes
die door de watersnood van 1916 wees geworden waren, en zelfs Franse
vluchtelingetjes in het weeshuis terecht.
[1921]
De Kinderrechter en de
ondertoezichtstelling
Tot ongeveer 1950 bleven de inrichtingen geïsoleerde organisaties
die zo modern waren als het bestuur of de directie toelieten.
Men gaat na verkregen rijksgoedkeuring over tot verzorging en opvoeding
van voogdijkinderen.
Eerder naar voren gebrachte ideeën worden algemeen erkend zoals:
ontplooiing van de eigen persoonlijkheid, vermijden van hospitalisatie,
bevorderen van een gezinssfeer, coëducatie, contacten buiten de
inrichting bevorderen en differentiatie van aanpak.
Als je het beleid van de regenten van het Jongensweeshuis met dat van
het het Maagdenhuis vergelijkt valt meteen op hoe verborgen het Jongensweeshuis
was gebouwd. Het nieuwe Maagdenhuis stond als een tweede stadhuis in
de stad. Het Jongensweeshuis was vrijwel onvindbaar, het was geheel
op een binnenterrein gelegen en bezat niet meer dan een deur aan de
Lauriergracht verder dichtgemetselde ramen.
Pas in 1907 werden er WC's met waterspoeling aangelegd.
In 1917 komt er elektriciteit en in 1923 wordt de keuken grondig gerenoveerd.
Het
Aloysiusgesticht
Eind 1846 is een inrichting voor arme en verwaarloosde kinderen in de
Elandsstraat gesticht.
Het gebouw was een voormalige suikerfabriek, zoals er zo veel in deze
buurt stonden. Het was geschonken door regent Van Cranenburgh aan de
Heerenvereeniging van Weldadigheid.
Helaas ontbrak het geld voor inrichting en voor de verzorging van de
kinderen was nauwelijks geld.
Op een onduidelijke manier werd één van de broeders van
het jongensweeshuis erbij betrokken. Totdat pastoor Hesseveld directeur
werd speelden de broeders er de baas en bepaalden het 'geregeld conventsleven'.
Omdat Hesseveld veel wereldse contacten had kwam daar weinig van terecht.
Het Aloysiusgesticht
in de Elandsstraat
en de binnenplaats ervan. Het
gebouw van het Aloysiusgesticht bestaat niet meer.
Er is een modern Regionaal
Opleidings Centrum (ROC) voor koks voor in
de plaats gekomen.
[1922]
Twee weeshuizen
Er zijn in de Elandsstraat nu twee weeshuizen
schuin tegenover elkaar. Het Aloyisius
en het RK Jongensweeshuis.
Na een paar jaar onderhandelen wordt besloten samen te gaan werken.
Als de Aloysianen binnen komen huppelen is het knokken geblazen tussen
de jongens. Er zijn nu 22 zusters nodig om de zaak in zedelijk gareel
te houden.
Een echte fusie wordt het niet.
Het aantal weesjongens bleef minstens na het begin van de 20e eeuw zodanig
slinken, dat het karakter van het huis moest gaan veranderen. Het aantal
der voogdijkinderen werd voortdurend groter en wanneer men na 1957 eraan
gaat denken de oudbouw aan de Lauriergracht te verlaten, is de naam
`jongensweeshuis' zo goed als verdwenen.
De officiële naam is dan Kindertehuis Amstelstad.
[1927]
Francois Fontaine
wordt directeur van het weeshuis
Hij is een aanhanger van Jan
Ligthart en al sinds 1914 onderwijzer
en hoofdonderwijzer. Veel verbeteringen worden onder zijn bewind ingevoerd.
Hij schorst een onderwijzer als die onpedagogisch gedrag vertoont en
de jongens zelfs mishandelt. Overigens moest Fontaine ook wel nadenken
over zijn eigen hardhandigheid als hij de jongens met een eind hout
een pak slaag gaf.
De jongens hoefden niet meer met hun zwembroek aan onder de douche of
met hun handen boven de dekens slapen.

Zaal voor jonge kinderen en een van de slaapzalen
De economische crisis van deze tijd raakt ook het weeshuis.
Het is steeds moeilijker pleeggezinnen te vinden en werkloze oud-wezen
doen een beroep op hun voormalige 'gezin', zoals Fontaine het noemt.
Het
koeren van een eenzame houtduif *)
Joop
Martin (geboren 9 april 1931)
is een van die jongens die in dit gesticht opgenomen werd.
Hij schreef het verhaal dat hij eigenlijk had willen verzwijgen en wegstoppen.
Hoe het hem als weesjongen in de Jordaan verging, geleid, of misleid,
door de harde gevoelloze handen van de nonnen. De zusters die eigenlijk
de moederliefde moesten vervangen maar dat niet konden, het was hen
door de "kloostergelofte" niet toegestaan.
[1933]
Einde van de school in het Jongensweeshuis
De school in het Jongensweeshuis, die 232 jaar dienst gedaan heeft wordt
gesloten. De grote kinderen gaan nu aan de overkant van de Elandsstraat
naar school, waar ze onder het regiem van de broeders vallen. De
Aloysiusschool was een zogenoemde 'buitenschool',
er zaten ook kinderen uit de gewone maatschappij op.
[1940]
De Oorlogstijd
Er komen na het bombardement van Rotterdam 23
vluchtelingen als 'halfwezen' in het weeshuis terecht.
Het voedsel werd schaars. De boterham 'tussendoor' verviel en maakte
plaats voor een baksel samengesteld van afval van de hostieproductie.
Suikerbieten- en bloembollensoep doen hun intrede.
Het begrip 'surrogaat' dringt ook tot de jongens door als ze oude telefoonboeken
moeten verwerken tot wc papier. Aan hun voeten 'kleppers' van houten
plankjes met een papiertouwtje vastgemaakt.
Het ministerie van Justitie keurt het weeshuis goed voor de verpleging
van voogdijkinderen waardoor er weer 140 kinderen zijn.

De weesjongens met de foto van de
hoofdprijs
[1948]
Viering van het 250 jarig bestaan van het jongensweeshuis
Uit het 'jubileumfonds' met de opbrengst van een loterij, met een Ford
automobiel als hoofdprijs, worden verbeteringen aangebracht zoals
een oliegestookte centrale verwarming en de herbestrating van de binnenplaats
in oud-Amsterdamse stijl.
Herinnering
van een weesjongen:
"Vader fluisterde met de ijskoude moeder-overste en ik liep naar
één van de hoge ramen. Er stond een grote waterpomp met
een zwarte hendel op de binnenplaats en in mijn fantasie beklom ik de
pomp en bereikte het hoogste punt".
>
lees verder >
[1954]
Kindertehuis
Amstelstad
De grote binnenplaats / de ingangspoort aan de Elandsstraat
55 uit 1747 / de kleine binnenplaats
Het Jongensweeshuis heet nu kindertehuis Amstelstad
Sinds de school binnen het jongensweeshuis in 1933 ophield te bestaan
en de jongens in het Aloysiusgesticht
naar school gingen is er veel veranderd. Op die school zitten ook zogenoemde
'buitenkinderen'. De weesjongens beweerden dat ze die buitenjongens
konden ruiken omdat die minder vaak gewassen werden. Die jongens waren
ook brutaler en riepen al snel: "Ik ga m'n vader halen", iets
dat de weesjongens schokte.
De kleuters gingen naar de Mariaschool, de
bewaarschool van de Zusters bij het klooster 'de Voorzienigheid'. Dat
was ook een buitenschool, daar hadden de jongetjes zelfs 'vriendinnetjes'.
De strenge directeur Fontaine gaat 1 november 1952 met eervol
ontslag en er komt een pedagogisch adviseur, drs. van Steenhoven,
voor één dag in de week voor in de plaats.
Eind 1954 zijn er nog 151 kinderen, 119 jongens en er komen ook 32 meisjes
bij. Dat zijn 5 wezen, 33 voogdijkinderen en 113 vrije pupillen.
Bezoek
Koningin Juliana
[1953]
H.M.Koningin Juliana
neemt een kijkje in het weeshuis om te zien hoe het gaat met de nieuwe
pedagogie. Een zuster speelt op de mondharmonica en de koningin danst
met de kinderen 'In Holland staat een huis'.
Dat is wel een verschil met de aubades die de kinderen moeten brengen
als er een hoge kerkelijke prelaat op bezoek kwam.
Het bezoek onderstreept de definitieve verandering in de opvattingen
over het opvoeden en begeleiden van kinderen.
[1955]
Als de laatste weesjongenvertrekt blijven 132 voogdijkinderen en 22
vrije pupillen over.
Er wordt sexuele voorlichting gegeven door de kapelaan. De kinderen
krijgen 10 cent zakgeld per week en ze hoeven niet, zoals vroeger, al
het snoepgoed dat ze er voor kopen bij de eerwaarde moeder in te leveren. Kinderen
mogen uit logeren gaan bij gastfamilies en ze krijgen de beschikking
over een eigen servies en bestek.

De slaapzalen zien
er iets meer kindvriendelijk uit. Van Steenhoven maakt een eind aan
de schotjes tussen de bedden. Ieder kind krijgt een bed met een sprei
erop, een kast voor elk kind apart en ze mogen plaatjes op de muur plakken
en eigen spullen op hun kastjes neer zetten.
Dit alles is het gevolg van de komst van mej. Lindner als directrice.
Ze is van huis uit maatschappelijk werkster. Een en ander gaf wel de
nodige strubbelingen tussen haar en de eerwaarde moeder Birgitta,
die wel een moderne hoofddoek is gaan dragen maar verder de ouderwetse
katholieke opvoedingsprincipes aanhangt. De zusters waren veel
te streng en hadden ook geen opvoedkundige opleiding gehad.
Zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven verdwijnen de laatste zusters
in 1960 en neemt lekenpersoneel hun taken over.
Hiermee is dan een einde gekomen aan het R.K.Jongensweeshuis.
Het
katholieke fundament brokkelt langzaam af
In de buitenwereld is men ervan overtuigd dat het geloof een persoonlijke
aangelegenheid was, maar daar was men het binnen Amstelstad niet mee
eens. De meeste kinderen wisten niets van godsdienst af maar volgens
de papieren waren ze katholiek gedoopt dus werden ze onderworpen aan
de strenge rituelen van de Rooms Katholieke Kerk.
Toen de nonnen in 1960 vertrokken kwam daar min of meer een einde aan.
Men was nog wel katholiek maar legde dit er niet te dik bovenop. Dat
moest ook wel want er werden veel kinderen van andere gezindten geplaatst
en er werd zelfs in 1968 voor het eerst een protestante groepsleidster
aangesteld en kwamen er het jaar daarop drie niet katholieke leidsters.
Er wordt wel een geestelijk verzorger ingehuurd maar er is ruim plaats
voor andersdenkenden.
Er zijn geen regenten meer die de katholieke dienst uitmaken, Amstelstad
heeft een normaal bestuur.
Een instelling voor normale kinderen
Amstelstad was volgens de wet kinderbescherming uit 1961 bestemd voor
'normale minderjarigen'
De helft wordt via de rechter geplaatst, de andere helft via voogden
en instellingen voor ambulante hulp. Maar hoe 'normaal' was de geschiedenis
van kinderen van gescheiden-, werkloze- en of verslaafde ouders? Dan
waren er ook nog kinderen die problemen hadden omdat ze veel spijbelden,
van huis weggelopen waren en dakloos op straat zwierven.
[1966]
Nieuwbouw
Burgemeester van Hall slaat
de eerste paal van de nieuwbouw van Amstelstad
aan de prinses Irenestraat en eind 1967 worden de gebouwen aan de Lauriergracht
verlaten.
Het weeshuis heeft een moderne locatie aan de Fred Roeskestraat
gekregen.
Er zijn nu twee stichtingen Amstelstad met aparte besturen voor weeshuis
en jeugdhulpverlening.
Twee jaar blijft het oude weeshuis aan de Lauriergracht leeg staan.
Als het daarna verbouwd wordt voor het Ortho
Pedagogisch Centrum vinden de aannemers nog waardevolle
postzegelcollecties van de zusters. Een antiquair haalt de hele inventaris
van de kapel en regentenkamer weg. Zelfs een geschilderd portret van
de weldoenster van het huis, de gravin Moens,
verdwijnt.
Daarmee lijkt de geschiedenis van het weeshuis definitief uitgevlakt.

[1971]
Het
Ortho Pedagogisch Centrum 'de Platanen'
Het weeshuis is een inrichting voor zwakzinnigen geworden.
Het OPC is in 1964 opgericht door de bevlogen arts Ben
Sajet.
Op 29 mei 1971 stapten de eerste van de 97 bewoners hun nieuwe, zogenaamd
beschermde, woonplek binnen.De afdelingen krijgen
namen als: 'De Waterpomp' en 'Het Geveltje'.
De etiketten die de bewoners door de buurtbewoners en de gemeenschap
opgeplakt krijgen zijn gevarieerd: Dollen /
Onwijzen / Mallen / Dwazen / Wezenlozen / Debielen / Innocenten / Simpelen
van geest / Zwakzinnigen / Geestelijk gestoorden / Verstandelijk gehandicapten.
Tegenwoordig is de politiek correcte benaming
'Mensen met een verstandelijke beperking'.
De agogische functie staat boven de medische model.
In het begin zaten er mensen met een een stereotiep gedrag die zich
bijvoorbeeld steeds achter een boom opstelden of vreemde bewegingen
en geluiden maakten.
De bewoners van de Platanen worden ondanks dit alles in de buurt net
zo behandeld als 'gewone' Jordanezen die bij gelegenheid op de hak genomen
worden. Zwakzinnigen hebben vaak heel wat te stellen met die 'normale
mensen' en hebben er moeite mee als er op Jordaanse manier met hen 'gedold'
wordt. Lees daarover meer hier

Nelis Vogelenzang is een bijzondere figuur
uit het huis
Hij woont tegenwoordig in een inrichting in Amsterdam Noord waar geen
aanspraak in de buurt te verwachten is. Vandaag de dag dwaalt hij nog,
met zijn speelgoedbeer onder zijn arm, door de buurt. Hij stapt bij
café
Rooie Nelis en alle galeries en winkels in
de Hazenstraat en op de Elandsgracht, waar een deur maar open staat,
naar binnen. Voor de gelegenheid wil hij nog wel eens zijn oude 'Platanenkleren'
aantrekken. Samen met een begeleidster schrijft hij zijn autobiografie.
Weeskleren
zijn een ruitjesbloes
Ik heb mijn vader nooit gekend. En weet heel weinig over mijn moeder.
Ik mocht af en toe wel naar huis komen.
Mijn moeder had bruin haar. Ze was klein. Ze was niet lief ze was vals.
Mijn vader dronk bier achter elkaar door. Ook jenever. Later is mijn
vader door de politie aangehouden in een auto.
Ik woonde in een weeshuis in de buurt van de Koninginneweg. Bij het
Vondelpark.
Ik heb zo'n 12 jaar in dat weeshuis gewoond.
Ik ging toen naar school. Ik had altijd weeskleren aan. Weeskleren zijn
een ruitjesbloes en een kort broekie en
ruitjessportkousen. Op zondag witte sportkousen en een wit overhemd
en een blauwe jas.
Op zondag droeg ik lakschoenen. Door de week gewone schoenen. Bruine.
Er waren zusters in dat weeshuis met kappen op het hoofd. Het waren
Rooms Katholieke zusters.
De zusters waren wel lief. Met 16 jaar ging ik uit het weeshuis. Stratenmakers
helpen. Stenen aangeven.
Daarna naar de Platanen in de Jordaan.
[1980]
Stichting Werkgemeenschap
Ortopedische Zorg
Het OPC de Platanen kan het ingewikkelde financiële beleid dat
de Overheid van deze min of meer idealistische instelling verlangt,
niet rond krijgen en gaat failliet. De inrichting voldoet niet aan de
normen. Er wonen teveel mensen die niet in een inrichting thuis horen.
Die gaan naar gezinsvervangende tehuizen.
De gemeente kan onmogelijk alle bewoners op straat zetten en richt de
Stichting Werkgemeenschap Orthopedische Zorg op.
[1992]
Sociowoningen "de
Werf"
De SWOZ de Platanen gaat naar een nieuwe locatie 'De
Werf' in Amsterdam Noord.
Een sociowoning en een gezinsvervangend tehuis zien er van buiten niet
uit als een inrichting.
De twintig overgebleven bewoners van de Platanen passen moeilijk in
het nieuwe concept. Hun materiele omgeving is wel veel beter maar ze
missen de sigarenboer om de hoek in de Hazenstraat. De begeleiding van
de mensen met een verstandelijke beperking blijkt op vele punten te
kort te schieten.
Deze mensen horen in het hartje van de Jordaan thuis in plaats in een
project aan de buitenrand van de stad.
Meer
over de Platanen als Open Inrichting > hier
[1997]
Renovatie
van de Platanen
De Gemeente draagt de Platanen over aan Woningbouwvereniging
Eigen Haard die begint met een renovatie die in 1997 voltooid is.
Sociaal-Culturele
bestemming
De Gemeente Amsterdam heeft De Platanen overgenomen van de regenten
onder voorwaarde dat er altijd een sociale functie en een culturele
bestemming aan gegeven zal worden.

De
kinderen van Kindercentrum De Platanen
Jonge kinderen hebben nu het hoofdgebouw van
het weeshuis overgenomen.
Er is een crèche voor baby's, een dagverblijf voor peuters en
een Naschoolse Opvang.
Er wordt gewerkt volgens de idealen van de Reggio Emilia werkwijze.
Kenmerkend voor die werkwijze is de aanwezigheid van kunstenaars, de
Atelierista,
die in de werkplaatsen voor kinderen uitdagende beeldende activiteiten
uitvoeren.
Voor
kinderen is de natuur er om te beleven
Daarom staan er planten bij de trap die ze kunnen ruiken, waar ze met
hun vingertjes aan kunnen komen, waar ze zich tussen kunnen verstoppen.
Onder de planten leven de beestjes die de kinderen soms in een potje,
met een vergrootglas in het dekseltje, stoppen om ze beter te leren
kennen. Zo krijgen kinderen respect voor plant en dier.
Hun wereld is meer dan een stenen binnenplaats met tien bomen en een
pomp waar af en toe water uit stroomt.
Theater
de Toneelmakerij
Toneelgezelschap Huis aan de Amstel
bestaat sinds 1990.
In 2009 fuseert het gezelschap met toneelgroep
Wederzijds.
Regisseurs Liesbeth Coltof en Ad de Bont
en de de spelers en de technische staf
gaan samen verder onder de naam de Toneelmakerij.
De theatergroepen maken voorstellingen voor kinderen, jongeren én
volwassenen.
Voorstellingen die geworteld zijn in het kijken naar de wereld om ons
heen.
Huis aan de Amstel was vooral geïnteresseerd in hoe veranderingen
in die wereld ingrijpen op het leven van mensen en hun directe omgeving.
De oorspronkelijke kapel van het Weeshuis is nu een prachtige theaterzaal
met een kleine honderd zitplaatsen. De afmeting waarborgt intimiteit
en verkleint de afstand tussen spelers en publiek met behoud van de
technische mogelijkheden en de sfeer van een groter theater.
Wonen
in de Platanen
Een deel van het weeshuis, de zijvleugels, waar eens de refter van
de nonnen was en waar de slaapzalen van de jongens waren wordt verbouwd
tot woonappartementen voor senioren en HAT eenheden.
De bewoners richten geveltuinen met potplanten in om de historische
binnenplaats kleur te geven.
Muziekuitvoeringen
Op de binnenplaats van de Platanen worden regelmatig muziekuitvoeringen
gegeven in het kader van het Grachtenfestival
, Werkgroep Kunst en Cultuur, Open Podium
onder de Platanen en
Fête de la Musique.
naar
boven
|