de Jordaan tussen taal en beeld


> Met de trein richting Amsterdam / Ton de Vrind

> De laatste weesjongen / Gerard van Sister

> Na een indrukwekkend bezoek aan de rechtbank / Paul Van der Sar

> Wat en hoe wij moesten eten / Joop Martin

> Een dansje met koningin Juliana / Hans de Groot

> Ik zwaaide naar haar, maar heb haar nooit meer gezien / Ruud van Dragt

> Bijna verdronken in de Lijnbaansgracht / Mario de Vries

> Mijn leven in kindertehuis Amstelstad / Ton Oosterbaan

> Vrijdag was de verschoondag / Dolf Helders


Herinneringen
van de weeskinderen

in het Jongensweeshuis




Met de trein richting Amsterdam

voor mijn broers Hans † en Wim †

Met de trein richting Amsterdam
Tegenover ons zat een kalende man, die vriendelijk naar ons knikte.
Naast mij, op de schoot van vader, zat mijn oudste broer.
"Is hij zo geboren?", vroeg de man uiteindelijk met ingehouden stem.
Mijn vader knikte bevestigend en legde uit waarom het tijdens de bevalling zo verkeerd was gegaan.
De man tegenover me begon een lang gesprek met mijn vader, terwijl buiten de weilanden voorbijraasden.
Een grimmige lucht viel langzaam op de natte grasmat en een naargeestig gevoel drong diep in mij.
Vanaf het Centraal Station was het nog wel even lopen
Mijn handje lag stevig tussen de eeltknobbels van vader.
Ik keek op en zag Hans hoog op de schouders van vader zitten.
Hij was rustig en zijn hoofdje wiebelde monotoon mee gelijk de tred van mijn vader.
Hij keek zonder gedachten en z'n zwarte alpinomutsje zat enigszins scheef op zijn blonde hoofdje.
Meestal ging hij eerst met de tram naar de Rozengracht. Hij wist immers waar we heen zouden gaan.
Na een tijdje begon hij te zeuren.
Ik werd overmand door een gevoel van angst en miste opeens mijn moeder.

De grote gracht
De zon was in rood versmolten en wierp met de gele wolken een mysterieus schijnsel op de grote grachtenpanden.
We hielden stil en vader trok aan een grote hendel naast de toegangsdeur.
De bel klonk en echode in de grote hal.
"Ze zijn er niet", zei ik ongeduldig, maar vader en Hans zwegen.
Na een paar minuten hoorden we lichte voetstappen die hol en klakkend op ons toekwamen.
De deur ging open.
Zuster Galgani lachte vriendelijk en nodigde ons uit binnen te komen.
Zonder een woord te zeggen betraden we de grote gemetselde hal.
Het leek een kleine kerk die in Gotische stijl was opgetrokken.
Binnen was het donker en de vriendelijke non stak de olielamp aan die een flauw en armoedig schijnsel op de stenen wierp.
Op de grote plavuizen stonden twee houten banken zonder rugleuning
In het midden een vierkante eiken tafel.
Ik kon gemakkelijk spelen in de grote hal, maar er was geen speelgoed.
In plaats daarvan werd ik op een grote houten bank gezet.
Zo geruisloos als ze was gekomen, zo verdween de non als een stip in de lange gang.
Vader stond op en tilde Hans weer op zijn schouders.
Hij beloofde gauw terug te komen.
Hij verdween met Hans en de non achter een grote bruine deur aan de overzijde van de hal.
Ik wipte van de bank en liep een paar meter de hal in.
Langzaam kwam het naargeestig gevoel in mij terug en ik besloot weer te gaan zitten.
De bruine deur zwaaide open en vader wenkte me.

De Regentenkamer
Aarzelend stapten wij naar binnen. Mijn mond viel open en ik tuurde naar de imposante schilderijen en fraai bewerkte stoelen die langs een grote, glimmende mahoniehouten vergadertafel waren geplaatst.
Aan het einde van de lange tafel zat de moeder-overste. Adjuta was haar naam.
Het was de zwarte pij en witte kap met daarin een bleek en strak gelaat, waarvan ik schrok.
Twee ijskoude blauwe ogen keken me indringend en uitdrukkingsloos aan.
Het leek alsof ze probeerde te glimlachen, maar het gelaat was te strak en haar gevoelens wellicht jaren geleden verzwolgen door immense spijt. Ik kroop tegen mijn vader aan.
De metershoge ramen van de Regentenkamer keken uit op de binnenplaats.
Hier was het dan: Het Jongensweeshuis aan de Lauriergracht in Amsterdam.
Vader fluisterde met de ijskoude moeder-overste.

De pomp
Ik liep naar één van de hoge ramen.
Er stond een grote waterpomp met een zwarte hendel op de binnenplaats en in mijn fantasie beklom ik de pomp en bereikte het hoogste punt.
Hoe kon ik weten dat dat niet mogelijk zou zijn.
De pomp had al zoveel kinderlijfjes weerstaan dat hij zo glad als een aal was geworden.
De keurig gepoetste koperen tuit glom als de ondergaande zon en wierp een zwakke lichtstraal naar de Regentenkamer die op mijn netvlies bleef staan.
Het was doodstil op het plein.
Een laatste streep licht viel nog net op het plaveisel.
Het moest avond zijn geworden.
Een gevoel van honger kwam op en mijn blik viel op de grote raampartijen opgebouwd uit talrijke, kleine ruitjes.
Er was niemand te bekennen achter de ruitjes.
De binnenplaats was strak bestraat en brandschoon, zelfs geen grassprietje stak uit de voegjes.

Mijn vader vertrok

De grote bruine deur ging open en zuster Constantine kwam binnen.
Ik begon zachtjes te huilen.
Ze ging naast me zitten en probeerde me te troosten.
Het lukte moeilijk, totdat ze vanuit haar pij een zilveren rozenkrans tevoorschijn haalde.
Die was voorzien van een rijkelijk bewerkt kruisje en de "Onze Vaders" waren gelijk de "Weesgegroeten", behalve dan dat ze iets groter waren, maar met dezelfde rullige bewerking.
Het glom als een nieuw zilver bestek en ik mocht aan de ronde kogeltjes voelen. "Als je lief bent mag je het hebben", zei ze zacht. Maar eerst zal ik je leren hoe je ermee moet bidden".
De bruine deur ging weer open.
We keken op naar de zwarte gestalte in de opening van de grote deur.
De handen onzichtbaar gestoken in de brede mouwen en het hoofd was enigszins naar achteren geheven.
Naast Adjuta, de moeder Overste, stond mijn vader met Hans in zijn armen.
Zuster Constantine stond op en snelde zich verontschuldigend naar Adjuta.
Vader keek me triest aan en er werd opnieuw gefluisterd.


De grote jongensslaapzaal en rechts de kinderkamer

De grote jongensslaapzaal
Er was niemand te bekennen. Hier en daar stond een klein tafeltje en in grote rijen waren de bedden opgesteld met daarnaast ieder zijn eigen stoel.
Het enige dat van jezelf was was je kleding en in dit weeshuis droegen de jongens allemaal hetzelfde.
Op het houten tafeltje naast het bed stond een wit geglazuurde kom.
Ze knikte en met een automatisme begon ik me tot aan het ondergoed uit te kleden.
Ik kreeg een vluchtige wasbeurt onder de oksels en het witte washandje raasde over mijn verbaasde gezicht.
Plotseling verscheen er een novice met een wit bord.
Er lag een bruine boterham op, zonder boter of beleg en in haar andere hand een glas water.
Ze fluisterde met Constantine en verdween weer even vlug zoals ze was gekomen.
Ik staarde naar de boterham en besefte dat ik sinds de ochtend niet meer had gegeten.
Als een roofdier stortte ik mij op de boterham en het glas water slurpte ik in één keer leeg.
De non vouwde het laken in een keurige driehoek en schoof mij in het ledikant.
Ze bleef vriendelijk knikken, maar zweeg.
Ze knielde naast het bed en ik dacht dat ze me zou toestoppen, maar fluisterend werd er een weesgegroet gebeden.
Voordat ik het besefte was ze onhoorbaar verdwenen.
Ik staarde naar het plafond en zocht in het schemerduister naar een herkenningspunt.
De gebogen welf in de hoek?
De grote ramen?
Een barst in het steunbint?
Minutenlang staarde ik angstig in het schemerige licht en viel in slaap.

Het was aardedonker geworden
Na korte tijd schoot ik wakker.
Ik zocht en zag plotseling de talloze bedden om me heen gevuld met slapende kinderen.
Even hoorde ik gefluister uit de bedden die zich naast het steunbint bevonden.
Ik wachtte af. Ik werd warmer en warmer.
Ik begon zachtjes te huilen en na enige tijd kwam een zuster met lichte schreden op me af.
Ik voelde het bed langzaam nat en warmer worden.
Ik barstte het uit.

Tandartsendag
Op het plein renden en speelden zeker 50 jongens

Ik zag Hans in zijn karretje bij de pomp.
Aan de overkant op de hoge trap stond een lange rij jongens.
Af en toe verdween er weer één door de grote deur, op weg naar de tandarts.
"Héé, straks trekken ze je al je tanden eruit.", schreeuwde plots een wees in m'n oren.
"Ha, ha, maar bij mij lekker niet anders sla ik ze bij hem uit z'n kanis", schreeuwde het Amsterdamse ventje.
Angstig keek ik naar Hans en hield zijn karretje vast.

Hij gromde naar de jongen en stootte ondefinieerbare klanken uit, waarvan ik het beoogde effect betwijfelde.
Maar als bij toverslag draaide het ventje zich om en rende weg.
"Ik ben z'n broer!"
schreeuwde ik hem nog na.
Hans draaide zich om en keek met een schuin hoofd naar de grote trap.
Ik volgde zijn blik en zag mijn broer Wim erop staan.
Er waren er nog twee voor hem, maar het deerde hem niet.
Rustig stond bij daar.
De bel luidde en op dat moment verdween ook hij achter de grote deur.
De dreigementen van de wees klonken nog in mijn oren en ik hoopte dat de tandarts zich niet aan het gebit van mijn broer zou vergrijpen.
Het duurde gelukkig niet lang en met een brede grijns kwam hij kort daarna weer naar buiten en sloot zich aan bij de andere weesjongens.
Het spelen was van korte duur, want na een paar minuten stak een non haar hand op.
De jongens keken haar angstig aan en schreeuwden naar elkaar.
Binnen een oogwenk stonden ze allemaal als gedrilde militairen, zonder enige instructie, keurig in rijen opgesteld.
Ook Wim stond ertussen en die liep zwijgend, zonder nog om te kijken, naar binnen.
Ik duwde het karretje van Hans naar de zij-ingang waar een novice het van me overnam.
Een nieuwe dag was begonnen.

Ton de Vrind



Na een indrukwekkend bezoek aan de rechtbank

Herinneringen aan mijn verblijf in het weeshuis 1954-1955


Ingang naar de wasplaats

Ik ben geboren in 1950
Een jaar later overleed mijn moeder tijdens de geboorte van mijn broertje.
Mijn broertje werd toen ondergebracht bij een tante in Hilversum en ik bleef bij mijn vader die een bakkerij aan de Havenstraat in Bussum had.
Van die tijd herinner ik mij niet veel alleen dat we de bakkerij, na later bleek verplicht, moesten verlaten.
We verhuisden naar een woonhuis dat door mijn voogd aan mijn vader werd verhuurd.
De voogd was katholiek en een zeer gelovig man die toch het beste met ons voor had.

De voogdijzaak
De rechtbank was een groot gebouw met een donkere zaal en grote tafels die door kleine lampjes verlicht werden.
Er zaten in mantels geklede heren op enorm grote stoelen.
Toen ik weer naar buiten kwam zag ik dat mijn vader met een zakdoek in z'n ogen wreef.
Het bleek een voogdijraadzaak te zijn geweest.

Mijn vader was marktkoopman

Hij nam altijd maandags vrij.
Die maandag had hij wat kleding en schoenen in een stuk papier met een touw er om ingepakt.
Hij vertelde dat hij mij naar een leuke school zou brengen met hele 'aardige zusters' en dat ik daar ook zou slapen.
Mijn keel kneep samen.
Ik moest in onze bestelwagen stappen en zo begon de reis naar die school.
Op een gracht aangekomen stapte mijn vader uit, liep om de auto heen om mij eruit te laten. Ik zag hem aankomen en kroop over de koopwaar naar achter de wagen in. Mijn vader liep naar de achterkant om de deur daar open te doen maar ik kroop weer vlug naar voren. Pa probeerde me met zoete woordjes weer naar achteren te krijgen maar daar trapte ik niet in.
Hij heeft nog geprobeerd zelf over de koopwaar heen te klimmen maar een volwassene kon niet door openingen kruipen waar een knaapje van vier doorheen kon.
Dit spel herhaalde zich een paar keer. Toen mijn vader een voorbijganger om hulp vroeg was mijn strijd snel gestreden.

Een sinaasappel
Mijn vader belde aan en we werden binnengelaten door een 'aardige zuster' die mij bij een ouder meisje achter liet en met mijn vader naar een kantoor ging.
Het meisje wist geen raad met me. Ik ging te keer en jankte bij het leven. Later wist ze me te kalmeren met een sinaasappel die ze, onder mijn luid protest, met een mes ging schillen in plaats van te pellen.
Mijn vader is die dag nog lang gebleven om me te kalmeren. Uiteindelijk lukte dat. Ik mocht als beloning met het meisje mee naar een voorstelling van een goochelaar die voor de oudere kinderen optrad in een tot klein theater omgebouwde gymzaal.
Ter ere waarvan die voorstelling was is mij ontgaan. Het was zeker een of andere feestdag.
Uitgeput werd ik door het meisje en een zuster naar bed gebracht.

Met de bus naar school
Na enige tijd ging ik met het meisje de stad in om kleding te kopen en pasfoto's te laten maken naar later bleek voor een busabonnement.
Samen met oudere kinderen ging ik met de bus naar een school die in de wijk tegenover de Westergasfabriek lag.
Ik kan mij de halte bij de LinMij herinneren.
De LinMij was een fabriek aan de andere kant van het kanaal. Er stond een geel bord met daarop een raar mannetje dat zich afdroogt met een rood gestreepte handdoek.

In de ziekenzaal
Ik heb ook nog een aantal dagen op de ziekenzaal gelegen.
Die was volgens mij ergens boven het waspoortje en de doorgang naar de Elandstraat en keek uit op de kleine binnenplaats.
De dokter vroeg of ik nog pijn in mijn keel had. Ik zei dat die pijn was als de strepen midden op de weg.
Er lag daar ook een jongen die iets aan zijn scheenbeen had. Hij gilde het uit als de dokter hem achter een scherm behandelde. Er werd iets van het bot afgeschraapt. Zijn, in mijn ogen, strenge vader kwam hem wel vaak bezoeken.

Sinterklaas

Eind november gingen we onder toezicht van een aantal oudere meisjes en een jonge zuster naar de binnenstad waar we op de Dam de intocht van Sinterklaas meemaakten.
Die indrukken staan op mijn netvlies gebrand. Tjonge wat was dat een spektakel.
Een enorme optocht van muziekkorpsen, praalwagens, jonglerende en acrobatische pieten die radslagen en salto's maakten. Ze deelden snoep uit en zwaaiden met hun roeden. Versierde auto's, eindeloze rijen pieten op scooters en natuurlijk de op zijn schimmel, overal bovenuit stekende, Sint Nicolaas.
Een onvergetelijke dag.

Op, ik denk dat het Koninginnedag was, waren er op het binnenplein van het weeshuis allerlei spelletjes rond de pomp uitgezet en er was een heuse grote poppenkast zo groot als die op de Dam. Er speelde een verhaal dat volgens mij de hele dag duurde. Er kwam geen eind aan. Alle kinderen, van klein tot groot, zaten als gehypnotiseerd te kijken.

Zomervakantie in Brabant
De Touringcar stond voor en we moesten met ons kledingkoffertje instappen.
De bus bracht ons naar Oirschot waar vakantiegezinnen stonden te wachten om ons voor twee weken mee te nemen naar hun boerderijen.
Tijdens die vakantie zijn we met het hele gastgezin naar een soort kermis geweest waar een echte luchtballon, gevuld met gas, werd opgelaten.
Zeer indrukwekkend.

Ik heb daar een hele leuke tijd gehad en mijn vader heeft me daar ook op een zondag bezocht want ik was geloof ik jarig.
In de zomerwarmte werd er met de jongens van het gezin zelfs een bad genomen in een van stenen en melkbussen buiten aan het huis gebouwde wastrog. Dat vond ik nogal eng want door het donkere water zag je de bodem niet en ik durfde er eigenlijk niet in.

Het bezoek van mijn vader
Weer terug in Amsterdam gingen we op een ochtend, het zal wel een maandag zijn geweest, met de bus naar school en daar zag ik opeens mijn vader zitten.
Hij zei dat hij wel eens wilde zien waar ze ons heen lieten gaan. Bij de 'LinMij' halte stapten we uit. Hij vroeg of we altijd zomaar zonder toezicht die drukke weg over moesten steken. Hij is met ons meegelopen naar de school en is zelfs mee naar binnen gegaan om rond te kijken en met enkele juffen en meesters te spreken.

Opgevoed bij Omama
Na enige tijd haalde mijn vader mij mij op uit het weeshuis en ben ik daar nooit meer geweest.
Ik ging naar een school in onze woonplaats en hij regelde opvang bij gastgezinnen voor ná school als hij nog niet thuis was van de verschillende markten.
Later kregen we een aantal zo genoemde huishoudsters waarvan er één is gebleven en waarmee mijn vader op z'n sterfbed is getrouwd (1962) om te voorkomen dat ik opnieuw in het weeshuistraject terecht zou komen. Over moederliefde gesproken!
Deze eerst aardige- en later lieve vrouw heeft mij verder opgevoed en heeft als 'Omama' mijn eigen kinderen nog meegemaakt.

Tot zover gaan mijn herinneringen als kind van 4-5 jaar in het Jongensweeshuis aan de Lauriergracht

Paul Van der Sar



De laatste jongen van het weeshuis



Op deze foto kun je mij zien als klein jochie op de onderste rij, vierde van links, geruit bloesje, met een brilletje op.
Mijn vriend Eddie Bosman (Ed) staat op de tweede rij vierde van links.
Mijn broer Hans is het vierde jochie links op de derde rij.

Mijn naam is Gerard van Sister.
In mijn jeugd, vanaf september 1944, ben ik als 2-jarig jochie tot juli 1955 bijna 11 jaar in het RK Jongenweeshuis geweest.
Ik woon nu al meer dan 35 jaar in Australië, en voor die tijd 6 jaar in Nederland en daar voor ook nog 3 jaar in Australië.
Ik kwam in het weeshuis met mijn 3 broers, nadat mijn vader door de Duitsers was doodgeschoten en mijn moeder niet langer zes kinderen kon opvoeden.
Een zus werd ondergebracht bij een pleeggezin in Uitgeest, een andere zus ging naar het RK. Maagdenhuis.
Ik was het jongste kind, mijn oudste broer was de oudste jongen in het weeshuis.
Mijn moeder stierf in februari 1945, dus toen werden wij allemaal weeskinderen.

Ik was de laatste weesjongen die het weeshuis verliet in 1955 en werd naar een kostschool gestuurd in Oudenbosch, later naar Harreveld bij Lichtenvoorde.


Op linker foto, waarschijnlijk uit 1954, ben ik het knulletje met het witte overhemd en stropdas.
Toen waren er voor het eerst wat meisjes geplaatst. Rechts de speelzaal, ongeveer eind jaren veertig.

Goede maar meestal slechte herinneringen aan het weeshuis
Ja, de nonnen waren hard en streng, but I don't blame them.
Ze hadden natuurlijk niet de opleiding genoten die nodig was om naar zalen om te kijken waar 40 jongens in huisden.
De straffen die wij vroeger, voor het minste of geringste, kregen zou je nu kunnen zien als mishandelingen van het ergste soort. Maar ja dat was nu eenmaal een andere tijd, ook al heb ik geen hang-ups, toch staan de straffen me af en toe nog helder voor ogen. Bijvoorbeeld als je iemand had uitgescholden, ook al was dit 's-middags gebeurd, kreeg je pas 's-avonds je straf, of ook vaak je tweede straf.

Hardvochtige straffen
Een van die straffen was als de andere kinderen om acht uur naar bed gingen, dan moesten we een paar uur in onze katoenen pyjama's op je blote voeten op de granieten wenteltrap gaan staan, ook al was het hartje winter.
Een andere straf was dat je door twee nonnen met je hoofd in een emmer water werd geduwd, todat je stopte met spartelen.

Eens liet iemand een harde wind in de kapel, natuurlijk kregen we de slappe lach, helaas kon ik niet stoppen met lachen.
Mijn straf was twee weken op water en brood in het waslokaal, van 's-morgens vroeg en weer terug na school, tot 's-avonds laat.

Bij de groente grossier
Vroeger was op de Lauriergracht, vlak bij het weeshuis, een grote groenteboer Loman, waar ik nog wel eens in de vakanties voor gewerkt heb.
Ik moest bestellingen rondbrengen met zo'n zware fiets. Ik ben ook wel eens gevallen met de fiets met de gevolgen van dien, maar kreeg nooit op mijn donder van de baas.

Ik heb de nonnen nooit gehaat
Ik ben er alleen maar sterker van geworden en het maakt je erg zelfstandig.
Daarom was het voor mij niet moeilijk, toen ik mijn vrouw leerde kennen, met haar terug te gaan naar dat verre land.
Ik heb mijn vrouw, toen natuurlijk een meisje, in Utrecht ontmoet toen ik daar onder dienst was.
Zij was in Nederland geboren en op 4 jarige leeftijd met haar ouders en broers en zusters naar Australië
geëmigreerd. Haar ouders zijn met haar, 9 maanden voor ik haar leerde kennen, weer teruggekeerd naar Holland.


Gelukkig heb ik een goede educatie gehad
Ik ben voor lange tijd leraar geweest op een middelbare school hier in Melbourne.
Mijn studierichting was kunst en kunstgeschiedenis.
De basis voor deze richting heb ik toch meegekregen vanuit het weeshuis, daar leerde ik al vroeg figuurzagen en schilderen,
de rest is vanzelfsprekend.
Ik wil niet zeggen dat ik er altijd mee bezig ben, maar het blijkt dat als je ouder wordt, je gedachten toch wat vaker terug
gaan naar die tijd van vroeger.
Zeker als ik af en toe in Amsterdam ben wordt de drang sterker om even terug te gaan naar de tijd van mijn prille jeugd, dat betekent dan een bezoek aan de Lauriergracht.
Australië heeft veel voor mij gedaan, ik heb de kans gekregen om hier naar de universiteit te gaan om mezelf verder te
ontwikkelen, wat niet altijd makkelijk was.
Maar de opvoeding die ik heb meegekregen, (gelukkig geen hang-ups) en het support van mijn vrouw, heeft mij toch de mogelijkheid geboden, iets te bereiken in dit korte leven.
Hollanders slaan zich er meestal wel doorheen, zeker als je uit Amsterdam komt.
Nederland en speciaal Amsterdam zullen altijd een plaats in mijn hart hebben.

Gerard van Sister



Wat en hoe wij moesten eten

De maaltijd in de eetzaal
Er was maar één eetzaal en die had indrukwekkende afmetingen, ik schat twintig bij acht meter en ruim vier meter hoog. Daarin lange tafels met vaste banken. Overal stonden die dingen. Ze waren kolosaal, lelijk, saai, oud, versleten en ongezellig. In onze kinderogen waren zij heel lang en daardoor kreeg die zaal ook zijn onmetelijk volume.
Het rechter gedeelte van de eetzaal, aan de kant van de keuken, werd gebruikt voor de jongens van het kleinvertrek en het middenvertrek.
De linkerhelft werd in zijn geheel ingenomen door de jongens van het grootvertrek. Zolang je dus in de rechterhelft vertoefde, hoorde je 'er' niet bij.
Door al de jaren heen, zou je door de eetzaal, een vreemde, grillige plaatsverschuiving doormaken, die uiteraard begon aan de kant van het kleinvertrek. Van daar doorliep je zowel elke lange tafel afzonderlijk, alsook alle rijen.
In eerste instantie oprukkend richting speelplaats, als laatste kwam je bij de kopkant van de laatste tafel terecht, de plaats waar de zuster meestal stond.
Bij elke verplaatsing hoorde de vage droom, het grootvertrek te naderen.

Gedekte tafels?
Dat wil zeggen, dat op de kale tafels de borden stonden.
Bij warm eten een diep bord met een vork ernaast.
Kregen we een broodmaaltijd, dan lag op een plat bord het brood, met daar bovenop het likje beleg, waarnaast een mes en een kopje. De borden en kopjes waren van dikwandig porselein. Het likje beleg varieerde van een likje jam, een schepje witte muisjes, soms wat kaantjes, tot ook wel eens een bruine vlek, keukenstroop. Door de tijd dat het op de boterhammen had gelegen, was het er volkomen ingetrokken.
De hoeveelheid brood was consequent drie sneetjes. Het maakte niet uit of je groot of klein was, jong of oud, dik of dun, veel eetlust of juist niet, ieder kreeg drie sneetjes, tot het einde der tijden.
In de altijd vereiste stilte, maar met het onvermijdelijke geroezemoes en de stiekeme, enigszins protesterende extra herrie van een onderdrukte massa, ging je naar je plaats. Je zocht niet je plaats, je wist die blindelings te vinden, alsof deze gemerkt was. Daar zat je dan, verloren in de hoeveelheid jongens. Je zou net zoveel kunnen betekenen als het bordje dat voor je stond.
Als wij zaten, kwam zuster Jacobien, de keukenzuster, de eetzaal binnen. Zij torste een enorme zwarte pan vol stamppot en zette die op een tafel, die halverwege de zaal strategisch stond opgesteld. Daarbij had zij een greep in een hand en de ander leunde op haar heup.

Stamppot, de hele weeshuistijd
De gang van zaken was, dat we van kleins af aan, rij voor rij, zaal voor zaal en in ganzenpas, met het bord in de twee handen naar de opscheptafel liepen.
Daar stond achter de tafel een zuster, klein van stuk, zuster Perpetua. Haar naam klopte met haar functie, wegens de eindeloze herhaling van dezelfde handeling. Vol overgave groef zij met een grote platte lepel in de pan, streek hier en daar wat overtolligs weg en schoof voor honderd en zoveel jongens, identieke hoeveelheden stamppot op de borden.
Ook hier maakte leeftijd lengte of gewicht niets uit, ook niet vies of lekker.
Door crisis en oorlogsdreiging, zou de kwaliteit van het voedsel dat toch al sober en eenzijdig was, langzaam maar zeker verder achteruit gaan.

Bijnamen voor wat wij moesten eten
Als Jordaners, maar vooral als weesjongens, gaven wij het voedsel bijnamen.
Een boterham was een "pum"
Een kap, als die wat dikker uitviel, een "pil"
Zuurkool "haar in de war"
Postelein "slinger om je smoel"
Andijvie "pruimtabak"
Snijboontjes "scheermesjes"
Koolraap "dooie vingers"
Leverworst "flauwe kul"

Straffen tijdens het eten
De maaltijden moesten altijd in absolute stilte worden genuttigd, daar werd door de zaalzusters streng op gelet.
Soms vond je echter dat er hoognodig iets gefluisterd moest worden.
Fout en onnozel! Als de zuster je betrapte op kletsen, fluisteren, of iets dat daar op leek, dan kreeg je straf.
Op dit soort vergrijpen stond 'een uur'.
Een uur betekende, dat je voor straf 's zondags een uur later uit mocht.
In het groot vertrek maakte zuster Basilia, de dienst uit. Dat deed zij ook in de eetzaal.
Zij bepaalde het moment waarop ze het stil genoeg vond, om vervolgens met een hautain klingeltje van de bel de stilte en haar positie nog een extra accent te geven, waarna zij aanving met het gebed vóór de maaltijd, dat wij hardop moesten beantwoorden.
Na het eten dezelfde ceremonie. Ik heb in mijn geheugen geput en vond zo een gebed, dat werd gebruikt voor de maaltijd:
Heer zegen ons en deze gaven, die wij door Uw mildheid zullen ontvangen door Christus onze Heer. "Amen'. Heer ontferm U over ons, "Christus ontferm U over ons", Heer ontferm U over ons en dan het "Onze Vader".

Een voorbeeld van wat het bidden voorstelde en hoe dat zich, onze hele jeugd door, in een eindeloze reeks herhaalde.
Wij werden onbewust meegenomen in eindeloze reeksen gebeden die duidelijk voor kloosterzusters bedoeld waren, maar waar ook wij aan onderworpen werden. Over indoctrinatie gesproken.

Tafelmanieren
Onder het eten moest je niet de moed hebben met je elleboog op tafel te leunen.
Per ongeluk of niet, of nog erger ook je hoofd nog ondersteunen met die hand.
Als de zuster dat zag, pakte zij je onderarm en ramde je elleboog met geweld enkele keren hard op tafel.
Dat was ruimschoots voldoende om voorlopig geen elleboog meer op tafel te zetten, of een hand onder je hoofd, zo je dat al niet voorgoed was afgeleerd.
Soms, misschien één of twee keer per jaar, mochten we praten onder het eten.
Het sein om te mogen praten werd ingeluid door zuster Basilia, na het bidden van een schietgebedje "engel van God".
Waarom een schietgebedje en waarom juist dat, lag opgesloten in de geheimen van het kloosterleven der zusters, denk ik.
Dat wij mochten praten vond alleen plaats op een bijzondere dag.
Die bijzondere dag werd door zuster Basilia uitgekozen. Zij bepaalde wanneer het zover was.
Soms, met Kerst of Pasen, werden hunkerende blikken haar kant op geworpen, die zij dan met een serene glimlach ontdook. Juist als we er niet attent op waren, wachtte zij na het normale gebed voor 't eten een kort moment en met een verzaligd lachje hief zij het schietgebedje aan.
Natuurlijk werd dat met geroezemoes ontvangen.
Met een blik, of God haar dit persoonlijk had ingefluisterd, maakte zij haar gebed af.
Dat waren schaarse momenten, waarbij wij min of meer ontspannen aan tafel mochten babbelen.

Wat is er over de melk te zeggen
Nu weet ik echt niet meer of de melk bij alle broodmaaltijden werd geserveerd. Ik denk eigenlijk alleen bij
de boterham om vier uur.
De melk die we kregen was altijd lauw, vaak geschift.
Oranje kringetjes dreven bovenop en er zaten altijd vellen in, grote en kleintjes.
Niet om aan te zien. Alles dat melk onsmakelijk kon maken, was aanwezig. Om er misselijk van te worden.
Dat werd ik ook, maar het principe was dat alles wat je kreeg genuttigd moest worden, omdat het zulk kostbaar voedsel was.
Zo dus ook de melk.
Misschien mocht je er een groot hemd uithalen, misschien lukte het, de melk aan iemand te geven die er wel pap van lustte, in ieder geval moest het verdwijnen of opgedronken worden.
Kots en kotsmisselijk werd ik er van. Hoe kan je dat kinderen voorzetten?
Als de zuster in de gaten kreeg dat iemand zijn melk niet lustte, bleef zij er bij wachten, tot hij die goddelijke drank op had.
Tot op de dag van vandaag drink ik in elk geval geen melk.

Het warme eten
In de stamppot zaten bij gebrek aan vlees, vaak zenige stukjes van het varken.
Eerstens vond ik er een zoete weeïge smaak aan zitten. Verder kon je kauwen wat je wilde, maar weg kreeg je het nooit.
Soms door dat zeen, of omdat de stamppot gewoon onsmakelijk was, lustte ik mijn eten niet.
Als je geluk had, kon je het eten kwijt aan jongens, die alles aten wat er maar op tafel kwam en dan nog hongerig rondkeken. Deze jongens noemden wij 'vreetzakken'.
Hoewel niet aardig bedoeld, waren zij vaak redders in de nood.
Met zo een figuur in je directe omgeving, had je alle geluk van de wereld. Als je het tenminste goed aanpakte.
Het vaste ritueel speelde zich als volgt af.
Eerst een vragensmekend oogcontact, met de jongen waar het eten naar toe moest. Dan een hoofdknik van hem, dat hij het wilde hebben. Daarna volgden spannende momenten. Je moest de zuster in de gaten houden en de borden zo onopvallend mogelijk naar elkaar toeschuiven.
Op het juiste ogenblik moest je met een welgemikte veeg van je vork, een groot deel van jouw eten snel op zijn bord schuiven. Wanneer dat lukte, was je blij en opgelucht. Alles moest natuurlijk kloppen, anders zou het onherroepelijk mislukken.
Met kuchen en draaien moest je net doen of er niets aan de hand was.
Maar die mazzel was je niet altijd beschoren.
Tegen heug en meug probeerde je dan toch wat te eten, maar soms kreeg je het domweg niet naar binnen en drapeerde je de stukjes zeen op de rand van je bord.
Aan het eind van de maaltijd vond de zuster, dat je best alles op had kunnen eten. Opmerkingen prevelend, als: 'Godenmaal', of 'zonde van dat heerlijke voedsel', schoof ze de stukjes zeen in het restant en prakte alles dooreen, met de mededeling dat
je niets anders kreeg, alvorens je dit op had.
Bij elke volgende maaltijd kreeg je consequent die hap, opnieuw opgewarmd, voor je neus en geen ander eten tot het op was.
Hieraan heb ik de kreet: 'zonde van God', overgehouden.

Een keer heb ik meegemaakt hoe zuster Isfrida, met veel geweld, een hap eten in een jongen zijn mond probeerde te krijgen. Daarbij kneep zij zijn neus dicht met de ene hand en met de andere hand onder zijn kin, hield ze zijn kaken op elkaar, hem zo dwingend zijn eten door te slikken. Erg hè?
De jongen natuurlijk hevig tegenspartelend. Blazend en snuivend probeerde hij te schreeuwen, waardoor de troep uit neus en mondhoeken liep, daarbij half stikkend in wat in zijn keel terecht kwam.
Zuster Isfrida was een vreselijk mens en ze haatte kinderen.
Ik haatte haar.

Joop Martin

Fragment uit zijn boek Het koeren van een eenzame houtduif, april 2009 opnieuw uitgebracht met daarop aansluitend het tweede deel van zijn leven, hoe het hem is vergaan in de maatschappij. Ik wilde mij geborgen weten, door Joop Martin
ISBN: 978 90 8954 079 9, Uitgeverij Elikser B.V. Postbus 2532 8901 AA Leeuwarden



Een dansje met de koningin



In Holland staat een huis met Koningin Juliana [1953]

Door een scheiding van mijn vader en moeder, en omdat we in een te kleine woning woonden, ben ik in 1950 in het weeshuis op de Lauriergracht in Amsterdam geplaatst
Ik was dus niet echt een wees. Daar heb ik zo'n 6 of 7 jaar vertoefd.
Mijn ouders leven niet meer en eigenlijk is er nooit zo veel over die tijd gesproken. Ik moet het dus met mijn herinneringen doen.



Koningin Juliana was in 1953 op bezoek.
Juliana heeft toen een ronde dansje met een aantal kinderen gemaakt.
Een grote foto hiervan heeft in de hal van het weeshuis gehangen.
Ik ben het jongetje in het midden met het fluwelen pakje aan. Op de andere foto sta ik rechts.
Door gezoek op internet kwam ik verhalen van het weeshuis tegen die ik herken.
Vooral het pleintje staat in mijn geheugen gegrift. Daar speelde ik heel veel en had er ook aardig wat vriendjes gemaakt.

Zwarte piet

Bij een Sinterklaas bezoek lag ik boven in een slaapzaal ziek in bed.
Vanuit die slaapzaal keek je naar beneden op het kleine binnenplaatsje.
Ik lag helemaal alleen en plotseling kwam er een Piet de zaal op. Hij zag me niet en ik kroop onder de dekens en rilde van angst. Piet zwaaide ondertussen uit het raam naar de kinderen op de binnenplaats. Gezien heeft hij mij niet, maar dit vergeet je natuurlijk nooit.

Vakantie

De uitstapjes naar Brabant kan ik mij ook goed herinneren.
Aangezien ik nogal een aardig knulletje was om te zien, heeft een kinderloos echtpaar mij zelfs willen achterhouden.
De politie moest ingeschakeld worden om mij mee terug te krijgen naar Amsterdam.
Dit verhaal is mij achteraf zo verteld.

Geen nare tijd

Ik wilde misdienaar worden, maar ik was te klein om het boek te dragen en koorknaap was, gezien mijn valse noten, ook geen succes.
In de weekenden was ik meestal thuis bij mijn moeder. Mijn zuster vertelde mij later dat ze altijd zo'n medelijden met mij had.
Zij zat op de Mariaschool, vlak bij mijn school. Ze zag mij vaak naar school gaan met mijn weeshuis kleren en hoge schoenen aan. Zij vond dat zo zielig, maar ik had daar echt geen last van. Ik werd op school ook niet gepest of zo.
Als ik eerlijk ben heb ik absoluut geen nare tijd gehad.
De nonnen waren wel streng, maar toch had ik ook een goede band met ze. Nadat ik uit het weeshuis weg was, heb ik nog een jaar contact gehad met vriendjes in het weeshuis en met één van de nonnen. Dat was zuster Maria Donatilla, die ik regelmatig bezocht.
Ik besprak met haar van alles over mijn nieuwe leven. Zij overleed echter op vrij jonge leeftijd. Kortom, hoewel ik dus niet echt een gezinsleven had in die tijd, heb ik toch fijne herinneringen aan het weeshuis.

Hans de Groot



Ik zwaaide naar haar, maar heb haar nooit meer gezien


Het eerste dat ik zag was het klimrek
Een vader had ik niet, mijn verwekker heb ik niet gekend en mijn moeder kon, of wilde, niet voor mij zorgen.
Tot mijn vijfde jaar woonden wij in bij een kleermaker op de Jacob Catskade in Amsterdam. Ik geloof dat hij ook mijn voogd was, maar daar heb ik nooit wat van gemerkt.
Op een kwade dag bracht mijn moeder mij naar het Jongensweeshuis.
De deur naar de hal stond open en ik rende naar de binnenplaats en klom meteen in een klimrek dat er stond. Ik wilde aan mijn moeder laten zien hoe goed ik op die speeltoestellen was.
Mijn moeder vertrok en zwaaide naar mij. Ik zwaaide terug en heb haar daarna nooit meer gezien.
Een jaar later is ze gestorven in het kraambed samen met de baby.
Zo begon mijn verblijf bij de nonnen in het weeshuis op de Lauriergracht en de broeders in het Aloysiusgesticht in de Elandsstraat waar ik tot mijn zestiende jaar zat.

De periode van 1936 tot 1947 was voor mij gruwelijk
Ik kreeg te maken met sadistische nonnen die de jongens wrede straffen gaven.
Bij de minste of geringste overtreding werden kleine kinderen met hun hoofd in een emmer water geduwd. Hartje winter stond je onder ijskoude douches. Als ik in mijn bed geplast had, moest ik met mijn pieslaken over het hoofd, met de piesplek recht in mijn gezicht, met mijn blote voeten op de koude vloer, de hele ochtend blijven staan.
Ik kan mij herinneren hoe bang ik was als ik voor straf de hele afwas van het weeshuis moest doen. Dat gebeurde in een soort kelder met een enkel klein raampje. Daar stond ik dan met een grote zinken teil vol vieze lepels en borden.
Het werd steeds donkerder en ik meende in de verte vreemde geluiden te horen.
Directeur Fontaine was een beul die de jongens met een dikke bamboestok sloeg. We noemden hem 'tien voor twaalf' vanwege de schuine stand van zijn voeten.
Je moest biechten bij de rector. Ik geloof dat hij Starkeburg of Stekelenburg heette.
Dat gebeurde niet in een normale biechtstoel zoals die in een kerk zijn, maar in het vertrek van de rector. Hij zat daar wijdbeens op een stoel en je moest op je knieën tussen zijn benen plaats nemen. Daar moest je vertellen hoe vaak je onaneerde en dat soort smerige praatjes die de rector kennelijk graag wilde horen.
Je zou kunnen zeggen dat deze vorm van zogenaamd 'biechten' geestelijk misbruik van jongetjes was.

Twee soorten nonnen
Ze woonden in de refter, waar je natuurlijk nooit mocht komen.
De meest strenge, je mag wel zeggen sadistische, nonnen, moesten de jongens opvoeden. Ze waren daar pedagogisch niet voor opgeleid en bedachten de meest wrede straffen om zich te handhaven.
Het onderwijs dat door het hulpje van Fontaine, meester v.d.Beld gegeven werd stelde niet zoveel voor. Voor de 7e en 8e klas moest ik naar een school in de Kanaalstraat. Ik mocht daar zelfstandig naar toe, maar spijbelde regelmatig. Dat werd niet opgemerkt want er was geen enkel contact tussen de school en het weeshuis.
Filmpjes, die over de manier van omgaan met de weesjongens gemaakt zijn, laten romantische beelden zien, maar ik weet dat die voor de buitenwereld fraai in elkaar gedraaid zijn. De werkelijkheid, als het filmtoestelletje van directeur Fontaine niet draaide, was wel heel anders.
De nonnen die niet direct met de opvoeding van de jongens te maken hadden waren wel aardig. Ze werkten in de keuken en zo.
Een enkele bekommerde zich wel om je, maar ja, verder zaten ze met z'n allen in de refter en de moeder-overste was ook streng voor de nonnen.

De oorlog
Hoe het was tijdens de oorlog weet ik niet meer zo goed.
Wel weet ik dat de Duitsers een keer kwamen kijken. Misschien waren het wel NSBers. Ze namen Izzi Muiderman, een joods jongetje dat bij ons ondergedoken was, mee.
Verder merkten we wel dat er van alles aan de hand was, dat er minder te eten was en dat onze schoenen eindeloos opgelapt werden.
Tegen het eind van de oorlog, ik was toen een jaar of veertien, werd ik uitbesteed, zoals dat toen genoemd werd. Ik kwam terecht in Limburg bij een boer in Swalmen. Daar moest ik zeven dagen in de week werken voor 1 gulden per week. Ik herinner mij nog dat ik met een paard naar de hoefsmid aan de rijksweg moest. Die smid had maar liefst drie van die goedkope krachten via diezelfde katholieke organisatie op gelijke condities aan het werk.
Op een gegeven moment ben ik daar weggelopen, hoe ik precies terug gekomen ben weet ik niet meer, maar ik vertelde aan de nonnen dat ik weggestuurd was.
Uiteraard werd ik door directeur Fontaine, met zijn stok, zeer zwaar gestraft.

Naar het Aloysiusgesticht
Na die tijd ging ik naar de broeders in de Elandsstraat.
Daar was een school aan verbonden waar ook kinderen uit de buurt, die geen wees waren, op zaten.
Ik kwam van de regen in de drup.
Doorleren mocht alleen maar als je aangaf dat je naar het seminarie wilde. Ik heb daarom nooit een vak mogen leren.
De overste, ik geloof dat hij Gregorius of Georgius heette, heeft mij meerde malen tegen een deur of de muur klemgezet.
Ik kan mij herinneren dat de gymleraar, meester Richard, wel aardig was. Hij had familie in Limburg. Af en toe mocht ik voor hem een plaats in de trein bezet houden. Ik kreeg dan een perronkaartje voor het Centraal Station van hem en moest dan heel lang zitten wachten tot hij zijn kaartje had gekocht en in de coupe kon plaats nemen op de plek die ik voor hem had vrij gehouden.
Een jongen, net zoals ik 12 jaar oud, ik geloof dat hij Veenboer heette, heeft zich, nadat hij door een broeder in het bad misbruikt was, opgehangen. Dat werd uiteraard doodgezwegen en de precieze gang van zaken werd ons natuurlijk niet verteld. In de slaapkamers en de chambrettes gebeurden allerlei dingen die het daglicht niet konden velen. Ik kan er wel een boek over vol schrijven.
Maar het ergste in die tijd was, dat je als weesjongen nergens, maar dan ook nergens met je klachten terecht kon. Er was niemand met een luisterend oor voor ons te bekennen. In tegendeel, als je iets aan een broeder vertelde werd dat tegen je gebruikt.

Ontsnappen en overleven
Toen ik zestien was ben ik weggelopen. Ik moest zien helemaal zelfstandig te overleven.
Van de overheid was in die tijd geen enkele steun of hulp te verwachten. Ik kreeg geen uitkering of iets dergelijks.
Ik heb daarna een zwervend bestaan geleid.
Met een paar gulden zakgeld die ik nog had liftte ik naar Zuid Frankrijk. Daar heb ik een tijdje bij een wijnhandel in Nice gewerkt. Ik moest flessen spoelen en etiketten plakken. Ik sliep in een soort alternatieve jeugdherberg voor, omgerekend, 1 gulden per nacht. Ik heb ook nog in Stockholm in een restaurant, en in Oslo bij de film gewerkt.

Ik ben nu 30 jaar getrouwd
Mijn vrouw Aimée heb ik via een non-profit huwelijksbureau gevonden.
Er brak een betere tijd voor mij aan. Ik woonde in Bergen op Zoom via mij huwelijk en vond een baan bij Scientific Publications, onderdeel van het nu Reed-Elsevier concern. Daar heb ik 25 jaar in verschillende functies gewerkt en reisde elke dag naar Amsterdam. Het was goede werkgever en ik kreeg zelfs een eerste klas treinabonnement.
Het is treurig dat ik eerst 79 jaar moest worden voor ik met mijn verhaal wordt geloofd. Jammer genoeg voor mij zijn de pedofiele broeders en de sadistische nonnen allemaal overleden. Eigenlijk zou ik een vergoeding moeten krijgen voor het feit dat ik na mijn lagere school niet verder mocht leren, want ik was altijd de beste van de klas. Door mijn zwervend bestaan na mijn zestiende is van doorstuderen nooit meer iets gekomen, met alle gevolgen van dien voor de rest van mijn leven.

Ruud van Dragt

Op 26 januari 2011 heeft Ruud, naar aanleiding van de instelling van de commissie Samson, bij EenVandaag zijn verhaal gedaan.


Bijna verdronken in de Lijnbaansgracht


Het stond in de krant

Gered door een beroemde voetballer
Onlangs dook een krantenknipsel op waarin verslag gedaan werd van het moedige optreden van Henk Schijvenaar, achterhoede speler in het Nederlands Elftal. De verslaggever schreef:
"Door een bliksemsnelle reactie van de man die zijn roem op de groene grasmat verwierf redde hij het leven van de tienjarige Mario de Vries die op het punt stond in de Lijnbaansgracht te verdrinken. Het jongetje was met vriendjes langs de wallekant aan het spelen, struikelde en verween onder water. De voetballer kwam op dat moment met zijn auto voorbij. Hij aarzelde geen moment en dook zonder zich te bedenken in het smerige water van de gracht.
Even later was Mario gered. Zijn vriendjes brachten hem terug naar het weeshuis om de hoek.
Schijvenaar ging naar huis om droge kleren aan te trekken.
Hij vertelde later: "Ik zie nog steeds doe grote donkere ogen vol doodsangst voor me. Toen ik het jongetje aan de wal bracht was er nog steeds niemand in de buurt om te helpen". Tot zover het krantenbericht.

De voetballer was bloemist geworden
Dat jongetje was ik in de tijd dat ik in het weeshuis zat.
De directrice wist niet wie de moedige redder van haar pupil geweest was.
Het was dus een voetballer die een bloemenwinkel op de Prinsengracht had.
Een vakman op de groene grasmat en in bloemen werd later zelf in de bloemetjes gezet.


Netjes in het pak bij de pomp, toen in 1956 en nu in 2017

Ik ben 5 jaar en mijn zusje Astrid 3 jaar.
We zitten in een trein, waar gaat die naar toe? Ik weet het niet, het is de eerste treinrit die ik mij kan herinneren.
Het blijkt dat ik met mijn moeder en mijn zusje op weg naar een kindertehuis in Amsterdam ben.
Pas veel later wordt mij duidelijk waarom.

Mijn vader
Aan het eind van de oorlog in Indonesië kwam mijn vader, 24 jaar oud, na vier jaar gevangenschap bij de Kempetai, dat is de Japanse Gestapo, in Nederland aan. Er ontstond een relatie tussen mijn moeder en hem. Dat leidde tot mijn geboorte. Daar was niet op gerekend. Er werd snel getrouwd, maar het huwelijk hield niet lang stand. Zij gingen uit elkaar.
Mijn vader was inmiddels in actieve dienst bij de Marine en werd naar Nieuw Guinea uitgezonden.
Mijn moeder bleef alleen achter om voor onze opvoeding te zorgen.

Het is donker en koud in het jaar 1953
We staan voor een ontzettend grote deur, die gaat open. Een voor mij vreemd wezen staat in de deuropening, we moeten naar binnen. Door een luid galmende hal komen we in een wachtkamer. We wachten, kijken om ons heen en wachten. Plotseling is daar weer zo'n vreemd wezen met heel veel sleutels. We geven een hand, krijgen ons koffertje mee en verdwijnen in een groot zwart gat.
Ik weet het niet meer, mijn moeder is verdwenen.
Bij mij gaat voor een lange tijd het licht uit!
Ik ben alleen, ook mijn zusje is weg.
Ik heb haar niet meer gezien en ik weet mij ook niets te herinneren over dingen die wij samen zouden hebben beleefd.
Later blijkt zij te zijn ondergebracht in de Mariaschool van de 'Voorzienigheid' in de Elandsstraat.

Sinterklaas
Dat feest is toch wel een leuke herinnering uit het kindertehuis.
In een lange rij kinderen, met twee begeleidende nonnen, mag ik naar de intocht van de Sint op de Dam.
Dat is feest, er wordt snoep naar je gegooid. Al die mensen en die muziek, het maakt een enorme indruk op mij.
Pakjesavond, dat is verzamelen op de binnenplaats. Er worden spelletjes gedaan zoals koekhappen en zaklopen.
Dan komt Sinterklaas inderdaad op zijn witte schimmel de binnenplaats oprijden. Alle kinderen zijn diep onder de indruk.
Er worden pakjes uitgedeeld. Ja, ik krijg ook mijn cadeau. Het is een grote doos met een complete treinenset van mijn Oma.
Ze woonde indertijd vanuit Indonesië tijdelijk in Amsterdam.
Ik heb dat cadeau alleen maar even in mijn handen gehad, daarna heb ik de trein niet meer gezien en er nooit mee gespeeld. Afgenomen.

Zaal nummer acht
Het is zomer. De wat oudere jongens leefden in die zaal onder leiding van zuster Donatile. Dat was voor mij een heel lieve non.
Ze vervulde, zogezegd, voor mij een moederrol. Ik was erg aan haar gehecht. Zij was vrij jong, ik mocht heel veel van haar.
We mochten ook buiten aan een grote, lange, tafel aardbeien en radijzen eten. Wat een feest.
Ook zuster Wilhada is in mijn gedachte gebleven als een aardige non.
De rest van de religieuzen ben ik gewoon vergeten, misschien maar goed ook.

Het werd ineens erg stil
4 november 1956, ik herinner mij dat als de dag van gisteren, het was in de ochtend en we waren net terug uit de kapel.
We zaten aan de tafels voor het ontbijt. Twee nonnen deelden net het beleg uit, toen via de distributieradio het nieuws van de Russische inval in Hongarije binnenkwam. Wisten wij wat dat betekende, nee toch? Maar de emotionele reactie van de nonnen, de diepe stilte die dat bericht teweeg bracht in de eetzaal is mij altijd bij gebleven. Die distributieradio en de daar boven hangende slingerklok, staan in mijn geheugen gegrift. Die klok kwam uit de Refter. Tegenwoordig hangt die in het kinderdagverblijf dat jaren later, toen het geen weeshuis meer was, daar gevestigd is.

Alles moest op je knieën
Iedere donderdagavond op je knieën de vloer boenen met boenwas.
Bij de adventkalender iedere avond op je knieën bidden. Eén van de kinderen mag er elke dag één luikje van open maken.
Ook in die verdomde kapel, bidden en zingen. Ik weet nog goed dat ik kon nog niet lezen. Maar ik kreeg zo'n kerkboekje van die non, dus ik deed maar alsof. Mijn ogen, zichtbaar voor haar, van links naar rechts laten draaien, en altijd maar op je knieën.
Waar ik op die leeftijd overigens helemaal geen kijk op had laat staan dat ik er enige notie van had, was wel het begrip 'Sex'.
Toch vond men het blijkbaar nodig om de kinderen de nodige kennis op het gebied van de 'bloemetjes en bijtjes' bij te brengen.
Een specialist op dat terrein was de kapelaan!

De seizoenen gingen voorbij
Herfst, verplicht bladeren vegen op de binnenplaats, vegen, vegen en nog eens vegen.
Winter, doet mij denken aan het toegediend krijgen van levertraan en rolmopsen.
Dat was voor mij in die tijd niet te verteren, ik vrat het niet en spuugde de levertraan gewoon uit. Daar had men wel iets op gevonden. "Ga jij maar eens een tijdje in het grote klokkenhuis zitten". Wat een verdriet, ik zat daar zo lang in het donker dat na verloop van tijd mijn hartslag hetzelfde ritme had als die rotklok.

De grote jongensslaapzaal
Ik sliep met nog vier andere jongens aan de muurzijde tegenover de ramen, met aan onze rechterzijde de chambrette van zuster Donatile.
Ik had mijzelf al snel een systematiek aangeleerd die er voor zorgde dat ik als eerste uit bed was, waardoor ik het eerste aan de wastafel stond en het eerste mijn bed had opgemaakt. Daardoor stond ik als eerste in de rij bij de deur. Zodoende zat ik ook als eerste in de kapel, vervolgens kon ik die als eerste verlaten en zat dus als eerste in de eetzaal aan tafel, met als ultiem resultaat dat ik voldoende beleg had.

Het onderwijs was beschamend
Behalve wat ik mij zelf heb aangeleerd van wat er op straat gebeurde, heb ik in die tijd nauwelijks iets geleerd.
Er werd totaal niet op toegezien of, en hoe we ons ontwikkelden. Althans ik kan het mij niet herinneren. Met als gevolg dat dit de rest van mijn leven heeft beïnvloed.
Ik wilde mij steeds maar bewijzen.
Wij moesten iedere dag, zonder begeleiding, door Amsterdam naar de lagere school.
Wat ik mij nu nog kan herinneren is dat ik met een vriendje door de Kinkerstraat richting school moesten lopen. Waar die precies was weet ik niet meer. Wat ik wel weet is dat wij heel veel spijbelden en veelal meer op de grachten aan het spelen waren met drijvende matrassen die daarin waren gegooid.
In die tijd, ik was pas zes of zeven jaar, probeerden we op straat gevonden sigarettenpeuken op te roken.
Later moesten wij naar een andere lagere school, ergens in een zijstraat aan het eind van de Overtoom bij het Vondelpark.
Wij maakten er een sport van wie het eerst op school zou zijn en omgekeerd weer in het weeshuis terug. Dat betekende heel hard lopen of op de tram springen, waar we erg goed in waren. We vroegen mensen op straat om tramkaartjes of geld.
Vaak werden halsbrekende toeren uitgehaald om op de tram te springen of bij controle er vanaf te springen.
Later bleek dat ik ten opzichte van andere kinderen van mijn leeftijd een enorme leerachterstand had.

Zo klein als je bent het vreet aan je
De eenzaamheid en het gebrek aan liefde, knuffelen, maken je, al op die leeftijd wantrouwig ten opzichte van mensen.
Het riep ook een bepaalde agressie bij me op. Vooral tijdens de weinige keren dat mijn moeder mij een paar uurtjes komt opzoeken en weer vertrekt en dat je niet kunt begrijpen waarom je niet mee mag.
Vooral die ene keer dat ik ernstig ziek was en in dat kleine ziekenzaaltje lag, voelde ik mij alleen en heel erg eenzaam.
De pijn die dat bij je oproept. Ik werd enorm boos en agressief ten opzichte van haar en wilde haar ook niet meer zien. Vooral na die ene keer dat ze me mee nam de stad in en een cowboypakje voor mij kocht. Ze vertelde dat we weer gauw thuis zouden komen.
Het heeft daarna nog heel lang geduurd.

De leuke dingen uit die tijd
Wat mij is bijgebleven zijn de Sissi-Films met Romy Schneider. Die mochten wij, ik meen op de Mariaschool, in de vroege vooravond gaan zien.
Er werden in die tijd ook wel filmpjes gedraaid over de Missie en wat voor goed werk men wel niet deed in die verre landen van Afrika.
Het bezoek aan het Scapino Theater was ook een hoogtepunt, vooral 'Prikkebeen' heeft toen veel indruk op mij gemaakt.


Paasfeest

Ik woonde dus in het kindertehuis Amstelstad, dat vroeger het Jongensweeshuis was. Nu waren er ook meisjes.
Met een feestelijk gedekte tafel wordt het Paasfeest gevierd. Ik zit daar rechts en later bleek dat mijn zusje Astrid daar ook bij te zitten. Ik heb dat pas veel later gehoord, ik wist niet eens dat zij al vanuit de Mariaschool in Amstelstad was geplaatst.

Zomervakanties in Brabant
Die tijd heb ik als erg leuk ervaren.
Veel kinderen werden voor drie of vier weken bij boerenfamilies ondergebracht.
We gingen dan in grote bussen naar Oirschot, waar een deel van de kinderen werd opgevangen. Vervolgens reden we door naar Oostelbeers waar we op het plein voor het stadhuis werden opgewacht door onze vakantiefamilies.
Mijn zusje verbleef in Oostelbeers bij een familie en ik werd naar Middelbeers gebracht waar ik bij de familie Veldtman terecht kwam.
Ik heb daar hele fijne tijden gekend en ben er drie jaar achtereen te gast geweest.
Wat ik vooral prachtig en spannend vond was dat ik mee mocht naar het Concours Hippique, waar de zoon van de familie Veldtman aan deelnam. Ook het motorveldcross waar ze mij mee naar toe namen maakte veel indruk.
Ik heb daar veel geleerd zoals onder meer: paardrijden, melken, aardappels oogsten en omgaan met een zeis.
De grote appelboomgaard, de kippenren, de hooischuur en de vele koeien, dat was voor mij het echte leven.
In de jaren zestig ben ik nog twee keer bij de familie op bezoek geweest om ze te bedanken. Zij hebben mij toch ook voor een belangrijk deel gevormd.



Een aantal kinderen, die de daartoe gerechtigde leeftijd hadden, werden getraind om de Eerste Heilige Communie te ondergaan.
Wij wisten niet wat dat was, maar zoals je kunt zien op de foto is men er wel degelijk in geslaagd om iedereen keurig vanuit de Kapel in een nette rij naar de binnenplaats te krijgen. Daar waren een aantal regenten, geestelijken en nonnen aanwezig. Mijn ouders en mijn Oma van moederskant stonden te wachten. Even op de foto, maar van de dag zelf of de dagen daarna kan ik mij niets herinneren.


Af en toe ging de directrice van het tehuis samen met ons, voor de foto, op de draaimolen.



De wandelingen door de stad of de buitenwijken waren soms een leuke afwisseling van de dagelijkse sleur.
Ook de bevroren grachten in de winter, waar we een keer op het ijs van de Lijnbaansgracht konden lopen.
Het was dezelfde gracht waar ik in 1958 bijna ben verdronken.
Dat incident heeft er toe geleid dat mijn vader en mijn moeder, die inmiddels voor de tweede keer met elkaar getrouwd waren, ons toen kort daarna naar huis hebben laten komen.

Mario de Vries



Mijn leven in het R K Kindertehuis Amstelstad


Een slaapzaal [1950]

Een veilige plek
Veel weeskinderen hebben traumatische herinneringen aan de tijd dat ze in een inrichting door nonnen grootgebracht zijn. Voor mij was het anders, het kindertehuis was juist een soort veilige plek waar ik beschermd was tegen het onvoorspelbare gedrag van mijn moeder.

Ik ben geboren in 1950 in Huize de Bocht, een tehuis voor ongehuwde moeders en hun kinderen. Het werd gedreven door de Missie- en Aanbiddingszusters van de H. Familie in Goirle (Noord Brabant).
Mijn moeder was twintig jaar. Ze was te jong om mij groot te brengen en de vader was onbekend. Ik werd Ton Hopster genoemd, naar mijn moeder.
Toen ik een jaar of drie was werd ik overgeplaatst naar een kindertehuis in Lisse. Ik herinner mij een groot wit gebouw met een oprijlaan. Voor de oprijlaan twee vierkante stenen bouwsels met een grote witte bol. Er was daar Duitse herdershond die zelf de deuren open kon doen. Het verbaast mij dat ik mij dat, zo jong, nog kan herinneren.

Een grote waterpomp op de binnenplaats
Ik zal vier jaar oud zijn geweest toen ik vanuit Lisse door mijn moeder naar het kindertehuis Amstelstad aan de Lauriergracht 105 in Amsterdam werd gebracht. We moesten door een grote groene deur naar binnen. Rechts in de hal was een kamer waar een mevrouw zat. Kennelijk was dit de directrice. We hebben een tijdje bij haar gezeten.
Mijn moeder ging op een gegeven moment weg. Toen ze mij alleen liet heb ik de boel bij elkaar geschreeuwd. Dat was raar eigenlijk, want ik was opgegroeid in een tehuis waar ik mijn moeder al die tijd amper gezien had. Ik werd opgehaald door een zuster.
Wat mij direct opviel was een grote waterpomp midden op een ruime binnenplaats. Daarachter was een groot gebouw met een trap. Links en rechts waren twee vleugels. De zuster bracht mij naar de linkervleugel en ik kwam in een grote kamer terecht.
Elke zaal had een naam en deze bleek 'Stormvogels' te heten. Er waren alleen maar jongens van ongeveer mijn leeftijd aanwezig. Op deze plek zou ik lange tijd verblijven. We aten in deze kamer en deden er gezamenlijk spelletjes. Later maakte ik ook daar mijn huiswerk.

Na mijn komst in Amstelstad moest ik al na enkele dagen naar de kleuterspeelkamer. Die was in het grote gebouw aan de kop van binnenplaats. Zelf heb ik het idee dat ik daar niet zolang op had gezeten, ik moest als redelijk snel naar een andere school in de Elandsstraat. Dat was de Mariaschool, een groot gebouw met een speelplaats en een grote stenen trap.


Het ziekenzaaltje

Ik weet nog dat ik een keer van die trap ben gevallen en een hersenschudding had opgelopen. Ik kwam toen in Amstelstad op de ziekenzaal te liggen. Die was naast het hoofdgebouw boven een poortje. Door het raam keek je op de Elandsstraat uit. Toen ik beter was had ik stoere verhalen over de borsten van de ziekenzuster, Eva heette ze geloof ik, die ik gezien had. Dat soort verhalen kwamen altijd terecht bij de directeur Hurks, die ook mijn voogd was, waarna er straf volgde.
Overigens de meest ernstige straf kreeg ik toen ik, samen met drie andere kinderen, weggelopen was. Ik ging toen naar een tante die in de Kinkerstraat woonde, die stuurde me regelrecht terug en ik werd voor drie dagen op water en brood in een hok naast de kapel gestopt.
Er werden daar kaarsen bewaard en het kaarsvet schraapte ik af om het op mijn droge brood te doen. Er was een raam aan de straatkant en ik heb overwogen een briefje naar de buitenwereld te gooien om kenbaar te maken dat ze mij hier gevangen hielden.

Een keer hebben we uit een noodgebouw van Vroom & Dreesmann spullen gestolen en werden betrapt.
Ik heb ook een keer met een hete bout, waarmee we figuren in triplex konden branden, een gordijn in de fik gestoken.
De meest ernstige misdaad was wel dat ik samen met een meisje naar de gewelven onder de Nieuwe Kerk geweest ben. Iets dergelijks kon natuurlijk helemaal niet. We werden al 'erotisch' geprikkeld als er een filmvoorstelling in de Mariaschool voor ons vertoond werd. Romy Schneider speelde er in, maar we mochten geen plaatjes van haar naast ons bed opprikken.

Met vrome gezichten
Het leven in het kindertehuis Amstelstad was voor mijn gevoel goed geregeld ondanks het feit dat er ook strenge regels waren. We moesten bijvoorbeeld drie keer per dag naar de kapel en bij hoogtijdagen vier keer. Met enige dwang werd ik tot misdienaar uitverkoren. In principe moest je als misdienaar later ook priester worden, maar dat is bij mij niet gelukt.

De dood van een meisje maakte indruk.
We waren verplicht met verdrietige gezichten langs het opgebaarde kind, dat op een bedje in één van de slaapzalen lag, te lopen. Ik ben benieuwd of anderen dat zich ook nog kunnen herinneren.

We hadden een zekere vrijheid. We gingen naar de St Maria Jongensschool in de Gibraltarstraat. Om daar te komen moest ik met de bus. Er reden twee bussen in die richting. Als de eerste sneller was sprongen we over. Het vervoerbedrijf maakte daar melding van en we kregen straf. Ik had een abonnement en toen ik dat een keer verloren was moest ik het hele eind lopen. Gelukkig bracht een schoolvriendje me wel eens achter op de fiets naar het kindertehuis.

Een bijzonderheid was ook dat ik soms met één van de verzorgsters mee mocht als die een weekend in Hilversum bij haar ouders ging logeren.
Er waren vakanties die bij boeren of bollenkwekers in Purmerend of de Beemster doorgebracht werden. Dat er gastgezinnen waren die de kinderen lieten werken is mij niet bekend.
We speelden buiten het tehuis op de dekschuiten in de gracht en vingen er stekelbaarsjes. Er was zelfs een jongetje dat, toen die in het tehuis geplaatst werd, zo sterk aan zijn zwarte hondje gehecht was dat het diertje in het tehuis gedoogd werd.

De boosheid van mijn moeder
Mijn moeder is later getrouwd en ik werd geëcht en heette sindsdien Oosterbaan naar mijn stiefvader.
Ik kreeg ook een stiefzuster. De onvoorspelbare kwaadaardigheid van mijn moeder veranderde niet. Toen ze in een ziekenhuis in Utrecht lag mocht ik haar, samen met één van de meisjes uit het tehuis, bezoeken. Op een reünie vertelde dat meisje dat ze getroffen was door de boosheid van mijn moeder omdat we iets te laat op het bezoekuur aankwamen, iets dat voor kinderen die alleen met de trein op reis waren toch niet zo verschrikkelijk kon zijn.
De stiptheid die mijn moeder van mij eiste ging zo ver dat toen ik in militaire dienst was en in Utrecht uitging met mijn verloofde, ze eiste dat ik stipt om elf uur thuis zou zijn. Toen dat een paar minuten later werd raakte ze zo hysterisch dat ze mij buiten de deur zette en al mijn kleren achter mij aan gooide.
Dat was een behandeling die mijn stiefzus als volwassen vrouw ook moest ondergaan.
Deze gebeurtenissen hebben mij het gevoel gegeven dat ik beter in een kindertehuis of later in militaire dienst kon zijn, dan veilig in moeders armen.

Ton Oosterbaan



Vrijdag was de verschoondag


Plechtige communie in de Boomkerk [1957]


Ik ben geboren in 1945
Van 24 maart 1954 tot 17 september 1957 heb ik in het kindertehuis Amstelstad gezeten omdat mijn moeder alleen was en niet voor mijn opvoeding kon zorgen.

Op 23 juni 1957 heb ik de plechtige communie gedaan in de Boomkerk aan de Admiraal de Ruyterweg.
Dat ging van de school uit. Ik weet niet of er op die dag ook kinderen van 'Amstelstad' bij waren.
Van de nonnen en de kinderen in persoon kan ik me, vreemd genoeg, helemaal niets meer herinneren.
Ook niet of we met elkaar dingen bespraken.
Als je het mij vraagt waren de zusters harteloos en echt niet geschikt om kinderen groot te brengen.

Uitstapjes
Gelukkig haalde mijn moeder mij bijna elke zondag op om samen leuke dingen te doen.
Dat waren bezoekjes aan Artis en de Keukenhof of stedentrips met de trein door heel Nederland.
Op een zondag mocht ik voor straf niet mee omdat ik een oliekarretje op de Lijnbaansgracht leeg had laten lopen. Mijn moeder pikte dat niet en betaalde de schade. Uiteindelijk mocht ik onder protest van de nonnen toch met haar mee.


Opwindbare treinen in Speelgoedmuseum Rudesheim

Privé speelgoed werd afgenomen
Ik sliep aan de muurkant op zaal twee en lag geregeld onder de dekens met een zaklantaarn de spannende jongensboeken van de Bob Evers serie te lezen, vaak tot de 'Witte Kat batterij' op was.
Misschien dat ik door al dat turen nog steeds geen leesbril nodig heb, haha.
Het tehuis had in de kasten van de benedenzaal heel mooi speelgoed, zoals bouwpakketten met hout en steentjes en dozen vol brede rails en grote opwindbare treinen. Die namen, meestal op woensdagmiddag of zaterdag, de hele vloer in beslag. Dat werd tegen etenstijd altijd met tegenzin opgeruimd.
Ik kan mij ook het figuurzagen herinneren. We maakten leuke dingen zoals opengewerkte huisjes waarin dan een kaars kon.
Privé speelgoed werd op een al dan niet stiekeme wijze van ons afgenomen. Voor mijn verjaardag had ik eens van mijn moeder een 'Vliegende Hollander' gekregen. Dat was een houten skelter met kleine ijzeren bestuurbare wielen aan de voorkant en grote wielen achter, perfect voor op de binnenplaats. Maar na een tijdje was die foetsie. De dader ligt op het kerkhof.
Op de grote binnenplaats stonden een draaimolen, schommels en een enterbalk. Meestal speelde ik alleen of hooguit met een paar anderen. Ik kan mij herinneren dat we probeerden tennisballen op het hoge dak te gooien. Er werd buiten, naar mijn weten, niet in groepsverband gespeeld.
Het spelen was zorgeloos, er stond niemand op je te letten en er werd zelden of nooit ruzie gemaakt.

Zomers ging ik op vakantie
In 1956 was dat naar het Gustav Brieglebhuis in Valkeveen en in 1954 was ik te gast bij een tuindersfamilie in Berlicum Noord-Brabant. Dat was natuurlijk prachtig, want ze hadden kippen en een hond. Ik mocht met een buks op mussen schieten omdat die veel overlast gaven.


Het Gustav Breglebhuis in Valkeveen [1956] en de vakantie in Berlicum [1954]

Het Sinterklaasfeest, was echt een feest. Het werd soms gevierd in een ander gebouw van het klooster iets verderop op de gracht. Daar zaten de meisjes. Zo’n feest was een happening en duurde naar mijn gevoel de hele avond. Er werd gezongen en voorgedragen, Sint en Piet waren er en iedereen kreeg snoep en cadeautjes.

Naar school
Ik zat op de St. Maria Jongensschool in de Gibraltarstraat. Daar gingen we met de bus of de 'kikker' (tramlijn naar Zandvoort) of ook wel lopend heen. In de schoolpauze gingen we vaak kijken naar de lopende band van de oude Coca-Cola fabriek bij de spoorovergang van Sloterdijk.
Op die school was een leraar, 'Peukie', die de rot gewoonte had om je bij je wang uit de bank te trekken en naar voren te halen. Ook liet hij je soms tot halfzes nablijven. Ik kan mij niet meer herinneren hoe de nonnen hebben gereageerd op dat late 'thuiskomen' van mij.

Bij de Rijpgracht was een melkzaak. Daar wisselden we soms voor het statiegeld lege melkflessen in die we uit de grote rekken haalden die bij die melkboer buiten stonden. Hij heeft ons nooit betrapt.
Soms mocht ik 's morgens heel vroeg met een gele bakfiets, geen idee meer van wie die was, met een andere jongen brood halen, ik dacht bij Blaeu erf. Aan tafel presteerden kleine knapen het regelmatig om in een soort wedstrijdje wel twaalf boterhammen naar binnen te werken. Zoiets ontstond dan spontaan tijdens het eten. Veel dingen mochten in het kindertehuis niet, maar dat kon dan weer wel. Eens in de zoveel tijd aten we drie in de pan, dat was feest!


De hoefsmid, Elandsstraat 123

De ingang op de Lauriergracht ging alleen in het weekend open voor het ophalen van de kinderen die met familie mee mochten. Alle kinderen moesten gebruik maken van het poortje in de Elandsstraat. Als je uit die poort kwam was halverwege de straat een hoefsmid. Ik heb daar vaak met bewondering staan kijken. Dat felle vuur en het helse kabaal van de paarden die beslagen werden.

Er waren ook nare herinneringen
Voor straf heb ik vele uren op de slaapzaal doorgebracht om de catechismus uit mijn hoofd te leren.
Ik werd dan verhoord en voor elke fout zat ik weer een paar uur extra.

Vrijdag was de verschoondag.
’s Winters was het steenkoud in de badruimte. Iedereen onder de douche en schone kleren aan. Dat ging er niet zachtzinnig aan toe, mijn nagels werden tot bloedens toe geknipt.
Ik plaste nog wel eens in bed en moest dan in de grote wasbak op de slaapzaal die, voor mij, veel te grote lakens gaan uitspoelen en uitwringen.
Een keer moest ik overgeven tijdens de broodmaaltijd. Ik moest evengoed mijn bord leegeten en het brood uit het braaksel vissen. Dat heeft bij bij de andere kinderen een diepe indruk vol afschuw achtergelaten.

Ik werd als koorknaap aangewezen en moest zaterdags in het Gregoriaans notenschrift repeteren en zondags in de kapel zingen. Ik stond dan als koorknaapje boven bij het orgel en heb ook vaak tijdens de mis en met Pasen en Kerst solo gezongen. Nooit van iemand gehoord hoe het klonk. Ik heb na mijn verblijf in het weeshuis nooit meer gezongen.

In de eetzaal hing een distributie radiokastje aan de muur. Ik weet niet meer hoe vaak dat aanstond maar één radiobericht in 1956 over de toestand met Hongarije kan ik me goed herinneren. Dat zorgde voor een nare paniekerige sfeer onder de kinderen. Ik weet niet meer hoe de nonnen toen de boel gesust hebben.

Ik denk dat ik uit een soort zelfbescherming heel veel uit mijn geheugen heb gewist.

Dolf Helders

 


 


> naar boven


> terug
> Jordaan index


Aanvullingen en verbeteringen graag hier


> Bekijk een film uit (1940) over het weeshuis

> De geschiedenis opvragen: archief