In
het Jongensweeshuis
Herinneringen
van weesjongens
>
Richting Amsterdam
> De laatste weesjongen
> Een bezoek aan de rechtbank
> Wat en hoe wij moesten eten
Met
de trein richting Amsterdam

voor
mijn broers Hans en Wim
Met
de trein richting Amsterdam
Tegenover ons zat een kalende man, die vriendelijk naar ons
knikte.
Naast mij, op de schoot van vader, zat mijn oudste broer.
"Is hij zo geboren?", vroeg de man uiteindelijk met
ingehouden stem.
Mijn vader knikte bevestigend en legde uit waarom het tijdens
de bevalling zo verkeerd was gegaan.
De man tegenover me begon een lang gesprek met mijn vader, terwijl
buiten de weilanden voorbijraasden.
Een grimmige lucht viel langzaam op de natte grasmat en een
naargeestig gevoel drong diep in mij.
Vanaf het Centraal Station was het nog wel even lopen
Mijn handje lag stevig tussen de eeltknobbels van vader.
Ik keek op en zag Hans hoog op de schouders van vader zitten.
Hij was rustig en zijn hoofdje wiebelde monotoon mee gelijk
de tred van mijn vader.
Hij keek zonder gedachten en z'n zwarte alpinomutsje zat enigszins
scheef op zijn blonde hoofdje.
Meestal ging hij eerst met de tram naar de Rozengracht. Hij
wist immers waar we heen zouden gaan.
Na een tijdje begon hij te zeuren.
Ik werd overmand door een gevoel van angst en miste opeens mijn
moeder.
De grote gracht imponeerde mij
De zon was in rood versmolten en wierp met de gele wolken een
mysterieus schijnsel op de grote grachtenpanden.
We hielden stil en vader trok aan een grote hendel naast de
toegangsdeur.
De bel klonk en echode in de grote hal.
"Ze zijn er niet", zei ik ongeduldig, maar vader en
Hans zwegen.
Na een paar minuten hoorden we lichte voetstappen die hol en
klakkend op ons toekwamen.
De deur ging open.
Zuster Galgani lachte vriendelijk en nodigde ons uit binnen
te komen.
Zonder een woord te zeggen betraden we de grote gemetselde hal.
Het leek een kleine kerk dat in Gotische stijl was opgetrokken.
Binnen was het donker en de vriendelijke non stak de olielamp
aan die een flauw en armoedig schijnsel op de stenen wierp.
Op de grote plavuizen stonden twee houten banken zonder rugleuning
In het midden een vierkante eiken tafel.
Ik kon gemakkelijk spelen in de grote hal, maar er was geen
speelgoed.
In plaats daarvan werd ik op een grote houten bank gezet.
Zo geruisloos als ze was gekomen, zo verdween de non als een
stip in de lange gang.
Vader stond op en tilde Hans weer op zijn schouders.
Hij beloofde gauw terug te komen.
Hij verdween met Hans en de non achter een grote bruine deur
aan de overzijde van de hal.
Ik wipte van de bank en liep een paar meter de hal in.
Langzaam kwam het naargeestig gevoel in mij terug en ik besloot
weer te gaan zitten.
De bruine deur zwaaide open en vader wenkte me
Aarzelend betraden we de Regentenkamer.
Mijn mond viel open en ik tuurde naar de imposante schilderijen
en fraai bewerkte stoelen die langs een grote, glimmende mahoniehouten
vergadertafel waren geplaatst.
Aan het einde van de lange tafel zat de moeder-overste.
Adjuta was haar naam.
Het was de zwarte pij en witte kap met daarin een bleek en strak
gelaat, waarvan ik schrok.
Twee ijskoude blauwe ogen keken me indringend en uitdrukkingsloos
aan.
Het leek alsof ze probeerde te glimlachen, maar het gelaat was
te strak en haar gevoelens wellicht jaren geleden verzwolgen
door immense spijt. Ik kroop tegen mijn vader aan.
De metershoge ramen van de Regentenkamer keken uit op de binnenplaats.
Hier was het dan: Het Jongensweeshuis aan de Lauriergracht in
Amsterdam.
Vader fluisterde met de ijskoude moeder-overste
Ik liep naar één van de hoge ramen.
Er stond een grote waterpomp met een zwarte hendel op de binnenplaats
en in mijn fantasie beklom ik de pomp en bereikte het hoogste
punt.
Hoe kon ik weten dat dat niet mogelijk zou zijn.
De pomp had al zoveel kinderlijfjes weerstaan dat hij zo glad
als een aal was geworden.
De keurig gepoetste koperen tuit glom als de ondergaande zon
en wierp een zwakke lichtstraal naar de Regentenkamer die op
mijn netvlies bleef staan.
Het was doodstil op het plein.
Een laatste streep licht viel nog net op het plaveisel.
Het moest avond zijn geworden.
Een gevoel van honger kwam op en mijn blik viel op de grote
raampartijen opgebouwd uit talrijke, kleine ruitjes.
Er was niemand te bekennen achter de ruitjes.
De binnenplaats was strak bestraat en brandschoon, zelfs geen
grassprietje stak uit de voegjes.
De grote bruine deur ging open en zuster Constantine kwam binnen.
Ik begon zachtjes te huilen.
Ze ging naast me zitten en probeerde me te troosten.
Het lukte moeilijk, totdat ze vanuit haar pij een zilveren rozenkrans
tevoorschijn haalde.
Die was voorzien van een rijkelijk bewerkt kruisje en de "Onze
Vaders" waren gelijk de "Weesgegroeten", behalve
dan dat ze iets groter waren, maar met dezelfde rullige bewerking.
Het glom als een nieuw zilver bestek en ik mocht aan de ronde
kogeltjes voelen. "Als je lief bent mag je het hebben",
zei ze zacht. Maar eerst zal ik je leren hoe je ermee moet bidden".
De bruine deur ging weer open.
We keken op naar de zwarte gestalte in de opening van de grote
deur.
De handen onzichtbaar gestoken in de brede mouwen en het hoofd
was enigszins naar achteren geheven.
Naast Adjuta, de moeder Overste, stond mijn vader met Hans in
zijn armen.
Zuster Constantine stond op en snelde zich verontschuldigend
naar Adjuta.
Vader keek me triest aan en er werd opnieuw gefluisterd.

de grote jongensslaapzaal en de kinderkamer
De grote jongensslaapzaal was leeg
Hier en daar stond een klein tafeltje en in grote rijen de bedden
met daarnaast ieder zijn eigen stoel.
Het enige dat van jezelf was was je kleding en in dit weeshuis
droegen de jongens allemaal hetzelfde.
Op het houten tafeltje naast het bed stond een wit geglazuurde
kom.
Ze knikte en met een automatisme begon ik me tot aan het ondergoed
uit te kleden.
Ik kreeg een vluchtige wasbeurt onder de oksels en het witte
washandje raasde over mijn verbaasde gezicht.
Plotseling verscheen er een novice met een wit bord.
Er lag een bruine boterham op, zonder boter of beleg en in haar
andere hand een glas water.
Ze fluisterde met Constantine en verdween weer even vlug zoals
ze was gekomen.
Ik staarde naar de boterham en besefte dat ik sinds de ochtend
niet meer had gegeten.
Als een roofdier stortte ik mij op de boterham en het glas water
slurpte ik in één keer leeg.
De non vouwde het laken in een keurige driehoek en schoof mij
in het ledikant.
Ze bleef vriendelijk knikken, maar zweeg.
Ze knielde naast het bed en ik dacht dat ze me zou toestoppen,
maar fluisterend werd er een weesgegroet gebeden.
Voordat ik het besefte was ze onhoorbaar verdwenen.
Ik staarde naar het plafond en zocht in het schemerduister naar
een herkenningspunt.
De gebogen welf in de hoek?
De grote ramen?
Een barst in het steunbint?
Minutenlang staarde ik angstig in het schemerige licht en viel
in slaap.
Het was inmiddels aardedonker geworden en na korte tijd schoot
ik wakker.
Ik zocht en zag plotseling de talloze bedden om me heen gevuld
met slapende kinderen.
Even hoorde ik gefluister uit de bedden die zich naast het steunbint
bevonden.
Ik wachtte af. Ik werd warmer en warmer.
Ik begon zachtjes te huilen en na enige tijd kwam een zuster
met lichte schreden op me af.
Ik voelde het bed langzaam nat en warmer worden.
Ik barstte het uit.
Op het plein renden en speelden zeker 50 jongens
Ik zag Hans in zijn karretje bij de pomp.
Aan de overkant op de hoge trap stond een lange rij jongens.
Af en toe verdween er weer één door de grote deur,
op weg naar de tandarts.
Het was "Tandartsendag". "Héé,
straks trekken ze je al je tanden eruit.", schreeuwde plots
een wees in m'n oren.
"Ha, ha, maar bij mij lekker niet anders sla ik ze bij
hem uit z'n kanis", schreeuwde het Amsterdamse ventje.
Angstig keek ik naar Hans en hield zijn karretje vast
Hij gromde naar de jongen en stootte ondefinieerbare klanken
uit, waarvan ik het beoogde effect betwijfelde.
Maar als bij toverslag draaide het ventje zich om en rende weg.
"Ik ben z'n broer!"
schreeuwde ik hem nog na.
Hans draaide zich om en keek met een schuin hoofd naar de grote
trap.
Ik volgde zijn blik en zag mijn broer Wim erop staan.
Er waren er nog twee voor hem, maar het deerde hem niet.
Rustig stond bij daar.
De bel luidde en op dat moment verdween ook hij achter de grote
deur.
De dreigementen van de wees klonken nog in mijn oren en ik hoopte
dat de tandarts zich niet aan het gebit van mijn broer zou vergrijpen.
Het duurde gelukkig niet lang en met een brede grijns kwam hij
kort daarna weer naar buiten en sloot zich aan bij de andere
weesjongens.
Het spelen was van korte duur, want na een paar minuten stak
een non haar hand op.
De jongens keken haar angstig aan en schreeuwden naar elkaar.
Binnen een oogwenk stonden ze allemaal als gedrilde militairen,
zonder enige instructie, keurig in rijen opgesteld.
Ook Wim stond ertussen en liep zwijgend, zonder nog om te kijken,
naar binnen.
Ik duwde het karretje van Hans naar de zij-ingang waar een novice
het van me overnam.
Een nieuwe dag was begonnen.
Ferdinand Waterman
Na
een indrukwekkend bezoek aan de rechtbank
Herinneringen
aan mijn verblijf in het weeshuis aan de Lauriergracht 105 te
Amsterdam 1954-1955
Ik
ben geboren in 1950
Een jaar later overleed mijn moeder tijdens de geboorte van
mijn broertje.
Mijn broertje werd toen ondergebracht bij een tante in Hilversum
en ik bleef bij mijn vader die een bakkerij aan de Havenstraat
in Bussum had.
Van die tijd herinner ik mij niet veel alleen dat we de bakkerij,
na later bleek verplicht, moesten verlaten.
We verhuisden naar een woonhuis dat door mijn voogd aan mijn
vader werd verhuurd.
De voogd was katholiek en een zeer gelovig man die toch het
beste met ons voor had.
De voogdijzaak
De rechtbank was een groot gebouw met een donkere zaal en grote
tafels die door kleine lampjes verlicht werden.
Er zaten in mantels geklede heren op enorm grote stoelen.
Toen ik weer naar buiten kwam zag ik dat mijn vader met een
zakdoek in z'n ogen wreef.
Het bleek een voogdijraadzaak te zijn geweest.
Mijn vader was marktkoopman geworden
Hij nam altijd maandags vrij.
Die maandag had hij wat kleding en schoenen in een stuk papier
met een touw er om ingepakt.
Hij vertelde dat hij mij naar een leuke school zou brengen met
hele 'aardige zusters' en dat ik daar ook zou slapen.
Mijn keel kneep samen.
Ik moest in onze bestelwagen stappen en zo begon de reis naar
die school.
Op een gracht aangekomen stapte mijn vader uit, liep om de auto
heen om mij eruit te laten. Ik zag hem aankomen en kroop over
de koopwaar naar achter de wagen in. Mijn vader liep naar de
achterkant om de deur daar open te doen maar ik kroop weer vlug
naar voren. Pa probeerde me met zoete woordjes weer naar achteren
te krijgen maar daar trapte ik niet in.
Hij heeft nog geprobeerd zelf over de koopwaar heen te klimmen
maar een volwassene kon niet door openingen kruipen waar een
knaapje van vier doorheen kon.
Dit spel herhaalde zich een paar keer. Toen mijn vader een voorbijganger
om hulp vroeg was mijn strijd snel gestreden.
Een sinaasappel
Mijn vader belde aan en we werden binnengelaten door een 'aardige
zuster' die mij bij een ouder meisje achter liet en met mijn
vader naar een kantoor ging.
Het meisje wist geen raad met me. Ik ging te keer en jankte
bij het leven. Later wist ze me te kalmeren met een sinaasappel
die ze, onder mijn luid protest, met een mes ging schillen in
plaats van te pellen.
Mijn vader is die dag nog lang gebleven om me te kalmeren. Uiteindelijk
lukte dat. Ik mocht als beloning met het meisje mee naar een
voorstelling van een goochelaar die voor de oudere kinderen
optrad in een tot klein theater omgebouwde gymzaal.
Ter ere waarvan die voorstelling was is mij ontgaan. Het was
zeker een of andere feestdag.
Uitgeput werd ik door het meisje en een zuster naar bed gebracht.
Met
de bus naar school
Na enige tijd ging ik met het meisje de stad in om kleding te
kopen en pasfoto's te laten maken naar later bleek voor een
busabonnement.
Samen met oudere kinderen ging ik met de bus naar een school
die in de wijk tegenover de Westergasfabriek lag.
Ik kan mij de halte bij de LinMij herinneren.
De LinMij was een fabriek aan de andere kant van het kanaal.
Er stond een geel bord met daarop een raar mannetje dat zich
afdroogt met een rood gestreepte handdoek.
In
de ziekenzaal
Ik heb ook nog een aantal dagen op de ziekenzaal gelegen.
Die was volgens mij ergens boven het waspoortje en de doorgang
naar de Elandstraat en keek uit op de kleine binnenplaats.
De dokter vroeg of ik nog pijn in mijn keel had. Ik zei dat
die pijn was als de strepen midden op de weg.
Er lag daar ook een jongen die iets aan zijn scheenbeen had.
Hij gilde het uit als de dokter hem achter een scherm behandelde.
Er werd iets van het bot afgeschraapt. Zijn, in mijn ogen, strenge
vader kwam hem wel vaak bezoeken.
Sinterklaas
Eind november gingen we onder toezicht van een aantal oudere
meisjes en een jonge zuster naar de binnenstad waar we op de
Dam de intocht van Sinterklaas meemaakten.
Die indrukken staan op mijn netvlies gebrand. Tjonge wat was
dat een spektakel.
Een enorme optocht van muziekkorpsen, praalwagens, jonglerende
en acrobatische pieten die radslagen en salto's maakten. Ze
deelden snoep uit en zwaaiden met hun roeden. Versierde auto's,
eindeloze rijen pieten op scooters en natuurlijk de op zijn
schimmel, overal bovenuit stekende, Sint Nicolaas.
Een onvergetelijke dag.
Op, ik denk dat het Koninginnedag was, waren er op het binnenplein
van het weeshuis allerlei spelletjes rond de pomp uitgezet en
er was een heuse grote poppenkast zo groot als die op de Dam.
Er speelde een verhaal dat volgens mij de hele dag duurde. Er
kwam geen eind aan. Alle kinderen, van klein tot groot, zaten
als gehypnotiseerd te kijken.
Op
zomervakantie naar Brabant
De Touringcar stond voor en we moesten met ons kledingkoffertje
instappen.
De bus bracht ons naar Oirschot waar vakantiegezinnen stonden
te wachten om ons voor twee weken mee te nemen naar hun boerderijen.
Tijdens die vakantie zijn we met het hele gastgezin naar een
soort kermis geweest waar een echte luchtballon, gevuld met
gas, werd opgelaten.
Zeer indrukwekkend.
Ik heb daar een hele leuke tijd gehad en mijn vader heeft me
daar ook op een zondag bezocht want ik was geloof ik jarig.
In de zomerwarmte werd er met de jongens van het gezin zelfs
een bad genomen in een van stenen en melkbussen buiten aan het
huis gebouwde wastrog. Dat vond ik nogal eng want door het donkere
water zag je de bodem niet en ik durfde er eigenlijk niet in.
Het bezoek van mijn vader
Weer terug in Amsterdam gingen we op een ochtend, het zal wel
een maandag zijn geweest, met de bus naar school en daar zag
ik opeens mijn vader zitten.
Hij zei dat hij wel eens wilde zien waar ze ons heen lieten
gaan. Bij de 'LinMij' halte stapten we uit. Hij vroeg of we
altijd zomaar zonder toezicht die drukke weg over moesten steken.
Hij is met ons meegelopen naar de school en is zelfs mee naar
binnen gegaan om rond te kijken en met enkele juffen en meesters
te spreken.
Opgevoed
bij Omama
Na enige tijd haalde mijn vader mij mij op uit het weeshuis
en ben ik daar nooit meer geweest.
Ik ging naar een school in onze woonplaats en hij regelde opvang
bij gastgezinnen voor ná school als hij nog niet thuis
was van de verschillende markten.
Later kregen we een aantal zo genoemde huishoudsters waarvan
er één is gebleven en waarmee mijn vader op z'n
sterfbed is getrouwd (1962) om te voorkomen dat ik opnieuw in
het weeshuistraject terecht zou komen. Over moederliefde gesproken!
Deze eerst aardige- en later lieve vrouw heeft mij verder opgevoed
en heeft als 'Omama' mijn eigen kinderen nog meegemaakt.
Tot
zover gaan mijn herinneringen als kind van 4-5 jaar in het Jongensweeshuis
aan de Lauriergracht
Paul
Van der Sar
De
laatste jongen van het weeshuis

Op deze foto kun je mij zien als klein jochie op de onderste
rij, vierde van links, geruit bloesje, met een brilletje op.
Mijn vriend Eddie Bosman (Ed) staat op de tweede rij vierde
van links. Mijn broer Hans is het vierde jochie links op de
derde rij.
Mijn naam is Gerard van Sister
In mijn jeugd, vanaf september 1944, ben ik als 2-jarig jochie
tot juli 1955 bijna 11 jaar in het RK Jongenweeshuis geweest.
Ik woon nu al meer dan 35 jaar in Australië, en voor die
tijd 6 jaar in Nederland en daar voor ook nog 3 jaar in Australië.
Ik kwam in het weeshuis met mijn 3 broers, nadat mijn vader
door de Duitsers was doodgeschoten en mijn moeder niet langer
zes kinderen kon opvoeden.
Een zus werd ondergebracht bij een pleeggezin in Uitgeest, een
andere zus ging naar het RK. Maagdenhuis.
Ik was het jongste kind, mijn oudste broer was de oudste jongen
in het weeshuis.
Mijn moeder stierf in februari 1945, dus toen werden wij allemaal
weeskinderen.
Ik was de laatste weesjongen die het weeshuis verliet in 1955
en werd naar een kostschool gestuurd in Oudenbosch, later naar
Harreveld bij Lichtenvoorde.

Op linker foto, waarschijnlijk uit 1954, ben ik het knulletje
met het witte overhemd en stropdas.
Toen waren er voor het eerst wat meisjes geplaatst.
Rechts de speelzaal, ongeveer eind jaren veertig
Ik
heb goede maar meestal slechte herinneringen aan het weeshuis
Ja, de nonnen waren hard en streng, but I don't blame them.
Ze hadden natuurlijk niet de opleiding genoten die nodig was
om naar zalen om te kijken waar 40 jongens in huisden.
De straffen die wij vroeger, voor het minste of geringste, kregen
zou je nu kunnen zien als mishandelingen van het ergste soort.
Haar ja dat was nu eenmaal een andere tijd, ook al heb ik geen
hang-ups, toch staan de straffen me af en toe nog helder voor
ogen. Bijvoorbeeld als je iemand had uitgescholden, ook al was
dit 's-middags gebeurd, kreeg je pas 's-avonds je straf, of
ook vaak je tweede straf.
Hardvochtige straffen
Een van die straffen was als de andere kinderen om acht uur
naar bed gingen, dan moesten we een paar uur in onze katoenen
pyjama's op je blote voeten op de granieten wenteltrap gaan
staan, ook al was het hartje winter.
Een andere straf was dat je door twee nonnen met je hoofd in
een emmer water werd geduwd, todat je stopte met spartelen.
Eens liet iemand een harde wind in de kapel, natuurlijk kregen
we de slappe lach, helaas kon ik niet stoppen met lachen.
Mijn straf was twee weken op water en brood in het waslokaal,
van 's-morgens vroeg en weer terug na school, tot 's-avonds
laat.
Bij
de groente grossier
Vroeger was op de Lauriergracht, vlak bij het weeshuis, een
grote groenteboer Loman, waar ik nog wel eens in de vakanties
voor gewerkt heb.
Ik moest bestellingen rondbrengen met zo'n zware fiets. Ik ben
ook wel eens gevallen met de fiets met de gevolgen van dien,
maar kreeg nooit op mijn donder van de baas.
Toch heb ik de nonnen nooit gehaat
Ik ben er alleen maar sterker van geworden
en het maakt je erg zelfstandig.
Daarom was het voor mij niet moeilijk, toen ik mijn vrouw leerde
kennen, met haar terug te gaan naar dat verre land.
Ik heb mijn vrouw, toen natuurlijk een meisje, in Utrecht ontmoet
toen ik daar onder dienst was.
Zij was in Nederland geboren en op 4 jarige leeftijd met haar
ouders en broers en zusters naar Australië
geëmigreerd. Haar ouders zijn met haar, 9 maanden voor
ik haar leerde kennen, weer teruggekeerd naar Holland.
Gelukkig heb ik een goede educatie
gehad
Ik ben voor lange tijd leraar geweest
op een middelbare school hier in Melbourne.
Mijn studierichting was kunst en kunstgeschiedenis.
De basis voor deze richting heb ik toch meegekregen vanuit het
weeshuis, daar leerde ik al vroeg figuurzagen en schilderen,
de rest is vanzelfsprekend.
Ik wil niet zeggen dat ik er altijd mee bezig ben, maar het
blijkt dat als je ouder wordt, je gedachten toch wat vaker terug
gaan naar die tijd van vroeger.
Zeker als ik af en toe in Amsterdam ben wordt de drang sterker
om even terug te gaan naar de tijd van mijn prille jeugd, dat
betekent dan een bezoek aan de Lauriergracht.
Australië heeft veel voor mij gedaan, ik heb de kans gekregen
om hier naar de universiteit te gaan om mezelf verder te
ontwikkelen, wat niet altijd makkelijk was.
Maar de opvoeding die ik heb meegekregen, (gelukkig geen hang-ups)
en het support van mijn vrouw, heeft mij toch de mogelijkheid
geboden, iets te bereiken in dit korte leven.
Hollanders slaan zich er meestal wel doorheen, zeker als je
uit Amsterdam komt.
Nederland en speciaal Amsterdam zullen altijd een plaats in
mijn hart hebben.
Gerard
van Sister
Wat
en hoe wij moesten eten

Het
eten vond plaats in de eetzaal
Er was maar één eetzaal en die had indrukwekkende
afmetingen, ik schat twintig bij acht meter en ruim vier meter
hoog. Daarin lange tafels met vaste banken. Overal stonden
die dingen. Ze waren kolosaal, lelijk, saai, oud, versleten
en ongezellig. In onze kinderogen waren zij heel lang en daardoor
kreeg die zaal ook zijn onmetelijk volume.
Het rechter gedeelte van de eetzaal, aan de kant van de keuken,
werd gebruikt voor de jongens van het kleinvertrek en het
middenvertrek.
De linkerhelft werd in zijn geheel ingenomen door de jongens
van het grootvertrek. Zolang je dus in de rechterhelft vertoefde,
hoorde je 'er' niet bij.
Door al de jaren heen, zou je door de eetzaal, een vreemde,
grillige plaatsverschuiving doormaken, die uiteraard begon
aan de kant van het kleinvertrek. Van daar doorliep je zowel
elke lange tafel afzonderlijk, alsook alle rijen.
In eerste instantie oprukkend richting speelplaats, als laatste
kwam je bij de kopkant van de laatste tafel terecht, de plaats
waar de zuster meestal stond.
Bij elke verplaatsing hoorde de vage droom, het grootvertrek
te naderen.
Als we de eetzaal betraden waren de tafels gedekt. Dat wil
zeggen, dat op de kale tafels de borden stonden.
Bij warm eten een diep bord met een vork ernaast.
Kregen we een broodmaaltijd, dan lag op een plat bord het
brood, met daar bovenop het likje beleg, waarnaast een mes
en een kopje. De borden en kopjes waren van dikwandig porselein.
Het likje beleg varieerde van een likje jam, een schepje witte
muisjes, soms wat kaantjes, tot ook wel eens een bruine vlek,
keukenstroop. Door de tijd dat het op de boterhammen had gelegen,
was het er volkomen ingetrokken.
De hoeveelheid brood was consequent drie sneetjes. Het maakte
niet uit of je groot of klein was, jong of oud, dik of dun,
veel eetlust of juist niet, ieder kreeg drie sneetjes, tot
het einde der tijden.
In de altijd vereiste stilte, maar met het onvermijdelijke
geroezemoes en de stiekeme, enigszins protesterende extra
herrie van een onderdrukte massa, ging je naar je plaats.
Je zocht niet je plaats, je wist die blindelings te vinden,
alsof deze gemerkt was. Daar zat je dan, verloren in de hoeveelheid
jongens. Je zou net zoveel kunnen betekenen als het bordje
dat voor je stond.
Als wij zaten, kwam zuster Jacobien, de keukenzuster, de eetzaal
binnen. Zij torste een enorme zwarte pan vol stamppot en zette
die op een tafel, die halverwege de zaal strategisch stond
opgesteld. Daarbij had zij een greep in een hand en de ander
leunde op haar heup.
Ons warm eten betrof "stamppot",
de hele weeshuistijd
De gang van zaken was, dat we van kleins af aan, rij voor
rij, zaal voor zaal en in ganzenpas, met het bord in de twee
handen naar de opscheptafel liepen.
Daar stond achter de tafel een zuster, klein van stuk, zuster
Perpetua. Haar naam klopte met haar functie, wegens de eindeloze
herhaling van dezelfde handeling. Vol overgave groef zij met
een grote platte lepel in de pan, streek hier en daar wat
overtolligs weg en schoof voor honderd en zoveel jongens,
identieke hoeveelheden stamppot op de borden.
Ook hier maakte leeftijd lengte of gewicht niets uit, ook
niet vies of lekker.
Door crisis en oorlogsdreiging, zou de kwaliteit van het voedsel
dat toch al sober en eenzijdig was, langzaam maar zeker verder
achteruit gaan.
Bijnamen voor wat wij moesten eten
Als Jordaners, maar vooral als weesjongens, gaven wij het
voedsel bijnamen.
Een boterham was een "pum"
Een kap, vooral als die wat dikker uitviel, een "pil"
Zuurkool "haar in de war"
Postelein "slinger om je smoel"
Andijvie "pruimtabak"
Snijboontjes "scheermesjes"
Koolraap "dooie vingers"
Leverworst "flauwe kul"
Mogelijk ben ik er een paar vergeten.
Straffen
tijdens het eten
De maaltijden moesten altijd in absolute stilte worden genuttigd,
daar werd door de zaalzusters streng op gelet.
Soms vond je echter dat er hoognodig iets gefluisterd moest
worden.
Fout en onnozel! Als de zuster je betrapte op kletsen, fluisteren,
of iets dat daar op leek, dan kreeg je straf.
Op dit soort vergrijpen stond 'een uur'.
Een uur betekende, dat je voor straf 's zondags een uur later
uit mocht.
In het groot vertrek maakte zuster Basilia, de dienst uit.
Dat deed zij ook in de eetzaal.
Zij bepaalde het moment waarop ze het stil genoeg vond, om
vervolgens met een hautain klingeltje van de bel de stilte
en haar positie nog een extra accent te geven, waarna zij
aanving met het gebed vóór de maaltijd, dat
wij hardop moesten beantwoorden.
Na het eten dezelfde ceremonie. Ik heb in mijn geheugen geput
en vond zo een gebed, dat werd gebruikt voor de maaltijd:
Heer zegen ons en deze gaven, die wij door Uw mildheid zullen
ontvangen door Christus onze Heer. "Amen'. Heer ontferm
U over ons, "Christus ontferm U over ons", Heer
ontferm U over ons en dan het "Onze Vader".
Een voorbeeld van wat het bidden voorstelde en hoe dat zich,
onze hele jeugd door, in een eindeloze reeks herhaalde.
Wij werden onbewust meegenomen in eindeloze reeksen gebeden
die duidelijk voor kloosterzusters bedoeld waren, maar waar
ook wij aan onderworpen werden. Over indoctrinatie gesproken.
Tafelmanieren
Onder het eten moest je niet de moed hebben met je elleboog
op tafel te leunen.
Per ongeluk of niet, of nog erger ook je hoofd nog ondersteunen
met die hand.
Als de zuster dat zag, pakte zij je onderarm en ramde je elleboog
met geweld enkele keren hard op tafel.
Dat was ruimschoots voldoende om voorlopig geen elleboog meer
op tafel te zetten, of een hand onder je hoofd, zo je dat
al niet voorgoed was afgeleerd.
Soms, misschien één of twee keer per jaar, mochten
we praten onder het eten.
Het sein om te mogen praten werd ingeluid door zuster Basilia,
na het bidden van een schietgebedje "engel van God".
Waarom een schietgebedje en waarom juist dat, lag opgesloten
in de geheimen van het kloosterleven der zusters, denk ik.
Dat wij mochten praten vond alleen plaats op een bijzondere
dag.
Die bijzondere dag werd door zuster Basilia uitgekozen. Zij
bepaalde wanneer het zover was.
Soms, met Kerst of Pasen, werden hunkerende blikken haar kant
op geworpen, die zij dan met een serene glimlach ontdook.
Juist als we er niet attent op waren, wachtte zij na het normale
gebed voor 't eten een kort moment en met een verzaligd lachje
hief zij het schietgebedje aan.
Natuurlijk werd dat met geroezemoes ontvangen.
Met een blik, of God haar dit persoonlijk had ingefluisterd,
maakte zij haar gebed af.
Dat waren schaarse momenten, waarbij wij min of meer ontspannen
aan tafel mochten babbelen.
Wat
is er over de melk te zeggen
Nu weet ik echt niet meer of de melk bij alle broodmaaltijden
werd geserveerd. Ik denk eigenlijk alleen bij
de boterham om vier uur.
De melk die we kregen was altijd lauw, vaak geschift.
Oranje kringetjes dreven bovenop en er zaten altijd vellen
in, grote en kleintjes.
Niet om aan te zien. Alles dat melk onsmakelijk kon maken,
was aanwezig. Om er misselijk van te worden.
Dat werd ik ook, maar het principe was dat alles wat je kreeg
genuttigd moest worden, omdat het zulk kostbaar voedsel was.
Zo dus ook de melk.
Misschien mocht je er een groot hemd uithalen, misschien lukte
het, de melk aan iemand te geven die er wel pap van lustte,
in ieder geval moest het verdwijnen of opgedronken worden.
Kots en kotsmisselijk werd ik er van. Hoe kan je dat kinderen
voorzetten?
Als de zuster in de gaten kreeg dat iemand zijn melk niet
lustte, bleef zij er bij wachten, tot hij die goddelijke drank
op had.
Tot op de dag van vandaag drink ik in elk geval geen melk.
Met het warme eten was 't net zo
gesteld
In de stamppot zaten bij gebrek aan vlees, vaak zenige stukjes
van het varken.
Eerstens vond ik er een zoete weeïge smaak aan zitten.
Verder kon je kauwen wat je wilde, maar weg kreeg je het nooit.
Soms door dat zeen, of omdat de stamppot gewoon onsmakelijk
was, lustte ik mijn eten niet.
Als je geluk had, kon je het eten kwijt aan jongens, die alles
aten wat er maar op tafel kwam en dan nog hongerig rondkeken.
Deze jongens noemden wij 'vreetzakken'.
Hoewel niet aardig bedoeld, waren zij vaak redders in de nood.
Met zo een figuur in je directe omgeving, had je alle geluk
van de wereld. Als je het tenminste goed aanpakte.
Het vaste ritueel speelde zich als volgt af.
Eerst een vragensmekend oogcontact, met de jongen waar het
eten naar toe moest. Dan een hoofdknik van hem, dat hij het
wilde hebben. Daarna volgden spannende momenten. Je moest
de zuster in de gaten houden en de borden zo onopvallend mogelijk
naar elkaar toeschuiven.
Op het juiste ogenblik moest je met een welgemikte veeg van
je vork, een groot deel van jouw eten snel op zijn bord schuiven.
Wanneer dat lukte, was je blij en opgelucht. Alles moest natuurlijk
kloppen, anders zou het onherroepelijk mislukken.
Met kuchen en draaien moest je net doen of er niets aan de
hand was.
Maar die mazzel was je niet altijd beschoren.
Tegen heug en meug probeerde je dan toch wat te eten, maar
soms kreeg je het domweg niet naar binnen en drapeerde je
de stukjes zeen op de rand van je bord.
Aan het eind van de maaltijd vond de zuster, dat je best alles
op had kunnen eten. Opmerkingen prevelend, als: 'Godenmaal',
of 'zonde van dat heerlijke voedsel', schoof ze de stukjes
zeen in het restant en prakte alles dooreen, met de mededeling
dat
je niets anders kreeg, alvorens je dit op had.
Bij elke volgende maaltijd kreeg je consequent die hap, opnieuw
opgewarmd, voor je neus en geen ander eten tot het op was.
Hieraan heb ik de kreet: 'zonde van God', overgehouden.
Een keer heb ik meegemaakt hoe zuster Isfrida, met veel geweld,
een hap eten in een jongen zijn mond probeerde te krijgen.
Daarbij kneep zij zijn neus dicht met de ene hand en met de
andere hand onder zijn kin, hield ze zijn kaken op elkaar,
hem zo dwingend zijn eten door te slikken. Erg hè?
De jongen natuurlijk hevig tegenspartelend. Blazend en snuivend
probeerde hij te schreeuwen, waardoor de troep uit neus en
mondhoeken liep, daarbij half stikkend in wat in zijn keel
terecht kwam.
Zuster Isfrida was een vreselijk mens en ze haatte kinderen.
Ik haatte haar.
Joop
Martin
Fragment
uit zijn boek Het
koeren van een eenzame houtduif, april 2009
opnieuw uitgebracht met daarop aansluitend het tweede deel
van zijn leven, hoe het hem is vergaan in de maatschappij.
Ik wilde mij geborgen weten,
door Joop Martin
ISBN: 978 90 8954 079 9
Uitgeverij Elikser B.V. Postbus 2532 8901 AA Leeuwarden
>
De geschiedenis van een weeshuis in de Jordaan opvragen:
archief
Taal en Beeld in de Jordaan
>
Aanvullingen en verbeteringen ontvang ik graag
hier
> Bijgewerkt 05 01 10