Wat
en hoe wij moesten eten

De
maaltijd vond plaats in de eetzaal
Er was maar één eetzaal en die had indrukwekkende
afmetingen, ik schat twintig bij acht meter en ruim vier meter
hoog. Daarin lange tafels met vaste banken. Overal stonden
die dingen. Ze waren kolosaal, lelijk, saai, oud, versleten
en ongezellig. In onze kinderogen waren zij heel lang en daardoor
kreeg die zaal ook zijn onmetelijk volume.
Het rechter gedeelte van de eetzaal, aan de kant van de keuken,
werd gebruikt voor de jongens van het kleinvertrek en het
middenvertrek.
De linkerhelft werd in zijn geheel ingenomen door de jongens
van het grootvertrek. Zolang je dus in de rechterhelft vertoefde,
hoorde je 'er' niet bij.
Door al de jaren heen, zou je door de eetzaal, een vreemde,
grillige plaatsverschuiving doormaken, die uiteraard begon
aan de kant van het kleinvertrek. Van daar doorliep je zowel
elke lange tafel afzonderlijk, alsook alle rijen.
In eerste instantie oprukkend richting speelplaats, als laatste
kwam je bij de kopkant van de laatste tafel terecht, de plaats
waar de zuster meestal stond.
Bij elke verplaatsing hoorde de vage droom, het grootvertrek
te naderen.
Gedekte tafels?
Dat wil zeggen, dat op de kale tafels de borden stonden.
Bij warm eten een diep bord met een vork ernaast.
Kregen we een broodmaaltijd, dan lag op een plat bord het
brood, met daar bovenop het likje beleg, waarnaast een mes
en een kopje. De borden en kopjes waren van dikwandig porselein.
Het likje beleg varieerde van een likje jam, een schepje witte
muisjes, soms wat kaantjes, tot ook wel eens een bruine vlek,
keukenstroop. Door de tijd dat het op de boterhammen had gelegen,
was het er volkomen ingetrokken.
De hoeveelheid brood was consequent drie sneetjes. Het maakte
niet uit of je groot of klein was, jong of oud, dik of dun,
veel eetlust of juist niet, ieder kreeg drie sneetjes, tot
het einde der tijden.
In de altijd vereiste stilte, maar met het onvermijdelijke
geroezemoes en de stiekeme, enigszins protesterende extra
herrie van een onderdrukte massa, ging je naar je plaats.
Je zocht niet je plaats, je wist die blindelings te vinden,
alsof deze gemerkt was. Daar zat je dan, verloren in de hoeveelheid
jongens. Je zou net zoveel kunnen betekenen als het bordje
dat voor je stond.
Als wij zaten, kwam zuster Jacobien, de keukenzuster, de eetzaal
binnen. Zij torste een enorme zwarte pan vol stamppot en zette
die op een tafel, die halverwege de zaal strategisch stond
opgesteld. Daarbij had zij een greep in een hand en de ander
leunde op haar heup.
Warm
eten was stamppot, de hele weeshuistijd
De gang van zaken was, dat we van kleins af aan, rij voor
rij, zaal voor zaal en in ganzenpas, met het bord in de twee
handen naar de opscheptafel liepen.
Daar stond achter de tafel een zuster, klein van stuk, zuster
Perpetua. Haar naam klopte met haar functie, wegens de eindeloze
herhaling van dezelfde handeling. Vol overgave groef zij met
een grote platte lepel in de pan, streek hier en daar wat
overtolligs weg en schoof voor honderd en zoveel jongens,
identieke hoeveelheden stamppot op de borden.
Ook hier maakte leeftijd lengte of gewicht niets uit, ook
niet vies of lekker.
Door crisis en oorlogsdreiging, zou de kwaliteit van het voedsel
dat toch al sober en eenzijdig was, langzaam maar zeker verder
achteruit gaan.
Bijnamen voor
wat wij moesten eten
Als Jordaners, maar vooral als weesjongens, gaven wij het
voedsel bijnamen.
Een boterham was een "pum"
Een kap, als die wat dikker uitviel, een "pil"
Zuurkool "haar in de war"
Postelein "slinger om je smoel"
Andijvie "pruimtabak"
Snijboontjes "scheermesjes"
Koolraap "dooie vingers"
Leverworst "flauwe kul"
Straffen
tijdens het eten
De maaltijden moesten altijd in absolute stilte worden genuttigd,
daar werd door de zaalzusters streng op gelet.
Soms vond je echter dat er hoognodig iets gefluisterd moest
worden.
Fout en onnozel! Als de zuster je betrapte op kletsen, fluisteren,
of iets dat daar op leek, dan kreeg je straf.
Op dit soort vergrijpen stond 'een uur'.
Een uur betekende, dat je voor straf 's zondags een uur later
uit mocht.
In het groot vertrek maakte zuster Basilia, de dienst
uit. Dat deed zij ook in de eetzaal.
Zij bepaalde het moment waarop ze het stil genoeg vond, om
vervolgens met een hautain klingeltje van de bel de stilte
en haar positie nog een extra accent te geven, waarna zij
aanving met het gebed vóór de maaltijd, dat
wij hardop moesten beantwoorden.
Na het eten dezelfde ceremonie. Ik heb in mijn geheugen geput
en vond zo een gebed, dat werd gebruikt voor de maaltijd:
Heer zegen ons en deze gaven, die wij door Uw mildheid zullen
ontvangen door Christus onze Heer. "Amen'. Heer ontferm
U over ons, "Christus ontferm U over ons", Heer
ontferm U over ons en dan het "Onze Vader".
Een voorbeeld van wat het bidden voorstelde en hoe dat zich,
onze hele jeugd door, in een eindeloze reeks herhaalde.
Wij werden onbewust meegenomen in eindeloze reeksen gebeden
die duidelijk voor kloosterzusters bedoeld waren, maar waar
ook wij aan onderworpen werden. Over indoctrinatie gesproken.
Tafelmanieren
Onder het eten moest je niet de moed hebben met je elleboog
op tafel te leunen.
Per ongeluk of niet, of nog erger ook je hoofd nog ondersteunen
met die hand.
Als de zuster dat zag, pakte zij je onderarm en ramde je elleboog
met geweld enkele keren hard op tafel.
Dat was ruimschoots voldoende om voorlopig geen elleboog meer
op tafel te zetten, of een hand onder je hoofd, zo je dat
al niet voorgoed was afgeleerd.
Soms, misschien één of twee keer per jaar, mochten
we praten onder het eten.
Het sein om te mogen praten werd ingeluid door zuster Basilia,
na het bidden van een schietgebedje "engel van God".
Waarom een schietgebedje en waarom juist dat, lag opgesloten
in de geheimen van het kloosterleven der zusters, denk ik.
Dat wij mochten praten vond alleen plaats op een bijzondere
dag.
Die bijzondere dag werd door zuster Basilia uitgekozen. Zij
bepaalde wanneer het zover was.
Soms, met Kerst of Pasen, werden hunkerende blikken haar kant
op geworpen, die zij dan met een serene glimlach ontdook.
Juist als we er niet attent op waren, wachtte zij na het normale
gebed voor 't eten een kort moment en met een verzaligd lachje
hief zij het schietgebedje aan.
Natuurlijk werd dat met geroezemoes ontvangen.
Met een blik, of God haar dit persoonlijk had ingefluisterd,
maakte zij haar gebed af.
Dat waren schaarse momenten, waarbij wij min of meer ontspannen
aan tafel mochten babbelen.
Wat
is er over de melk te zeggen
Nu weet ik echt niet meer of de melk bij alle broodmaaltijden
werd geserveerd. Ik denk eigenlijk alleen bij
de boterham om vier uur.
De melk die we kregen was altijd lauw, vaak geschift.
Oranje kringetjes dreven bovenop en er zaten altijd vellen
in, grote en kleintjes.
Niet om aan te zien. Alles dat melk onsmakelijk kon maken,
was aanwezig. Om er misselijk van te worden.
Dat werd ik ook, maar het principe was dat alles wat je kreeg
genuttigd moest worden, omdat het zulk kostbaar voedsel was.
Zo dus ook de melk.
Misschien mocht je er een groot hemd uithalen, misschien lukte
het, de melk aan iemand te geven die er wel pap van lustte,
in ieder geval moest het verdwijnen of opgedronken worden.
Kots en kotsmisselijk werd ik er van. Hoe kan je dat kinderen
voorzetten?
Als de zuster in de gaten kreeg dat iemand zijn melk niet
lustte, bleef zij er bij wachten, tot hij die goddelijke drank
op had.
Tot op de dag van vandaag drink ik in elk geval geen melk.
Met het warme
eten was 't net zo gesteld
In de stamppot zaten bij gebrek aan vlees, vaak zenige stukjes
van het varken.
Eerstens vond ik er een zoete weeïge smaak aan zitten.
Verder kon je kauwen wat je wilde, maar weg kreeg je het nooit.
Soms door dat zeen, of omdat de stamppot gewoon onsmakelijk
was, lustte ik mijn eten niet.
Als je geluk had, kon je het eten kwijt aan jongens, die alles
aten wat er maar op tafel kwam en dan nog hongerig rondkeken.
Deze jongens noemden wij 'vreetzakken'.
Hoewel niet aardig bedoeld, waren zij vaak redders in de nood.
Met zo een figuur in je directe omgeving, had je alle geluk
van de wereld. Als je het tenminste goed aanpakte.
Het vaste ritueel speelde zich als volgt af.
Eerst een vragensmekend oogcontact, met de jongen waar het
eten naar toe moest. Dan een hoofdknik van hem, dat hij het
wilde hebben. Daarna volgden spannende momenten. Je moest
de zuster in de gaten houden en de borden zo onopvallend mogelijk
naar elkaar toeschuiven.
Op het juiste ogenblik moest je met een welgemikte veeg van
je vork, een groot deel van jouw eten snel op zijn bord schuiven.
Wanneer dat lukte, was je blij en opgelucht. Alles moest natuurlijk
kloppen, anders zou het onherroepelijk mislukken.
Met kuchen en draaien moest je net doen of er niets aan de
hand was.
Maar die mazzel was je niet altijd beschoren.
Tegen heug en meug probeerde je dan toch wat te eten, maar
soms kreeg je het domweg niet naar binnen en drapeerde je
de stukjes zeen op de rand van je bord.
Aan het eind van de maaltijd vond de zuster, dat je best alles
op had kunnen eten. Opmerkingen prevelend, als: 'Godenmaal',
of 'zonde van dat heerlijke voedsel', schoof ze de stukjes
zeen in het restant en prakte alles dooreen, met de mededeling
dat
je niets anders kreeg, alvorens je dit op had.
Bij elke volgende maaltijd kreeg je consequent die hap, opnieuw
opgewarmd, voor je neus en geen ander eten tot het op was.
Hieraan heb ik de kreet: 'zonde van God', overgehouden.
Een keer heb ik meegemaakt hoe zuster Isfrida, met veel geweld,
een hap eten in een jongen zijn mond probeerde te krijgen.
Daarbij kneep zij zijn neus dicht met de ene hand en met de
andere hand onder zijn kin, hield ze zijn kaken op elkaar,
hem zo dwingend zijn eten door te slikken. Erg hè?
De jongen natuurlijk hevig tegenspartelend. Blazend en snuivend
probeerde hij te schreeuwen, waardoor de troep uit neus en
mondhoeken liep, daarbij half stikkend in wat in zijn keel
terecht kwam.
Zuster Isfrida was een vreselijk mens en ze haatte kinderen.
Ik haatte haar.
Joop
Martin
Fragment
uit zijn boek Het koeren van een eenzame houtduif,
april 2009 opnieuw uitgebracht met daarop aansluitend het
tweede deel van zijn leven, hoe het hem is vergaan in de maatschappij.
Ik wilde mij geborgen weten, door Joop Martin
ISBN: 978 90 8954 079 9, Uitgeverij Elikser B.V. Postbus 2532
8901 AA Leeuwarden
Een
dansje met de koningin

Door
een scheiding van mijn vader en moeder, en omdat we in een
te kleine woning woonden, ben ik in 1950 in het weeshuis op
de Lauriergracht in Amsterdam geplaatst
Ik was dus niet echt een wees. Daar heb ik zo'n 6 a 7 jaar
vertoefd.
Mijn ouders leven niet meer en eigenlijk is er nooit zo veel
over die tijd gesproken. Ik moet het dus met mijn herinneringen
doen.
Koningin Juliana was in 1953 op bezoek.
Ze heeft toen een ronde dansje met een aantal kinderen gemaakt.
Ik was er eentje van.
Een grote foto hiervan heeft in de hal van het weeshuis gehangen.
Een kopie heb ik op internet gevonden.
Jammer genoeg staan daar een paar kinderen niet op. Ik ook
niet.
Door het gezoek op internet kwam ik verhalen van het weeshuis
tegen die ik herken.
Vooral het pleintje staat in mijn geheugen gegrift. Daar speelde
ik heel veel en had er ook aardig wat vriendjes gemaakt.
Zwarte piet
Bij een Sinterklaas bezoek lag ik boven in een slaapzaal ziek
in bed.
Vanuit die slaapzaal keek je naar beneden op het pleintje.
Ik lag helemaal alleen en plotseling kwam er een Piet de zaal
op. Hij zag me niet en ik kroop onder de dekens en rilde van
angst. Piet zwaaide ondertussen uit het raam naar de kinderen
op het plein. Gezien heeft hij mij niet, maar dit vergeet
je natuurlijk nooit.
Vakantie
De uitstapjes naar Brabant kan ik mij ook goed herinneren.
Aangezien ik nogal een aardig knulletje was om te zien, heeft
een kinderloos echtpaar mij zelfs willen achterhouden.
De politie moest ingeschakeld worden om mij mee terug te krijgen
naar Amsterdam.
Dit verhaal is mij achteraf zo verteld.
Geen nare tijd
Ik wilde misdienaar worden, maar ik was te klein om het boek
te dragen en koorknaap was, gezien mijn valse noten, ook geen
succes.
In de weekenden was ik meestal thuis bij mijn moeder. Mijn
zuster vertelde mij later dat ze altijd zo'n medelijden met
mij had.
Zij zat op de Maria school, vlak bij mijn school. Ze zag mij
vaak naar school gaan met mijn weeshuis kleren en hoge schoenen
aan. Zij vond dat zo zielig, maar ik had daar echt geen last
van. Ik werd op school ook niet gepest of zo.
Als ik eerlijk ben heb ik absoluut geen nare tijd gehad.
De nonnen waren wel streng, maar toch had ik ook een goede
band met ze. Nadat ik uit het weeshuis weg was, heb ik nog
een jaar contact gehad met vriendjes in het weeshuis en met
één van de nonnen. Dat was zuster Maria Donatilla,
die ik regelmatig bezocht.
Ik besprak met haar van alles over mijn nieuwe leven. Zij
overleed echter op vrij jonge leeftijd. Kortom, hoewel ik
dus niet echt een gezinsleven had in die tijd, heb ik toch
fijne herinneringen aan het weeshuis.
Misschien vind ik ooit nog eens de originele foto van het
dansje met koningin Juliana waar ik ook op sta.
Hans
de Groot
Ik zwaaide naar haar, maar
heb haar nooit meer gezien

Het
eerste dat ik zag was het klimrek
Een vader had ik niet, mijn verwekker heb ik niet gekend en
mijn moeder kon, of wilde, niet voor mij zorgen.
Tot mijn vijfde jaar woonden wij in bij een kleermaker op
de Jacob Catskade in Amsterdam. Ik geloof dat hij ook mijn
voogd was, maar daar heb ik nooit wat van gemerkt.
Op een kwade dag bracht mijn moeder mij naar het Jongensweeshuis.
De deur naar de hal stond open en ik rende naar de binnenplaats
en klom meteen in een klimrek dat er stond. Ik wilde aan mijn
moeder laten zien hoe goed ik op die speeltoestellen was.
Mijn moeder vertrok en zwaaide naar mij. Ik zwaaide terug
en heb haar daarna nooit meer gezien.
Een jaar later is ze gestorven in het kraambed samen met de
baby.
Zo begon mijn verblijf bij de nonnen in het weeshuis op de
Lauriergracht en de broeders in het Aloysiusgesticht in de
Elandsstraat waar ik tot mijn zestiende jaar zat.
De
periode van 1936 tot 1947 was voor mij gruwelijk
Ik kreeg te maken met sadistische nonnen die de jongens wrede
straffen gaven.
Bij de minste of geringste overtreding werden kleine kinderen
met hun hoofd in een emmer water geduwd. Hartje winter stond
je onder ijskoude douches. Als ik in mijn bed geplast had,
moest ik met mijn pieslaken over het hoofd, met de piesplek
recht in mijn gezicht, met mijn blote voeten op de koude vloer,
de hele ochtend blijven staan.
Ik kan mij herinneren hoe bang ik was als ik voor straf de
hele afwas van het weeshuis moest doen. Dat gebeurde in een
soort kelder met een enkel klein raampje. Daar stond ik dan
met een grote zinken teil vol vieze lepels en borden.
Het werd steeds donkerder en ik meende in de verte vreemde
geluiden te horen.
Directeur Fontaine was een beul die de jongens met
een dikke bamboestok sloeg. We noemden hem 'tien voor twaalf'
vanwege de schuine stand van zijn voeten.
Je moest biechten bij de rector. Ik geloof dat hij Starkeburg
of Stekelenburg heette.
Dat gebeurde niet in een normale biechtstoel zoals die in
een kerk zijn, maar in het vertrek van de rector. Hij zat
daar wijdbeens op een stoel en je moest op je knieën
tussen zijn benen plaats nemen. Daar moest je vertellen hoe
vaak je onaneerde en dat soort smerige praatjes die de rector
kennelijk graag wilde horen.
Je zou kunnen zeggen dat deze vorm van zogenaamd 'biechten'
geestelijk misbruik van jongetjes was.
Er
waren twee soorten nonnen
Ze woonden in de refter, waar je natuurlijk nooit mocht komen.
De meest strenge, je mag wel zeggen sadistische, nonnen, moesten
de jongens opvoeden. Ze waren daar pedagogisch niet voor opgeleid
en bedachten de meest wrede straffen om zich te handhaven.
Het onderwijs dat door het hulpje van Fontaine, meester
v.d.Beld gegeven werd stelde niet zoveel voor. Voor de
7e en 8e klas moest ik naar een school in de Kanaalstraat.
Ik mocht daar zelfstandig naar toe, maar spijbelde regelmatig.
Dat werd niet opgemerkt want er was geen enkel contact tussen
de school en het weeshuis.
Filmpjes, die over de manier van omgaan met de weesjongens
gemaakt zijn, laten romantische beelden zien, maar ik weet
dat die voor de buitenwereld fraai in elkaar gedraaid zijn.
De werkelijkheid, als het filmtoestelletje van directeur Fontaine
niet draaide, was wel heel anders.
De nonnen die niet direct met de opvoeding van de jongens
te maken hadden waren wel aardig. Ze werkten in de keuken
en zo.
Een enkele bekommerde zich wel om je, maar ja, verder zaten
ze met z'n allen in de refter en de moeder-overste was ook
streng voor de nonnen.
De
oorlog
Hoe het was tijdens de oorlog weet ik niet meer zo goed.
Wel weet ik dat de Duitsers een keer kwamen kijken. Misschien
waren het wel NSBers. Ze namen Izzi Muiderman, een
joods jongetje dat bij ons ondergedoken was, mee.
Verder merkten we wel dat er van alles aan de hand was, dat
er minder te eten was en dat onze schoenen eindeloos opgelapt
werden.
Tegen het eind van de oorlog, ik was toen een jaar of veertien,
werd ik uitbesteed, zoals dat toen genoemd werd. Ik kwam terecht
in Limburg bij een boer in Swalmen. Daar moest ik zeven dagen
in de week werken voor 1 gulden per week. Ik herinner mij
nog dat ik met een paard naar de hoefsmid aan de rijksweg
moest. Die smid had maar liefst drie van die goedkope krachten
via diezelfde katholieke organisatie op gelijke condities
aan het werk.
Op een gegeven moment ben ik daar weggelopen, hoe ik precies
terug gekomen ben weet ik niet meer, maar ik vertelde aan
de nonnen dat ik weggestuurd was.
Uiteraard werd ik door directeur Fontaine, met zijn stok,
zeer zwaar gestraft.
Naar
het Aloysiusgesticht
Na die tijd ging ik naar de broeders in de Elandsstraat.
Daar was een school aan verbonden waar ook kinderen uit de
buurt, die geen wees waren, op zaten.
Ik kwam van de regen in de drup.
Doorleren mocht alleen maar als je aangaf dat je naar het
seminarie wilde. Ik heb daarom nooit een vak mogen leren.
De overste, ik geloof dat hij Gregorius of Georgius
heette, heeft mij meerde malen tegen een deur of de muur klemgezet.
Ik kan mij herinneren dat de gymleraar, meester Richard,
wel aardig was. Hij had familie in Limburg. Af en toe mocht
ik voor hem een plaats in de trein bezet houden. Ik kreeg
dan een perronkaartje voor het Centraal Station van hem en
moest dan heel lang zitten wachten tot hij zijn kaartje had
gekocht en in de coupe kon plaats nemen op de plek die ik
voor hem had vrij gehouden.
Een jongen, net zoals ik 12 jaar oud, ik geloof dat hij Veenboer
heette, heeft zich, nadat hij door een broeder in het bad
misbruikt was, opgehangen. Dat werd uiteraard doodgezwegen
en de precieze gang van zaken werd ons natuurlijk niet verteld.
In de slaapkamers en de chambrettes gebeurden allerlei dingen
die het daglicht niet konden velen. Ik kan er wel een boek
over vol schrijven.
Maar het ergste in die tijd was, dat je als weesjongen nergens,
maar dan ook nergens met je klachten terecht kon. Er was niemand
met een luisterend oor voor ons te bekennen. In tegendeel,
als je iets aan een broeder vertelde werd dat tegen je gebruikt.
Ontsnappen
en overleven
Toen ik zestien was ben ik weggelopen. Ik moest zien helemaal
zelfstandig te overleven.
Van de overheid was in die tijd geen enkele steun of hulp
te verwachten. Ik kreeg geen uitkering of iets dergelijks.
Ik heb daarna een zwervend bestaan geleid.
Met een paar gulden zakgeld die ik nog had liftte ik naar
Zuid Frankrijk. Daar heb ik een tijdje bij een wijnhandel
in Nice gewerkt. Ik moest flessen spoelen en etiketten plakken.
Ik sliep in een soort alternatieve jeugdherberg voor, omgerekend,
1 gulden per nacht. Ik heb ook nog in Stockholm in een restaurant,
en in Oslo bij de film gewerkt.
Ik
ben nu 30 jaar getrouwd
Mijn vrouw Aimée heb ik via een non-profit huwelijksbureau
gevonden.
Er brak een betere tijd voor mij aan. Ik woonde in Bergen
op Zoom via mij huwelijk en vond een baan bij Scientific Publications,
onderdeel van het nu Reed-Elsevier concern. Daar heb ik 25
jaar in verschillende functies gewerkt en reisde elke dag
naar Amsterdam. Het was goede werkgever en ik kreeg zelfs
een eerste klas treinabonnement.
Het is treurig dat ik eerst 79 jaar moest worden voor ik met
mijn verhaal wordt geloofd. Jammer genoeg voor mij zijn de
pedofiele broeders en de sadistische nonnen allemaal overleden.
Eigenlijk zou ik een vergoeding moeten krijgen voor het feit
dat ik na mijn lagere school niet verder mocht leren, want
ik was altijd de beste van de klas. Door mijn zwervend bestaan
na mijn zestiende is van doorstuderen nooit meer iets gekomen,
met alle gevolgen van dien voor de rest van mijn leven.
Ruud
van Dragt
Op 26
januari 2011 heeft Ruud, naar aanleiding van de instelling
van de commissie Samson, bij EenVandaag zijn verhaal gedaan.
Bijna
verdronken in de Lijnbaansgracht
Gered
door een beroemde voetballer
Onlangs dook een krantenknipsel op waarin verslag gedaan werd
van het moedige optreden van Henk Schijvenaar, achterhoede
speler in het Nederlands Elftal. De verslaggever schreef:
"Door een bliksemsnelle reactie van de man die zijn roem
op de groene grasmat verwierf redde hij het leven van de tienjarige
Mario de Vries die op het punt stond in de Lijnbaansgracht
te verdrinken. Het jongetje was met vriendjes langs de wallekant
aan het spelen, struikelde en verween onder water. De voetballer
kwam op dat moment met zijn auto voorbij. Hij aarzelde geen
moment en dook zonder zich te bedenken in het smerige water
van de gracht.
Even later was Mario gered. Zijn vriendjes brachten hem terug
naar het weeshuis om de hoek.
Schijvenaar ging naar huis om droge kleren aan te trekken.
Hij vertelde later: "Ik zie nog steeds doe grote donkere
ogen vol doodsangst voor me. Toen ik het jongetje aan de wal
bracht was er nog steeds niemand in de buurt om te helpen".
Tot zover het krantenbericht.
De voetballer was bloemist geworden
Dat jongetje was ik in de tijd dat ik in het weeshuis
zat.
De directrice wist niet wie de moedige redder van haar pupil
geweest was.
Het was dus een voetballer die een bloemenwinkel op de Prinsengracht
had.
Een vakman op de groene grasmat en in bloemen werd later zelf
in de bloemetjes gezet.
Het
is donker in het jaar 1953
Ik ben 5 jaar en mijn zusje Astrid 3 jaar.
We zitten in een trein, waar gaat die naar toe? Ik weet het
niet, het is de eerste treinrit die ik mij kan herinneren.
Het blijkt dat ik met mijn moeder en mijn zusje op weg naar
een kindertehuis in Amsterdam ben.
Pas veel later wordt mij duidelijk waarom.
Mijn vader
Aan het eind van de oorlog in Indonesië kwam mijn vader,
24 jaar oud, na vier jaar gevangenschap bij de Kempetai,
dat is de Japanse Gestapo, in Nederland aan. Er ontstond een
relatie tussen mijn moeder en hem. Dat leidde tot mijn geboorte.
Daar was niet op gerekend. Er werd snel getrouwd, maar het
huwelijk hield niet lang stand. Zij gingen uit elkaar.
Mijn vader was inmiddels in actieve dienst bij de Marine en
werd naar Nieuw Guinea uitgezonden.
Mijn moeder bleef alleen achter om voor onze opvoeding te
zorgen.
Het is donker en koud
We staan voor een ontzettend grote deur, die gaat open. Een
voor mij vreemd wezen staat in de deuropening, we moeten naar
binnen. Door een luid galmende hal komen we in een wachtkamer.
We wachten, kijken om ons heen en wachten. Plotseling is daar
weer zo'n vreemd wezen met heel veel sleutels. We geven een
hand, krijgen ons koffertje mee en verdwijnen in een groot
zwart gat.
Ik weet het niet meer, mijn moeder is verdwenen.
Bij mij gaat voor een lange tijd het licht uit!
Ik ben alleen, ook mijn zusje is weg.
Ik heb haar niet meer gezien en ik weet mij ook niets te herinneren
over dingen die wij samen zouden hebben beleefd.
Later blijkt zij te zijn ondergebracht in de Mariaschool van
de 'Voorzienigheid' in de Elandsstraat.
Sinterklaas
Dat feest is toch wel een leuke herinnering uit het kindertehuis.
In een lange rij kinderen, met twee begeleidende nonnen, mag
ik naar de intocht van de Sint op de Dam.
Dat is feest, er wordt snoep naar je gegooid. Al die mensen
en die muziek, het maakt een enorme indruk op mij.
Pakjesavond, dat is verzamelen op de binnenplaats. Er worden
spelletjes gedaan zoals koekhappen en zaklopen.
Dan komt Sinterklaas inderdaad op zijn witte schimmel de binnenplaats
oprijden. Alle kinderen zijn diep onder de indruk.
Er worden pakjes uitgedeeld. Ja, ik krijg ook mijn cadeau.
Het is een grote doos met een complete treinenset van mijn
Oma.
Ze woonde indertijd vanuit Indonesië tijdelijk in Amsterdam.
Ik heb dat cadeau alleen maar even in mijn handen gehad, daarna
heb ik de trein niet meer gezien en er nooit mee gespeeld.
Afgenomen.
Zaal
nummer acht
Het is zomer. De wat oudere jongens leefden in die zaal onder
leiding van zuster Donatile. Dat was voor mij een heel
lieve non.
Ze vervulde, zogezegd, voor mij een moederrol. Ik was erg
aan haar gehecht. Zij was vrij jong, ik mocht heel veel van
haar.
We mochten ook buiten aan een grote, lange, tafel aardbeien
en radijzen eten. Wat een feest.
Ook zuster Wilhada is in mijn gedachte gebleven als
een aardige non.
De rest van de religieuzen ben ik gewoon vergeten, misschien
maar goed ook.
Het
werd ineens erg stil
4 november 1956, ik herinner mij dat als de dag van gisteren,
het was in de ochtend en we waren net terug uit de kapel.
We zaten aan de tafels voor het ontbijt. Twee nonnen deelden
net het beleg uit, toen via de distributieradio het nieuws
van de Russische inval in Hongarije binnenkwam. Wisten wij
wat dat betekende, nee toch? Maar de emotionele reactie van
de nonnen, de diepe stilte die dat bericht teweeg bracht in
de eetzaal is mij altijd bij gebleven. Die distributieradio
en de daar boven hangende slingerklok, staan in mijn geheugen
gegrift. Die klok kwam uit de Refter. Tegenwoordig hangt die
in het kinderdagverblijf dat jaren later, toen het geen weeshuis
meer was, daar gevestigd is.
Alles
moest op je knieën
Iedere donderdagavond op je knieën de vloer boenen met
boenwas.
Bij de adventkalender iedere avond op je knieën bidden.
Eén van de kinderen mag er elke dag één
luikje van open maken.
Ook in die verdomde kapel, bidden en zingen. Ik weet nog goed
dat ik kon nog niet lezen. Maar ik kreeg zo'n kerkboekje van
die non, dus ik deed maar alsof. Mijn ogen, zichtbaar voor
haar, van links naar rechts laten draaien, en altijd maar
op je knieën.
Waar ik op die leeftijd overigens helemaal geen kijk op had
laat staan dat ik er enige notie van had, was wel het begrip
'Sex'.
Toch vond men het blijkbaar nodig om de kinderen de nodige
kennis op het gebied van de 'bloemetjes en bijtjes' bij te
brengen.
Een specialist op dat terrein was de kapelaan!
De seizoenen gingen voorbij
Herfst, verplicht bladeren vegen op de binnenplaats, vegen,
vegen en nog eens vegen.
Winter, doet mij denken aan het toegediend krijgen van levertraan
en rolmopsen.
Dat was voor mij in die tijd niet te verteren, ik vrat het
niet en spuugde de levertraan gewoon uit. Daar had men wel
iets op gevonden. "Ga jij maar eens een tijdje in het
grote klokkenhuis zitten". Wat een verdriet, ik zat daar
zo lang in het donker dat na verloop van tijd mijn hartslag
hetzelfde ritme had als die rotklok.
De
grote jongensslaapzaal
Ik sliep met nog vier andere jongens aan de muurzijde tegenover
de ramen, met aan onze rechterzijde de chambrette van zuster
Donatile.
Ik had mijzelf al snel een systematiek aangeleerd die er voor
zorgde dat ik als eerste uit bed was, waardoor ik het eerste
aan de wastafel stond en het eerste mijn bed had opgemaakt.
Daardoor stond ik als eerste in de rij bij de deur. Zodoende
zat ik ook als eerste in de kapel, vervolgens kon ik die als
eerste verlaten en zat dus als eerste in de eetzaal aan tafel,
met als ultiem resultaat dat ik voldoende beleg had.
Het
onderwijs was beschamend
Behalve wat ik mij zelf heb aangeleerd van wat er op straat
gebeurde, heb ik in die tijd nauwelijks iets geleerd.
Er werd totaal niet op toegezien of, en hoe we ons ontwikkelden.
Althans ik kan het mij niet herinneren. Met als gevolg dat
dit de rest van mijn leven heeft beïnvloed.
Ik wilde mij steeds maar bewijzen.
Wij moesten iedere dag, zonder begeleiding, door Amsterdam
naar de lagere school.
Wat ik mij nu nog kan herinneren is dat ik met een vriendje
door de Kinkerstraat richting school moesten lopen. Waar die
precies was weet ik niet meer. Wat ik wel weet is dat wij
heel veel spijbelden en veelal meer op de grachten aan het
spelen waren met drijvende matrassen die daarin waren gegooid.
In die tijd, ik was pas zes of zeven jaar, probeerden we op
straat gevonden sigarettenpeuken op te roken.
Later moesten wij naar een andere lagere school, ergens in
een zijstraat aan het eind van de Overtoom bij het Vondelpark.
Wij maakten er een sport van wie het eerst op school zou zijn
en omgekeerd weer in het weeshuis terug. Dat betekende heel
hard lopen of op de tram springen, waar we erg goed in waren.
We vroegen mensen op straat om tramkaartjes of geld.
Vaak werden halsbrekende toeren uitgehaald om op de tram te
springen of bij controle er vanaf te springen.
Later bleek dat ik ten opzichte van andere kinderen van mijn
leeftijd een enorme leerachterstand had.
Zo
klein als je bent het vreet aan je
De eenzaamheid en het gebrek aan liefde, knuffelen, maken
je, al op die leeftijd wantrouwig ten opzichte van mensen.
Het riep ook een bepaalde agressie bij me op. Vooral tijdens
de weinige keren dat mijn moeder mij een paar uurtjes komt
opzoeken en weer vertrekt en dat je niet kunt begrijpen waarom
je niet mee mag.
Vooral die ene keer dat ik ernstig ziek was en in dat kleine
ziekenzaaltje lag, voelde ik mij alleen en heel erg eenzaam.
De pijn die dat bij je oproept. Ik werd enorm boos en agressief
ten opzichte van haar en wilde haar ook niet meer zien. Vooral
na die ene keer dat ze me mee nam de stad in en een cowboypakje
voor mij kocht. Ze vertelde dat we weer gauw thuis zouden
komen.
Het heeft daarna nog heel lang geduurd.
De
leuke dingen uit die tijd
Wat mij is bijgebleven zijn de Sissi-Films met Romy Schneider.
Die mochten wij, ik meen op de Mariaschool, in de vroege vooravond
gaan zien.
Er werden in die tijd ook wel filmpjes gedraaid over de Missie
en wat voor goed werk men wel niet deed in die verre landen
van Afrika.
Het bezoek aan het Scapino Theater was ook een hoogtepunt,
vooral 'Prikkebeen' heeft toen veel indruk op mij gemaakt.
Ik woonde dus in het kindertehuis Amstelstad, dat vroeger
het Jongensweeshuis was. Nu waren er ook meisjes.
Met een feestelijk gedekte tafel wordt het Paasfeest gevierd.
Ik zit daar rechts en later bleek dat mijn zusje Astrid daar
ook bij te zitten. Ik heb dat pas veel later gehoord, ik wist
niet eens dat zij al vanuit de Mariaschool in Amstelstad was
geplaatst.
Zomervakanties in Brabant
Die
tijd heb ik als erg leuk ervaren.
Veel kinderen werden voor drie of vier weken bij boerenfamilies
ondergebracht.
We gingen dan in grote bussen naar Oirschot, waar een deel
van de kinderen werd opgevangen. Vervolgens reden we door
naar Oostelbeers waar we op het plein voor het stadhuis werden
opgewacht door onze vakantiefamilies.
Mijn zusje verbleef in Oostelbeers bij een familie en ik werd
naar Middelbeers gebracht waar ik bij de familie Veldtman
terecht kwam.
Ik heb daar hele fijne tijden gekend en ben er drie jaar achtereen
te gast geweest.
Wat ik vooral prachtig en spannend vond was dat ik mee mocht
naar het Concours Hippique, waar de zoon van de familie Veldtman
aan deelnam. Ook het motorveldcross waar ze mij mee naar toe
namen maakte veel indruk.
Ik heb daar veel geleerd zoals onder meer: paardrijden, melken,
aardappels oogsten en omgaan met een zeis.
De grote appelboomgaard, de kippenren, de hooischuur en de
vele koeien, dat was voor mij het echte leven.
In de jaren zestig ben ik nog twee keer bij de familie op
bezoek geweest om ze te bedanken. Zij hebben mij toch ook
voor een belangrijk deel gevormd.
Een aantal kinderen, die de daartoe gerechtigde leeftijd hadden,
werden getraind om de Eerste Heilige Communie te ondergaan.
Wij wisten niet wat dat was, maar zoals je kunt zien op de
foto is men er wel degelijk in geslaagd om iedereen keurig
vanuit de Kapel in een nette rij naar de binnenplaats te krijgen.
Daar waren een aantal regenten, geestelijken en nonnen aanwezig.
Mijn ouders en mijn Oma van moederskant stonden te wachten.
Even op de foto, maar van de dag zelf of de dagen daarna kan
ik mij niets herinneren.

Af en toe ging de directrice van het tehuis samen met ons,
voor de foto, op de draaimolen.
De wandelingen door de stad of de buitenwijken waren soms
een leuke afwisseling van de dagelijkse sleur.
Ook de bevroren grachten in de winter, waar we een keer op
het ijs van de Lijnbaansgracht konden lopen.
Het was dezelfde gracht waar ik in 1958 bijna ben verdronken.
Dat incident heeft er toe geleid dat mijn vader en mijn moeder,
die inmiddels voor de tweede keer met elkaar getrouwd waren,
ons toen kort daarna naar huis hebben laten komen.
Mario
de Vries
>
De geschiedenis van het Jongensweeshuis opvragen: archief
> Aanvullingen
en verbeteringen ontvang ik graag
hier