Jongensweeshuis tussen taal en beeld


Het R.C.Jongensweeshuis aan de Lauriergracht in het eind van de 18e eeuw

Ir.R.Meiske In Amstelodamum, 73e Jaarboek 1981


Inleiding

Het R. C. Jongensweeshuis te Amsterdam vond in 1664 een bescheiden begin in een huis in de Weesperstraat. Het zou in de eerste eeuw van zijn bestaan uitgroeien tot een van de grote en rijke weeshuizen van de stad.
Het feit dat de katholieke weeskinderen in twee verschillende gebouwen waren ondergebracht was ontstaan doordat het in 1570 gestichte Arme-Meisjeshuis in de zeventiende eeuw was uitgegroeid tot het R.C. Maagdenhuis, waarin alle katholieke weesmeisjes een plaats konden vinden.


Nieuwe stichting
Toen men er in de tweede helft van de zeventiende eeuw toe overging om de armlastige katholieke weesjongens die tot die tijd bij particulieren werden uitbesteed in een weeshuis samen te brengen moest daarvoor een nieuwe stichting worden gevormd.
In 1686 werd het Jongensweeshuis naar de Lauriergracht verplaatst, waar het zich geleidelijk kon uitbreiden op het ruime binnenterrein achter de huizen aan de gracht.


Zowel bij het Maagdenhuis als bij het Jongensweeshuis werd gedurende een groot deel van de achttiende eeuw de aandacht van de regenten in beslag genomen door het conflict tussen de aanhangers van de Oud-bisschoppelijke cleregie (Jansenisten) en de Roomsgezinden. In beide gevallen was de kerk in het weeshuis tegen de zin van de tot de Roomsgezinden behorende regentencolleges, doch met de steun van de stad, in handen gevallen van een Jansenistische priester. De hardnekkige strijd die om het geloof en de kerk werd gevoerd zal zich buiten de gezichtskring van de weeskinderen hebben voltrokken.


Problemen

Toen deze episode in de tweede helft van de achttiende eeuw voorbij was, kwamen er nieuwe moeilijkheden van andere aard waarbij de weeskinderen wel partij waren.
Deze problemen waren in het Jongensweeshuis groter dan in het Maagdenhuis.
Het laatste kwart van de achttiende eeuw was voor veel weeshuizen een moeilijke periode. Na een lange tijd van stilstand nam het aantal weeskinderen weer toe. Het werd lastiger werk te vinden voor de oudere kinderen, vooral voor de jongens die na hun veertiende jaar buiten het weeshuis op ambacht gingen. Het drankmisbruik steeg; diefstallen voornamelijk om drank te kunnen betalen waren aan de orde van de dag.
De politieke tegenstellingen tussen Patriotten en Oranjegezinden hielden niet stil voor de poorten van de weeshuizen. Bij vele weeshuizen was het bestuur niet in staat om aan de groeiende problemen het hoofd te bieden.


Bestuur van het Weeshuis

In de bestuursvorm was sinds de zeventiende eeuw geen verandering gekomen. Op de beginperiode na waarin middelen moesten worden verkregen en gebouwen worden gesticht was er in de meeste gevallen een tijd van rust en stilstand gevolgd. De regenten moesten nog wel veel werkzaamheden verrichten, maar echt belangrijke beslissingen waren er weinig aan de orde. In de weeshuizen was geleidelijk een taakverdeling gegroeid. Naast het regentencollege stonden de regentessen, in een vrij zelfstandige positie werkzaam op een ander terrein. Hun taak was het toezicht op de huishouding, een der weinige aspecten waar de regenten zich verre van hielden. Onder het regenten- en regentessencollege stond het weinig talrijke personeel. Ieder van hen had een eigen vastomlijnde taak en eigen instructies. Er was geen eenhoofdige leiding onder het personeel, de meeste van hen waren alleen aan regenten of regentessen verantwoording schuldig’.
Deze gegroeide organisatievorm met zijn in de loop der tijden afgebakende machtsverhoudingen was licht verstoorbaar. Hij functioneerde alleen goed in een rustige periode zonder uitwendige veranderingen. Bovendien was het nodig dat er niet teveel spanningen tussen de personeelsleden heersten en dat er tenminste een regent was die overwicht bezat en tijd besteedde aan het weeshuis. Bij vele weeshuizen konden regenten en personeel de problemen die er aan het eind van de achttiende eeuw ontstonden niet aan. Bij het R.C. Jongensweeshuis te Amsterdam daarentegen werd door de inspanning van een regent veel verbeterd.
Aan deze episode uit de geschiedenis van dit weeshuis zullen wij thans nadere aandacht besteden.

Regent Francois Hovius
De regent die aan het eind van de achttiende eeuw bijzonder veel voor het R.C. Jongensweeshuis heeft betekend was Francois Hovius. Hij was het enige kind van de bekende dokter Jacobus Hovius (1709-1786) en Clasina Thijm. Op 24 augustus 1753 werd Francois in de kerk van het Begijnhof gedoopt. Een jaar voordien was zijn vader aangesteld tot dokter van het R.C. Jongensweeshuis, welke taak hij gratis verrichtte. Dokter Hovius moet een geïnteresseerd en levenslustig man zijn geweest. Hij legde een verzameling van medische preparaten aan en was lid van het merkwaardige reisgezelschap Semper Idem.
In 1772 werd zijn zoon ook in dit gezelschap opgenomen. Francois bezat de neiging vele zaken op te schrijven; enkele reisverslagen van zijn hand zijn bewaard gebleven. In 1775 ging Francois naar Leiden om daar zijn rechtenstudie te voltooien.


St Caecilia Collegie
Na zijn terugkeer te Amsterdam werd hij in 1777 benoemd tot lid van het ‘St.Caecilia Collegie van het alderhoochweerdichste ende alderheylichste Sacrament’. Dit college kwam elke Donderdag bijeen om een mis te zingen ter eere van het Sacrament. Het betrok zijn leden uit de aanzienlijkste Roomskatholieke families’. De regenten van de drie grote katholieke gestichten, het Maagdenhuis, het Jongensweeshuis en het Oude-Armenkantoor werden voornamelijk uit deze kring betrokken.
Waarschijnlijk heeft het St. Caecilia college er toe bijgedragen dat de aanhangers van het Jansenisme op den duur uit de regentencolleges van de drie katholieke gestichten te Amsterdam geweerd zijn.
Toen Francois Hovius lid werd van St. Caecilia onderging dit college een verjongingskuur.
Zes jaar lang waren er geen nieuwe leden benoemd. In 1777 echter werden zes nieuwe jonge leden aan het gezelschap toegevoegd. Vier van hen zouden binnen enkele jaren regent van het Jongensweeshuis worden.
Hovius was de eerste van de nieuwelingen van St. Caecilia die een regentenplaats zou krijgen. In 1780 werd hij benoemd tot regent van de beide gasthuizen. Hovius was niet de enige Rooms-katholieke regent die in dit uit zes personen bestaande college zitting had. Cornelis Jacob Gilles was in 1777 tot dit college toegetreden’. Ook hij was lid van St. Caecilia en tevens regent van het Jongensweeshuis.

Regenten overleden
In het regentencollege van het R.C. Jongensweeshuis voltrokken zich in 1781 veel veranderingen doordat er in dat ene jaar drie regenten stierven.
Op 1 augustus stierf de oudste regent van het college Cornelis Jacob Gilles. Hij werd opgevolgd door Johannes Franciscus Theodorus Schaep, uiteraard een lid van St. Caecilia. Deze laatste stierf reeds op 6 october 1781, waarop Francois Hovius in zijn plaats trad.
Op 12 october 1781 stierf de tweede regent van het Jongensweeshuis, Henrico Staets Gerardz. Weer leverde het zangcollege een opvolger in de persoon van Arnoldus Roest van Alkemade.
Doordat in 1781 de eerste en tweede regent van het Jongensweeshuis waren overleden schoven de beide overgebleven regenten op. Henrico Gerardo de Jonge, benoemd in 1765, was nu op de eerste plaats gekomen en Philip Jan Cavellier van Adrichem, tot het college toegetreden in 1768, op de tweede. De beide nieuwe regenten waren veel jonger. Francois Hovius, nu derde regent, was 28 jaar oud. De vierde regent Roest van Alkemade telde nog slechts 24 jaar.


Taakverdeling tussen regenten
De aanvullingen van- en de opschuivingen binnen het college maakten dat in 1781 alle zaken door andere regenten behartigd gingen worden. Hoe de taakverdeling tussen de regenten onderling was blijkt uit een reglement van 1768.
De oudste regent moest het kasboek houden en zorg dragen voor de beleggingen in effecten.
De tweede regent moest de betalingen en ontvangsten in het weeshuis verrichten, hetgeen betrekking moet hebben gehad op de nota’s van de leveranciers, de lonen van het personeel en de verdiensten van de ambachtsjongens. Hij moest tevens het onderhoud van de verhuurde huizen verzorgen. De derde regent moest de administratie van de huizen verzorgen en de huren innen. De vierde regent moest het kinderboek bijhouden en de alimentatie die aan kinderen buiten het weeshuis gegeven werd verzorgen. Dit hield tevens een administratie van de bezittingen van de kinderen in. Verder was er afgesproken dat alle zaken van belang in gemeenschappelijk overleg besproken moesten worden. Om de beurt mochten de regenten over de opvolging van een baas of leverancier beslissen. Het voorzitterschap van de vergadering blijkt per maand te wisselen.
De vele zaken die in de werkverdeling niet aan een aparte regent zijn toebedeeld, zullen of in gemeenschappelijk overleg behandeld zijn of onderling verdeeld.
Erg actief leek het bestuur niet, dat deze regels heeft opgesteld. Notulen van vergaderingen werden niet of nauwelijks gehouden, de administratie scheen verwaarloosd.

Archiefvorming van het Weeshuis
Voor een schrijflustig man als Hovius was het nieuwe regentschap een uitdaging.
Van het moment af dat hij in het college werd opgenomen (24 october 1781) noteerde hij wat op’ de vergaderingen besloten werd. Hij begon met het maken van overzichten van vele zaken, van het vermogen, van het personeel, van de ambachten van de jongens. Hieruit groeide een beschrijving van het weeshuis zoals het in 1783 functioneerde. Hovius schreef de tekst van Wagenaar over het Jongensweeshuis over en voorzag deze van aanvullingen en commentaar. Daaruit blijkt dat hij het archief van het weeshuis systematisch heeft doorgewerkt. De aantekeningen op de archiefstukken wijzen uit dat Hovius het archief opnieuw geordend heeft.
Aan weerszijden van de schoorsteenmantel in de regentenkamer werden in 1782 kasten gemaakt waarin het archief ordelijk geborgen werd.
Hovius was bij de gasthuizen met een soortgelijk project bezig. Direct nadat hij daar regent geworden was begon hij met het afschrijven van Wagenaar en het maken van aantekeningen daarbij. In het regentencollege van de gasthuizen heeft hij een minder grote rol kunnen spelen. Spoedig na zijn aanvaarding van een regentschap bij het Jongensweeshuis heeft hij zijn activiteit voornamelijk aan deze laatste instelling gewijd. Francois Hovius is steeds in zijn ouderlijk huis aan het Singel blijven wonen, ook na zijn huwelijk op 16 juni 1784 met Petronelle Cornelia Diert uit den Haag.
Zijn vader woonde daar ook en had nog steeds de medische zorg voor de weesjongens.
Hij kende het weeshuis al zoveel langer en ook van hem kan zijn zoon de regent menige inlichting gekregen hebben.
Francois Hovius beperkte zich echter niet tot de geschiedschrijving van het weeshuis en tot de ordening van het archief, ook het leven in het huis zou hij opnieuw gaan ordenen.

Besluitvaardige bouwplannen
Op 27 februari 1782 werd er een buitengewone regentenvergadering gehouden om verschillende bijzondere zaken te bespreken. Er werden een viertal besluiten genomen In de muur van de school zouden enkele luchtgaten worden gemaakt, om de benauwde lucht in de school weg te nemen. Aangezien het aantal weesjongens de laatste tijd was toegenomen zou een graanzolder tot slaapzaal worden ingericht. In de beide ziekenkamers zouden niet meer twee zieken in een krib worden gelegd doch eenpersoons kribben worden geplaatst. In enkele van deze besluiten proeft men de invloed van dokter Hovius.

Kapel
Het belangrijkste was het vierde besluit over de kapel van het weeshuis.
Sinds 1723 was de kapel van het huis in Jansenistische handen, de weeskinderen konden er geen gebruik meer van maken. Herhaaldelijk was getracht de kapel weer in bezit te krijgen. Nu besloot men nog eenmaal een poging daartoe te wagen en mocht dit niet lukken dan zou men een nieuwe kapel inrichten. Men wilde tot iedere prijs een einde maken aan de toestand waarbij ‘de weeskinderen herwaards en derwaards ter Kerke moetende gaan, aan haarzelven en haar eigen bestiering overgelaaten moeten worden, en geene behoorlijke moreele educatie kunnen genieten’ .
Het was Hovius die deze zaak ging bespreken met de president Burgemeester om zich ervan te vergewissen dat de stadsregering niet zou tegenwerken. Ook dit keer lukte het niet de beschikking over de eigen kerk te krijgen, waarna men er toe overging een slaapzaal als kapel in te richten en in een aangrenzend pakhuis nieuwe slaapzalen te maken. De nieuwe kapel zou alleen voor het weeshuis dienst doen. Als pastoor werd aangesteld Joannes Andreas Offerman, die een traktement kreeg van f.1000 per jaar. Hij was niet intern doch ging in een huis aan de Lauriergracht wonen, dat bezit was van het weeshuis en waarvoor hij f.250 huur per jaar moest betalen.


Godsdienstles aan weesjongens
De nieuwe pastoor moest niet alleen de kerkdiensten verzorgen doch ook de jongens godsdienstles geven. Een van zijn eerste daden was het vernieuwen van de gebeden die bij het opstaan, het naar bed gaan en op de eetzaal gelezen werden. De ochtendgebeden van de schooljongens vonden nu niet meer in de school doch in de nieuwe kapel plaats. De ambachtsjongens moesten op Zondagen en op Heilige dagen ‘s ochtends thuisblijven om de dienst in de kapel van het weeshuis bij te wonen. Het hek tussen de binnenplaats en de uitgang op de Lauriergracht ging eerst na de mis open. Het avondverlof werd echter met een uur verlengd.


Onderwijs aan weesjongens
Ook op het gebied van het onderwijs moeten er na 1781 verbeteringen zijn ingevoerd.
Een van deze verbeteringen vormde het tekenonderricht dat op 29 juni 1783 ‘onlangs’ bleek te zijn ingevoerd. Dit onderricht was vooral van belang voor de grotere jongens. Het was een soort theoretisch technisch onderwijs en daardoor een belangrijke aanvulling op de leerschool van de praktijk die hun dagelijkse kost was. Het zal hun toekomstkansen vergroot hebben. Niet steeds bleken de uitblinkers op school het later het verste te brengen. Gerardus Demming die in 1784 op kosten van een der regenten (Hovius?) de Leerschool der Tekenkunst die in het stadhuis gehouden werd mocht volgen en daar een derde prijs behaalde kwam enkele jaren later in dienst van het Jongensweeshuis om het geld dat de werkjongens verdienden bij hun bazen op te halen.
De beeldhouwer Abraham Pol, die in 1786 op de tekenschool van het weeshuis uitblonk, vinden we enkele jaren later terug tussen het weeshuispersonee1 als ziekentrooster. Later als Gerardus Demming in 1798 is overleden klimt Abraham Pol op tot geldophaler.
Het uitreiken van prijzen aan schoolkinderen die het jaar met de beste resultaten afsloten was waarschijnlijk een bestaand gebruik. Op 31 juli 1782 noteerde Hovius dat de regenten de schoolkinderen die het examen in lezen, schrijven en cijferen het beste doorstonden met de verkorte uitgaaf van de Vaderlandsche historie van Jan Wagenaar beloonden.
De weesjongens kregen een opleiding tot geschoold ambachtsman, slechts heel enkelen kwamen verder.
Op 31 december 1786 zijn er 305 jongens in huis, waarvan er 128 tot de groep der schoolkinderen en kleine kinderen behoorden, 161 jongens gingen op ambacht, twee werden opgeleid tot chirurgijn en een studeerde latijn om priester te kunnen worden. Bovendien waren er nog vier die geen werk hadden en enkele die ziek of innocent waren.
De school werd gehouden door een boven- en een ondermeester. Dezen woonden in het weeshuis en hadden nog vele andere taken. Hun loon bedroeg f.121 en f.91 per jaar. Om hun enige bijverdienste te verschaffen werd hun oogluikend toegestaan om ook kinderen van buiten het weeshuis tegen betaling in hun klas op te nemen. In 1786 oordeelden de regenten dat dit het onderwijs niet ten goede kwam. De vreemde kinderen moesten verdwijnen en de salarissen van de leerkrachten werden opgevoerd tot f.250 en f.150 per jaar.


Nette kleren voor weesjongens
Veel aandacht besteedden de regenten aan het uiterlijk van de weesjongens. Er werd een huisknecht aangesteld die eenmaal per maand het haar van ieder kind moest knippen. De werkjongens moesten een gedeelte van de kosten hiervan zelf betalen. De kleermaker moest eenmaal per week de jongens in de eetzaal inspecteren en opschrijven wat er aan hun kleding hersteld moest worden.
Al deze kleine maatregelen wijzen erop dat de regenten van plan waren de opvoeding van de aan hun zorg toevertrouwde jongens te verbeteren.

Geestelijk verval
Wanneer men zich afvraagt tegen welke vorm van geestelijk verval de regenten ten strijde getrokken waren, dan luidt het antwoord waarschijnlijk, het drankmisbruik.
Er zijn vele weeshuizen geweest waar dit kwaad verder was voortgewoekerd dan in het R.C. Jongensweeshuis’. Exacte gegevens over het drankgebruik geeft het weeshuisarchief niet, wel worden er enkele maatregelen vermeld die uit de strijd tegen dit euvel te verklaren zijn.
Op 30 januari 1784 werd van stadswege een keur gepubliceerd waarbij het houders van banken van lening verboden was aan weeskinderen geld te lenen. Hovius beschreef uitvoerig hoe deze keur tot stand gekomen was. Het initiatief hiertoe was uitgegaan van het Jongensweeshuis. Hovius had een concept voor deze keur opgesteld en in het Burgerweeshuis een vergadering bijeen geroepen waar ook de regenten van andere weeshuizen enkele afgevaardigden heen gestuurd hadden. Alle weeshuizen behalve het Aaalmoezeniersweeshuis stelden zich achter het voorstel. Daarna nam Hovius contact op met het stadsbestuur en na enige besprekingen zag hij zijn initiatief beloond.
Vermoedelijk om tabak of sterke drank te kunnen betalen verkochten enkele jongens de boterhammen die hen uitgereikt werden. In de omgeving van het weeshuis woonden lieden die hier blijkbaar enig geld voor over hadden. De regenten namen dit vergrijp zo hoog op dat zij de hoofdofficier van de stad Mr A. Calkoen uitnodigden om ten aanhoren van alle kinderen op de eetzaal een waarschuwing te doen horen, ‘waar na zijn Ed. Gestr. zich ook naar ‘t Lutersche weeshuis begaf, om aldaar eene diergelijke waarschouwing te doen’. Het Lutherse weeshuis dat aan de overzijde van de Lauriergracht was gelegen had kennelijk met hetzelfde euvel te kampen.
Op 22 maart 1783 blijkt dat veel werkjongens de gewoonte hadden om na de maaltijd brood en vlees in hun zakken mee te nemen en dit op straat onder het gaan naar hun werk op te eten ‘en zulks ten uitersten ongeregeld geoordeeld wierd’. Er werd nu bepaald dat zij alles aan tafel moesten opeten. Waarschijnlijk was men tevens beducht dat de meegenomen spullen verkocht zouden worden.
Hoewel de lonen van de werkjongens door de geldophaler van het huis werden geïnd kregen zij toch enig geld in handen. Wanneer zij langer of beter werkten dan gebruikelijk was kregen zij iets extra’s betaald. Ook van familieleden zal deze of gene nog wel een zakcentje gekregen hebben. Het valt dan ook niet te verwonderen dat zo nu en dan een aantal werkjongens dronken thuis kwam. De straffen logen er niet om.
Toen op Zondag 4 december 1785 een aantal jongens te laat thuis kwamen en daarna nog baldadig waren, werden de zes ‘aanhitzers’ voor drie dagen in het hok te water en brood opgeborgen en verschenen twee dienaren van de justitie op het verzoek van de regenten in het huis.
In de instructie die in 1786 voor de binnenvader werd opgesteld bepaalde artikel 11dat deze functionaris er op toe moest zien dat de weesjongens vooral op de zondagen ‘geene sterke drank hoe genaamd gebruiken, tabak rooken, dobbelen of om geld speelen, en zo veel mogelijk acht geeven, dat dezelve in geene kroegen, wijnhuizen of onbetaamelijke plaatsen zich ophouden, zullende hij ook van tijd tot tijd de kasjes der werkjongens moeten nazien, of in dezelve ook sterke drank gevonden wordt, en dezelve terstond weg neemen’.

De onrustige jaren 1786-1788
De invloed van Hovius op het bestuur van het R.C. Jongensweeshuis was steeds groter geworden. Nadat zijn vader in 1786 gestorven was had hij een groot vermogen geërfd dat hem in staat stelde zich verder geheel aan bestuurstaken te wijden. In 1786 stelde hij nieuwe instructies vast voor de zes suppoosten van het weeshuis, de binnenvader, de binnenmoeder, de boven- en ondermeester, de kleermaker en de broodsnijder. Hun taken en bevoegdheden werden zoveel mogelijk op elkaar afgestemd.
Het is niet onmogelijk dat het optreden van Hovius binnen het college heeft geleid tot spanningen van persoonlijke of politieke aard.
De vierde of jongste regent Roest van Alkemade nam in 1786 ontslag uit het regentencollege. Een jaar later op 14 mei 1787 overleed hij. Het is niet waarschijnlijk dat het ontslag met ziekte in verband staat. Een zieke regent bleef vrijwel steeds tot zijn dood toe in functie. Op 13 juni 1786 tekende Hovius aan: ‘De Heer Arnoldus Roest onlangs zijn demissie als Regent van dit weeshuis verzocht hebbende, is in zijn Ed. plaats daar toe verzocht de Heer Willem Joseph van Brienen, die op heden dien post aanvaard heeft, en morgen op het comptoir sessie zal neemen’.Wanneer een jaar later weer een regent sterft is de toon van de notitie in het aantekenboek anders: 26 juny 1787 ‘Is tot Voorburg overleeden de Heer Henrico Gerardo de Jonge, Regent van dit Weeshuis, die onlangs zich van het waarneemen van zijn Ed. post wegens ziekelijke gesteltenisse en afweezigheid geexuiseerd had? Tot opvolger werd benoemd Mouritz Dreyer.
De regent Van Brienen was een lid van het St. Caecilia-college, Mouritz Dreyer kwam in dat gezelschap niet voor. De beide nieuwe regenten hebben waarschijnlijk net als Hovius een Patriottische gezindheid gehad. In het aantekenboek van de regentenvergadering is van politieke spanningen in 1786 echter niets te merken.


Weesjongens i n militaire dienst
De inval van de Pruisische troepen in 1787 en het herstel van de stadhouder Willem V in zijn functies gingen het R.C. Jongensweeshuis niet onberoerd voorbij.
Aan het einde van elk jaar vermeldde Hovius het aantal weeskinderen waarvoor de regenten te zorgen hadden. Op 31 december 1787 waren het er 282, waarbij Hovius opmerkte dat het er 23 minder waren dan vorig jaar, hetgeen was veroorzaakt ‘doordien verscheide kinderen in het verloopen jaar geduurende de troubles in dit land dienst genoomen hebben’. Het is duidelijk dat deze weesjongens zich gevoegd hebben bij het leger dat de Staten van Holland hadden uitgerust om de terugkeer van de Prins te verhinderen. De onrust over het herstel van de stadhouder zou nog enige tijd duren.

Houten bijlen brigade
Op 20 januari 1788 tekende Hovius aan: ‘Deezen avond is er rondsom dit weeshuis veel beweeging geweest, zijnde verscheiden weeskinderen op eene feitelijke wijze geattacqueerd door een bende, meest bestaande uit opgeschooten jongens, die sedert eenigen tijd, vooral op de Zondagen, gewoon waren met houte bijlen op te trekken, en veel ontrusting aan de goede gemeente te veroorzaaken, zonder dat zulks verhinderd wierdt, onder welke zich nu ook verscheide vrouwspersoonen en mannen gevoegd hadden’, van wie sommigen met stokken en messen gewapend waren, en andere met stenen wierpen. De gevolgen van dit onordelijk optreden bleven niet uit, er werden vier weesjongens gekwetst.
Op 22 januari 1788 drongen de regenten bij de hoofdofficier ‘ten sterksten aan op de vernietiging van het zogenaamde houte genootschap of de bijlencompagnie’. Verder wezen zij op de noodzaak ‘om het zingen en verkoopen van alle oproerige liederen ten strengsten tegen te gaan, welke vooral in de slechte gebuurte van het weeshuis zeer geschikt waren om het gepeupel aan de gang te helpen’. De volgende dag zonden de regenten aan de hoofdofficier een lijst van namen en nummers van alle weesjongens en een opgave van de jongens die ‘de meeste brutaliteiten in de gebuurte van het weeshuis gepleegd hadden, en tot het zogenaamd houte bijlen genootschap behoorden, gelijk ook van het huis, alwaar de houte bijlen verkocht Wierden’. Het verderf was ook het weeshuis binnen geslopen.
Op 24 januari bleek dat enige weeskinderen een liedje hadden gemaakt over datgene wat zich de laatste zondag had afgespeeld. De auteurs hiervan werden opgespoord en op staande voet uit het huis gezet. Van verdere onrust in de buurt wordt in het boek met aantekeningen van de regentenvergaderingen niet meer gerept.

Oranje cocarden
Op 25 juni 1788 werd het weeskind Gerardus Leuning door dienaren van de justitie aangehouden en opgebracht omdat hij niet genoegzaam van een oranjeteken was voorzien. Op het stadhuis werd hij d’oor drie heren schepenen ‘verhoord en vinnig gereprimendeerd’.
Tevens werd een regent ten stadhuize ontboden. De oudste regent, Cavellier van Adrichem, liet zich ten stadhuize de mantel uitvegen. Daarna besloten de regenten ‘dat alle de weeskinderen meerder van Oranje voorzien zouden worden, waarop goedgevonden is, alle de weeskinderen van een lederen oranje Cocarde te voorzien, om dus van alle verdere insulties bevrijd te zijn’.
Het dragen van oranje tekens was sinds 10 december 1787 te Amsterdam verplicht. Het blijkt dat men nog geruime tijd daarna de naleving van dit gebod in het oog hield. Waarschijnlijk ook nam men deze nalatigheid bij een instelling als het R.C. Jongensweeshuis, dat onmogelijk als een bolwerk van Oranjegezindheid bekend kan hebben gestaan, ernstiger op dan in andere gevallen.

Binnenvader ontslagen
Ondanks de ongunst der tijd wilden de regenten veel aan het weeshuis verbeteren, hun pogingen daartoe faalden echter. In de regentenvergadering van 18 september 1789 ‘is in ernstige overweeging genomen, dat uit hoofde der geringe vermogens van den Binnenvader Mr Schuijlder het bestier van het Weeshuis niet op dien voet konde gebragt worden, als Regenten gaarne wenschten, en dus alle moeijte en zorgen door hun daar toe aangewend ten grooten deele vruchteloos waren, en daar op gedelibereerd, of het niet raadsaamst zoude zijn, het daar heen te dirigeeren, dat dezelve Binnenvader onder de hand geïnduceerd wierdt om zijne demissie te verzoeken onder genot van een jaarlijks pensioen tot zijn onderhoud en bestaan’.
De heer Cavellier van Adrichem nam op zich met Schuijlder te gaan praten. Deze schikte zich in het onvermijdelijke, vroeg zijn demissie en een pensioen van zes gulden per week. Dit hoge pensioen werd hem toegestaan ‘en zulks alleen uit deeze consideratie, dat hij reeds sedert 1760 tot 1774 als onder- en bovenmeester, en sedert 1774 als binnenvader, en dus sedert 29 jaaren in het Weeshuis gefungeerd hadt, zullende hij in zijn post blijven’, totdat de regenten over een opvolger beschikten.
Waarschijnlijk was Schuijlder er niet slecht mee af dat hij op deze wijze zijn moeilijke baan kwijt raakte. Een positie tussen de kinderen en de regenten in was niet eenvoudig, maar daarbij kwam bovendien dat een jongensweeshuis wel heel moeilijk te besturen was.

Eigenaardig personeels bestand
Een jongensweeshuis had een eigenaardig personeelsbestand. De personen die boven de jongens stonden en gezag over hen konden uitoefenen waren slechts zes in getal. Het waren alleen de binnenvader en -moeder, de boven- en ondermeester, de broodsnijder en de kleermaker. Verder was er nog bedienend personeel - meer dan in een meisjesweeshuis - maar dit had geen gezag over de knapen; het leverde zelfs vaak nog extra moeilijkheden op. De zes personeelsleden die de jongens in toom moesten houden hadden hun handen waarschijnlijk al meer dan vol aan de groep schoolkinderen, die de hele dag thuis bleven. Op het middaguur, in de avond en ‘s zondags, kwam daar de grote groep jongens tussen de 14 en 20 jaar nog bij. Dit waren de werkjongens die overdag op ambacht gingen en daar met zaken in aanraking kwamen die beslist niet bij een goede opvoeding thuis hoorden.
Bij de weesmeisjes was dit probleem minder groot. Ook de ouderen bleven in het weeshuis en de vrouwen die hen overdag les in de vele soorten handwerken hadden gegeven waren ook in de avonduren aanwezig om het gezag te versterken.
Alle jongensweeshuizen of jongensafdelingen van weeshuizen kampten met het probleem van een te gering aantal personeelsleden die gezag over de jongens konden uitoefenen. In het R.C. Jongensweeshuis waren dit er zes tegenover drie honderd weeskinderen. Het was het streven van Hovius om het gezag in het weeshuis te versterken en door meer onderwijs de jongens bezig te houden. Vandaar als eerste daad de aanstelling van een eigen pastoor, het instellen van tekenlessen, het uitbannen van vreemde kinderen op school en het vervangen van een niet voor zijn taak berekende binnenvader. Voor deze zaken hadden de regenten, hoe zuinig zij ook waren, geld over. Voor de ontwikkeling van het huis in de komende jaren zou de keuze van de opvolger van de binnenvader Schuijlder van doorslaggevend belang zijn.

De aanstelling van een directeur
Op de vergadering van 15 september 1789 waarop de regenten besloten zich van de binnenvader te ontdoen viel nog een ander besluit. Men wilde geen nieuwe binnenvader meer benoemen maar ‘een bequaam persoon’ zoeken, ‘aan wien onder de benaaming van Directeur het generaale opzicht over het weeshuis zal worden toevertrouwd’. Hiertoe zou ‘de noodige advertentie in de couranten’ geplaatst worden.
Het aanstellen van een directeur was voor die tijd nieuw. Voor zover mij bekend is het R.C. Jongensweeshuis dan ook het eerste gesticht van liefdadigheid dat een directeur zou krijgen; eerst tegen het eind van de 19de eeuw werd dit gebruikelijk. In andere grote gestichten nam soms een der functionarissen een eerste plaats in, meer als een soort vertrouwensman van, en pottekijker voor, de regenten dan als verantwoordelijk hoofd. Bij het Binnengasthuis was dit de apotheker, bij het Burgerweeshuis de boekhouder. In het Jongensweeshuis had Hovius geen behoefte aan een boekhouder die als een soort toeziend voogd de dagelijkse gang van zaken in de gaten hield.
De boekhouding voerde Hovius zelf, in het weeshuis had hij iemand nodig die de jongens onder de duim hield en goede manieren leerde.
Hoe de advertentie gesteld was weten wij niet, maar in de vergadering van 20 october 1789 blijkt er niemand gesolliciteerd te hebben. De regenten vroegen zich nu af ‘of een militair persoon, als aan een goede orde en subordinatie gewoon zijnde,’ de voorkeur zou verdienen. Daartoe werd een advertentie geplaatst in de ‘s Gravenhaagsche Courant van 23 october 1789. Deze advertentie had meer resultaat en op 18 januari 1790 werd tot directeur van het weeshuis benoemd: ‘Abel Ferdinand Eberson, geboortig van Bergen op den Zoom, oud 30 jaaren, sergeant in de compagnie van den Capitein Diert van Leefdael’. Zijn tractement werd vastgesteld op f.300 per jaar.
Dit tractement was even hoog als het pensioen van de afgedankte binnenvader en minder dan een kwart van het salaris van de pastoor. Eberson echter had bovendien kost en inwoning in het weeshuis. Om de nieuwe directeur, die ongehuwd was, een onderkomen te verschaffen werd een ruime kamer in gereedheid gebracht.

Herstel van de goede manieren
Nog voordat de directeur zijn entree had gemaakt waren de regenten al begonnen met een nieuwe aanval op de ongemanierdheid van hun pleegkinderen. In de eetzaal was een bord opgehangen waarop de namen van de jongens die uit het huis wegliepen zouden worden geschilderd. Tevens was er een aparte eettafel ingesteld voor degenen die het niet zo nauw namen met de zindelijkheid van kleding en lichaam. Boven deze tafel prijkte het bord ‘schandtafel’.
Op 7 februari 1790 zou de directeur zijn intrede in het weeshuis doen. Op hetzelfde moment werd ook een nieuwe binnenmoeder geïnstalleerd. Het was Maria Boermans, weduwe van Sijbrand Dekker. Zij kwam in de plaats van een in 1786 benoemde binnenmoeder, die haar congé gekregen had omdat ze niet aan de verwachtingen beantwoordde. De regenten wilden nu definitief orde op zaken stellen. De directeur en de nieuwe binnenmoeder moesten van dat moment door iedereen worden aangesproken met ‘Mijn Heer en Mejuffrouw’. Dit diende ‘om daar door meerder respect voor dezelve zo bij de weeskinderen als verdere suppoosten en dienstbooden te verwekken’.

Beleid van directeur Hovius
De geest waaruit deze veranderingen voortkwamen blijkt duidelijk uit de ‘aanspraak’ die Hovius hield bij de installatie van de directeur en de nieuwe binnenmoeder. De bijeenkomst vond in de eetzaal plaats, de banken en de tafels waren weggenomen en alle weeskinderen waren aanwezig. Bovendien werd de bijeenkomst nog opgeluisterd door de aanwezigheid van ‘verscheide fatsoenlijke lieden’. Na een korte inleiding somde Hovius de verbeteringen op die er de laatste jaren hadden plaats gevonden: ‘Gij hebt van tijd tot tijd deeze en geene nuttige schikkingen en verbeteringen in dit Godshuis zien invoeren; eene meer geschikte ligging, eene meerdere verschillendheid van spijzen, een beter soort drank, een van tijd tot tijd vermeerderd en verbeterd uitzet voor die geenen, welke in staat gesteld zijn, om voor hun eigen zelve te zorgen, eene nu onlangs genomen proeve om u van beter stoffe tot kleeding te voorzien, een nauwkeuriger toezicht omtrent de geneezing van die ongemakken, waar aan veele onder ulieden onderhevig waren. Het onbreekt u thans in geenen deele aan de gelegenheid, om in de lees, schrijf, en rekenkunde beter onderweezen te worden. Zij, welke een ambacht verkoozen hebben, in het welk zij zonder ervaarenis in de regelen der Bouwkunde nimmer groote vorderingen kunnen maaken, hebben ondervonden, dat sedert de laatste jaaren aan hun gelegenheid verschaft is, om daar in grondig onderweezen te worden.’
Na verder uitvoerig stil gestaan te hebben bij de verbeterde Godsdienstige opvoeding van de weeskinderen en het nut daarvan voor het verdere leven komt Hovius tot de zaken die nog niet in orde waren: ‘Er ontbreekt nog veel, ja zeer veel, eer aan ons verlangen voldaan is, om de inrichting van dit Godshuis tot dien graad van volmaaktheid te brengen, waar voor dezelve vatbaar is; en de herstelling en verbetering van het geen daar nog ontbreekt, is de taak, welke wij thans, onder afsmeeking van den Goddelijken zegen, op ons genomen hebben. Het geen wij dan voornaamelijk bedoelen, is niet alleen een betere ordre, een nauwkeuriger toezicht over het generaale bestier van dit zo talrijk huisgezin, en eene meerdere ondergeschiktheid te doen plaats hebben, maar ook om onder u lieden eene meerdere zindelijkheid, ordentelijkheid, beschaafdheid en welgemanierdheid in te voeren: want (wij moeten met leedweezen zeggen) veele, ja zeer veele, onder u lieden zijn zodanig haveloos, onhebbelijk, ongemanierd en oneerbiedig, dat wij het ons moeten schaamen, wanneer zij onder het oog van ordentelijke lieden komen te verschijnen: de haveloosheid, de schandelijke verwaarloozing van kleederen, koussen, schoenen, en hoeden, de oneerbiedigheid en onbeleefdheid is bij veelen zo verregaande, dat de deftigste Ingezetenen deezer Stad zich met het grootste recht bij aanhoudendheid daar over beklaagen.
Eindelijk zal men zich ook met alle ijver daar op toeleggen, om verscheide ongeregeldheden te keer te gaan, welke onder ulieden nog maar al te veel plaats hebben, als is het schandelijk vloeken en misbruiken van Gods heiligen naam, het ontvreemden van eens anders goed, het gebruiken van sterke dranken, het dobbelen, het gaan in de wijnhuizen, kroegen, of soortgelijke plaatsen, het slaan en mishandelen van elkander, en wat dies meer. Met één woord, wij zullen alle onze poogingen aanwenden, om ulieden alle tot deugdzaame en beschaafde menschen, en dus voor deezen tijd en eene altoos duurende eeuwigheid gelukkig te maaken’. Daarna komt Hovius op de nieuwe directeur, die aangesteld is om aan de bovengenoemde misstanden een einde te maken. De getuigenissen die men van hem verkregen had, ‘doen ons hoopen, dat door uw ijver en vlijt, gepaard met een gepast beleid, dit Godshuis eerlang verre boven alle anderen van dien zelfden aard zal uitmunten, en tot voorbeeld ter navolging zal strekken.’ Na te hebben meegedeeld dat de kinderen van jongs af aan zindelijkheid, beschaafdheid en welgemanierdheid moet worden bijgebracht, zodat de regenten zich niet meer behoeven te schamen ‘den naam van Regenten en Regentessen van dit Godshuis te draagen’, richt Hovius zich als volgt tot Eberson. ‘Laat geen ongepaste drift u immer vervoeren, maar laat veel eer zachtzinnigheid en bedaardheid van geest u altoos bestieren, een gepaste en bedaarde overreeding, een met reden bekleede aanmaaning tot bet.rachting van plicht heeft meerder indruk op het gemoed van den genen, die misdreven heeft, dan de hevigste scheld- of vloekwoorden, en de haatelijkste verwijtingen, of eene geduurige herhaaling van straffen, welke altoos een allerzekerst bewijs van gebrek aan goede orde oplevert. Wat de wijze van uw bestier betreft, dezelve zal in geenen deele van uw eigen goeddunken afhankelijk zijn, maar is bepaald bij de instructie, welke wij u reeds ter hand gesteld hebben, en welkers stricte en exacte nakoming in alle deelen wij van u volstrektelijk vorderen:’

Ondergeschiktheid
Daarna werden de suppoosten aangemaand tot ‘eene gepaste ondergeschiktheid aan den nu aangestelden Directeur’. Zulks omdat zonder ondergeschiktheid van den eenen aan den anderen nimmer in dit Gesticht een goede ordre en discipline kan ingevoerd worden’.
Tenslotte richtte Hovius zich opnieuw tot de kinderen met de mededeling ‘dat ons eenigste doelwit in deezen is, u alle tot braave menschen, tot deugdzaame Christenen, tot beschaafde en nuttige leden voor de Maatschappij op te voeden, en dus ulieder eigen welzijn meer en meer te bevorderen’. ‘Denkt geenzins, dat ons voorneemen is, ulieden onder het dwangjuk te brengen, en u het verblijf in dit gesticht onaangenaam te maaken. Wel is waar dat gij deeze en geene veranderingen in de wijze van bestiering van dit Godshuis zult zien plaats hebben, dan houdt u verzekerd, dat dezelve tot niets anders zullen strekken, dan om u een meer geschikte opvoeding te doen genieten, en dus uw eigen geluk te bevorderen. Alles wat wij van u vorderen, is, een stichtig en zedig gedrag, een behoorlijke Godsvrucht, en eerbied voor het oneindig Opperweezen, eene gepaste onderdaanigheid aan de geenen, die over u gesteld zijn, en eindelijk eene meerdere zindelijkheid, geschiktheid, beschaafdheid en welgemanierdheid, en dus alleen een naauwkeurige betrachting van die plichten, welke wij, als in de plaatse uwer Ouders getreeden zijnde, met alle recht van u kunnen, ja zelfs, zo wij ons aan geen schandelijk plichtverzuim willen schuldig maaken, van u moeten vorderen. Mogelijk zullen er onder ulieden gevonden worden, die zich tegens alle vermaaningen zullen aankanten, en door hunne wederspannigheid onze goede oogmerken zullen trachten te verijdelen; dan (het zij met alle ernst gezegd) deeze kunnen verzekerd houden, dat zij de daadelijke blijken van ons ongenoegen ten sterksten zullen ondervinden’. Zij zouden uit het huis worden gezet en daarbij geen uitzet ontvangen.

Het is interessant dat Hovius in deze toespraak het doel van de nieuwe maatregelen uitvoerig toelichtte en zelfs als jurist de rechtsgrond waarop hij meende tot deze stappen over te moeten gaan motiveerde. In het slot van zijn toespraak richtte Hovius een oproep tot de kinderen: ‘Gunt ons het genoegen (en dit is de eenigste belooning, welke wij voor onze steeds aanhoudende moeijte en ijver van u vorderen) gunt ons, zeg ik, het genoegen te mogen ondervinden, dat gijlieden alle met ons meewerkt, om uw eigen geluk en welzijn te bevorderen, en dat, wanneer gij tot rijpere jaaren gekomen zult zijn, wij u mogen tellen onder de zodanigen, die door hunne goede zeden en geschikt gedrag zich elks achting en genegenheid waardig maaken, en met recht den naam van braave menschen en deugdzaame Christenen verdienen. 0 God! verleen hiertoe uwe zegen!’.

De instructie van de directeur
De nieuwe directeur Eberson was een nog jonge man, die in een hem vreemde stad en in een hem onbekend milieu geplaatst werd met de opdracht een gecompliceerde historisch gegroeide instelling als het R.C. Jongensweeshuis te gaan verbeteren. Zijn grote steun in deze moeilijke positie was uiteraard Hovius. Nu was deze er de man niet naar om veel aan het toeval over te laten. Voor de nieuwe directeur had hij een instructie opgesteld die 99 artikelen bevatte. Deze instructie was van voorlopige aard, wanneer de directeur enige tijd in dienst zou zijn mocht hij wijzigingen en aanvullingen voorstellen.
De plaats van de directeur tegenover de suppoosten verschilde weinig met die van de vroegere binnenvader. Ook hij kon hun geen rechtstreekse bevelen geven, doch moest de tekortkomingen van de suppoosten, ‘zonder met dezelve daar over in woordenwisseling te komen’ aan de regenten melden. (art.64).
De directeur moest, evenals de vroegere binnenvader aan de tafel der suppoosten eten doch de afstand tot hen moest groter zijn. Aan het vroegere artikel was nu toegevoegd: ‘hij zal geduurende de maaltijd zich in geene al te groote gemeenzaamheid met de suppoosten inlaaten, en na de maaltijd zich terstond naar zijn kamer begeeven, en geene verdere familianties met dezelve houden, en verders zijn verblijf altoos hebben in zijn eigen kamer’. (art.93 en 94).
Ook de houding van de directeur tegenover de weeskinderen werd op vrijwel dezelfde wijze geformuleerd als in de instructie van de binnenvader: ‘hij zal de weeskinderen altoos met alle mogelijke bescheidenheid en zachtzinnigheid bejegenen, een ieder bij zijn naam noemen, en zich vooral van schelden en vloeken wachten, en acht geeven, dat zulks mede door de suppoosten, huisknechts en dienstmeiden geschiedt, en dat daar tegen de weeskinderen, wanneer zij aangesproken of berispt worden, altoos een bescheiden en ordentelijk antwoord geeven.’ (art.5).
Ook met de wijze waarop de weesjongens gestraft mochten worden hield de instructie van de directeur zich bezig: Hij moest de kinderen die hun plicht op de een of andere manier verzaakten ‘op de allerernstigste wijze deswegens vermaanen, of na vereisch van zaaken laaten straffen, doch daar omtrent alle omzichtigheid gebruiken, de meer of min gevordenden ouderdom der weeskinderen altoos in het oog houdende, en nimmer eenige buitengewoone straffe mogen oeffenen zonder voorkennisse van de Heeren Regenten; zullende zich zo veel mogelijk daar op moeten toeleggen, om ambitie en schaamte in de weeskinderen in te boezemen, en ten dien einde vooral van zodanige wijze van straffen gebruik maaken welke daar toe meest geschikt is’. (art.27).
De ruim vijftig artikelen die de instructie van de directeur meer omvatte dan die van de binnenvader lagen allemaal op het terrein van de lichamelijke verzorging en de welgemanierdheid van de wezen. De directeur moest op heel veel momenten toezicht op het gedrag van de weeskinderen houden. Misschien had de binnenvader dit ook gedaan doch het stond niet in zijn instructie omschreven. Nu werd niets meer aan het toeval overgelaten.
De directeur moest er op letten dat de weeskinderen op de juiste wijze aan tafel zaten ‘en van hunne lepels en vorken behoorlijk gebruik maaken’. Na de maaltijd moesten zij in de ;iuiste volgorde de eetzaal verlaten. (art.49). ‘s Ochtends bij het ontbijt moest Eberson bij de deur der eetzaal staan en de werkjongens inspecteren, om te zien of zij zich gewassen hadden, of hun kleding in goede staat was, of hun kousen ‘zindelijk en zonder gaten, en ordentelijk opgehaald waren’ en of de schoenen
en hoeden in orde waren. (art.45). Op de manier van binnenkomen en vertrekken uit de eetzaal moest hij voortdurend letten, dat moest ordentelijk in volgorde en in stilte geschieden. (art.48).
Veel gevraagd was het om er op toe te zien dat de schoenen der weeskinderen ‘successivelijk om den anderen voet gedraagen, en door de weeskinderen zelve dagelijks schoongemaakt en ‘s Zondags in tegenwoordigheid van den schoenlapper gesmeerd worden, ten welken einde alle de werkjongens altoos ten hunne kosten van een schoenborstel moeten voorzien zijn, zullende het smeer door het weeshuis geleverd worden.’ (art.59).
Een der eerste veranderingen die Eberson in de gebruikelijke gang van zaken in het huis voorstelde werd op de regentenvergadering van 28 februari 1790 goedgekeurd.
‘Het gebruiken der zogenaamde bullepeesen zal ophouden, en inplaats van dezelve rottingjes aan den schoolmeesters zullen gegeeven worden, waarvan echter zo min mogelijk gebruik zal worden gemaakt.’ Bij het gebed voor en na de maaltijd zou nu een schel worden gebruikt ‘en is dus de oude gewoonte afgeschaft, om zulks door het slaan met een bullepees op de tafel aan te kondigen’. Ook zouden voortaan zondagsmorgens bij het luiden der bengel alle weeskinderen naast elkaar op de plaats gaan staan ‘om een voor een geëxamineerd te worden, of zij de zindelijkheid in alles behoorlijk in acht genomen hebben; zullen de geenen, welke daaromtrent nalaatig bevonden worden, na vereisch van zaaken gecorrigeerd worden.’
Er is een voorstel van Eberson aan Hovius bewaard om enkele punten aan het reglement van het huis toe te voegen. Wanneer jongens gemeenschap met de dienstmeiden hielden zouden ze direct buiten het huis worden gezet. Daden in dronkenschap begaan dienden ten allerstrengste bestraft te worden. Wie woorden tot oproer of ongehoorzaamheid sprak, of deze woorden hoorde en dit niet direct te kennen gaf zou ten allerstrengste worden gestraft.
Ook bleken er jongens te zijn die in het huis tabak pruimden. Degenen die ‘in het vervolg diergelijke vuijligheijdte pleegen in de Capel eet- of slaapzaal’ zullen gestraft worden.
Op een punt stond de directeur machteloos: ‘het koffiedrinken is mijn volstrekt onmoogelijk te verbieden of zoude gestaadig aan de poort moeten zijn om het binnen koomen van het zelven te beletten’. Eberson verbood echter dat de kleine werkjongens ‘s ochtends bij het ontbijt koffie voor de groten moesten halen. De koffieverkopers moesten zelf maar naar het weeshuis komen om het te brengen.
Tenslotte stelde Eberson voor het voorlezen uit een stichtelijk boek tijdens de maaltijd der werkjongens af te schaffen als zijnde ‘van geen nut’.
Dit alles wekt de indruk dat Eberson een realistisch man was die zijn plaats in het Jongensweeshuis spoedig gevonden had. Waarschijnlijk bezat hij datgene wat in zijn positie het belangrijkste was, een natuurlijk gezag.

De kleding van de weesjongens
Het is duidelijk dat Hovius en Eberson de kleding zagen als een symbool van welgemanierdheid en wellevendheid. Het gehele jaar 1790 werd er actie gevoerd voor het verbeteren van de kleding.
Er woei nu een andere wind in het weeshuis en dit moest ook voor de buitenwereld zichtbaar zijn. In april 1790 werden er voor de eerste maal hoeden gekocht te Antwerpen. Deze waren duurder dan de Amsterdamse hoeden die men tot nu toe gebruikt had. Waarschijnlijk waren zij wel modieuzer en wilden de regenten hiermee te kennen geven hoe belangrijk zij de kleding vonden.
In mei 1790 namen de regenten een voorstel van de directeur aan om de vijf gulden die elke twee weken op de huishoudrekening verantwoord werden en die bestemd waren om de schoolkinderen die de vragen van de catechismus kenden van zakgeld te voorzien, voortaan te gebruiken voor het kopen van zilveren gespen en camisolen. Deze zouden dan als beloning in de plaats komen van het zakgeld dat toch alleen maar aan snoeperij werd besteed. Er werd van 1790-1811 een register gehouden van de zilveren broek- en schoengespen die aan de wezen werden uitgereikt.

In mei 1790 werd in het weeshuis de volgende aanmaning aan de werkjongens ‘geaffigeerd’ of aangeplakt: ‘Regenten van dit Godshuis zich steeds beijverende, om de alhier opgevoed wordende weeskinderen boven die van andere weeshuizen te doen uitmunten, en ten dien einde verscheide noodzaakelijke verbeteringen ingevoerd hebbende, waarvan zij de goede uitslag dagelijks ondervinden, hebben goedgevonden aan alle de geenen, die op een ambacht besteed zijn, ernstig aan te beveelen, om hunne overwinsten niet tot snoeperijen of anderszins nutteloos te verkwisten, maar dezelve zo veel mogelijk te bespaaren, en daaruit zich te voorzien van hetgeen tot verbetering in de kleeding etc. zoude kunnen strekken, als camisoolen, broeken, halve hembden, koussen, zilvere gespen etc. De Regenten zullen ten dien einde in de maand Augustus een generaal examen houden van alle, die op een ambacht besteld zijn, ten zij vleijen zich, dat alle braave jongelingen aan dit hun verlangen zullen trachten te voldoen, en zich dus hunne genegenheid meer en meer zullen zoeken waardig te maaken’.
De overwinsten van de jongens waren de kleine extra bedragen die zij van hun bazen ontvingen voor overwerk of vlijt en die buiten het aan het weeshuis betaalde overeengekomen loon vielen. Om de weesjongens de gelegenheid te geven nog wat langer te sparen werd het grote examen nog enige weken uitgesteld. Op 3 october 1790 werd tenslotte ‘een generaal examen gehouden en een lijst geformeerd van alle de werkjongens, welke al of niet van horlogien, zilveren schoen- en broekgespens, camisoolen, neusdoeken, eigen broeken en hoeden voorzien zijn’. Verder werd de weesjongens meegedeeld dat zij zich ten spoedigste van twee neusdoeken moesten voorzien.
Op het generale examen volgden voor degenen die tekort geschoten waren nogal drastische maatregelen. Er werd ‘aan verscheide baazen van werkjongens, welke bij het examen op den 3 deezer gehouden bevonden waren de spaarzaamheid niet in acht genomen te hebben, verzoek gedaan, om hunne overwinsten onder zich te houden, en aan hun daar van niet meer ter hand te stellen dan zij daadelijk benoodigd zullen hebben, en het overige voor hun te bewaaren tot aankoop van zilvere schoen- en broek- gespens, camisoolen etc. hetwelk door bijna alle met bereidwilligheid aangenomen is.’

Begrafenis van een weesjongen
Het belang dat aan zilveren gespen werd gehecht werd op alle mogelijke manieren gedemonstreerd. Toen de weesjongen Hendrik Bensdorp overleden was en op zondag 22 october begraven werd volgden de meeste van de werkjongens die van zilveren schoengespen etc. voorzien waren, de baar langs de gebruikelijke route over de Lauriergracht en Prinsengracht naar het kerkhof bij de Westerkerk.
Dit noteerde Hovius in het boek waarin de besluiten van de regentenvergaderingen werden vastgelegd. Het moet voor hem toch wel erg veel hebben betekend dat de jongens uit zijn weeshuis gezien mochten worden. Aan het welgemanierde gedrag en de verzorgde kleding van de weesjongens zat een praktische materiële kant. De katholieke middenstand en de gegoede burgerij, die het grote financiële draagvlak van het weeshuis vormden zullen er net zo over gedacht hebben als Hovius. Zij zullen het vanzelfsprekend gevonden hebben dat de jongens uit het weeshuis waarvoor zij zich financiële offers getroostten er netjes bijliepen en hun eigen geld niet aan drank verknoeiden. Ongemanierdheid en losbandigheid van de weesjongens zouden hun lust tot geven spoedig hebben doen bekoelen.

Vernieuwd regentencollege
Op 16 augustus 1791 stierf de oude regent Philip Jan Cavellier van Adrichem, hij werd opgevolgd door Mr Gijsbert Dommer. Sinds 1781 was het regentencollege nu geheel vernieuwd. In deze samenstelling zou het meer dan twintig jaar blijven. Dit college zou het gesticht in de moeilijkste jaren van zijn bestaan besturen. Deze regenten behoorden tot de rijkste katholieke families van de stad en waren in veel opzichten gelijkgezind. De meeste van hen zouden later deel uitmaken van de Municipaliteit en in de Franse tijd verschillende bestuursfuncties vervullen.

De nieuwe directeur Eberson voldeed aan de verwachtingen die men van hem koesterde; reeds in 1792 werd zijn salaris verhoogd tot f 400; in 1796 werd het opgetrokken tot f 500. In het aantekeningenboek van de regentenvergaderingen klinken geen zorgen meer door over ongemanierd gedrag of over onverzorgde kleding.
De enige onregelmatigheid die vermeld wordt betreft een weesjongen die op hemelvaartdag
1792 bij het uitgaan van de kapel weigerde te knielen en een kruis te slaan. Toen men hem daarna in het hok wilde opsluiten verzette hij zich en kreeg hij steun van andere werkjongens. De weinig conformistische jongeman werd uit huis weggestuurd en verder vernemen we er niets meer over. Stichtelijker was uiteraard het bezoek van de nuntius uit Brussel, Cesar graaf van Brancadoro, die op 10 juni 1792 alle weeskinderen het Sacrament van het Vormsel toediende.

Belastingproblemen
Na de bezetting van ons land door de Franse troepen in januari 1795 en de instelling van de Bataafse Republiek kwamen allerhande nieuwe problemen.
Op 5 februari 1795 besloten de Provisionele Representanten van het Volk van Holland tot het opheffen van elke vorm van vrijstelling van belasting voor gestichten, zulks om de algemene gelijkheid te verwezenlijken. Voor de Roomskatholieke gestichten die sinds 1719 vrijstelling van stedelijke belasting hadden maar nog maar sinds 1785 ontheffing van de landelijke accijns hadden verkregen, moet dit een onverwachte teleurstelling zijn geweest. Dit was niet de vorm van gelijkheid waarvoor men zo lang gestreden had.
Het theoretische en overhaast genomen besluit van de Provisionele Representanten bracht vrijwel alle gestichten in grote moeilijkheden. Het was in de praktijk dan ook niet vol te houden en reeds op 23 november 1795 werd opnieuw vrijstelling van belasting mogelijk gemaakt. Het moest door ieder gesticht elk jaar aangevraagd worden en gold voor die gestichten die niet konden rondkomen.
Aan de nieuwe vrijstelling van belasting werden nu soms voorwaarden verbonden.
Op 5 januari 1797 werd door het Provinciaal bestuur van Holland bepaald dat alle gestichten die vrijstelling van belasting hadden zich voor de kleding van hun verpleegden alleen mochten bedienen van stoffen die binnen de republiek gefabriceerd waren.
Een ander ongerief dat zich sinds 1796 voordeed waren de steeds weerkerende grondvergaderingen van district 9 en 10 welke in het weeshuis werden gehouden en waarvoor telkens de school een dag moest worden afgestaan.

Morele druk om in dienst van 's Lands Vloot te treden
Op 8 februari 1796 kwam een ‘Missieve van het committé van algemeen welzijn deezer stad’ die vergezeld ging van enige gedrukte exemplaren van een aanschrijving van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland. Hierin werden alle jongens van een gezonde lichaamsgesteldheid en boven de 17 jaar oud, die zich in de Armen-, Gods-, Aalmoezeniers- of Diaconiehuizen bevonden opgeroepen zich te engageren tot het nemen van dienst op ‘s Lands vloot tegen f 12 in de maand, vrije uitrusting en f 25 bij hun in diensttreding. Van de regenten werd verwacht dat zij alles in het werk zouden stellen waardoor ‘het bij die aanschrijving bedoelde oogmerk op de beste wijze zoude kunnen worden bereikt’.
Twee dagen later verschenen de regenten Hovius en van Brienen ‘s avonds in de eetzaal en stelden de jongens van deze oproep in kennis. Een exemplaar van de oproep werd in de eetzaal opgehangen en twee andere op de binnenplaats aangeplakt. De oproep vond weerklank onder de weesjongens. Van de zestien gegadigden werden echter acht afgekeurd. Op 24 februari 1796 gingen de jongens aan boord op het schip Batavia, onder leiding van kapitein Souter. Een jongen was door ziekte verhinderd, doch voegde zich later, met nog een lotgenoot die wat langer nagedacht had bij de groep’.
Op 2 maart 1796 verscheen een commissie van representanten van het Volk van Amsterdam in het weeshuis. Deze commissie bestond uit vijf personen waaronder de ‘maire’ Visscher. Deze laatste sprak de weesjongens toe en maande hen de dienst ter zee te kiezen. Verrnoedelijk kwam dit enigszins als mosterd na de maaltijd, enig gevolg had deze oproep in elk geval niet.
In het volgende jaar blijkt het schip Batavia nog op de rede van Texel te liggen. Het weeshuis vergat deze pupillen niet. Uit het kasboek van 1797 blijkt dat er in dat jaar voor f 9,15 aan diverse groenten naar de negen weesjongens op het schip gezonden werd. Het jaar daarop kregen zij aardappelen, koffie en thee toegestuurd.

De morele druk op de weesjongens om in dienst te treden zou geleidelijk sterker worden. Op 13 juni 1799 stelde het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks vast dat alle wetten of reglementen van weeshuizen of gestichten kwamen te vervallen die het aan achttienjarige jongelingen verhinderden zich vrijwillig te engageren om het vaderland ter zee of te land te dienen. De jongelingen zouden tot de dienst moeten worden aangemoedigd.
Het thema dat jongens die op kosten van de gemeenschap werden opgevoed als eersten de plicht hadden deze gemeenschap te verdedigen klinkt hier reeds in door. In elk geval mochten de reglementen van de gestichten waar zij verzorgd werden hen daarvan niet weerhouden. In de komende jaren zou dit geluid steeds sterker worden.

Vergelijking met het beleid van het Maagdenhuis
Wanneer we het beleid van de regenten van het R.C. Jongensweeshuis uit het eind van de achttiende eeuw vergelijken met dat van de regenten van het Maagdenhuis zien we grote verschillen; dit niettegenstaande het feit dat de regenten uit dezelfde kleine kring afkomstig waren en door familiebanden waren verbonden. Bij het Maagdenhuis werd er aan het regiem waaronder de meisjes leefden in deze periode weinig veranderd, wel werd een groot nieuw gesticht gebouwd.
Bij het Jongensweeshuis was nieuwbouw minder nodig, aan het weeshuis werd dan ook weinig veranderd. De regenten besteedden hun inspanning geheel aan de verbetering van de geest der bewoners.
Het nieuwe Maagdenhuis stond als een tweede stadhuis in de stad. Het Jongensweeshuis
was vrijwel onvindbaar, het was geheel op een binnenterrein gelegen en bezat niet meer dan een deur aan de Lauriergracht.
Het Maagdenhuis was in het bezit van een ruime statiekerk, die bediend werd door Jacob Cramer. Deze priester zou de hoogste kerkelijke waardigheid in Holland en Zeeland verwerven en daarmee het Maagdenhuis bijna tot de status van bisschoppelijk paleis verheffen. Het Jongensweeshuis daarentegen had een besloten kapel, die in een slaapzaal was ingericht, en een priester die zijn aandacht alleen besteedde aan de bewoners van het huis.
Was een dergelijk verschil in aanpak en uitkomst niet anders dan een speling van het historisch toeval, ingeleid door het feit dat bij het Maagdenhuis ca. 1780 bouwplannen urgent waren?
Was het ontsproten aan de ambitie van Jacob Cramer of ontstaan uit het karakterverschil van twee vooraanstaande regenten als Arnout Jan van Brienen bij het Maagdenhuis en Francois Hovius bij het Jongensweeshuis? Of was het verschil alleen daarin gelegen dat de problemen bij een jongensweeshuis in deze tijd zo heel anders lagen dan bij een tehuis voor meisjes?
Een antwoord op deze vragen kunnen wij niet geven. Maar wanneer in de eerste decennia van de negentiende eeuw het Jongensweeshuis weer een heel ander lot ondergaat dan het Maagdenhuis dan is dat duidelijk aan de laatst genoemde factor te wijten. Het verschil in problematiek tussen een jongens- en een meisjesweeshuis in die jaren zou er toe leiden dat het uiterlijk vertoon waaraan de regenten van het Maagdenhuis hun tijd hadden besteed in stand zou blijven, terwijl de geestelijke
waarden die de regenten van het Jongensweeshuis hadden nagestreefd in de komende stormen vrijwel geheel ten gronde zouden gaan.

> terug