
Israël
Querido
De
schrijver Querido
wilde een socialistisch kunstenaar zijn en ging midden tussen het proletariaat
in de Jordaan wonen om daar zijn indrukken op te doen voor zijn boeken.
Hij verzamelde veel Jordaanse woorden in het Bargoens afkomstig van
het Jiddisch zoals:
Sliegeraarster:
verraadster
Linkmiegel:
slimmerik
Meine deine streken
Niesses:
vrouwen
Knurft:
pak slaag
Schroei:
honger
Bazar:
politiebureau
Juut:
pas op er komt politie aan
Knopsmeris:
politieagent in uniform
Jeile: narigheid
Jen:
leugen
Klapper:
plek van dieven
Kneibel:
sterke vent
Maffie: kwartje
Nijf:
mes
Sjikker:
dronken
Sperrewer:
paraplu
Gasjewijnen:
verdwenen
Hasjewijnen:
dood
Het
mooiste woord van Amsterdam
Een
boeket van woorden die zeker in de Jordaan gebruikt zijn
Aangezet door Het Parool en uitgeverij Nieuw Amsterdam verzamelde
Paul Arnoldussen
de mooiste woorden van de Amsterdammers.
De collectie wordt natuurlijk aangevoerd door de woorden die in het
lied van Johnny Jordaan voorkomen:
Een pikketanussie gaat er altijd in
Een pikketanussie maakt je blij van zin
Want
het liefste word ik teut
Van zo'n Nederlandse Neut.
Kroegwoorden
Het is duidelijk dat de meeste woorden van een Amsterdammer in de kroeg
geboren zijn.
Pikketanussie of Pikketanissie is
een Jordaanse borrel
Keiltje of Keilewater is ook een
borrel. Keli is Hebreeuws voor het vat
Hassebassie of huppelolie is jenever
Neut is ook een glaasje alcohol
Neut gewarmd is dronken
Jajem is Hebreeuws voor wijn maar
het kan ook water zijn
Afzakkertje, de laatste slok voor
het weggaan.
Dronkemansgebed, speurtocht in je
zakken naar kleingeld voor een Keiltje
Uilezeik is verschaald bier
Kachel ben je als je niet meer op
je benen kunt staan.
Lappen moet je als je meebetaalt
aan het drankgelag.
Bakkie pleur
een kopje koffie
Elleboge roeren
is dobbelen
Flikt met de peise
is dobbelen met kaarten
Heet swartje
is een kleintje koffie
Janker
de harmonica
Er
zijn woorden die bij een grap horen:
Gebbetje, is de grap die gemaakt
wordt
Geintje is de verontschuldiging
als de grap te hard aankomt: "Het is maar een geintje".
Geinponum is de lolbroek zelf.
Ponum of Porum, Hebreeuws voor gezicht.
De plek waar je een klap kunt krijgen
Drijfsijssies zijn alle vogels die
in de grachten van de Jordaan zwemmen.
Boldootkar, het voertuig waarmee
de poepemmers opgehaald werden
Ammehoela:
'Ja, ik ben me daar gek'
Ammenooitniet:
'Daar begin ik niet aan'
De
woorden van het geldverkeer:
Poen heb je of niet
Gallemieze dan ben je blut
Dalles
is leven in armoede
Merode, als je daar in zit heb je
weinig te verteren
Habbekrats is bijna niets
Jatmous is het eerste geld dat een
straathandelaar op een dag binnen krijgt.
Jat is de hand de 'Jad' die het
geld uitgeeft.
Jatten is afhandig maken, stelen
dus.
Mansen is het ophalen van geld door
de orgeldraaier in het speciale mansbakkie.
Ramsj,
verkoop van boeken die over de uiterste houdbaarheidsdatum zijn, de
angst van iedere schrijver.
Tinnef, de waardeloze inhoud
Spie, een cent
Duppie, een dubbeltje
Heitje, een kwartje
Knaak, twee gulden vijftig
Joetje, tien gulden
Geeltje, vijfentwintig gulden
Meier,
honderd gulden
Rooie rug, een briefje van duizend
gulden.
Maar dat was allemaal in de tijd voor de Euro
Jiddische woorden
Woorden met een Hebreeuwse herkomst, doorspekken de woordenschat van
Amsterdammers:
Achenebbisj,
wat een zielige vertoning.
Kapsones boven
je stand doen
Mesjogge,
je bent gek, of je bent gek op.....
Kinnesinne,
afgunst
Kassiewijlen
hartstikke dood
Konkelefoezen,
achterbakse gesprekken
voeren
Heibel kun
je krijgen als je teveel aan het konkelefoezen bent
Gotspe,
dat is het toppunt
Schlemiel,
een onnozele hals
Ratsmodee,
je zit in moeilijkheden
Majem is
water en regen
In de Merode zitten
is armoede lijden
Asjewijne is verdwenen
Johnny Jordaan zingt:
Want zit je in de zorgen of in de ratsmoedee
Dan helpt de een de ander
Zo zijn de Jordanezen, ze leven mee
Louloene, doe maar alsof je
niets gedaan hebt
Naatje,
dat is maar niks
Er stond vroeger een gedenkteken 'De Eendracht' op de Dam, de Jordaners
vonden het Naatje van de Dam
Versjteren, de boel in de war gooien
Goochem, slim kereltje
Mazzel, geluk hebben
Misjpoge,
de hele familie om je heen
Sjoege, je geeft geen sjoege als
je net doet alsof je van niets weet
Miesgasser is een vervelende goozer
Zwijntjesjager
is een goozer die fietsen jat
Penoze is de onderwereld
Turftrekker is een zakkenroller
Braceletjes zijn handboeien
Drijver op je pruik is een klap
op je hoofd
Inspringer is een inbraak
Nobel volk is dievenvolk
Uitknijse is uitkijken
Rus is een rechercheur
De draainatte kop krijgen is brigadier
worden
Vinkendresseur is een zakkenroller
Gannef is in de onderwereld een
dief zonder stijl
Aggenebbish is
een beetje armoedig
Afnokken als
je er vandoor gaat
Bavioane is hard werken
Geef
mij maar Amsterdam
Mokum is Amsterdam voor de Amsterdammers
Asjeweine
is verdwenen
Attenoje, krijg nou wat
Temeier, dienstbare dames van de
achterkant van de stad
Juffer in 't groen, ook een prostituee
Toges, een menselijke achtergevel
Luisterlappe zijn je oren
Patteklier is een particulier
Pieremegoggel, een bootje dat half
gezonken in de grachten hangt
Sappelen, ploeteren om het hoofd
boven water te houden
Ja, ik ben Blinde Maupie,
ik geloof er niets van
Dingetje bij de thee,
is een heel klein vrouwtje
Dikke tampeloeris,
[krijg een...] ik denk er niet over!
Fiselefasie,
dat is je gezicht
Gallish worden,
kwaad of onpasselijk worden
Geheimschrijver,
is een stiekemerd
Haar op de dijk!,
kijk daar komen de vrouwtjes
Mannekuil is
het bed
Kanen,
lekker zitten te eten
Kassie wijle,
dan ben je dood
Kouwe fietse zijn
je koude benen
Luizebos,
is een rotzak
Appies zijn
aardappelen
Dek zonder panne
is de blote hemel
Luchtklappertje
is een bovenwoning
Frontje is
je gezicht
Gleuf koter
is een deftige hoed
Tik met bengel
is een horloge aan een ketting
Gondel, een
damestas
Ladder oplope doe
je als je kwaad wordt
Knaagelinge zijn
ratten en muizen
Mauwerik is
de kat
Kargadoor is de man die voor een
paar centen een koopman helpt zijn kar over de brug te duwen.
Was die man er nog maar, dan kon hij mij helpen met mijn fiets over
de brug te raken.
Gesprekken
in een Jordaans winkeltje
Nou
enne d'r suster is d'r fenochtend mit so feil es depetrippes of sau'n
brok eite noa 't gasthuis gemotte.
Watteusegt, juffrau, meint ufes 't heusjch?.
Nei, nei kaaik nouerissies, kaaik es wet een toffe maad het die Jen
tug .n lekkere kauter fen een niese.
En kompie den auk in staot fen ontbinding baufedraafe as mààn
fent?
Noue astie et op se heupe hep, 'n kreng is 't, 'n fuyle f'kwister.
Seg, loat jeij je test rippereire, ik loat maan aage nie besauneigere
haur, held op lange paute.
Gotsalmefille, d'r hei je Teun fen de Haorlemmerdaak, jeesis, wat be
jeij grausig, laakt wel 'n kesse-mejeu.
Geef maan 'n onsie teej fen dertien, tante Neil, en 'n ons spikkeloasies
fen acht. Neej, neej, ikke was foor, wet selle me nou, det peseirt maan
niet, de koleijre, jij mit je kepsoanus, kraag nou gaouw 't kleploaserus,
mins, je mot je aaghe goan f'rhuure bei muddam Seseine.
Hhehe, f'rbeelding. Steik jeij nau gaouw de maurd, 'k stoan hier tog
seiker niet foar lauwloene.
Vertaling:
Nou, en haar zuster moest vanmorgen met zo iets
als difterie naar het ziekenhuis.
Wat zegt u daar, juffrouw, is dat waar?
Nee, nee, kijk eens wat Jan toch een schat van een meid heeft.
En komt mijn vent ook wel eens opgewonden naar boven rennen?
Nou als hij het op zijn heupen heeft.
Een kreng is het, een vuile verkwister.
Zeg laat jij je hoofd eens nakijken, ik laat mij niet kort houden door
die held op sokken.
Goh, daar heb je Teun van de Haarlemmerdijk, Jezus wat zie jij er deftig
uit, je lijkt wel een pièce de milieu.
Geef mij een onsje thee van dertien cent, tante Neel, en een ons speculaas
van acht cent.
Nee, nee, ik was aan de beurt. Wat zullen we nu krijgen, je dringt niet
voor, krijg nou wat, jij met je kapsones.
Krijg nou wat, mens, je moet je zelf gaan verhuren bij Madame sans Gêne.
He he, wat een verbeelding. Steek jij nou gauw de moord, ik sta hier
toch zeker niet voor nie
naar
boven
|