
Achtergronden
van een oproer
Een
oproer is moeilijk te organiseren, maar als het mooi weer is
en als de autoriteiten blunders maken is een grote rel geboren
Elke
generatie maakt zijn eigen oproer mee
Op gezette tijden wordt de stad eens flink door elkaar geschud.
Een oproer is altijd een mijlpaal in de geschiedenis.
Het reikt immers verder dan de paar straten waar de confrontatie daadwerkelijk
plaatsvindt. In een oproer balt de tijdgeest zich samen.
Een
oproer komt nooit zomaar uit de lucht vallen
Het vormt een afsluiting van een periode van aangescherpte tegenstellingen
die in de weken voorafgaand aan het oproer zorgen voor een broeierige
sfeer.
Een oproer houdt het midden tussen een spontane uitbarsting van volkswoede
en een politieke demonstratie die stem geeft aan een sluimerende onvrede.
Het oproer kan opgevat worden als een bevestiging van maatschappelijke
veranderingen die pas later als zodanig erkend worden.
[1856]
De politie kijkt de andere kant uit
In het satirische weekblad Asmodée
schreef men over de hangjongeren die op de Noordermarkt vlak voor het
politiebureau liederlijke taal uitsloegen, dobbelden en voorbijgangers
in gevaar brachten met een verboden slagbalspel.
"De politie wandelde van den vroegen
morgen tot de late avond toe, zagen niets, zeiden niets, deden niets,
behalve regen opvangen en zich onmiddellijk en wijselijk naar een andere
rigting te begeven
zoodra zij in hunne omgeving onraad bespeurden"
[1806-1870]
Niet
veel politie op straat
In 1806 waren er in heel Amsterdam zestig
politieagenten. In 1844, 128 manschappen, en in 1870 waren het er 300.
Ze werden slecht betaald, kregen geen uniform en zochten allemaal 'bijverdiensten'.
Joseph
Alberdingk Thijm [1820-1889] schreef over de
baldadige jeugd die in koelen bloede vernielingen in de stad aanbracht
en vuil aan de voet van het standbeeld van Rembrandt neersmeet.
Men sloeg vuile praat uit en hield zich bezig met het sarren van het
openbaar gezag.
Voor
een flink oproer zijn blunderende autoriteiten onmisbaar
Het tekortschietende optreden van de politie
bij onder andere het Palingoproer en het Bouwvakkersoproer
zijn daar een goed voorbeeld van.
Het ingrijpen was vaak zo erbarmelijk dat dit het oproer eerder aanwakkerde
dan de kop indrukte.
Op elk oproer in Amsterdam is dan ook een grondige reorganisatie van
het politieapparaat gevolgd.
Na het Palingoproer kreeg de communicatie tussen de verschillende politie-
en legereenheden de nodige aandacht.

Mobiele
Eenheid
Na het Jordaanoproer werd de Stormbrigade,
de voorloper van de ME, ingesteld.
Het Bouwvakkersoproer heeft zowel burgemeester Gijs van Hall
[1904-1977] als hoofdcommissaris Hendrik Jan van der Molen [1911-2005]
de kop gekost.
De traditie van de blunderende overheid wordt voortgezet wanneer Amsterdam
wordt aangewezen als het toneel van de troonswisseling op 30 april 1980.
De provo's zijn afgelost door de krakers.
Wie eist het oproer op?
Er waren natuurlijk wel pogingen, met name van de communisten, maar
het is geen enkele organisatie ooit gelukt om een oproer naar haar hand
te zetten.
Integendeel, organisaties met belangen bij een oproer, keren zich af
van het geteisem en het gepeupel dat de straat op gaat.
Na elk oproer buitelt iedereen over elkaar heen om maar niet in het
rijtje van zich distantiërende organisaties te ontbreken.
Ferdinand Domela Nieuwenhuis [1846-1919]
kon het niet laten om zich af te wenden van het volk dat
'om zo iets onwaardigs als het palingtrekken in opstand komt, terwijl
het anders zo zeldzaam warm te krijgen is voor zijn rechten'.
Het aardappeloproer kan gezien worden
als een strijd tussen twee politieke partijen, de SDP en de SDAP. Maar
tevens zag men hoe de politie en militairen in dit
voedseloproer zowel positief als
negatief optraden.
Hoewel de geschiedenis van het bouwvakkersoproer zonder meer met
provo en het kroningsoproer
met de krakers
verbonden is, hebben beide groeperingen zich fors gedistantieerd van
hun oproer.
Het waren de woordvoerders die in de media een wit voetje wilden halen.
Maar het is niet nodig om bang te zijn publiekelijk in verband met een
oproer gebracht te worden.
Als puntje bij paaltje komt en de gemoederen weer wat bedaard zijn,
slaat de balans van afkeur door naar begrip voor de opstandelingen.
Een
oproer is nooit voor niks.

Mooi
weer oproer
Een opmerkelijke karakteristiek van de oproeren is dat ze niet plaatsvinden
in de gure winter of de druilerige herfst. Bijna alle bekende oproeren
ontstaan op stralend zonnige en warme dagen.
De dag van een oproer moet een dag zijn waarop de oproerkraaiers het
gevoel hebben de wereld aan te kunnen.
De politieke en economische elites zal het goed uitkomen dat de bereidheid
tot revolte in Holland afhankelijk blijkt te zijn van het weer.
Betrokken buitenstanders
Een oproer mislukt als de buitenstaanders aan de kant blijven staan.
De slag om de Blauwbrug, de proloog va de romancyclus
De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden [1951],
Albert Egberts zwalkt doelloos rond
en vraagt als buitenstaander 'onophoudelijk naar het motief van de betoging'.
Maar steeds minder wordt hem duidelijk waarvoor of waartegen gedemonstreerd
werd, 'en niemand die hem wijzer kan maken'.
Maar wijzer word je pas door eraan mee te doen.
Als deelnemer aan een oproer loop je tegen de grens aan die de orde
afbakent.
De orde is het domein van wetten en voorschriften, van normen en waarden,
van rangen en standen.
Deze grens wordt tijdens een oproer gesymboliseerd door een linie van
politie of leger.
Met het gooien van een steen wordt geprobeerd een opening te forceren.
Revolutie
Een oproer heeft met een revolutie gemeen dat ze beide op zoek zijn
naar de vrijheid, maar onderscheidt zich daar weer van door het feit
dat het altijd weer terugdeinst voor de chaos.
Een revolutie is een permanente doorbreking van de bestaande orde, om
daarna een nieuwe orde aan te brengen in de chaos.
Het oproer daarentegen neemt genoegen met een tijdelijke opschorting
van de heersende orde.
Aan een oproer komt altijd een einde.
Na hooguit een paar dagen gaat iedereen weer over tot de orde van de
dag.
Een oproer is dan ook in de kern een reformistische, geen revolutionaire,
uiting van de burgers.
Harry Mulisch
[1927] omschrijft in zijn verhandeling over de provotijd, Bericht aan
de rattenkoning,
het bouwvakkersoproer kan ik karakteriseren als 'het bevrijdende
oproer'.
Harry Mulisch is nog aangewezen als de echte dader, alleen maar omdat
hij het boek de Rattenkoning had geschreven waarin hij, volkomen
onterecht, de indruk wekte actief betrokken te zijn geweest bij
Provo, terwijl
hij zich in die tijd voornamelijk prostitueerde als gigolo in Café
Américain, aan het Leidseplein.
De zogenaamde "Provo van het eerste uur" had inmiddels
een kroonprinses zelf als beste lezeres en is sindsdien onaantastbaar
gebleven.
Wetenschappelijk onderzoek
De Nederlandse regering liet na het Kroningsoproer
van 1980 door de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid een onderzoek uitvoeren waarin
de 'diepere oorzaken' van het oproer aan de oppervlakte moesten worden
gebracht.
Op die manier probeerde men ondanks alles begrip te krijgen voor het
'onaanvaardbare geweld' van de raddraaiers.
Er springen twee conclusies in het oog.
Het eerste is dat het huisvestingsbeleid van de gemeente Amsterdam inderdaad
te wensen overliet.
Op de tweede plaats wordt herhaald verzet niet uitgesloten.
Men beveelt daarom een 'structurele verbetering van de huidige democratische
besluitvorming' aan die 'meer recht doet aan eigen initiatief en zelfverwerkelijking'.
Het kan even duren, maar als buitenstaanders denken het begrepen te
hebben, wordt er uiteindelijk altijd wel geluisterd naar de stem van
het oproer.
Maar of ze het juiste antwoord gevonden hebben?

[1696]
Aansprekersoproer
Het aansprekersoproer of biddersoproer was een oproer op 31 januari en
1 februari 1696 in Amsterdam.
Tijdens de Negenjarige Oorlog liep
de handel in Amsterdam terug.
Ook de positie van Amsterdam als leidend handelscentrum ging langzaam
achteruit. Hierdoor verminderde de welvaart, en dit werd het hardst gevoeld
door de armere klassen.
Ook de inkomsten van de gemeente verminderden.
De
aansprekers verdienen te veel
De burgemeester van Amsterdam, Jacob
Boreel [1630-1697],
meende dat de begrafenisondernemingen, de aansprekers, in de hoofdstad
te veel geld verdienden. Hij bepaalde daarom, dat de doden alleen nog
door de gemeente begraven mochten worden.
Het tarief lag onder de prijs van de begrafenisondernemers, maar de
stad zou er toch een aardige inkomstenbron aan over houden.
De aansprekers wisten de arme klassen, waarvan er velen door de teruglopende
economie werkloos waren geworden, aan te zetten tot een oproer, door
het gerucht te verspreidden dat de armen voortaan bij hun dood als oud
vuil behandeld zouden worden.
Plundering
Het huis van de burgemeesters Boreel en Jeronimo
de Haze [1651-1725] aan de Herengracht, maar ook het bezit van mensen
die ervan werden verdacht aan het keur te hebben meegewerkt, werden
geplunderd.
Ook het huis van kapitein Spaaroog, het gehate hoofd van de schutterij,
moest het ontgelden.
De gemeente zette de musketiers van de stadsschutterij in om demonstraties
op de Dam neer te slaan.
Hierbij vielen verschillende doden.
Rebellen ophangen
Het stadsbestuur trad hard op tegen de rebellen.
Twee oproerkraaiers "belhamels ofte roervincken"
werden als afschrikwekkend voorbeeld uit het raam van de Waag gehangen.
De schutterij kreeg opdracht met scherp te schieten. Het oproer werd
op deze manier snel bedwongen.
Maar de rebellen bereikten hun doel: de belasting
op het begraven werd niet doorgevoerd.
>
naar boven

[1748]
Pachtersoproer
De
Schutterij schiet tekort
Op 24 juni 1748 werd van de pui van het stadhuis een publicatie voorgelezen,
waarin de Staten de praktijken veroordeelden waarmee de pachters der
belastingen in korte tijd schatrijk werden.
Toen het volk dat hoorde was men hiervan zo opgewonden, dat de schutterij
niet in staat was de massa's in bedwang te houden. Tientallen huizen
van belastinginners werden volledig geplunderd.
Blote
kont
Op 25 juni 1748 begon de onrust op de Botermarkt,
dat is nu het Rembrandtplein.
Relschoppers mishandelden daar enkele belastingambtenaren. Ze gooiden
met vuil.
Een vrouw tilde haar rokken op en toonde haar achterwerk aan de schutters.
Die schoten vervolgens "dat vrouwmens
in haar blote fondament".
Toen de vrouw aan haar verwondingen overleed, brak de hel los.
Meubels
in de gracht
De rebellerende Amsterdammers dromden naar de huizen van de
belastingpachters, meestal rijke kooplieden die aan de grachten
woonden. Huizen werden geplunderd. Meubelstukken
en kostbaarheden belandden in het water.
De razernij van de, veelal dronken, meute duurde 4 dagen.
In die periode plunderden ze ook het huis van belastingontvanger
A.M. van Arssen aan het Singel.
Stedelijke
ambtenaren
In allerijl kwamen de Staten van Holland
bijeen, waarna op voorstel van Koning
Willem lV werd besloten
het pachtsysteem af te schaffen.
De inning van de belastinggelden ging over in handen van stedelijke
ambtenaren, maar dat had een averechts gevolg.
Dood
door ophanging
De schutterij moest de hulp van 300, met bijlen bewapende, scheepstimmerlieden
inroepen om de orde te herstellen.
Twee oproerkraaiers, Mat v.d. Nieuwendijk,
koopvrouw in schol en bokking, die bij alle plunderingen de leiding
had gegeven en twee anderen, waaronder de tuinier Pieter
van Dordt, werden tot de dood door ophanging veroordeeld.
De terechtstelling had plaats aan de Waag op de Dam, waar de toeschouwers
opeengepakt stonden.
> lees verder

[1835]
Soeploodsoproer
Het is een belastingoproer, de politie is machteloos
Het was een zaak van eigenaren van panden met een huurwaarde tot tachtig
gulden per jaar.
Die weigerden hun belasting te betalen als ze die niet op de bewoners
konden verhalen.
Er waren ongeveer 5000 weigeraars, rijke notabelen. Het provinciebestuur
was het wel met de notabelen eens en traineerde de belastingmaatregel.
Toen greep de regering in. De huiseigenaren sloten toen een coalitie
met hun huurders.
De politie stond machteloos.
Zelfs burgemeester Frederik van der Poll
[1780-1853], die zich in maart 1835 in de Jordaan waagde
om met de weerspannige huisbazen te praten was pas veilig toen hij concessies
beloofde.
Het
legerwerd ingezet
Het was duidelijk dat de autoriteiten de gang van zaken niet in de hand
hadden.
Hulptroepen van infanterie en cavalerie kwamen pas toen het zaakje al
afgelopen was.
Nog lange tijd stuurde Den Haag troepen naar Amsterdam Bij Sloterdijk
lag een veldbatterij.
De regering ergerde zich eraan dat belastingmaatregelen met behulp van
het leger afgedwongen moesten worden.
En Amsterdam was beledigd omdat Den Haag vond dat de stad onbestuurbaar
was.
De aanstichters van het oproer werden gestraft met jaren tuchthuis en
de burgemeester werd ontslagen.
> lees verder

[1886]
Het
Palingoproer
Het is zomer en de Jordaan staat in lichterlaaie
Met een ongekende repressie wordt een einde gemaakt aan een spontane
volksopstand.
De directe aanleiding nauwelijks in verhouding tot het geweld dat er
op volgt.
Politie-inspecteur Boas
loopt met een paar agenten langs de Lindengracht, ziet het palingtrekken
en geeft het bevel om te stoppen. Een van de agenten ging naar de kamer
van perceel no.119, haalde een mes uit zijn zak en sneed het touw los,
terwijl de andere versterking ging halen.
Het is een verboden volksvermaak.
Boven het water van de Lindengracht is een touw gespannen waaraan een
nog levende paling vastgeknoopt is. Gegadigden kunnen geld inleggen
en proberen om vanuit een wiebelend bootje het glibberige beest te pakken
te krijgen.
Het is leuk om te zien hoe de deelnemers in het water vallen.
Het moment dat de politieagent het touw doorsnijdt is het sein voor
het uitbreken van een complete anarchie die twee dagen later eindigt
met 26 doden en tientallen zwaargewonden.
Het vertrapte volk
Enkele weken voor het Palingoproer uitbreekt, is Domela
Nieuwenhuis, voorman van de ontluikende Nederlandse arbeidersbeweging,
veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf wegens majesteitsschennis.
Geen zee gaat hem te hoog wanneer hij opkomt voor 'het mishandelde en
vertrapte volk' .
Gezagsdragers door het volk uitgedaagd
Steeds zijn er zogenoemde quaestiën
die door de bestuurders van de stad niet opgelost worden,
zoals de hoge prijs voor het gas, het duinwater en de tramkaartjes.
Politie krijgt een kogel door de pet
De politie is verantwoordelijk voor rust en orde op straat en richt
zich tegen de socialisten.
De socialisten willen zichzelf uit zelfverdediging bewapenen. Hier en
daar wordt zelfs een revolver in beslag genomen.
Als de socialisten in het Volkspark
brood aan de armen uitdelen, reageert de burgemeester met voedselbonnen
die bij het politiebureau afgehaald konden worden.
Tijdens een toespraak van Domela Nieuwenhuis in
het Volkspark stond als altijd
een politieman met zijn handen op zijn rug toe te kijken. Men hoorde
men een revolverschot. Het bleek dat politiecommissaris
Stork beschoten was en dat de kogel een gat in zijn hoed
had gemaakt.
Het
stadsbestuur raakt in paniek
Het leger wordt tot hulp geroepen. Een complete troepenmacht wordt de
stad binnen gehaald.
Ze worden ondergebracht in de Noorderkerk en in tentenkampen voor het
paleis op de Dam.
Infanteristen en een afdeling bereden Huzaren trekken de Jordaan binnen.
Ze zullen de Jordanezen wel even mores leren.
Maar de soldaten worden zo hevig met stenen bekogeld dat ze zich moesten
terug trekken.
De arbeiders dachten dat ze gewonnen hadden. En een oorverdovend gejuich
steeg op.
Het
leger schiet raak
Maar de soldaten kwamen terug. Een detachement infanterie rukt vanuit
de Lindenstraat de Eerste Lindendwarsstraat in.
Daar wordt het verzet met een salvo beantwoord.
De kogels vliegen over de Zaterdagse Brug
tegen het wijnhuis De Kat in de Wijngaerd
aan en dringen het pand er naast naar binnen waar twee mannen
dodelijk getroffen worden.
De soldaten schieten op alles wat beweegt.
Een kruitdamp hangt in de nauwe straatjes. Mensen gillen. Kermende mensen
blijven op straat liggen.
Het dodental zou oplopen tot vijfentwintig.
De militairen hadden van hun officieren opdracht gekregen om bij tegenstand
direct met scherp te schieten.
Als je het verslag
van het Handelsblad leest, is het onmogelijk
aan een vooraf bedachte actie te denken.
Toch krijgen de socialisten de schuld. Terwijl tegelijkertijd worden
de fouten van de politieleiding verdoezeld.
De
socialisten krijgen de schuld
"De taal, die de socialistische redenaars voeren, de middelen,
die zij aanprijzen en de utopieën, door hen voorgestaan. zijn van
dien aard, dat men moeilijk enige sympathie voor de leiders dier partij
kan gevoelen"
Maar terwijl men zich uitslooft om de verantwoordelijkheid voor deze
'tachtig doden en gewonden' op de schouders der socialisten te
schuiven, leidt men de aandacht van het publiek van de ware oorzaak
der rampen af, doet het de ogen sluiten voor fouten, die begaan zijn,
en voor het blijvend karakter der gevaren, die het volk bedreigen.
Burgemeester
beleeft een moeilijke tijd
Onder Jhr. Cornelis J.H.
den Tex [1824-1882] verkeerde Amsterdam in een tijdperk
van bloei. Die was echter van voorbijgaande aard.
Met het optreden van Mr.
Gijsbert van Tienhoven [1841-1914] als burgemeester
kwam de malaise, en met de malaise de betrekkelijk snelle ontwikkeling
van de socialistische partij.
Van Tienhoven, een zeer ijverig man, heeft gedaan wat hij kon om der
moeilijkheden het hoofd te bieden.
Maar het was een draaikont.
Lang heeft hij toegelaten dat de venters van het socialistische weekblad
Recht voor Allen
allerlei oproerige koppen van artikelen op straat uitschreeuwden, en
dan wordt ineens het verkopen en verspreiden van alle gedrukte stukken
verboden.
Het Amsterdamsche gemeentebestuur, de Amsterdamsche politie, het Amsterdamsche
Handelsblad, regeren met hun macht, hun sabel en hun pen.
Wat
zijn de indirecte oorzaken van het Palingoproer?
Vanaf 1870 werden drie kwesties belangrijk in de politiek: de schoolstrijd,
de kiesrechtkwestie, en de sociale kwestie, het vraagstuk van de armoede
en slechte werkomstandigheden van de arbeiders.
Rond die tijd worden de eerste vakbonden opgericht. Lelijke arbeiderswijken
worden uit de grond gestampt.
Progressief liberalen waren voorstanders van de leerplicht, sociale
wetgeving een uitbreiding van het kiesrecht.
De conservatief liberalen moesten daar weinig van hebben.
De
politieke gevolgen voor Amsterdam en de rest van Nederland
Arbeiders hadden het in de tijd van het Palingoproer niet goed en daar
moest iets aan gebeuren.
Vanaf 1866 richtten arbeiders verenigingen op om voor hun belangen op
te komen.
Het zijn de voorlopers van de latere vakbonden.
Ook veel welgestelde burgers maakten zich zorgen. Zij noemden de problemen
van de arbeiders 'de sociale quaestie'.
Ruwe manieren en een gebrek aan beschaving van 'het volk' hoorden daar
volgens hen ook bij.
Bezorgde burgers stichtten verenigingen om prostitutie, drankgebruik
en kermisbezoek tegen te gaan en om de arbeiders op te voeden.
Zij wilden de sociale kwestie graag helpen oplossen, deels uit medeleven
maar ook uit angst voor een opstand.
De overheid maakte ondertussen verschillende wetten die het leven van
de arbeider stukje bij beetje wat aangenamer maakten.
Zo kwam er een Verbod op kinderarbeid [1874],
een Arbeidswet [1889] tegen uitbuiting, een Leerplichtwet [1900]
en een Woningwet [1901]. Vooral het werk van het kabinet Pierson [1897-1901]
heeft veel betekend voor de sociale zekerheid.
>
lees verder

[1887]
De
Leeuw van Waterloo
"Hop, hop ,hop, Hang de socialisten op"
Het is 22 februari 1887. Op het Waterlooplein valt een oranjegezinde
menigte het café van de socialist Paulus
Jacobus Penning [1843-1904]
aan.
Politie
steekt geen vinger uit
Zestig agenten konden niet voorkomen dat men het café plunderde.
Het was ook mogelijk dat de agenten eigenlijk geen vinger uitstaken
om dat tegen te houden.
De socialisten klommen gewapend met revolvers op het biljart.
Burgemeester van Tienhoven
vond het wel prachtig dat de jeugdige orangistische
heethoofden de aanhangers der 'zogenaamde' socialistische beweging
te lijf gingen.
> lees verder

[1917]
Aardappeloproer
Pakhuizen en winkels worden geplunderd
De politie staat machteloos en het leger treedt op.
Vrouwen
staan op de bres
De distributie van voedsel door de overheid was zo belabberd dat de
vrouwen in Amsterdam het initiatief namen om pakhuizen, winkels en treinwagons
open te breken en aardappelschuiten te plunderen.
Het hierop volgende oproer kon pas na een week het zwijgen worden opgelegd,
ten koste van tien doden en tientallen gewonden. Het is het begin van
een roerige periode die eindigt als een jaar later Pieter
Jelles Troelstra,
de leider van de socialisten, in de Tweede Kamer de revolutie uitroept.
Maar dat is een pijnlijke vergissing, Troelstra's provocatie eindigt
in een massale blijk van aanhankelijkheid jegens de Oranjes.
Bloedbad
Op 5 juli 1917 bereikte het oproer zijn tragische dieptepunt tijdens
het 'Bloedbad
op het Haarlemmerplein, zoals een krant het noemde.
De militairen openden het vuur op de menigte, die daar was samengekomen,
en er vielen zes doden en bijna honderd gewonden.
Omdat de arbeiders willens en wetens tegen het gezag in opstand waren
gekomen, weigerde de gemeente om de nabestaanden financieel te steunen.
Dit schoot in het verkeerde keelgat bij de arbeiders. Zij richtten hun
woede op de twee SDAP wethouders, Vliegen
[1862-1947] en Wibaut
[1859-1936]. Waarom hadden de twee wethouders lijdzaam
toegezien hoe de arbeiders werden neergemaaid?
Wat
doen de socialistische wethouders?
Hier kwam het grote probleem van de socialisten in de gemeenteraad weer
eens om de hoek kijken. Enerzijds wilden de socialistische politici
natuurlijk opkomen voor de arbeiders, maar anderzijds konden zij als
wettig gezag niet zomaar toestaan dat de arbeiders het recht in eigen
hand namen.
De ultra linkse SDP zag een uitstekende kans om zich tegenover de SDAP
wedhouders te profileren.
De
opstand neergeslagen
Maar de voedseltoestand verslechterde verder. In het laatste oorlogsjaar
1918 daalde het broodrantsoen naar 2 ons en zelfs dat werd niet altijd
gehaald.
De SDAP wethouder Vliegen vatte de sfeer als
volgt samen:
"Het was alsof alle ongeluk zich ophoopte. Groote massa's die leefden
op het randje van den hongersnood, toenemende werkloosheid, een afschuwelijke
[influenza] epidemie die duizenden slachtoffers eischte, een winter
zonder brandstof voor de deur
Een wonder was het niet dat er
een sombere stemming heerschte, een sfeer van ondergang!".
De wapenstilstand op 11 november 1918 kwam voor Nederland net op tijd.
Een nieuwe winter met honger en kou voor de arbeiders werd voorkomen,
net als een dreigende revolutie.
> lees verder

[1934]
Jordaanoproer
Nadat de regering Colijn in juli de werkloosheidsuitkering
met 10 procent had verminderd braken in de Jordaan grote rellen uit.
Het oproer verspreidde zich over de stad. Ook in andere steden was het
onrustig.
De vlam sloeg in de pan toen werkloze arbeiders voor het eerst hun verlaagde
uitkering kregen uitbetaald.
Steunroof
Verscheidene communistische mantelorganisaties hadden opgeroepen om
gezamenlijk tegen deze 'steunroof' te protesteren.
Na de oorlogsjaren krijgen oproeren vanaf de jaren zestig weer een prominente
plaats in de geschiedenis van Amsterdam.
Oorlogstoestand in de Jordaan
Bewoners proberen bruggen in brand te steken.
Op zaterdag 7 juli komt minister-president
Hendrik Colijn [1869-1944] op bezoek. Hij gelast een
harder optreden van de politie.
Het leger werd ingezet en de persen van de
communistische krant
De Tribune werden
onklaar gemaakt.
Op maandag 9 juli is het oproer voorbij.
Meer dan alleen in de Jordaan
Aan de opstand is al te nadrukkelijk de naam van de Jordaan verbonden;
er braken ook gevechten uit in de Staatsliedenbuurt, de Spaarndammerbuurt,
Wittenburg, Amsterdam-Noord en ook elders in het land, hoewel daar nergens
die omvang kregen als in de Jordaan. Na de opstand van 1934 werd de
schade hersteld; de opgebroken straten gebeurden met radicale middelen:
de straten in de Jordaan werden geasfalteerd, waardoor het opbreken
niet zo eenvoudig zou zijn.
Doden
en gewonden
De politie trad hard op en eenheden van de militaire politie werden
ingezet. Er werd geschoten. Vooral in de Jordaan ging het er hard aan
toe. De beeldfragmenten van het Polygoon Journaal
laten politiepatrouilles zien. Een pantserwagen van
de militaire politie rijdt de brug over de Lijnbaansgracht op. Na de
5 dagen onlusten tussen 4 en 9 juli was de stad weer rustig. Volgens
het gemeentelijk jaarverslag waren er zes doden [waaronder een marechaussee]
en 47 gewonden gevallen. Er werden 107 arrestaties verricht.
> lees verder
> naar boven

[1941]
De
Februaristaking
Uit
protest tegen de vervolging van Joden werd op 25 februari 1941 massaal
gestaakt.
De plotselinge stakingsgolf overrompelt de Duitsers volledig.
Op 19 februari 1941 pleegde een knokploeg
verzet tegen de Duitse bezetters.
E. Cahn
de eigenaar van ijssalon Koco in de Van
Woustraat, werd gearresteerd en als eerste in Nederland terechtgesteld.
Vierhonderdvijfentwintig onschuldige joodse mannen werden gedeporteerd
naar een concentratiekamp.
Zij moesten boete doen voor de eigenaren van ijssalon Koco die zich
niet zomaar lieten oppakken door de Nazis.
Op zaterdagmiddag 22
februari 1941 werd in de Jodenbuurt een razzia gehouden
Overvalwagens reden de jodenbuurt binnen. De
straten rond het Waterlooplein werden door Grüne Polizei afgezet.
Zoveel mogelijk joden werden gegrepen, sommigen werden van hun fiets
geslagen.
Er werden ongeveer 425 mannen van rond de dertig opgepakt.
Ze werden plat met hun gezicht tegen de grond gedrukt terwijl de vrouwen
huilend uit het raam hingen.
In de Jodenbreestraat, voor het Tip Top theater werden de gevangenen
met de armen omhoog tegen de muur gezet.
De meeste van deze mensen in het concentratiekamp Mauthausen vergast.
Het was de eerste pogrom in Amsterdam. Een openlijke jacht op de joden
door de Duitse bezetter.
Vele geschokte Amsterdammers waren daar getuige van.
Telegrafisch
Spoedcommunicatie betekende in die tijd een telegram.
De politie ontving op die 25 februari 1941 het ene telegram na het andere.
Zo was de omvang van de staking snel duidelijk.
Hard optreden
De Duitsers wisten de staking binnen twee dagen neer te slaan. Ze traden
hard op. Er werd op stakers geschoten en de burgemeester dreigde met
straffen en ontslag. Vier stakers werden terechtgesteld, 22 gevangen
genomen, 70 werden ontslagen. Amsterdam kreeg een
boete van 15 miljoen gulden.
> lees verder
> naar boven
[1850]
Aanslag
Bevolkingsregister
De
hele bevolking geregistreerd
In het bevolkingsregister wordt van iedere inwoner van Amsterdam in
folianten naam, geboortedatum, adres, plaats in het gezinsverband, beroep,
godsdienst, verhuizingen en overlijdensdatum genoteerd.
Alles in een kaartsysteem
Vanaf 1893 tot 1939 werd voor de bevolkingsregistratie gebruik gemaakt
van een kaartsysteem.
De gezinskaarten werden tot 1939 gebruikt. Daarna kwam er een kaart
per persoon. De gezinskaarten werden verfilmd en opgeborgen op de zolder
van het Bevolkingsregister, waar
ze bij de aanslag van 1943 op één na allemaal vernietigd
werden.
Alleen de kaart van burgemeester De Vlugt
bleef bewaard. De Vlugt was ook makelaar, aannemer en timmerman geweest.
De laatste twee beroepen zijn doorgestreept.

[1943]
Aanslag bevolkingsregister
Voor de Duitse bezetter waren de gegevens van
de Amsterdammers in het bevolkingsregister een waardevolle bron van
informatie. Om de Duitse administratie te saboteren pleegde een verzetsploeg
onder leiding van beeldhouwer Gerrit van der Veen [1902-1944]
en schilder-schrijver Willem Arondéus [1894-1943] op 27
maart 1943 een aanslag op het bevolkingsregister aan de Plantage Kerklaan.
Arondéus onderhield contact met de kunstenaarskring rond R.N.
Roland Holst. Vanwege zijn homoseksualiteit leed hij een eenzaam
en rusteloos bestaan, met geldgebrek.
In 1941 werd hij actief in het kunstenaarsverzet en werkte hij mee met
Brandarisbrieven aan het verzetsblad De Vrije Kunstenaar.
Hij werd vier dagen na de overval door de Duitsers opgepakt en op 1
juli 1943 gefusilleerd.
Tijdbommen
Verkleed als politiemannen schakelden de verzetsmensen de bewaking bij
het bevolkingsregister uit.
Ze stortten de bakken met registratiekaarten leeg en overgoten al het
papierwerk met benzol.
Door middel van tijdbommen werd het geheel vervolgens in lichter laaien
gezet. Solidaire brandweerlieden droegen ook hun steentje bij door bewust
grote waterschade te veroorzaken.
Verraden
De Duitsers loofden een hoge beloning uit voor tips over de plegers
van de aanslag.
Binnen een week werden de meeste verraden.
Willem Arondéus en 11 anderen werden op 2 juli 1943 gefusilleerd.
Gerrit van der Veen ontkwam.
Na een mislukte aanslag op het Huis van Bewaring aan de Weteringschans
werd ook hij op 1 mei 1944 opgepakt en doodgeschoten.
>
naar boven

[1966]
Bouwvakkersoproer
of de Telegraafrellen
Vakantiebonnen
Aanleiding tot de rellen was het besluit van de erkende"
vakbonden, die belast waren met de verzilvering van de vakantiebonnen
van bouwvakkers, twee procent van het tegoed voor ongeorganiseerde bouwvakkers
in te houden ter vergoeding van de administratiekosten.
Het ging minder om die paar gulden dan om de kleinering en de bevoogding
door de vakbonden.
De
politie krijgt de schuld
Vele bouwvakkers in Amsterdam hadden sympathie voor de CPN en waren
geen lid van een erkende vakbond. Zij protesteerden krachtig tegen het
besluit van de vakbonden en raakten in gevecht met de politie, waarbij
één bouwvakker, Jan
Weggelaar, om het leven kwam, naar later bleek door
een hartaanval.
Die wetenschap komt echter te laat om de arbeiders nog te kalmeren.
De bouwvakkers geven de politie de schuld, de politie beweerde aanvankelijk
dat de dode gestorven was door een door de bouwvakkers geworpen tegel.
Het dagblad De Telegraaf
nam de versie van de politie over, waarop woedende bouwvakkers
het Telegraafgebouw bestormden en er urenlange gevechten plaatsvonden
tussen politie en betogers.
De
Telegraaf heeft het gedaan
'Naar De Telegraaf, naar De Telegraaf!'
De bouwvakkers koken van woede. Met ladders en balken als stormrammen
slagen ze erin om het gebouw binnen te dringen.
Binnen wordt man tegen man gevochten. 'Ik stond met de brandslang klaar,
maar ze liepen er dwars doorheen', aldus de aanwezige portier. 'Ze
drongen verder binnen. Het ging hard tegen hard. Ik moest mijn gewonde
collega naar boven slepen om hem te kunnen behandelen.'
De demonstranten hebben vrij spel, er is nergens politie te bekennen.
Wanneer die uiteindelijk alsnog komt opdagen, verplaatst het oproer
zich naar het Damrak.
De
Provo's doen ook mee
Veranderde maatschappelijke verhoudingen.
Het zijn weliswaar de arbeiders die het oproer 's morgens op gang brengen,
maar naarmate de dag vordert worden ze op het strijdtoneel vervangen
door een ratjetoe van postmateriële ideeën van door
Provo geïnspireerde jongeren.
Burgemeester
Van Hall noemt ze liever 'schorriemorrie'
.
Het verloop onder de deelnemers illustreert hoe de traditionele verticale
tegenstellingen tussen rijk en arm verdrongen worden door de zogenaamde
horizontale klassenstrijd, die veel meer gericht is op de individuele
ontplooiingsmogelijkheden.
> lees verder
>
naar boven

Wethouder
Lammers tussen de bewoners van de Nieuwmarktbuurt
[1968]
Metro
Protest in de Nieuwmarktbuurt
Op 11 mei 1968 aanvaardde de Amsterdamse gemeenteraad het plan voor
een metronet.
Voor de aanleg van de metro van het Centraal Station naar de Bijlmermeer
moest er in de oude stad flink gesloopt worden.
Zo kwam de metrolijn dwars door de Nieuwmarktbuurt te lopen.
Tegenstanders organiseerden felle protestacties tegen de aanleg van
de metro.
Niet
slopen!
In de Nieuwmarktbuurt kwam verzet tegen de sloop, door actiegroepen
en buurtbewoners.
De actiegroep Nieuwmarkt en het wijkcentrum d'Oude
Stadt lanceerden alternatieve
voorstellen. Tijdens de metrodebatten van 29 november 1974 waren er
in en buiten het stadhuis felle demonstraties.
Op 12 december vond er een veldslag plaats tussen de ME en bewoners
van de Nieuwmarktbuurt.
ABC
In de Nieuwmarktkrant verscheen een ABC, geïnspireerd op de acties
en de hoofdrolspelers daarin. L staat voor wethouder
Han Lammers, de verantwoordelijke PvdA-wethouder.
In een pamflet 'De
Kleine Metro-man' namen
de actievoerders Burgemeester en Wethouders op de hak op de wijze van
aloude bekende Amsterdamse wijsjes.
Politieke perikelen
De aanleg en alle perikelen daar rondom leidde tot verdeeldheid in het
college van Burgemeester en Wethouders.
Wethouder Roel van Duijn
van de Kabouterpartij weigerde
een verklaring te ondertekenen waarin verband werd gelegd tussen de
verijdelde aanslag op een metrostation en bepaalde groepen uit de Nieuwmarktbuurt.
Even later leidde de Nieuwmarktkwestie tot het aftreden van Huib
Riethof [PSP].
Klein succes
In oktober 1977 ging de metro rijden. Toch behaalden de actiegroepen
uit de Nieuwmarktbuurt enkele successen.
Bij de aanleg van de metro werd rekening gehouden met verschillende
wensen van de buurt.
Hoewel veel mensen hun huis uit moesten, konden toch enkele panden behouden
worden zoals het De Pinto Huis aan de Sint
Antoniesbreestraat.
>
naar boven
[1979]
Bezetting
van de raadzaal
Op 19 december 1979 werd de vergadering van de Gemeenteraad tijdens
de behandeling van de Nota Werkgelegenheid verstoord door de krakers
en sympathisanten van De Groote Keyser.
De vergadering werd om 15.05 uur bijna een uur geschorst.
Krakers
Uit protest tegen de behoudende gemeentelijke huisvestingspolitiek en
om woonruimte te creëren, begonnen jongeren eind jaren '60 leegstaande
panden te kraken. De krakers zetten zich dikwijls niet alleen in voor
meer en betere woningen, maar voerden ook actie tegen allerlei sociale
misstanden. Vooral in de jaren zeventig nam het kraken een grote vlucht
in Amsterdam.
>
naar boven

[1978]
De
Groote Keyser
Kraken
Na 7 maanden leegstand werden de panden aan de Keizersgracht 242-252,
waar de Technische Unie gevestigd was geweest, op 1 november 1978 gekraakt.
De krakers gaven de panden de naam De Groote Keyser. Het werd een bolwerk
van de krakersbeweging in Amsterdam.
De panden zijn nooit ontruimd, wat een succes voor de kraakbeweging
betekende.
Jongerenhuisvesting
Een belangrijke eis van de krakers was meer en betere woonruimte voor
jongeren.
In 1982 verbouwde de gemeente De Groote Keyser met behulp van de hat-regeling
tot jongerenwoningen.
Tegenwoordig zijn er keurig gerenoveerde appartementen, beheerd door
Ymere, gerealiseerd.
>
naar boven

[1980]
Kroningsoproer
Het sprookje dat zich afspeelt op en rond de
Dam
Niets is zo controversieel als een oproer.
Aan de ene kant degenen die je met smaak vertellen over een oproer waar
ze aan meegedaan hebben.
Aan de andere kant brave burgers die hun afgrijzen laten blijken in
reactionaire praat.
Krijgen politiepaarden LSD?
Bijna tienduizend man politie, marechaussee en militairen moest voorkomen
dat de kroning van koningin
Beatrix op 30 april 1980 in Amsterdam uit de hand
zou lopen. De binnenstad van Amsterdam was een vesting, er gold een
pasjesregeling voor bewoners, scherpschutters waren geposteerd op de
daken en het luchtruim boven de stad was verboden gebied.
Zo kreeg de bereden politie in Amsterdam een anoniem bericht waar in
stond dat alle paarden geïnjecteerd zouden worden met het "gek
makende" middel LSD.
Memo aan de ruiters:
"Merkt u dat uw paard onberijdbaar wordt, ondanks uw voorzorgsmaatregelen,
aarzel dan niet om het onmiddellijk onschadelijk te maken om erger te
voorkomen".

Oorlog
De kroning moest en zou een zou een eerbiedwaardig feest worden - geen
enkele vorm van oproer zou worden getolereerd. Het bevoegd gezag was
op voorhand al panisch, want het waren roerige tijden in de hoofdstad.
Kraakbeweging en overheid stonden op voet van oorlog met elkaar - het
gewelddadige ontruimingsdrama in de Vondelstraat, compleet met tanks,
lag vers in het geheugen.
Geen
Woning Geen Kroning
Binnen de kraakbeweging werden de messen geslepen voor een gedenkwaardig
dagje vol aktie en protest. De leus Geen woning, geen kroning gonsde
door het land en sprak boekdelen.
Amsterdamse krakers hadden sympathisanten van heinde en verre opgeroepen
om naar de hoofdstad te komen om de strijd tegen de woningnood kracht
bij te zetten.
Ver van de koninklijke plichtplegingen bouwen de krakers hun eigen feestje
op het kruispunt voor het diezelfde morgen gekraakte pand
op de hoek van de Kinker- en de Bilderdijkstraat. Men is nog
maar net bezig om de zelf meegebrachte kraampjes op te bouwen wanneer
als een donderslag bij heldere hemel de ME de straat in rijdt en op
alles wat los en vast zit begint in te hakken.
Na een half uur verdwijnt de ME weer, even plotseling als ze gekomen
is.
Wanneer je voor je ogen iemand door een hele rits politierobotten in
elkaar geramd ziet worden, is er weinig voor nodig om goed gemotiveerd
het strijdtoneel te betreden.
Zo vormt de frustratie over het politieoptreden de inspiratie voor een
oproer.
De krakers geven 's middags massaal gehoor aan
een oproep van de Autonomen voor een demonstratie vanaf de Dokwerker
naar de Dam.
Een veldslag werd het, met honderden gewonden en miljoenen guldens schade.
En met één hele grote verliezer: het gezag.
30 april 1980 ging niet de geschiedenis in als 'de kroning', maar als
'het kroningsoproer'.
De historie van ons koninkrijk zou na deze dag niet meer dezelfde zijn.
>
naar boven

[1981]
Ontruiming
Lucky Luyk
Kraken ontruimen en weer kraken
Op 4 april 1981 werd het pand aan de Jan Luykenstraat 3, bijgenaamd
Lucky Luyk, gekraakt.
De eigenaar liet het pand in oktober van dat jaar door een knokploeg
ontruimen, maar een week later waren de krakers alweer terug.
Nadat de gemeente het pand gekocht had, werd het op 11 oktober 1982
opnieuw ontruimd.
Dat leidde tot grote rellen.
Jongerenhuisvesting
De krakers van Lucky Luyk eisten jongerenwoningen in het gebouw.
Maar de gemeente kocht het pand aan voor algemene sociale huisvesting.
Ontruiming
Op 11 oktober 1982 liet de gemeente rond 11 uur 's morgens de Lucky
Luyk ontruimen.
Volgens Het Parool gebeurde dat door 12 agenten. Volgens het krantje
van de krakers, Amsterdam
Ontluykt, kwam de ME, die zich met een kettingzaag toegang
tot de zolder had verschaft, de trap afstormen.
Rellen
Na de ontruiming ontstonden er rellen rondom het Museumplein. De ME
werd ingezet om de rust te herstellen.
Er werd tot diep in de nacht gevochten. Een tramstel van lijn 10 ging
daarbij in vlammen op.
Drie dagen lang was er een noodverordening van kracht waarmee preventief
gearresteerd kon worden.
Het leverde meer dan 100 arrestaties op.
>
naar boven
[1997]
Eurotop
Streetraves
Een oproer is niet alleen een ingrijpende historische gebeurtenis, het
is ook een spannend en opwindend tijdverdrijf.
De tijdens de Eurotop aangekondigde openbare
danspartijen, de zogenaamde streetraves, lijken een beetje op de
provohappenings die op het Spui
werden gehouden.
Van alles wat voor en tijdens de Eurotop aan protest georganiseerd wordt,
lijkt de streetrave de meest authentieke uitlaatklep van de huidige
generatie.
Openbare orde
Ook bij de streetraves geeft de politie steeds vaker blijk van irritatie
over de obstructie van de openbare orde.
Maar in de weken voorafgaand aan de topconferentie houdt de politie
zich opvallend rustig.
Koste wat kost moet voorkomen worden dat wie dan ook, ook maar ergens
aanstoot aan kan nemen.
Ondertussen wordt de binnenstad weer tot een groot spergebied omgebouwd
en dat roept nu eenmaal in Amsterdam niet de meest gezagsgetrouwe emoties
op.
Preventief
oppakken
Minister
Winnie Sorgdrager van Justitie vindt het ,,achteraf
gezien'' onjuist dat artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is ingezet
bij massale arrestaties tijdens de Eurotop in Amsterdam.
Het artikel stelt deelname aan een criminele organisatie strafbaar.
De politie pakte tijdens de Eurotop meer dan 350 demonstranten op bij
het krakersbolwerk Vrankrijk op grond van
deze verdenking. Volgens de lokale driehoek [burgemeester, hoofdofficier
van justitie en korpschef] is mede daardoor de top ordelijk verlopen.
ME'er:
We pakken ze gewoon op die autonomen.
Maar hoe kunt u dan zien wie een autonoom is?
Gewoon, een hanenkam en zo...
Dit
staat in ons wetboek:
Artikel 27 Sv
Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen,
aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden
een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.
Begijpt
die ME'er wat er staat?
Het is ook lastig. Maar het is tegelijkertijd simpel.
Er moet door de omstandigheden of feiten een redelijk vermoeden bestaan
dat iemand schuldig is aan iets strafbaars.
Anders mag je iemand niet oppakken.
Klagen bij de Ombudsman
Het Autonoom Centrum in Amsterdam, dat
de belangen van een groot aantal arrestanten behartigt, dient bij de
Nationale Ombudsman een klacht in over de arrestaties tijdens de Eurotop.
>
naar boven
|