[1900]
Het
leven in de Jordaan

Hoe woont het Amsterdamse volk
Israël
Querido [1872-1932]
"Want lieve lezers, de menschen daar, die
in hun vunze hokjes en krotjes slapen, soms acht, tien bijeen, die elkaars
zuren adem weer inademen en hun benauwingen en angsten op straten en
grachten uitleven, die menschen die vechten en vloeken, razen en tieren,
vaak op een verschrikkelijke manier elkaar toetakelen en beestelijke
hartstochten uitschroeien, uitleven, het zijn onze medemenschen."
De naturalistische schrijver en journalist Querido, schreef de romancyclus
' De Jordaan'.
Om dat te kunnen doen ging hij in 1906 voor een paar jaar in de 1e
Goudsbloemdwarsstraat wonen.
Iedere dag zat hij in café
Manke Gerrit op de hoek van de
Willemstraat te luisteren naar de Jordaners
om hun taal en manier van doen goed te kunnen begrijpen.
We
doen onze dingen gezellig voor de deur

De voddeman komt langs / De meiden kijken uit naar
een vrijer / De duivenmelker lokt zijn duiven

De kinderen gaan in de handkar mee / De badteil staat
voor de deur / Er is een openluchtschooltje.

Op houten stelten over de 'kinderhoofdjes' / De kinderen spelen voor
de deur / De meiden roepen 'is die mooi of niet?'

Buurvrouw moet alles in de gaten houden / De smid
werkt buiten, zo legen jongens een vak / Mien heeft verse melk gehaald.

Het draaiorgel 'Pipo' zorgt voor vertier / De kinderen
zijn zondags gekleed / De verkoper van vogelkooitjes hangt de handel
buiten.

Alles wordt besproken en voor Oma staat de armstoel
klaar / Geen rommel voor de deur, het is handel.

De hutten worden op straat gebouwd en
de soldaten staan op wacht / Iedereen helpt met uien pellen.
Nauwe
gangen en donkere stegen

De Wijde Gang
[1911]
De Wijde Gang
De gangen in de Jordaan zijn de verbinding tussen de straten
en de vaak illegale bebouwing op de binnenerven. De Wijde Gang liep,
met een knik er in, van de Willemsstraat naar de Palmstraat.
Irsrael Querido beschreef de situatie
in de de Wijde Gang als volgt:
'In deze kronkel woonen meer dan honderd mensen, gezinnen met kroost,
bijeengekropen, vergaand in eigen nooit beredderd vuil.
Voor de donkerende, kelderachtige verzinksels en ramen-schemer krioelden
haveloze kinderen in huiverige kleurverdroeving van hun sjofellompenvuil.
Een walgelijke broeiing van armoestank wasemde uit de volgemorste goten
op naar de bovenbewoners, voor en achter, die over hun droogstokken
en armelijke bloempotjes, de vensters uithingen, het drukke ganggeleef
van geburen de ganse dag met bemoeizucht en in nieuwsgierigheidziekte,
beloerend en behekelend.
Van de loodrechte of mal-smalle wenteltrappen, vol ingedroogd smeer,
as en eetvuil, zonder deur en optrektouw, holden al meer morsige kinderen
aan, als een vieze, ontredderde zwerm bijeenkruipend in spel, met hun
vaalkleurige mengeling van rottende lijfklompen, schreeuwend en hun
schelle stemmen lawaaiend door de gang.
Op de zoetig stinkende verdroogd zanderige grond, dampten en broeiden
hoopjes neergeworpen klieken.
Haring- en bokkingkoppen, visgraten, as en groenteafval rotten dooreen,
werden nu en dan alleen omgewoeld door grabbelende kinderen of hongerige
honden.
In deze zieke darmgang van de Willemsstraat, kropen door ieder krot,
melaatsheid en mensenbeschimmeling een slijmerige weg van walgelijke
vervuiling af.
Er klonk in dit afzichtelijke hol, overbevolkt, waar de schepsels elkaars
zure adem opzogen en op elkaars tronies leefden, op ieder uur van de
dag en de avond, hees gereutel van afgematte dronkaards; gehuil, gejammer
en geschreeuw van geranselde, verwaarloosde of spelende kinderen; woedegekrijs
van gekrenkte, vechtlustige vrouwen, die elkaar de haarspelden over
het gezicht scheurden' .
naar boven

Goudsbloemstraat [1682]
Er komen steeds meer mensen
Huiseigenaren verhuren hun zolders, kelders en kamertjes aan hele gezinnen.
Kasten worden omgebouwd tot 'bedstee'. Het jongste kind slaapt in de 'rolcoets',
dat is de onderste la van de slaapkast.
[1602]
De eerste bewoners
van de Jordaan hadden het goed
De VOC zorgde voor voldoende werk. Er
is vraag naar ambachtslieden, kleermakers, timmerlieden, maar ook naar
onderofficieren en matrozen voor de handelsschepen naar de koloniale
geboedsdelen..
De Brouwersgracht is met zijn ophaalbruggen bereikbaar voor de grote
vrachtschepen. Daar komen de pakhuizen voor de koloniale waren. Er omheen
groeit een industriegebied met bierbrouwerijen, papiermolens en textielfabriekjes.
De bakkerijen op de Anjeliersgracht bakken het scheepsbeschuit.
Daken
worden opgetild
Nieuwe verdiepingen worden er tussenin gevoegd.
Doordat de huizen hoger zijn, lijken de straten smaller te worden.
Officieel mocht op binnenerven niet gebouwd worden, maar in de Jordaan
trok men zich daar niets van aan.
Huisjesmelkers bouwen goedkope pandjes achter de bestaande huizen die
te bereiken zijn via gangen van nog geen meter breed.
In de 18e eeuw zijn er 972 gangen naar 1690 achterhuizen, waarin 3795
families wonen.
Tijdens de bouwperiode werd vaak bezuinigd op heipalen, waardoor verschillende
huisjes snel begonnen te verzakken.

IJspret door Hendrick Averkamp
Kleine ijstijd
Tijdens de 18e eeuw zijn achter elkaar extreem koude winters. Alle grachten
en het IJ vriezen maanden lang zo stevig dicht dat de ijsbreker er niet
meer door kan. Hierdoor kunnen de waterschuiten met drinkwater de Jordaan
niet meer bereiken.
De inwoners van de Republiek, arm en rijk, jong en oud, gingen op zondag
na de kerk schaatsen op de dichtgevroren sloten. In hun mooiste kleren
zwierden ze sierlijk op smalle ijzers, reden wedstrijden, bewogen zich
voort op een prikslee of arrenslede of speelden enthousiast de volkssport
kolf, een combinatie van ijshockey en golf. Een bont schouwspel van vrolijke
mensen.
Barre tijden
In een economie die afhankelijk was van het water om mensen en goederen
te vervoeren,
waren de gevolgen van de koudegolf verschrikkelijk. Voor het gewone volk
waren dit barre tijden. De prijzen van voedsel en turf stegen schrikbarend.
Drinkwater werd schaars en ziekten grepen om zich heen. Arme mensen stierven
in groten getale, zelfs soms op het ijs.
Men gaat naarstig op zoek naar alternatieve bronnen voor de toevoer van
drinkwater.
[1750]
Een proefboring op de Noordermarkt
Op die plek wordt een verswaterbak gebouwd, waar de bewoner voor tien
cent per kruik gezuiverd water kan kopen. Op de Westermarkt was ook zo'n
tappunt.
[1811]
Napoleon besluit dat Amsterdam een waterleiding moet krijgen.
[1853]
Het eerste duinwater stroomt uit een publieke kraan bij de Haarlemmerpoort
[1860]
Het drinkwater bereikt de woningen.
naar boven

[1901]
Verwaarloosde buurten
In
de Jordaan zijn 16.000 'woningen' voor 77.000 mensen.
In de meest beruchte buurten, zoals het oude Vlooienburg,
Valkenburg, Kattenburg en de Jordaan,
wonen gezinnen opeengepakt in sloppen en nauwe gangen waar bijna geen
daglicht kon binnenkomen.
Kinderen groeien op in vervallen krotten en klamme kelderwoningen, benauwde
alkoofwoningen of afgeschoten zolders. De kelders kwamen door het inklinken
van de grond onder water te staan en de daken waren verre van waterdicht
waardoor de vocht de grootste vijand van de bewoners werd.
Doordat mensen zelfs geen geld hadden voor een paar gulden huur moesten
ze regelmatig verhuizen naar kleinere optrekjes. Iedere keer dat er een
kind bijkwam verhuisde men, in plaats van die ene kamer naar iets groter,
juist naar een kleiner huis.
Het gebruik van strontemmers en het ontbreken van zuiver leidingwater
zorgden, naast gebrek aan licht en lucht, voor een bijzonder ongezonde
woonomgeving.
Aan deze en andere misstanden moest de Woningwet een einde maken.
De Woningwet was voor die tijd revolutionair
De gemeente moest eerst een goed plan opstellen met bouwverordeningen
zodat particuliere huisbazen geen kans meer kregen om te verdienen aan
de krapte op de woningmarkt.
Het waren ziekmakende
woontoestanden en de krotten werden onbewoonbaar verklaard, onteigend
en opgeruimd.
Wethouder van Vokshuisvesting Floor
Wibaut was in 1914 een
van de mensen die een voortvarend gebruik van de woningwet (1901) maakte,
maar er wel voor zorgde dat mensen niet te snel uit hun verwaarloosde
woningen gezet werden. Een 'Sociale Achterlijkheids Bijdrage' moest
er voor zorgen dat er voor de krotbewoners gebouwd werd.
Om die mensen te helpen moesten woningbouwverenigingen zorgen voor goedkope
woningen.
Hij wilde ook dat er subsidie op de huren kwam omdat de arbeiders onmogelijk
in al die nieuwgebouwde prachtwoningen konden trekken. Er ontstond een
soort opschuifstelsel. Er werd gebouwd voor 'de bovenkant', van
particuliere bewoners. Dat moest betaalbare woningen voor 'de onderkant'
opleveren. Het werkte niet, de huisjesmelkers bleven goedkope krotten
in verwaarloosde buurten aanbieden. Het duurde geruime tijd voor 'huursubsidie'
een feit werd.
naar boven

De kar van de Gezondheidsdienst
verzamelt afval van gezinnen waar cholera of tyfus heerst
[1915]
Woningdienst
en Gezondheidscommissie
Die instanties moeten toezicht houden en zorgen voor een eerlijke behandeling.
Dat lukt niet overal. Veel Jordanezen willen in hun krotten blijven
zitten.
Ziekte heerst alom.
'Gut, mijnheer, laat ons toch wonen.
Ik ben vierenzestig. Ben hier in deze kelder geboren.
Mijn man is zesenzestig en vindt het ook best.
Nooit een dokter.
Als we lucht willen hebben gaan we op straat.
Twaalf kinderen hier groot gebracht.
Het slapen te regelen was een hele toer.
Maar het ging best, want ik was als de duvel zo streng.
Mijn man hoefde er nooit aan te pas te komen.
Ze beefden van angst als ze hebben moesten.
Maar het was een goed gezin, allemaal getrouwd.
Twee dood, allemaal gezond'.
Aletta
Jacobs was de eerste vrouwelijke arts zet
zich heel praktisch in voor de hygiëne in de Jordaan en houdt gratis
spreekuur in de Tichelstraat. Dat heeft zij 14 jaar lang volgehouden.
Ze nam de schrijfster en feministe Helene
Mercier mee op haar bezoeken aan de krotten. Die was
sterk onder de indruk en schreef er over in het Sociaal Weekblad.
De saneringswerkzaamheden waren inmiddels gestaakt omdat de kosten voor
filantropische bouw te hoog waren. Er werd alleen nog in nieuwe buurten
gebouwd.
Bij Mercier stond zedelijke en culturele verheffing voorop. Maar omdat
arbeiders niet veel verdienden hadden die weinig te zoeken bij 'het
hogere en het schone'. Bovendien ging Mercier gemakshalve voorbij aan
de bestaande arbeiderssubcultuur, waarvoor zij weinig waardering op
kon brengen.
Zij wantrouwde de socialisten en diskwalificeerde de Sociaal-Democratische
Arbeiderspartij als te 'materialistisch'. De SDAP zou de zucht naar
kennis onder arbeiders, evenals de vrouwenemancipatie, ondergeschikt
maken aan haar eigen revolutionaire doeleinden. Om
die reden voelde Mercier zich meer thuis bij radicaal-liberalen zoals
Arnold Kerdijk, een journalist en politicus.
Jacobs en Mercier zouden zich in 1901 aansluiten bij de Vrijzinnig-Democratische
Bond, die Kerdijk samen met Willem Treub opgericht
had.
In 1889 werd Treub gemeenteraadslid en in 1893 wethouder van financiën.
Hij stelde een gemeentelijke rekenkamer en een daadwerkelijk bouwtoezicht
in. Als wethouder van publieke werken (1895) bracht Treub de particuliere
waterleiding- en telefoonbedrijven onder gemeentebeheer, terwijl hij
de belangrijkste stoot gaf tot naasting van de tram- en gasbedrijven.
De toenemende klassenstrijd wilde men door middel van deze sociale hervormingen
de kop in drukken.
[1949]
Wijkcentrum
de Jordaan
De
oprichting van het Wijkcentrum
Op 27 mei 1949 is het
Jordaan-comité
geïnstalleerd. Dat was het begin van wat nu het wijkcentrum is.
Een plek waar bewoners ondersteund worden bij al hun plannen om het
leven in de Jordaan te verbeteren. Waar Sociale Raadslieden hun
adviezen geven en waar alle mogelijke verenigingen en buurtinitiatieven
kunnen vergaderen.
Er is een Wijkraad met vertegenwoordigingen uit de verschillende
geledingen.
Door en voor de bewoners
De oprichters wilden de jeugd, die rotzooi trapten opvangen en de straatbendes,
die tegen elkaar vochten om afgedankte kerstbomen, op het rechte pad
brengen.
Gaandeweg ging het wijkcentrum zich ook met andere zaken bezighouden.
De strijd tegen het afbraakplan was voor het wijkcentrum de reden om
meer een actiecentrum te worden.

In die tijd is ook de Jordaankrant opgericht
Door de jaren heen heeft het wijkcentrum allerlei initiatieven gesteund
en zich ingezet voor de saamhorigheid van de mensen.
In 1960 krijgt de Stichting Sociaal-cultureel
Wijkcentrum 'de Jordaan'
een officiële status. De stichting stelt zich tot doel het leefmilieu
in de wijk te verbeteren en het welzijn van haar bewoners te verhogen.
In 2004 is het wijkcentrum Jordaan gefuseerd met wijkopbouworgaan De
Gouden Reael.
De nieuwe naam is Wijkcentrum
Jordaan & Gouden Reael geworden.
Huis
van de buurt
In
2011 zijn Wijkcentrum Jordaan & Gouden Reael en Welzijnsorganisatie
IJsterk, Actief Burgerschap & Participatie een samenwerking overeengekomen.
Het Huis van de Buurt Jordaan & Gouden Reael wordt op 7 juni 2011
gevestigd in het Claverhuis aan de Elandsgracht 70.
Wethouder Roeland Rengelink opende de tent, maar werd al snel
ervan verdacht dat hij de Wijkorganisaties eigenlijk wilde opheffen.
Rengelink vindt dat de wijkcentra moeten opgaan in een nieuwe, grotere
welzijnsorganisatie; ofwel door fusie van de bestaande wijkcentra of
door aansluiting bij een grote, onafhankelijke welzijnsorganisatie.
Met onafhankelijk bedoelt Rengelink dat zon nieuwe
organisatie geen standpunten inneemt in zaken waar bewonersgroepen mee
bezig zijn. Dat is vanzelfsprekend tegen het zere been van het wijkcentrum
dat geen enkele erkenning van de wethouder krijgt voor de historie van
het centrum: 'door en voor de bewoners van de Jordaan'. Benieuwd hoe
dit afloopt.
naar
boven
[1852]
Nieuwbouw voor arbeidersklasse
Woningbouwcorporaties bouwen filantropische woningbouw
complexen
De
eerste woningbouwverenigingen werden rond de vorige eeuwwisseling opgericht
om verkrotting en woningnood te bestrijden.
In onze tijd zijn de corporaties eerder een soort vastgoedconcerns met
maatschappelijke taken. Compleet met directies met vette bonussen.
Maar hoe zijn die idealistische woningbouwverenigingen ook alweer ontstaan?
Ruim honderd jaar geleden lukte het particulieren niet om de erbarmelijke
woonomstandigheden van de arbeiders te verbeteren. De Woningwet
van 1902 biedt de mogelijkheid om particuliere instellingen te subsidiëren
voor het bouwen van woningen. Voorwaarde is non-profit en uitsluitend
volkshuisvesting.
Vooral vanuit de vakbeweging wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt.
In 1922 telt Nederland meer dan dertienhonderd woningbouwverenigingen.
  
v.l.n.r.
Een reconstructie van een alkoofwoning rond 1900 / Plattegrond
voor- en achterhuis / Poepdoos in de keuken
Hoe
zat een arbeiderswoning in de Jordaan in elkaar?
De woningen waren aan het eind van de negentiende eeuw grotendeels alkoofwoningen.
De woning bestond uit één kamer waarin heel het gezin
moest wonen: koken, eten en slapen.
Wanneer moeder nog thuisarbeid had aangenomen moest er ook worden gewerkt.
Het slaapgedeelte kon bestaan uit bedsteden of het was hooguit afgeschoten
met een dun wandje: een alkoof.
Het licht kwam vanuit een gangetje naar binnen, de alkoof had dus geen
direct contact met licht en lucht.
In een woonblok moest het toilet gedeeld worden met alle families van
de verdieping. Als men een eigen toilet had stond dat in de kamer of
zelfs in de keuken. Er was geen rioolaansluiting, er stond onder de
houten poepdoos een emmer. Die emmer kon dan wekelijks worden geleegd
in De kar van Boldoot.
Woning met een aangebouwde keuken
/ Eénkamerwoning [1924]
Juffrouw
Nellen woont met haar twee kinderen in een experimentele éénkamerwoning.
De huur was fl.1,90 per week. Koningin Wilhelmina kwam bij haar
op theevisite.
naar
boven
Constrasterende
design panden

v.l.n.r. Elandsgracht
/ Hazenstraat / 2e Laurierdwarsstraat /

v.l.n.r. Boemgracht / 3e Leliedwarsstraat / Palmdwarsstraat /
naar
boven
Gaslantaarnopsteker met lijfwacht
/ Olielantaarns op de Nieuwezijds Voorburgwal
Licht
in de duisternis
[1669]
Straatlantaarns
In 1505 voerde de gemeente Amsterdam de verplichting in om
na negen uur 's avonds op straat een lantaarntje mee te dragen. Dit
kan worden gezien als de voorloper van de openbare straatverlichting.
Als eerste stad begon Den Haag in 1570 met het aanbrengen van 33 straatlantaarns
in de binnenstad.
In Amsterdam gebeurde dat pas 100 jaar later.
Jan van der Heijden,
de man die ook de varende stoombrandspuit bedacht, nam het initiatief
voor een publieke straatverlichting. Na een jaar waren er al 1800 lantaarns
geplaatst of opgehangen.
[1840]
Amsterdamse Pijp Gazfabriek
Een Engelse multinational, de Imperial Continental Gas Association
had het plan om Amsterdam aan de gasverlichting te krijgen. In 1834
werd een pijpnetwerk aangelegd om enkele particulieren, maar vooral
kantoren en grote suikerfabrieken, van gas te voorzien.
De gemeente plaatst bij wijze van proef 150 gaslantaarns op de Kloveniersburgwal
en de Prinsengracht.
Vrome Amsterdammers vonden deze nieuwigheid 'uit den booze'. Stukje
bij beetje werd de verlichting ingevoerd maar er bleven conflicten over
de kwaliteit en prijs van het gaslicht. De buitenwijken en de arme buurten
moesten het maar met olielampen doen. Die olielampen hingen aan touwen
langs de gracht en moesten met de hand gevuld worden.
naar boven
|