de Jordaan

tussen taal en beeld beschreven door:
Israël Querido





[1906]
Het leven in de Jordaan



Hoe woont het Amsterdamse volk
Israël Querido [1872-1932]

Want lieve lezers, de menschen daar, die in hun vunze hokjes en krotjes slapen, soms acht, tien bijeen, die elkaars zuren adem weer inademen en hun benauwingen en angsten op straten en grachten uitleven, die menschen die vechten en vloeken, razen en tieren, vaak op een verschrikkelijke manier elkaar toetakelen en beestelijke hartstochten uitschroeien, uitleven, het zijn onze medemenschen.


De naturalistische schrijver en journalist Querido, schreef de romancyclus ' De Jordaan'.
Om dat te kunnen doen ging hij in 1906 voor een paar jaar in de 1e Goudsbloemdwarsstraat wonen.
Iedere dag zat hij in café Manke Gerrit op de hoek van de Willemsstraat te luisteren naar de Jordaners
om hun taal en manier van doen goed te kunnen begrijpen.

Een paar fragmenten uit: De Jordaan, Amsterdamsch epos

Als het reuzen-gezin maar bijéén bleef, en als er maar geen vreemde den protserigen neus tusschen drong.
In het winteravondlijke walmrood der lantaarns waren zij heerschers van de donkere, enge straten en grachtjes, waar iedere kei van hún leek.
Dan was er vrij messengevecht en meidenspel; dan werd er in het half-duister gewelddadigheid uitgewrokt op zwakker vrouwen-lichamen, waarvoor ze bij klaarlichten dag later schuw de oogen knipperden.
Dan werd er gedobbeld in de gangen, waar nooit een vreemde tronie zich vertoonde; achter karren op de rottende straat; dan werd er gevrijd en gedronken, maar alles, als één schrikwekkende bende, smart en schande, begeweld-dadiging en oneer, ramp en vervloekenis van elkaar duldend en overnemend, zonder ooit er politie in te moeien. Want ze verafschuwden politie-mannen als indringers en verbrekers van onbewust éénheids-gevoel.
Ze waren van één ras, één klasse, door éénzelfde levensgolf rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achteren gekanteld, op één plek grond.
Daarom konden ze elkaar bestelen in nuchterheid of dronkenschap, nooit mocht een ánder ze striemen of afstraffen, dan de buurtgenooten zelf.

Ze leefden op elkaar, als menschen in een zwaar gedrang.
Ze lazen malkander de misdaden en de deugden uit de oogen.
Heel vroeg al hun bed uit, pakten ze hun negotie aan of bezwermden de fabrieken.
Maar van venttochten, van fabrieken of werkplaatsen terug,.... het veiligst en gelukkigst voelden ze zich eerst in hun Jordaan, voor de open deur, op stoepen, houten leuning-trappen, tusschen het gewoel der menschen, tegenover bekende tronies uit steeg-slurven en walmende dwarsstraatjes.
Het gelukkigst bij hun vischhengel, duiven, blompotten, kanaries; bij hun jak-wijven en vooral bij hun tapperijen.
De hooge buik-bruggetjes tusschen de dwarsstraten in, bezwierden ze met veel grooter gemak en bevalligheid dan de niet-buurtgenooten, en markten-slentering leek hun heerlijker dan de schoonste buitenwandeling.
In wilde ruzie waren ze gegroeid; zonder ruzie leek hun het bestaan traag en saai.”
 

Ze zworen bij hun buurt, hun markten en winkels, hun halletjes, hun venters en herbergen, hun straten en walm, hun dobbel-gangen en krotten.
De vischvrouwen konkelden met de koffiebazen. De koffiebazen met de groente-sjachers; de fabrieks-meiden met de pelsters, baksters, en die allen weer met den grutter, melkman, loodgieter, stoelenmaker en zoo den heelen Jordaan rond. Eén geweldige menschenklis van duizenden en duizenden gezinnen bijééngeperst, boven, achter, voor, tegenover elkaar, omwemeld van kinderen en weer kinderen.

De gezinnen van een-twee-en driehoog-vóór, en de gezinnen van een-twee-en driehoog-áchter, kenden elkaars leven, handel en wandel tot in de kleinste kleinigheid. In de vuile en nauwe stank-gangetjes der verdiepingen, waar man en vrouw openlijk hun gevoeg loosden in stilletjes en emmers, bestond geen schaamte meer voor elkaars gedoe.
In beestelijke onverschilligheid leefden ze hun instincten rauw en hittig uit, ongedekt voor een ieder die hen waar wou nemen. Op hitsige dagen barstten er eerst bommen los, gooiden ze elkaar de gruwelijkste en gemeenste beschuldigingen naar den kop.
Dan vunsde er een boek open over zondige hoererij, schanddaden en verwrongen laagheden. O! ze kenden allen zoo van nabij, den donkeren gloed van het bloed, de koude flikkering van het mes, den fonkel van den borrel.
De walmende straat, met haar gootvuil en stinkende keien, de open vrije straat met haar kelders en krotten, haar gewoel, kindergeschreeuw en honden-geblaf, met haar kleurige stalletjes, haar riekende, uitdampende eetwaren, haar kar-geratel, haar buitenzittende en hurkende vrouwen en kerels, die open straat was hun gerecht, daár leefde eerst wijd-uit in rondwortelende woeling, het groote, krioelende menschen-gezin: de Jordaan.
Daar verslonden ze elkaars hevigste hartstochten en begeerten; elkaars kleinzieligste, grilligste buitensporigheden en nietigste amusementen.
Huiselijk leven van gezinnetje op gezinnetje, met afgesloten muurtjes, waar de nieuwsgierige en dierlijke leefdriftigheid van de hunkerende massa geen bres doorheen kon schieten, verlangden ze niet.
Ze hadden hun tooneels en bals, voordrachts-kroegen en zang-café's, hun bioscopen, ‘bibberfotegrefies,’ en gramophoon-muziek; ze hadden de dans-holen en kelders van Zeedijk, Ridderstraat tot Haarlemmerdijk; hun orgels op Maandag, alle straten door, den heelen dag achterna-geslenterd.
Ze hadden in het liederlijke en in het klein-burger-fatsoenlijke, het wellustigste en het betamelijkste genot. In elkaars bijzijn konden ze eerst ademen, dollen, bluffen, om elkaars woorden en daden vechten, bij elkander zuipen en sjacheren; onder elkaar bruiloften en hoereeren.



< terug naar Wonen in de Jordaan

> Jordaan index


Aanvullingen en verbeteringen graag hier

Bronnen o.a.
Digitale Bibliotheek Nederland /
Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis /