de Jordaan tussen taal en beeld
> Jordaan index


> St Andrieshofje

> Huyszitten Weduwenhof
> Claes Claeszhofje
> Zwaardvegershofje
> Venetiaehofje

Verborgen hofjes en binnenplaatsen


> Raepenhofje
> Bosschehofje
> Suykerhoff hofje
> Rozenhofje
> Verborgen ingangen




De rijken van de 17e eeuw
De gegoede burgers van de stad waren Godsvruchtige mensen. Ze lieten veel geld na voor kerkenbouw en armenzorg.
Met die nalatenschappen werden er in de Jordaan veel hofjes voor weduwen en alleenstaanden gesticht.
Omstreeks het midden van de 18e eeuw waren er in Amsterdam 28 hofjes, in 1930 waren het 58 hofjes waarvan 21 in de Jordaan.

In oorsprong ging het om bijstand vanuit Christelijke naastenliefde aan de armen en behoeftigen. Maar een beetje ijdelheid bij de stichters van de hofjes was ook het geval gezien de behoefte om zijn naam te vereeuwigen in een duidelijke gevelsteen.
Wie nu een hofje binnenstapt ondergaat de sfeer die in de meeste hofjes hangt en slaakt de standaard verzuchting:
Wat een rust midden in die drukke stad.
De hofjes zijn een beschermd cultuurbezit geworden.



Het Sint Andrieshofje / rechts: De binnenplaats omstreeks 1818

[1614]
Het St Andrieshofje Egelantiersgracht 105-141.
Het is het oudste nog bestaande hofje van Amsterdam op het Begijnhof na.
Er volgen nog vele maar die verdwijnen weer als de arme weduwen huur moeten betalen.
De rijke ongehuwde veehouder Ivo Gerritsz. had testamentair bepaald dat zijn nalatenschap aan een hofje moest worden besteed,
voor "al sulcke eerlicke arme persoonen".
Ivo's neef Jan Jansz. Oly schonk de benodigde grond.
Het hofje werd genoemd naar de naam van het huis van Jan Oly , 'in Sint Andries', op de Nieuwendijk 213.
Jan stierf voor hij de opening van het hofje kon meemaken.
Het was bestemd voor behoeftige rooms-katholieke weduwen.

[1699]
Het hofje komt onder de hoede van het pastoraat van het Begijnhof.
Dat gebeurde toen Anna de Magistris op 7 mei 1699 overleed.
Ze was de laatste van vier ongehuwde kinderen, twee zoons en twee dochters van Trojanus de Magistris die het hofje bestuurde.
Anna was begijn geworden en had in 1662 een eigen huis op de Begijnhof.
In 1693 was Anna de enig overlevende regentes en had in haar laatste wensen vastgelegd dat het St Andrieshofje voor altijd zou bestaan.
Maar vooral dat alle regels van deugdzaamheid van de bewoonsters opgevolgd zullen worden.
De bewoonsters van het hofje hadden vanzelfsprekend vrij wonen, maar kregen ook iedere maandag een zilveren gulden en op dinsdag een brood uitgereikt.

Een helder blauw betegelde gang komt uit op de binnenplaats met 18de eeuwse waterpomp.
Op de binnenplaats zijn steeds drie deuren. De middelste deur is voor de bovenwoningen.
Oorspronkelijk waren er 36 woninkjes voor 66 bewoners. Tegenwoordig is dat één persoon per woning. In het gebouw aan de gracht zijn ook hofjeswoningen.
Boven de oostelijke woningen was in 1623 een kapel in gebruik genomen. Die is in de 19de eeuw grondig gewijzigd.
In de gevel van de kapel zit een vroeg-17de eeuwse gevelsteen met Christus en de tekst "Vrede sy met U".
Deze gevelsteen zat voor de restauratie aan de gevel aan de gracht.


naar boven





[1650]
Het Huyszitten Weduwenhof Karthuizersstraat 89-171
Op nrs. 89-171 bevindt zich een hofje dat officieel het Huyszitten Weduwenhofe wordt genoemd, maar bekend is onder de naam het Karthuizerhofje.
Het is gebouwd door de architect Daniël Stalpaert op een gebied tegenover de plaats waar het Middeleeuwse Karthuizerklooster 'Sint Andries ter zaliger havene' stond.
Om een misverstand te voorkomen, dat is dus niet op de ruïnes van het klooster zoals vaker gedacht wordt.
In dit hof werden de zo genoemde huiszitten-weduwen, met hun kinderen, ondergebracht.
Ze vielen onder de hoede van de Huiszittenmeesters, de armenzorg van de 17de eeuw.
In de praktijk ging het niet alleen om weduwen, maar ook om ongehuwde moeders met kinderen.
Binnen het hofje, boven de toegangspoort het Amsterdamse koggeschip, het grootste handelsvoertuig in de middeleeuwen. Aan de overkant het wapen van Amsterdam.
Op de binnenplaats staan twee pompen, één voor put water, de ander voor regenwater.
Uit de regenwaterpomp mochten de bewoonsters slechts vier emmers per week halen.
De tuin was vroeger een bleekveld. Later werd de was aan de straatzijde aan houten wasrekken gedroogd.
Het Karthuizerhof is, in tegenstelling tot de andere hofjes, een stedelijke instelling die ontstond toen een zestal hofjes uit de binnenstad bijeen gevoegd werden.


naar boven




[1616]
Claes Claeszhofje Eerste Egelantiersdwarsstraat Nr. 3
De lakenhandelaar Claes Claeszoon Anslo had drie 'huisgens en drie camers' in een tuin achter de Egelantiersstraat gebouwd, waarin hij oude mensen gratis liet wonen.
Het is het oudste hofje in Amsterdam.
Het hofje is een samenvoeging van het Anslohofje met de resten van het Zwaardvegershofje dat toegankelijk was vanaf de Tuinstraat.
Op de Egelantierstraat 50 is het familiewapen van de Claes Claesz. Anslo te zien.

In de vorige eeuw werd het hofje uitgebreid aan de Egelantiersdwarsstraat.
De architect Gerard Prins
ontwierp het complex van woninkjes en binnenplaatsjes.
Oorspronkelijk wilde men de hele bebouwing slopen en er een groot binnenterrein van maken.
Dat is in de nieuwe stedenbouwkundige plannen van de gemeente veranderd en bleef de bebouwing aan de kant van de Tuinstraat opgenomen in het geheel van het Claes Claeshofje.
Daarvoor werd het complex aan de hand van oude bouwtekeningen zo goed mogelijk gereconstrueerd.
Het is een voorbeeld van 'historiserende' stadsvernieuwing waarbij de kool en de geit gespaard worden.
Er is bijvoorbeeld een natuurstenen fonteintje geplaatst, versierd met een leeuwenmasker dat ergens anders gesloopt is. Ook een heiligenbeeld komt ergens anders vandaan.
Alles lijkt oud maar is het niet.
Het is de vraag of deze vorm van restaureren uitgevoerd mag worden. Daarover zijn de deskundigen het niet eens.
Is het geschiedvervalsing?
Een bestaand gebouw terug brengen in de oorspronkelijke staat is ook niet juist want dan verdoezelt men alle wijzigingen die in de loop der tijd aangebracht zijn.
Een compromis is dat je met een bord aangeeft wat gerestaureerd oorspronkelijke bebouwing en wat nieuwbouw is.


De ingang naar het Zwaardvegershofje Tuinstraat 37-39 toen en nu

naar boven



Elandsstraat, Venetiae of Maerloopshofje / rechts binnenhof

[1670]
Venetiaehofje Elandstraat 102-142
Op 7 maart 1670 kocht de Amsterdamse koopman Jacob Stoffels een tuin met opstal in de Elandsstraat 'daer Venetia
voorstaet' en stichtte er een hofje met dertien woninkjes voor arme vrouwen.
De gedachte dat het hofje 'Venetia' zou zijn genoemd vanwege handelsbetrekkingen met de stad Venetië is niet juist.
Wel stond in het verlengde van het hofje aan de Lauriergracht tot 1842 een 17e eeuws pakhuis dat ook 'Venetiae' heette.
Die naam is op de Lauriergracht nog te lezen op Nr. 97 op de plek waar een achteruitgang, via de voormalige Hoedenmakersgang uitkwam. Deze steeg werd alleen gebruikt voor begrafenissen. Er was daarom ook de spreuk: 'Memento Mori' geplaatst.

Stoffels was kassier van de kamer van Amsterdam der V.O.C.
Hij bepaalde dat het hofje een legaat van fl 12.000,- zou krijgen en dat het na zjjn dood bestuurd moest worden door drie regenten,
Gerrit van Maerloop, Jacob Jansz Voogt en Tobyas Rogiers.
De laatste twee regenten worden aan de kant gezet., zus Anna Stoffels en Gerrit van Maerloop, en later alleen Van Maerloop besturen het hofje.
Anna Stoffels stelt de grote lijnen van de regels, de ordonnanties, in het hofje vast.
Het hofje kreeg van Anna Stoffels een legaat van fl 8.000,- maar de helft van het vruchtgebruik was gedurende zijn leven voor Volkert van der Velde met wie ze in 1660 was getrouwd en van wie ze sinds 1670 gescheiden leefde.
Van Maerloop werd Anna's universele erfgenaam en executeur testamentair wegens gedane en nog te nemen moeite, vooral wat het hofje betrof.
In 1699 en 1704 voegde Van Maerloop 17 woningen bij de 13 van Jacob Stoffels.
Hierdoor werd het hofje in de loop der tijden ook wel 'Van Maerloops hofje' genoemd.


Poortje 'Vrede zij in dezen Huize' / Venetiaehof / De bewoners in 1952

[1766]
De regenten kochten een perceel in de Elandsstraat naast het hofje dat verbouwd werd tot vier woninkjes waar oude vrouwen en echtparen van 50 jaar mogen wonen. Afgezien van het feit dat er echtparen mogen wonen gelden voor deze 'buitenwoningen' dezelfde strakke regels als voor de hofbewoonsters.
Bewoonsters werden gekozen uit vrouwen van 50 jaar of ouder die ongetrouwd waren of weduwe zonder kinderen te haren laste.
Alle protestanten kwamen zonder onderscheid in aanmerking mits zij te goeder naam en faam bekend stonden en niet eerder een uitkering of ondersteuning van een ander godshuis of diaconie hadden ontvangen.
Soms bezaten ze wel een klein kapitaaltje dat door de regenten werd beheerd en waarvan ze regelmatig een extra uitkering kregen.
De enige voorrang die mocht worden verleend, was die aan arme familieleden van de Stoffelsen en enkele van Jacobs zeer trouwe dienstboden. Er is echter nergens gebleken dat deze regel ooit is toegepast.

[1699-1704]
Er woonden zo'n dertig vrouwen op het hofje.

Door de toevoeging van vier woninkjes in 1766 en verbouwingen in later tijd was dat aantal rond 1915 ongeveer 42.
De regenten verleenden soms dispensatie van de regel dat er slechts één vrouw een huisje mocht bewonen.
Soms woonden twee zusters samen of mocht een hulpbehoevende vrouw een jonger familielid bij zich in huis nemen.
Naast vrije inwoning kregen de vrouwen een jaarlijkse som geld en levensmiddelen.
Gerrit van Maarloop liet per jaar 50 manden turf uitdelen, diverse grutterswaren voor de winter, boter, fl 3,- in november om een runderhutspot te kunnen maken en met kerstmis nog eens fl 6,-
Deze zes gulden werden meestal uitgereikt nadat de vrouwen de regenten verzocht hadden nog een jaar op het hofje te mogen blijven. Dit werd voor zover bekend nooit geweigerd, maar ze waren het volgens de ordonnanties van Anna Stoffels verplicht.
Bij hun komst op het hofje moesten de bewoonsters de regels ondertekenen en beloven zich er aan te houden.
Er mochten geen buitenstaanders op het hofje blijven slapen en de bewoonsters mochten zelf ook niet buiten het hofje overnachten.
Het hofje mocht nooit leeg zijn. Zelfs met Pasen of Pinksteren moesten er minstens twee vrouwen op het hof blijven.
De poort moest s' avonds om tien uur gesloten worden.
In het begin was dit een taak van alle bewoonsters, te verrichten bij toerbeurt, later waren de portiersters er mee belast.
Portiersters waren twee bewoonsters met een extra taak. Zij zorgden er voor dat het hofje schoongehouden werd, deelden het water uit als de regenbakken op 't hofje afgesloten waren en waarschuwden de dokter in geval van ziekte van een bewoonster.
Bovendien onderhielden zij vaak het contact tussen de andere bewoonsters en de buitenwereld.
Het hofje nam na 1685 diverse Franse Hugenoten op die na het Edict van Nantes naar de Noordelijke Nederlanden gevlucht waren.

naar boven





[1648]
Raepenhofje Palmgracht 28-38

Nieuwe Braak, dat was de naam van de Palmgracht tot in de 18e eeuw. Braak was een moeras ontstaan bij een doorbraak.
Aan die nieuwgegraven Palmgracht is een dwars geplaatst poortgebouw gekomen met een klein rond poortje met daarboven een prachtige jaartalsteen.
Het hofje is gesticht door Pieter Adriaanszoon Raep (1581-1666) met het geld van de erfenis van zijn vader .
Dat was een trezorier, een belastingambtenaar die voor Christelijk Gereformeerde weduwen zonder kinderen en bejaarde oude vrijsters een woonplek stichtte. Zijn naam staat afgebeeld op een wapenschild door een knolraap met de letters P.A.
Naast de deuren is de letter L aangebracht die verwijst naar de huizen waar de diakenen elke vier weken met de collectebus aanklopten. De letter L van Gereformeerde lidmaten, zijn door diakonie-weesjongens aangebracht.
In de regentenkamer, die later ingebouwd werd, en in 1997 gerestaureerd, is een copie van een schilderij van de stichter te zien met zijn hand op een doodshoofd met een lege zandloper er naast.
Er wordt beweerd dat Raeps het hofje stichtte uit dankbaarheid voor de Vrede van Münster in 1648, maar waarschijnlijker is dat hij onsterfelijk wilde worden omdat hij geen nageslacht had.

Bij de ingang een bord met de tekst "Salig syn de vreedsamen want sy sullen Godts kinderen genaamt worden".
Dit hofje was bedoeld voor protestantse dames. In het reglement staan o.a. regels m.b.t. het ophangen van wasgoed.

Oorspronkelijk waren er in de twee loodrecht op elkaar staande vleugels 12 woningen in 6 huisjes. Er zijn nu 11 woningen. De deurkozijnen zijn gekoppeld. De kruiskozijnen zijn er nog maar het glas-in-lood niet meer.

Vondel schreef een gedicht op het Raepenhofje:

Peter Raep, de trezorier
Boude uit mededogen hier
't Weduwen en Weezenhof
Men gebruik het tot Godts lof


naar boven





[1648]
Bosschehofje Palmgracht 20-26
Naast het Raepenhofje bevindt zich het Bosschehofje dat gesticht werd door Arend Dirkszoon Bosch voor een stuk of acht Protestante Doopsgezinde vrouwtjes. Bosch was een graanhandelaar met een vermogen van fl.30.000,-.
De vier 'Huisjes van Bosch' werden na de oorlog onbewoonbaar verklaard.
Ze zijn in 1952-1953 gerestaureerd en er kunnen nu 4 dames, waarvoor geen leeftijdgrens, kerkgenootschap of reglement meer geldt, wonen..

naar boven




[1667]
Het Suykerhoff hofje Lindengracht 149-163
Het is genoemd naar Pieter Jansz. Suyckerhoff.
Deze bepaalde bij testament van 4 januari 1667, dat zijn nalatenschap besteed moest worden aan het bouwen en onderhouden van een armenhof.
Het was bestemd voor 'bedaagde dochters en weduwen van Protestantse huize'. Voorwaarde voor toelating was dat deze 'vrouwspersonen' eerlijk waren en van onbesproken gedrag en dat ze 'een vredelievend humeur' hadden.
De vrouwen mochten na zonsondergang niet meer naar de zolder om turf te halen, dat was brandgevaarlijk omdat je dan een kaars mee moest nemen.
Oorspronkelijk waren er negentien woningen.
Door samenvoeging van enkele te kleine woningen zijn daar nog vijftien van over.
Een lange smalle gang door en je komt op het hofje, met die mooie pomp in het midden. De aanblik ontroert door eenvoud en harmonie die vanzelf wel een vredelievend humeur veroorzaken.
Uit die pomp kwam vroeger wel verontreinigd putwater dat door de zindelijke wijfjes uitsluitend voor het schoonhouden van hun huisje gebruikt mocht worden. Buitenstaanders mochten daarom ook geen water uit deze pomp halen.
De verontreiniging kwam voornamelijk omdat het regenwater in een loden vergaarbak opgevangen werd en met loden buizen naar de put onder de pomp vloeide.
Overigens als de bewoonsters ziek werden, waren de anderen verplicht de zieke liefdadig te verzorgen. Als een bewoonster dement was werd ze afgevoerd naar een gesticht.
Als de bovenbuurvrouw stierf werd ze verplicht bij haar benedenbuurvrouw opgebaard.
De sleutel van de kasten van de overledene moesten meteen bij de regenten ingeleverd worden.
De overgebleven turf en het voedsel mocht de buurvrouw houden.

naar boven


Gerard Reve en Frits Gerritsen in het Nieuwe Suykerhofje

[1755]
Het Nieuwe Suykerhofje Prinsengracht 385-393
Dit hofje werd gesticht door suikerraffinadeur Gerrit ten Sanden en zijn vrouw Maria de Groot.
Het was via een gang te bereiken. Het is rond 1960 opgeheven.
De familieleden van de stichters kregen, als ze zulks begeerden, voorrang.
Iedere bewoner kreeg met Nieuwjaar een nieuw hemd.
Tijdens de Vasten en i
n de slachttijd werden vleeswaren en grutterswaren uitgedeeld.
Zoals blijkt uit bovenstaande foto probeerde Gerard Reve zich op dit rustige plekje in 1948 aan zijn literaire werk te wijden.

naar boven



Luthers Diaconiehofje genaamd het Konijnenhofje / Binnenplaats

[1670]
Het Konijnenhofje Konijnenstraat

In de tweede helft van de zeventiende eeuw zijn er plannen om op de hoek van de Lauriergracht een tweede Lutherse kerk te bouwen.
Na veel gedoe wordt echter besloten om de Ronde Lutherse kerk aan de kop van de Singel te bouwen en de grond op het Konijnenerf krijgt een andere bestemming.
De Lutherse diaconie koopt in 1656 de helft van het erf compleet met de daarop getimmerde bouwsels voor fl.7700,- om er Armenhuisjes op te bouwen.
Oorlog en de zwarte pestilentie zorgde voor een crisis waarin ouden en gebrekkigen geraakten.

Het eerste Lutherse diaconiehofje werd in 1670 daadwerkelijk gebouwd en krijgt de naam Konijnenhofje.
Het hofje raakte met de 16 huisjes snel overbevolkt.
De oudste huisjes hadden kelderwoningen en er waren bovenverdiepingen. Er was geen bleekveld.
Alles bij elkaar telde men 51 behuizingen met elk twee bedsteden voor twee vrouwspersonen.
Die kregen verzorging als ze ziek waren en 's winters levensmiddelen. Verder moesten ze voor zichzelf zorgen.
Als ze zich maar zedelijk en godsdienstig gedroegen.
Per twee huisjes was een gevelsteen aangebracht met stichtelijke woorden:
D.Vreese, D.Lievde, 't Geloof, D.Opregtigheid, D.Waarheid, D.Stantvastigheid en D.Overwinning.
Op een grote steen werden die woorden samengebeiteld tot een spreuk op rijm.

Geloov en Hoop doen hier haar milde gaaven blyken.
De Lievde voed de Vreede en koestert arremoe.
Opregtigheit blinkt uyt, de Waarhyd yuygt ons toe:
So kan Stantvastighyd met Overwinnig pryken.

Nieuwbouw heeft de hofjes verdrongen.
Van de originele bouwsels is niets anders bewaard gebleven dan de gevelstenen die in het nieuwe Evangelisch Luthers Diaconiehof op het Staringplein nr. 9 ingemetseld zijn.

De Konijnenstraat tussen de Elandsstraat en de Lauriergracht.
Dit gebied werd in het begin van de 17de eeuw bij de stad getrokken.
Een archeologische opgraving was bedoeld om informatie in te winnen over de eerste huizenbouw, maar vooral over de landinrichting en de activiteiten ter plekke voor de aanleg van de stadswijk de Jordaan.
Midden in het opgravingterrein werd een sloot aangetroffen, de Gasthuissloot die de noordgrens van het verkavelingperceel, het Margrietenpad, markeerde.
Onder in de sloot lag laat-16de-eeuws materiaal.
De perceelscheiding bleek met zand en een pakket biezen en rijshout te zijn gedempt, vermoedelijk vanwege de herinrichting van het gebied tijdens de stadsuitbreiding van 1612.
Na de demping van de Gasthuissloot werd het terrein opgehoogd en bebouwd.
Koorndragersgang, deze steeg werd eveneens aangelegd.
In de sloot zijn enkele hoornpitten van geiten en een stierenschedel met slachtsporen gevonden.
Aan de zuidzijde van de sloot lag tegen de beschoeiing een omvangrijk pakket leerafval.
Deze overblijfselen houden verband met de ambachtelijke activiteiten in dit gebied van leerbewerkers en huidhandelaren.
Behalve de Konijnenstraat herinneren hier nog verschillende andere straatnamen aan, zoals de Hazenstraat, de Berenstraat en de Wolven- en Huidenstraat.

naar boven



Rijpenhofje oude ingang / rechts: de nieuwe ingang

[1737]
Het Rijpenhofje Rozengracht 116-126
Het is een stichting waarvoor Gerard van den Rijp een deel van zijn nalatenschap bestemd had.
Dat ging niet erg gemakkelijk, want vd Rijp had een ongelukkig huwelijk met Debora Gelthouwer.
Daarom benoemde hij de zonen van zijn zuster Jan en Job tot enige erfgenamen.
In het testament staat het beding dat na het beëindigen van het echtscheidingsproces met zijn 'huysvrouw' een bedrag van 20.000 guldens bestemd was voor het aankopen van huisjes voor gelovige arme personen opdat die hun leven lang gratis konden wonen. Verder nog eens 20.000 gulden om die huisjes te onderhouden en, als er dan nog iets overblijft, de bewoners financieel te ondersteunen.
De herberg 'Het Turfschip van Breda' en de daarnaast gelegen hoedenmakerij en nog een bebouwing in de Pijpenmakersgang werden aangekocht. Dat kwam wel goed uit want de herberg had geen goede naam, er was sprake van 'ligtvaardige bijeenkomsten van ongebonden jongeren'.


De binnenplaats van het oude Rijpenhofje

[1774]
Overdracht
De erfgenamen dragen het hofje over aan de Doopsgezinde Gemeente.
Toen in 1764 neef Jan van de Rijp overleden was kon uit zijn nalatenschap meer huizen aan de Weversgang bij het hofje getrokken worden. Eigenlijk moest er nog een hofje komen maar nicht Veronica van de Rijp had het vruchtgebruik van de erfenis en zij stierf pas in 1832. Toen was de waarde van de erfenis zo in waarde verminderd dat een nieuw hofje er niet meer in zat


[1913]
Nieuwbouw
Het oude hofje raakte in verval en op 10 juni 1913 werd een fris nieuw gebouw in gebruik genomen.
Twintig dames konden hier nu kosteloos wonen. Daniël Beek heeft een legaat bestemd om, in plaats van turf uit te delen, te zorgen dat er centrale verwarming kwam. Op een kleine binnenplaats met planten kon men lekker rustig in de zon zitten terwijl het verkeer op de Rozengracht steeds drukker werd.
Een monumentale fontein siert een begroeide blinde muur van het buurhuis.
Omdat de regentenkamer niet in de nieuwbouw opgenomen was kwamen een aantal historische schilderijen, waaronder een tweetal van Govert Flinck als bruikleen in het bezit van het Rijksmuseum.
Er wonen nu Doopsgezinde vrouwen van boven 50 jaar.

naar boven



Hamers- en Bouwershofje Marnixstraat 281

[1877]
Hamers- en Bouwershofje Marnixstraat 281
Verdriethuisjes
Het R.C.Oude-Armenkantoor heeft het gebouw gesticht. Het kwam aan de rand van de Jordaan bij de Raambarriere te liggen.
Het Hamershofje was voordien gelegen aan de Herengracht 373-387
De Hamerhuisjes waren genoemd naar de zeepziederij De Hamer van Willem Willemsz van Beynsdorp op het Damrak. Door de ophoging van de stadswal kwamen die huisjes in de verdrukking. Ze werden toen wel de 'Verdriethuisjes' genoemd.

De Brouwershuisjes in de Wijde Steeg moesten ook ontruimd worden. Marretje Arend Bouwers-dochter was één van de bewindhebbers en haar naam werd aan het nieuwe hofje verbonden.
Dat liep door van de Marnixstraat tot de Lijnbaansgracht. Er waren 24 éénkamerwoningen met ramen aan de straatkant, voor 24 weduwen of ongetrouwde vrouwen boven 50 jaar. In het begin sliepen er ook wel twee vrouwen in zo'n huisje.
Het geld van de fondsen is op en het exploitatietekort komt nu ten laste van het RCOAK.

naar boven



Rozenhofje / Binnenplaats

[1744]
Rozenhofje Rozengracht 147-181
de Doopsgezinde Collegianten*) stichten omstreeks 1741 het Rozenhofje uit de nalatenschap van de houthandelaar Jan de Jager, onder conditie dat de kas binnen 2 jaar 'het montasch van deze, zoo verre het kan strekken, te besteden, tot het aankopen of bouwen van bijeengevoegde wooningen, bekwaam voor behoeftige, eerlijke en inzonderheid bedaagde en oude lieden, die zij daarin voor niet en zonder iets, ook niet tot reparatiën of lasten, te contribueeren zullen moeten laten woonen' enzovoort.
In 1741 kochten zij een gedeelte van het gewezen Doolhof als het begin van het Rozenhofje.
Drie jaar later konden de eerste huisjes betrokken worden door protestantse bejaarde vrouwen.
Het hofje groeide uit tot 25 woningen dank zij schenkingen en legaten.
De vrouwen woonden er kosteloos en kregen soms kleine geldbedragen en turf voor de kachel.
In 1789 besluiten zij tot een gift van fl 20.000,- aan het Rozenhofje en voor 6 jaren jaarlijks fl 400,- om behoeftige collegianten te steunen en regenten van het Rozenhofje wel degelijk verplicht zijn om naast de familie van de stichter Jan de Jager, in de eerste plaats 'collegianten weduwen of bejaarde dochters' met inwoning te begunstigen.
Bij besluit der vergadering van 31 dec. 1927 is de collegiatenkas opgegaan in het Rozenhofje.

*) De Collegianten vormden een vrijzinnige kerkelijke stroming, zij pleitten voor een universeel soort christendom.
Het ware geloof sloot geen enkele gelovige buiten, van welke richting hij ook was.
De collegianten hielden niet van alle mogelijke dogma's. Ze legden de nadruk op het directe contact met God.
Het was geen kerkgemeenschap, maar hun leden kwamen uit de verlicht-christelijke kringen van doopsgezinden en remonstranten.
In de maandelijkse bijeenkomsten, de colleges, kon iedereen vrij spreken en was het avondmaal voor iedereen opengesteld.
Populair was de doop bij onderdompeling, bij voorkeur in een leerlooierskuip.


De oude voorgevel is in 1884 vervangen door de huidige gevel.


Nieuwe Doolhof 'In De Orange Pot' met fontein 'De Wereld'

[1662-1755]
Het Nieuwe Doolhof
Voor het Rozenhofje werd was er op die plek aan de Rozengracht een tuin met fonteinen en 'bedriegertjes' die doorliep tot de Looiersgracht.
Er stonden vele beelden met bijbelse onderwerpen waaronder het beeld van David en Goliath dat nu in het restaurant van het Amsterdams Historisch Museum staat.
Een van de beelden stelde Eva Vliegen voor. Het was de bijnaam voor Besje van Meurs die 32 jaar lang niet gegeten en gedronken had ondanks het feit dat de kruimels nog aan haar mond te zien waren.
Het beeld van Van Speyk
, die soms plotseling zijn pistool afschoot, kortom een Amsterdams stukje Efteling in die tijd.
Daarna verdwenen de bezienswaardigheden naar de Plantagebuurt en Rembrandtsplein en het Panopticum aan de Amstelstraat.

naar boven




Willemsstraat

[1863]
Constantiahof Willemsstraat 149-165
Na de demping van de Goudsbloemgracht in 1856 werden de Constantia-woningen gebouwd.
Filantropisch ingestelde rijke particulieren richten in 1852 de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse op.
J. van Eyk richt in 1863, onder de vleugels van die vereniging, de stichting voor de Ambachtsstand-Constantiawoningen op.
Arme arbeiders, ouder dan 60 jaar, konden daar kosteloos wonen, op voorwaarde dat ze tenminste twaalf jaar voor één patroon hadden gewerkt.
De woningen werden genoemd naar de vrouw van Van Eyk, Constantia van Loon.

De Constantia-woningen lijken veel op hofjeswoningen
Een gesloten bouwblok van lage eenvoudige woningen met de voordeur aan een binnenplaats met een bleekveld en een pomp.
Anders dan vroeger ontbrak een regentenkamer of een kapel. Oorspronkelijk waren er 36 kleine woonvertrekken.

Architect P.J.Hamer ontwierp Constantia naar het model van de classicistische paleisbouw.
Men komt binnen via een imposante ingang met afwisselend stuc en baksteen geblokte pilasters.
Onder het fronton is de naam van Constantia aangebracht.
Na de dood van het echtpaar Van Eyk werd het hofje beheerd door de Van Eyk stichting.
In 1921 werden de woningen overgedragen aan de Vereniging ten behoeve van de Arbeidersklasse.
De bejaarden die er toen nog woonden mochten tot hun dood kosteloos blijven.
Omdat het onderhoud te kostbaar werd kocht de gemeente in 1962 op één na alle aandelen van de vereniging.
De Constantia-woningen zijn tot rijksmonument verklaard.

naar boven


Hilmanshofje Nieuwe Looiersstraat 146-152

naar boven





[1616]
Lindenhofje Lindengracht 94-112
Oorspronkelijk gesticht als doopsgezind Armenhof.
Tegenwoordig is dit hofje niet meer toegankelijk voor publiek.
Er is nu en kinderhospice van het Leger des Heils in gevestigd.
Dat is een huis waar ernstig zieke kinderen van 0 tot 19 jaar kunnen logeren.
Het is begrijpelijk dat er daarom geen toeristen binnengelaten worden.

naar boven



Roetershofje / toegangspoortje

Het Roetershofje Lindengracht 171-187.
Soms kun je alleen al aan de straatnummers zien dat er achter de hoge gevels ergens een hofje moet zijn. Als aan de Lindengracht de nummering plots van 171 naar 187 springt, ligt daar verscholen achter een deur het Roetershofje.
Het is ooit gebouwd voor oudere dochters en weduwen zonder crimineel verleden en dus van onbesproken gedrag en niet aggressief.

naar boven




Hofje van Weduwe Roosen Eerste Passeerdersdwarsstraat 24-30.
De laatste vier huisjes rechts vormen een hofje.
Het waren bestaande huizen uit de tweede helft van de 18e eeuw die in 1820 voor dit nieuwe doel werden gebruikt.
Het hofje heeft geen eigen binnenhof met een tuin.
In plaats daarvan hebben bewoners zelf aan de voorkant tuintjes aangelegd.

naar boven


Zeven Keurvorstenhofje Tuinstraat 197-223

naar boven



Regenboogsliefdehofje Tuinstraat 100-102



naar boven


Verborgen ingangen



V.l.n.r: Rijpenhofje Rozengracht; Concordiahofje Westerstraat; Zevenkeurvorstenhofje in de Tuinstraat


V.l.n.r: Huiszitten weduwenhof aan de Karthuyserstraat; Rozenhof op de Rozengracht; De Platanen op de Lauriergracht


naar boven


> Aanvullingen en verbeteringen ontvang ik graag hier
bijgewerkt 13 08 10

terug naar overzicht

Bron o.a.
H.W.Alings, Amsterdamse Hofjes, Gemeentelijke Commissie Heemkennis