
Willemsstraat
op de plek van het
klooster
werden goedkope, voornamelijk éénkamerwoningen
rug aan rug met achterwoningen gebouwd.
Vijf deuren met zestien trekbellen!
Woningbouwcorporaties
bouwen filantropische complexen
[1852]
De eerste woningbouwverenigingen werden rond de vorige eeuwwisseling
opgericht om verkrotting en woningnood te bestrijden.
Tegenwoordig zijn de corporaties eerder vastgoedconcerns met maatschappelijke
taken.
Maar hoe zijn die woningbouwverenigingen ook alweer ontstaan?
Ruim honderd jaar geleden lukte het particulieren niet om de erbarmelijke
woonomstandigheden van de arbeiders te verbeteren.

Voor 1898 zag het
er zó uit
[1902]
De Woningwet
Particuliere instellingen krijgen subsidie voor het bouwen van woningen.
Voorwaarde is dat het non-profit ondernemingen zijn en dat de woningen
uitsluitend voor volkshuisvesting bestemd zijn.
Vooral vanuit de vakbeweging wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt.
 
Reconstructie van een alkoofwoning rond 1900
/ Plattegrond voor- en achterhuis / Poepdoos in de keuken
Hoe
zat een arbeiderswoning in de Jordaan in elkaar?
De woningen waren aan het eind van de negentiende eeuw grotendeels alkoofwoningen.
De woning bestond uit één kamer waarin heel het gezin
moest wonen: koken, eten en slapen.
Wanneer moeder nog thuisarbeid had aangenomen moest er ook worden gewerkt
Het slaapgedeelte kon bestaan uit bedsteden of het was hooguit afgeschoten
met een dun wandje: een alkoof.
Het licht kwam vanuit een gangetje naar binnen, de alkoof had dus geen
direct contact met licht en lucht.
In een woonblok moest het toilet gedeeld worden met alle families van
de verdieping.
Het toilet stond vaak in de kamer of zelfs in de keuken.
Er was geen rioolaansluiting, er stond onder de houten poepdoos een
emmer.
Die emmer kon dan wekelijks worden geloosd in de "De kar van Boldoot"

Aangebouwde keuken

Modelwoningen Passeerdersdwarsstraat
/ De Fortuinengang Palmstraat
[1803]
Van
Arbeiderswoningen naar Volkshuisvesting
Er waren plannen om een fonds te stichten voor het verbeteren van de
Volkshuisvesting.
Men vond dat een breder begrip dan zich bij het verbeteren van het woningbestand
uitsluitend op arbeiders te richten.
De gedachte was dat het hele oude woonbestand stap voor stap gesaneerd
zou worden door vervallen panden te kopen, op te knappen en weer te
verkopen. Het beginkapitaal zou uit een schenking moeten bestaan.
Het plan om langs filantropische weg kapitaal te vergaren om 16.000
mensen uit 3650 onbewoonbaar verklaarde kelders te krijgen is niet haalbaar.
Het plan lukte niet en slechts op een paar plekken werd gebouwd.
Een blok in de 2e Laurierdwarsstraat bij het Vuile Weespad staat er
nog.
De beste optie was het bouwen van éénkamerwoningen met
een huur van fl.1,45-fl.1,95 per week en fl.2,20 als er een tuintje
bij zat.
Maar de mensen konden niet meer dan fl.0,60-fl.1,45 per week betalen.
Behalve dat zijn deze woningen voor gezinnen met volwassen kinderen
van beiderlei geslacht ongeschikt
omdat de kieschheid te kort gedaan wordt.
Om verbetering te bereiken zouden daar minstens woningen met drie slaapkamers
voor nodig zijn.
Om op zo weinig mogelijk grond te kunnen bouwen werden rug aan rug woningen
met een trap in het midden neergezet.
Het werden een soort kazernewoningen met hier en daar een kleine verbetering
ten aanzien van de oude éénkamerwoningen
voor wat betreft luchtverversing en gehorigheid.
[1851]
De Gemeentewet
Thorbecke had gemeentebesturen mogelijkheden
gegeven om verordeningen in het belang van een goede openbare volksgezondheid
in te stellen. Maar overheidsingrijpen met bouwvergunningen die gebaseerd
zijn op opvattingen over bewoonbaarheid, afmetingen van kamers, vensters
en trappenhuizen werden als een ontoelaatbaar ingrijpen op het particulier
huizenbezit gezien.
Toch was het gelet op alle mogelijke uitbraken van cholera en tyfus
zonder meer nodig dat de woonsituatie der arbeiders verbeterd werd.
[1852]
De Amsterdamse Vereeniging ten behoeve der
Arbeidersklasse
Deze vereniging werd opgericht door de sociaal voelende Amsterdamse
zakenlieden Christiaan Pieter van Eeghen,
later directeur van de Nederlandse Bank, mr.
J. Messchert van Vollenhoven en Joshua
van Eik.
Ze wisten de namen van belangrijke geneesheren en gefortuneerde Amsterdamse
heren achter een oproep te verzamelen. Negenendertig heren tekende elk
voor fl.2000,- in. Dat was een enorm bedrag in een tijd dat de gemiddelde
arbeider fl.500,- per jaar verdiende.
Men moest meer aandacht schenken aan de slechte toestand waarin de arbeidersstand
moest leven.
De aandacht werd gevestigd op de samenhang tussen woonmilieu en gezondheid
en vooral tussen woonmilieu en moraal.
Van de overheid viel in de jaren van het opkomend liberalisme op het
punt van verbetering van de woontoestanden weinig te verwachten.
De bouwaannemers stonden ook niet te springen, omdat er weinig winst
te maken was.
De arbeiders zelf namen geen initiatieven.
De filantropisch ingestelde heren van Eeghen en van Eik pakten de zaak
voortvarend aan door twee particuliere bouwmaatschappijen op te richten.
Ze vonden dat hun initiatief geen bevoogdende bijwerking mocht hebben
zoals die wel aan vormen van kerkelijke bedeling kleefden.
Als aanhanger van de Reveilbeweging zagen
ze de te krappe huisvesting als een bron van onzedelijke samenwoning,
een broeinest van een verschrikkelijke zonde.
Door de buitensporig hoge huren van de zogenoemde 'weekwoningen' bleef
weinig over voor behoorlijke kleding en gezonde voeding.

De Goudsbloemgracht
in 1853
De
Vereniging ging voortvarend te werk.
Op de eerste vergadering werd besloten op Oostenburg een blok woningen
te bouwen. In de Passeerdersstraat en de Passeerdersdwarsstraat werden
woningen verbeterd of gesloopt en door nieuwe vervangen.
Ook op andere plaatsen in de stad, zoals aan het Smalle Pad, de huidige
Planciusstraat, de Jacob van Campenstraat en de Tweede Jan van der Heydenstraat
werden nieuwe huizen gebouwd.
Maar het belangrijkste was de verbetering van de krotten aan het Franse
Pad, bij de Goudsbloemsgracht, de huidige Willemsstraat.
De arts en wethouder publieke werken, C.E.Heynsius
vond het de meest ongezonde buurt van de Jordaan, waar de bewoners voornamelijk
op straat leefden waar ze voortdurend ruzie maakten en vechtpartijen
aan de orde van de dag waren. Kortom ze leefden buiten de beschaafde
maatschappij.
Sociale
woningbouw was nieuw voor architecten
Behalve dat ze er geen ervaring mee hadden vonden ze dat er geen eer
mee te behalen was.
Bovendien was het lastig om met een beperkt budget en een zeer strikt
programma van eisen iets moois te maken.
Men bestudeerde Engelse voorbeelden van sociale woningbouw.
De Maatschappij ter Bevordering van de Bouwkunst
schreef een prijsvraag uit voor het bouwen van goede arbeiderswoningen.
Die werd gewonnen door de architect J.H. Leliman,
maar het was architect P.J. Hamer,
de vaste architect van een aantal woningbouwverenigingen die zich intensief
met volkshuisvesting bezig hield.
[1853]
Het initiatief van de Vereeniging t.b.v.d.
Arbeidersklasse vond navolging
De bouwvereniging
Salerno werd opgericht.
Die werd genoemd naar de Italiaanse stad waar woningbouw op basis van
geneeskundige adviezen plaatsvond.
Salerno is voortgekomen uit de Maatschappij
tot Nut van het Algemeen.
De Vereeniging uit de Reveil beweging en waar die probeerde krotten
af te breken en daar nieuwbouw op te plegen,
bouwde Salerno voornamelijk op onbebouwde grond.
Later volgden de
bouwmaatschappijen Concordia, de Bouwkas
en Maatschappij tot het verkrijgen van Eigen
Woningen.
Gedurende de jaren '90 van de 19e eeuw nam de invloed van de Vereeniging
af.
De stijgende grondprijzen maakten het haar moeilijk om op grote schaal
te bouwen.
Daar kwam nog bij dat in 1902 de Woningwet werd ingevoerd,
waarmee de mogelijkheid werd gegeven om met overheidssteun huizen te
bouwen.
Het particulier initiatief werd daarmee overheidstaak. In Amsterdam
werd een groot aantal verenigingen opgericht.
De Vereeniging t.b.v.d. Arbeidersklasse besloot om zich alleen nog bezig
te houden met het verhuren, verbeteren en moderniseren
van de woningen die al in haar bezit waren.
[1962]
De Vereeniging t.b.v.d. Arbeidersklasse stelt aan het gemeentebestuur
voor om de aandelen over te nemen.
De gemeente ging hierop in en werd daarmee de eigenaar van het bezit
van de Vereniging.
[1973]
Het beheer van de panden wordt overgedragen aan het Gemeentelijk
Woningbedrijf
omdat het steeds moeilijker werd om onderhoud, beheer en verzekeringen
uit de huuropbrengsten te betalen.
Het bezit is toen niet aangekocht.
[1984]
De gemeente koopt het huizenbezit van de Vereeniging.
Deze aankoop betekende het einde van de Amsterdamse Vereeniging ten
behoeve der Arbeidersklasse

Bloemstraat
54-56
Zes woningen van de Vereeniging tot ondersteuning van Minvermogenden

Interieur van een
krotwoning
[1860-1870]
De
Jordaan wordt gesaneerd
Al
vanaf 1854 heeft de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse op de
Goudsbloemgracht perceeltjes en erven opgekocht.
Van Eeghen kocht zelf, op eigen kosten, de hoek Elandsstraat, Lijnbaansgracht,
Lijnbaansstraat,
en van Lennep percelen tussen de Westerstraat en de Anjerliersstraat.
De bezittingen van deze heren worden ondergebracht in de Bouwmaatschappij
Concordia NV.
J van Eik richt de Stichting voor den Arbeidersstand
Constantiawoningen op.
Er komen woningen aan de Willemsstraat 149-165. Minvermogende werklieden
ouder dan 60 jaar konden er kosteloos wonen,
als ze tenminste twaalf jaar voor één patroon hadden gewerkt.
De woningen werden genoemd naar de vrouw van Van Eik, Constantia
van Loon.

Willemsstraat hoek
Lijnbaansgracht [1902]
De woningen aan
de Willemsstraat waren uit kostenbesparende overwegingen etagewoningen.
De Constantia-woningen waren anders en leken meer op hofjeswoningen
namelijk een gesloten blok van lage simpele woningen rond een binnenterrein
met bleekveld en pomp.
De regentenkamer en een kapel ontbraken vanzelfsprekend.
Oorspronkelijk waren er 36 kleine woonvertrekken.
Het lukte architect Hamer de woningen
met minimale middelen een zekere standing te verlenen.
Een houten classicistisch poortje, met pilasters en driehoekig fronton
leidt naar de binnenplaats.
Onder het fronton is de naam 'Constantia' aangebracht.
Na de dood van het echtpaar Van Eik werd het hofje beheerd door de Van
Eik stichting.

Willemsstraat / Constantia-woningen
De bouw maakt deel
uit van de stadssanering in de Jordaan, die begon met de demping van
de Goudsbloemgracht in 1856.
De huisjesmelkers gingen woningen en opslagkelders splitsen in éénkamerwoningen,
en bouwden, meestal zonder vergunning, huizen op binnenterreinen, die
door een gang met de straat verbonden waren.
De bouw was slecht, de huizen verzakten. Sanitaire voorzieningen waren
er niet en de grachten werden open riolen.
Al in 1853 was vastgesteld dat de Jordaan verkrot was, maar volgens
de liberalen hoorde sociale woningbouw niet bij de taken van de overheid.
Van Eeghen en zijn rijke vrienden kregen het voor elkaar dat een groot
aantal grachten in de Jordaan uit sanitaire overwegingen gedempt werden.
In de Jordaan zijn meerdere filantropische woningbouwprojecten van het
eerste uur te vinden.
Overigens zetten
de heren, maar vooral van Eeghen, zich ook in voor een betere groenvoorziening
in de hele stad.
Ze namen bijvoorbeeld het initiatief voor de aanleg van een Rij-
en Wandelpark, het Vondelspark.
[1858]
Van Eeghen koopt Het hof van Parijs,
Het is een berucht en miserabel slop aan de Elandsstraat.
Er wonen arme straathandelaren en voddenrapers, zogenoemde 'Morgensterren'.
Tien inpandige woninkjes worden verbeterd, maar dat is niet voldoende.

Elandsstraat / Hof
van Parijs [1902] Voorheen Katteklatersgang
[1902]
Het hof van Parijs wordt afgebroken en op een
ruimere schaal herbouwd.
[1864]
Concordia-noord Westerstraat 215-289
Hier werden in 1864 drie bouwblokken neergezet met ertussen twee binnenplaatsen,
oorspronkelijk bedoeld als bleekveldjes.
Je komt binnen via een poort aan de Westerstraat en een aan de Anjelierstraat.
Ze hebben de vorm van hofjes, maar worden bewoond door gezinnen.
Ook zijn er ramen die op de straat uitkijken en dat is in de authentieke
hofjes niet het geval.
In tegenstelling tot Concordia-noord heeft Concordia-zuid, in de Elandsstraat
183-201, geen monumenten status.
Door de gevel te pleisteren krijgt het complex een fris uiterlijk.
[1872]
In de woningbouw nam men het met de hygiëne
niet zo nauw
In de huizen was vaak geen wc, de beruchte 'boldootkar' haalde eens
per week de poepemmers op.
Kinderen sliepen dicht op elkaar gepakt in bedsteden van twee verdiepingen.
De 'natslapers' beneden in een soort uitschuif lade.
Steenkool was duur, dus stookte men kolengruis.
Om te voorkomen dat het meteen door het rooster zakte werd het eerst
nat gemaakt waardoor dat verschrikkelijk walmde.
Onderzoek
van de Amsterdamse Gezondheidscommissie
Men komt er achter dat er met de komst van de bouwverenigingen weliswaar
nieuwe woningen bij komen,
maar dat driekwart van de kelderwoningen in de stad onbewoonbaar verklaard
moet worden.

Aletta
Jacobs, de eerste vrouwelijke arts
Ze zet zich heel praktisch in voor de hygiëne in de Jordaan en
houdt gratis spreekuur in de Tichelstraat.
Dat heeft zij 14 jaar lang volgehouden.
Tijdens haar spreekuren merkt Aletta dat veel jonge vrouwen klachten
hebben.
Aletta Jacobs merkt dat de vrouwen zwakker van worden van het opvoeden
van te veel kinderen.
Ze besluit om voorbehoedmiddelen te geven. Daar kwam veel kritiek op.
Men was er fel op tegen dat vrouwen zelf konden kiezen om zwanger te
willen worden of niet.
Wantoestanden
Aletta Jacob vertelde: "Door mijn gratis spreekuren in de Jordaan
gehouden, kwam ik in nauwe aanraking met de arme en armste bevolking
van de hoofdstad. Als de vrouwen of kinderen te ziek waren om mij te
komen consulteren, zocht ik hen dikwijls in eigen woning op. Wat al
ellende heb ik daar aanschouwd! Meer nog dan de vreselijke armoede in
zoo veel gezinnen, troffen mij echter de schandelijke woningtoestanden
in vele armenwijken der stad. Hoe was het mogelijk dat mensen in dergelijke
krotten konden leven? Hoe kwam het dat de overheid die wantoestanden
liet voortbestaan?"
Aletta
Jacobs nam de schrijfster en feministe Helene
Mercier mee op haar bezoeken aan de krotten
Die was sterk onder de indruk en schreef er over in het Sociaal Weekblad.
De saneringswerkzaamheden waren gestaakt omdat de kosten voor filantropische
bouw te hoog waren. Er werd alleen nog in nieuwe buurten gebouwd. Bij
Mercier stond zedelijke en culturele verheffing voorop.
Maar omdat arbeiders niet veel verdienden hadden die weinig te zoeken
bij 'het hogere en het schone'.
Bovendien ging Mercier gemakshalve voorbij aan de bestaande arbeiderssubcultuur,
waarvoor zij weinig waardering op kon brengen.
Zij wantrouwde de socialisten en diskwalificeerde de Sociaal-Democratische
Arbeiderspartij als te 'materialistisch'.
De SDAP zou de zucht naar kennis onder arbeiders, evenals de vrouwenemancipatie,
ondergeschikt maken aan haar eigen revolutionaire doeleinden. Om die
reden voelde Mercier zich meer thuis bij radicaal-liberalen zoals Kerdijk.
Zij zouden zich in 1901 organiseren in de Vrijzinnig-Democratische
Bond,
die de toenemende klassenstrijd juist door middel van sociale hervormingen
wilde temperen.

Lindengracht 206-220 / Bouwonderneming
JORDAAN [1896]
[1895]
Bouwonderneming Jordaan
Oprichter van Jordaan was de tabaksplanter C.W.
Janssen, de eerste direkteur van de onderneming.
Verder de feministische schrijfster Hélène
Mercier, die in vele artikelen op sociale hervormingen had
aangedrongen en door samenwerking van de klassen tot een betere maatschappij
wilde komen.
Ook de architect Jan Ernst van der Pek
en diens echtegenote Louise Went,
de eerste woningopzichteres van de onderneming hoorden bij de initiatiefnemers.
Het aanvangskapitaal van fl. 280.000 kwam van drie tabaksplanters.
Met geld van de directeur van de Deli Maatschappij, P.W. Janssen, de
vader van de oprichter, werden in de Jordaan 131 krotten opgekocht en
verbouwd tot goede arbeiderswoningen.
Mercier geeft de filantroop en suikerrafinadeur W.
Spakler in overweging een daad te stellen, die meer waard
is dan honderd brochures. Ieder blok woningen dat vernieuwd is zal een
signaal zijn, een steen des aanstoots, om tot staatshulp te komen.
Er moeten ook vrouwelijke ambtenaren bij de woningdienst komen
Louise
Went maakte studie van het werk van Oktavia
Hill die in Londen aan sociale woningbouw werkte.
Een belangrijk aspect was dat het niet alleen ging om verbeteren en
verhuren van de woningen,
maar ook om het persoonlijke contact bij het ophalen van de huur en
hulp geven bij problemen.
Overheidsbemoeienis kon nooit de plaats innemen van het particulier
initiatief. zuivere belangstelling in elkanders persoon en
lot zijn gegroeid, die vanzelf tot een vriendschappelijke omgang leidt.'
De
woningen kregen een eigen opgang, aparte slaapkamers en een balkon.
En wat belangrijk was, de bewoners kregen een eigen sleutel.
De laagste huur was fl.1,70 per week maar helaas konden veel weggesaneerde
Jordaners die niet betalen.
Bouwonderneming 'Jordaan' is in 1971 opgedoekt en de twee blokken die
gebouwd zijn aan de Lindengracht en de Goudsbloemstraat werden aan een
particulier verkocht.
[1875]
Amsterdamsche Vereeniging tot het bouwen van Arbeiderswoningen
De bouw van 774 zogenoemde rug-aan-rugwoningen
zoals die in de Marnixstraat zijn niet te betalen voor de duizenden
kelderbewoners.
Huurverlaging wordt als 'socialistisch' van de hand gewezen. Grondspeculatie
houdt de bouw van nieuwe arbeiderswoningen tegen en het slopen van krotten
wordt door omslachtige procedures tegengewerkt.
'In een vochtig, vettig slop in Amsterdam bewoonden wij met z'n allen
een vertrek.
Het was een kamer waar de zon nooit doordrong; 's winters was het een
grot vol nattigheid en kou en 's zomers werden we ziek van de klamme
hitte. Er was niets dan een bedstee die een eind van de grond afstond,
net als in een vissersschuit,
en die in een boven- en onderhelft verdeeld was, zodat je als in een
kast met planken lag.
Vader en moeder sliepen beneden, een paar kinderen boven, de anderen
op de grond waar 's avonds een strozak op gelegd werd. In een hoek een
ton die het gezin tot plee diende, in de andere de vuile luiers en verder
alle rommel die je in zo'n onderkomen huishouden kon verwachten. De
rook van vaders pijp en de uitwaseming van tien arme mensen maakte dat
je in de kamer aan een stuk door naar lucht zat te happen."
Uit: 'Dagen van hoger en ellende' door Neel
Doff
[1898]
NV Woningmaatschappij Oud Amsterdam
De Sociale woningbouw in de Jordaan is in gang gezet door de Woningmaatschappij
Oud Amsterdam.
Grote initiatiefnemer voor deze maatschappij was directrice Johanna
ter Meulen.
De panden aan de Tuinstraat 137 t/m 143 en 166 t/m 172 zijn begin 1900
uit de grond gestampt.
Ter nagedachtenis aan haar is een gedenkplaat ingemetseld in de Tuinstraat
nr. 170.
Toen Johanna ter Meulen terug was van haar stage bij Oktavia Hill in
Londen kocht zij op een veiling het pand Tuinstraat 99. Suikerraffinadeur
W.Spakler gaf haar fl. 400,- voor
ververbetering van de woningen.
Even verder in de straat liet Spakler 24 woningen bouwen. Die leken
op de woningen van Bouwonderneming Jordaan.
De vorm was vergelijkbaar met een enkele poort en trap tussen voor en
achterhuis.
De inspecteur van bouwtoezicht begreep wel dat de architect de boel
zo goedkoop mogelijk moest ontwerpen,
maar vond die enkele trap voor vijftien woningen gevaarlijk. Er moest
aan de achterkant een ijzeren noodtrap geplaatst worden.
Na de komst van de Woningwet was Oud Amsterdam in 1905 de eerste officiële
corporatie.

De situatie vóór
1898
[1901]
Woningwet
De wet is ingevoerd onder het Kabinet Pierson
en kwam in werking op 1 augustus 1902
De Woningwet was voor die tijd revolutionair omdat zij, in een tijd
waarin liberale beginselen hoogtij vierden, overheidsinmenging mogelijk
maakte op het gebied van de volkshuisvesting.
Voortaan moesten gemeenten een bouwverordening opstellen en een uitbreidingsplan.
Analoog hieraan werden een aantal maatregelen mogelijk gemaakt.
Zo kon er tegen de wil van de particuliere eigenaar overgegaan worden
tot onbewoonbaarverklaring als een woning te verwaarloosd was.
Met de Woningwet in de arm konden gemeenten zo overgaan tot onbewoonbaarverklaring,
onteigening en krotopruiming.
Een andere belangrijke mogelijkheid die de Woningwet bood was kredietverlening
bij en subsidiering van de nieuwbouw van arbeiderswoningen

Lindengracht
/ Tweekamerwoningen en winkels / Goudsbloemstraat / Voor- en achterhuizen
éénkamer woningen
[1909-1918]
De eerste woningwetwoningen
Er werden veel instellingen opgericht die iets aan de schrijnende woonomstandigheden
wilden doen.
Een gedeelte kwam voort uit de eerder genoemde semi-filantropische organisaties,
terwijl een ander gedeelte voortkwam uit emancipatiebewegingen, Eigen
Haard met een sociaal-democratisch karakter, Patrimonium
protestants,
Het Oosten en dr.
Schaepman, katholiek.
Ook waren er verenigingen van spoorwegpersoneel, onderwijzers,
ACOB, en de arbeiders van de gemeentetram, Rochdale.
Amsterdam is eigenlijk de enige Nederlandse stad
waar al voor de Eerste Wereldoorlog sociale woningbouw van enige omvang
tot stand kwam.
De
gemeentelijke dienst Bouw- en Woningtoezicht
Deze dienst wordt al voor de Woningwet onder leiding van burgemeester
Tellegen ingesteld
omdat diverse panden in de Jordaan spontaan instorten.
[1914]
Het gaat de SDAP veel te langzaam
De gemeente moet zelf ten minste tweeduizend betaalbare woningen laten
bouwen.
Wibaut die inmiddels wethouder is,
verhoogt dat aantal zelfs tot 3500. De rijksoverheid en de gemeente
zijn bereid te betalen.
Het beheer wordt overgelaten aan woningbouwverenigingen als die tenminste
neutraal zijn.
De ambitieuze bouwplannen worden door de Eerste Wereldoorlog opgeschort.
[1915]
de Woningdienst wordt opgericht
[1917]
De gemeente koopt het hele woningbezit van
Concordia

Wethouder Lammers slaat eerste
paal op de Lindengracht
[1950]
Wederopbouw
Vanaf het tot stand komen van de Woningwet tot 1940 worden in ons land
ruim een miljoen woningwetwoningen gebouwd.
In de Tweede Wereldoorlog worden tachtigduizend woningen verwoest.
Daarna is er in de naoorlogse jaren gebrek aan bouwmateriaal en mankracht.
Pas midden jaren vijftig komt de bouwproductie ook in Amsterdam weer
redelijk op gang.
Wederopbouw is de slogan. Eerste steenleggingen en heimachines worden
bijna vaste items in het Polygoonjournaal.
[1962]
De miljoenste naoorlogse nieuwbouwwoning
[1973 ]
Oplevering van ruim anderhalf miljoen woningen
in een jaar tijd
[1983]
Weg met de rug aan rug woningen
Het Gemeentelijk Woningbedrijf Amsterdam geeft opdracht de rug aan rug
woninkjes tot driekamerwoningen te verbouwen
en ook op de bergzolders woningen te plaatsen.
Er kwamen zelfs woningen met een dakterras.
Omdat het complex een monumentstatus heeft zijn veel oorspronkelijke
onderdelen gehandhaafd
en is de bakstenen gevel niet gepleisterd.
naar
boven
[1977]
Schetsplan
voor de Jordaan
De
Amsterdamse Jordaan, de beroemdste stadswijk van Nederland, moet nodig
worden opgeknapt
Zoveel huizen zijn in elkaar gezakt, zoveel bedrijfjes hebben zich onbeschaamd
uitgebreid, zoveel auto's en autowrakken maken zich breed op dunne trottoirs,
zoveel mensen, oud en jong, wonen in pijnlijke huisjes, op halve verdiepingen,
in kamers zonder daglicht.
Johnny Jordaan mag dan in iedere jukebox van het land gevoelig zingen
over de Westerstraat, er is helemaal niets aan de Westerstraat.
Nee, er moet iets gebeuren.
De afdeling stadsontwikkeling van de Dienst publieke Werken van de gemeente
Amsterdam vond dat ook, en heeft een schetsplan gemaakt voor een vernieuwde
Jordaan. We hebben het allemaal gekregen, een luxueuze folder in een
heleboel kleuren, met twee plattegronden en verklarende tekst. Het is
nog maar een schetsplan, een voorstudie die eens een bestemmingsplan
kan worden en dat bestemmingsplan zal door de gemeenteraad mogen worden
aangenomen.
Even tijd is er nog wel.
Als je de folder hebt opengevouwen vind je twee kaarten: links de toestand
van het ogenblik, rechts de fantasie van de afdeling Stadsontwikkeling.
De toestand van nu is vaalroze en vaalblauw gekleurd.
De fantasie is veel kloeker van kleur, helder bruin voor nieuwe bebouwing,
fris groen voor bomen en plantsoenen, lekker geel voor voetpaden. Het
blauw van het grachtenwater komt daardoor ook aardiger uit.
Merkwaardig genoeg staan er geen bomen langs de grachten
Ik keek
meteen of ik de vertrouwde wandeling van mijn woning naar mijn werkhok
nog zou kunnen maken, en dat kon, maar tot mijn schrik merkte ik dat
mijn woning verdwenen was en dat mijn werkhok verdwenen was. Ik was
helemaal gesaneerd. Zelfs de straat waar ik zo menige bladzij heb geschreven,
was opgelost in blokjes geel en groen, erg vrolijk.
Ik zag de oude mannen al naast bloembakken op een bankje zitten, tabakspruimen
spugend op de siertegels en sprekend van de goede oude tijd toen op
het terrein van de speeltuin een kroeg stond. Ik ging er gauw heen,
en constateerde dat de kastelein zijn lot dapper droeg. 'Mijn oma',
zei hij, 'dat oude mens is nu vijfendertig jaar dood. De laatste jaren
van haar leven zijn volkomen verpest omdat haar huis zou worden afgebroken
voor het verkeer, hier schuin tegenover, het staat er nog
Onze kiezen zullen niet meer zeer doen als het zover is.'
Er kwam een man binnen die in de buurt een keurig klein hotel had ingericht,
en hij was minder stoïcijns, opgewonden, luid. 'Wat word jij?',
riep hij, 'wat word jij?' 'Ik word een plantsoen', zei ik somber. En
ik word een fietspad', schreeuwde hij, nerveus lachend.
'Kastelein, Fietspad biedt een consumptie aan Plantsoen.' 'En wat word
jij, Kastelein?' 'Ik word nieuwe bebouwing. Dat is vast een pisbak.'
Het werd een vrolijke middag, met op de tapkast de kaart die we van
boom tot boom bekeken, waarom we lachten van voetgangersgebied tot voetgangersgebied,
niet gelovend dat de natuur ons zou gaan verdringen, en toch wantrouwend.
'Je weet het nooit', zei ik, 'ík heb in Rotterdam gewoond, ik
ken die zindelijke plattegronden. Ze zijn heel gevaarlijk.'
'Dat kan toch niet', zei de kastelein. 'Uit alle delen van het land
komen ze naar de Jordaan, al die artiesten en intellectuelen, omdat
het hier tenminste nog een beetje intiem is, en kijk es, die kroeg gaat
weg en die kroeg gaat weg en die kroeg gaat weg, er blijft helemaal
geen een meer over.'
Telkens herhaalde de hotelier: 'Ik word een fietspad. Een rondje voor
Fietspad.'
Een dikke, grijze man had zwijgend op een bankje bij de tapkast gezeten,
bier gedronken, geglimlacht.
'Wat word jij eigenlijk, Harry?', vroeg de kastelein. Ernstig antwoordde
hij: 'Ik word een brug.'
'Echt iets voor Harry', zei de kastelein. 'Die laat over zich lopen.'
Alfred
Kossmann
(1906-1988)
'Schetsplan voor de Jordaan' schreef hij in 1971, toen hij in de Laurierstraat
woonde.
Het werd opgenomen in 'Het grote Nederlandse
verhalenboek'. Een bundel verhalen, gedichten en prenten
in de laatste 50 jaar', uitgegeven door de VARA in 1977. In het kader
van het 50-jarig jubileum van het wijkcentrum in de Jordaan werd het
in de Wijkkrant gepubliceerd.
naar
boven
[1980]
Wederopbouw
Jordaan

Begin
maar alvast
Jan Schaefer - spijkerbroek, open
hemd, informele taal - denderde door de procedures heen:
Belt zo'n ambtenaar uit Den Haag op :
Meneer Schaefer, in dat ene bouwplan, u weet wel, daar wilden wij op
de tweede verdieping toch nog iets...
En dan zeg ik, man, het dak zit er al op.
Kabinet-Den
Uyl
Van
1973 tot 1977 was Schaefer staatssecretaris van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening, belast met stadsvernieuwing.
Hij was de eerste bewindsman die principieel de voorkeur gaf aan renovatie
van oude stadswijken boven afbraak en nieuwbouw.
Aan bureaucratie en langdurige overwegingen had Schaefer een hekel.
'Een politicus', zei hij vaak, 'moet kloten hebben.'
En: 'In gelul kan niemand wonen'
[1978]
Schaefer wethouder en leider van de Amsterdamse
PvdA
Hij bereikte een akkoord voor ingrijpende wijziging van de opvattingen
over stadsvernieuwing.
In plaats van de visie van de uiteengelegde
stad, waarin de overtollige Amsterdammers zouden moeten worden
uitgestrooid over de provincie, kwam nu het idee van de compacte
stad naar voren.
De woningen voor de Amsterdammers in de overloopgebieden moesten voortaan
weer in de stad zelf worden gebouwd.
Wonen, werken, verkeer en voorzieningen werden niet langer gescheiden
behandeld, maar in onderlinge samenhang bezien.
Het
hele bouwproces in één hand
Omdat hij Coördinatie Stadsvernieuwing, Grondzaken, Volkshuisvesting
en Bouw- en Woningtoezicht onder zijn hoede had,
kon hij het gehele bouwproces bepalen.
Toen hij aan de slag ging, was de bouwproductie in de stad minimaal:
in 1978 werden er 530 nieuwe woningen gebouwd.
Maar al snel werden de resultaten van het nieuwe beleid zichtbaar.
Het topjaar was 1984 met een productie van ruim tienduizend nieuwe woningen.
Sindsdien bedroeg de nieuwbouw in de woningsector tot 1992 gemiddeld
rond vijfduizend per jaar.
Onder
Schaefer waren er vaak botsingen met de kraakbeweging
Zodra hij de leiding kreeg over het bouw- en woonbeleid, werd een dubbele
aanpak gevolgd, hard optreden en soepel onderhandelen. Krakers konden
hun pand door de gemeente laten opkopen of hun woonsituatie te laten
legaliseren.
Schaefer had succes: de speelruimte van de kraakbeweging werd behoorlijk
minder.
Tegelijkertijd wierp het beleid van de stadsverdichting zijn vruchten
af.
Het aantal leegstaande panden nam sterk af,
waardoor de gemeente haar imago inzake volkshuisvesting bij de bevolking
sterk verbeterde.
[1983]
De bouwproductie is na een dieptepunt weer
enorm aangetrokken
Er wordt een historisch hoogtepunt bereikt met de bouw van bijna negenduizend
woningen in een jaar.
Het nieuwe
budgetteringssysteem van de overheid helpt.
Het geeft ondernemende gemeenten veel meer vrijheid om de rijksmiddelen
aan te trekken voor specifieke woningbouwprojecten. Daarnaast wordt
jaarlijks tweehonderd miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de stadsvernieuwing.
In die jaren bepaalt de gemeente de woningproductie, waarbij de corporaties
de uitvoering en het beheer in handen hebben.
naar
boven

De Marnixstraat werd breed
opgezet. Niet voor het verkeer, maar omdat er veel kinderen te verwachten
waren
[1997]
Slag
om de Marnixstraat
De rond 1884 gebouwde panden aan de Marnixstraat verkeren in slechte
staat.
Ze staan op de nominatie om gesloopt en vervangen te worden door nieuwbouw.
De buurt verzet zich fel tegen de voorgenomen sloop.
Renovatie is met nieuwbouw te vergelijken wat woningkwaliteit betreft.
De halve rug-aan-rug eenkamerwoningen zijn samengevoegd tot kleine driekamerwoningen.
Ook zijn er 'maisonnettes' met een tuin aan het water.
Marnix III toont aan dat oudere panden in slechte staat
tot woningen met een hedendaagse woonkwaliteit getransformeerd kunnen
worden
achter een zorgvuldig gerestaureerde gevel.
naar boven
Actiecomité JORDAAD
[1999]
Laat
staan de Jordaan
Aanwijzing
Beschermd Stadsgezicht
De binnenstad is door de regering aangewezen als beschermd stadsgezicht.
Dit is gedaan om de historische stedenbouwkundige structuur en het historische
stadsbeeld zo goed mogelijk te beschermen.
Het gaat niet alleen om monumenten,
maar om het totaalbeeld dat gevormd wordt door de gebouwen, straten,
pleinen, grachten, water, bruggen en bomen.
Het beschermde stadsgezicht is geen keurslijf van beperkende regels,
maar juist een instrument om ervoor te zorgen dat op een zorgvuldige
en creatieve wijze richting wordt gegeven aan veranderingsprocessen.
Daarbij vormen de kwaliteiten van de oude stad uitgangspunt en inspiratiebron.
Aldus de officiële bekendmaking.
Nu eens kijken wat er van terecht komt.
naar
boven
|