de Jordaan tussen taal en beeld
> Jordaan index
Nieuwbouw voor arbeidersklasse

Filantropische woningbouw

Huiseigenaren splitsen woningen in éénkamerwoningen
en bouwen huizen op binnenterreinen.
De grachten waren open riolen.
Het eerste rapport over de slechte volkshuisvesting is uit 1853
Sociale woningbouw was volgens liberale opvattingen
geen taak van de overheid.


Willemsstraat
op de plek van het klooster
werden goedkope, voornamelijk éénkamerwoningen
rug aan rug met achterwoningen gebouwd.
Vijf deuren met zestien trekbellen!


Woningbouwcorporaties bouwen filantropische complexen

[1852]
De eerste woningbouwverenigingen werden rond de vorige eeuwwisseling opgericht om verkrotting en woningnood te bestrijden.
Tegenwoordig zijn de corporaties eerder vastgoedconcerns met maatschappelijke taken.
Maar hoe zijn die woningbouwverenigingen ook alweer ontstaan?
Ruim honderd jaar geleden lukte het particulieren niet om de erbarmelijke woonomstandigheden van de arbeiders te verbeteren.


Voor 1898 zag het er zó uit

[1902]
De Woningwet
Particuliere instellingen krijgen subsidie voor het bouwen van woningen.
Voorwaarde is dat het non-profit ondernemingen zijn en dat de woningen uitsluitend voor volkshuisvesting bestemd zijn.
Vooral vanuit de vakbeweging wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt.


Reconstructie van een alkoofwoning rond 1900 / Plattegrond voor- en achterhuis / Poepdoos in de keuken

Hoe zat een arbeiderswoning in de Jordaan in elkaar?

De woningen waren aan het eind van de negentiende eeuw grotendeels alkoofwoningen.
De woning bestond uit één kamer waarin heel het gezin moest wonen: koken, eten en slapen.
Wanneer moeder nog thuisarbeid had aangenomen moest er ook worden gewerkt
Het slaapgedeelte kon bestaan uit bedsteden of het was hooguit afgeschoten met een dun wandje: een alkoof.
Het licht kwam vanuit een gangetje naar binnen, de alkoof had dus geen direct contact met licht en lucht.
In een woonblok moest het toilet gedeeld worden met alle families van de verdieping.
Het toilet stond vaak in de kamer of zelfs in de keuken.
Er was geen rioolaansluiting, er stond onder de houten poepdoos een emmer.
Die emmer kon dan wekelijks worden geloosd in de "De kar van Boldoot"


Aangebouwde keuken



Modelwoningen Passeerdersdwarsstraat / De Fortuinengang Palmstraat

[1803]
Van Arbeiderswoningen naar Volkshuisvesting

Er waren plannen om een fonds te stichten voor het verbeteren van de Volkshuisvesting.
Men vond dat een breder begrip dan zich bij het verbeteren van het woningbestand uitsluitend op arbeiders te richten.
De gedachte was dat het hele oude woonbestand stap voor stap gesaneerd zou worden door vervallen panden te kopen, op te knappen en weer te verkopen. Het beginkapitaal zou uit een schenking moeten bestaan.
Het plan om langs filantropische weg kapitaal te vergaren om 16.000 mensen uit 3650 onbewoonbaar verklaarde kelders te krijgen is niet haalbaar. Het plan lukte niet en slechts op een paar plekken werd gebouwd.
Een blok in de 2e Laurierdwarsstraat bij het Vuile Weespad staat er nog.
De beste optie was het bouwen van éénkamerwoningen met een huur van fl.1,45-fl.1,95 per week en fl.2,20 als er een tuintje bij zat.
Maar de mensen konden niet meer dan fl.0,60-fl.1,45 per week betalen.
Behalve dat zijn deze woningen voor gezinnen met volwassen kinderen van beiderlei geslacht ongeschikt
omdat de kieschheid te kort gedaan wordt.
Om verbetering te bereiken zouden daar minstens woningen met drie slaapkamers voor nodig zijn.
Om op zo weinig mogelijk grond te kunnen bouwen werden rug aan rug woningen met een trap in het midden neergezet.
Het werden een soort kazernewoningen met hier en daar een kleine verbetering ten aanzien van de oude éénkamerwoningen
voor wat betreft luchtverversing en gehorigheid.

[1851]
De Gemeentewet
Thorbecke had gemeentebesturen mogelijkheden gegeven om verordeningen in het belang van een goede openbare volksgezondheid in te stellen. Maar overheidsingrijpen met bouwvergunningen die gebaseerd zijn op opvattingen over bewoonbaarheid, afmetingen van kamers, vensters en trappenhuizen werden als een ontoelaatbaar ingrijpen op het particulier huizenbezit gezien.
Toch was het gelet op alle mogelijke uitbraken van cholera en tyfus zonder meer nodig dat de woonsituatie der arbeiders verbeterd werd.

[1852]
De Amsterdamse Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse
Deze vereniging werd opgericht door de sociaal voelende Amsterdamse zakenlieden Christiaan Pieter van Eeghen, later directeur van de Nederlandse Bank, mr. J. Messchert van Vollenhoven en Joshua van Eik.
Ze wisten de namen van belangrijke geneesheren en gefortuneerde Amsterdamse heren achter een oproep te verzamelen. Negenendertig heren tekende elk voor fl.2000,- in. Dat was een enorm bedrag in een tijd dat de gemiddelde arbeider fl.500,- per jaar verdiende.
Men moest meer aandacht schenken aan de slechte toestand waarin de arbeidersstand moest leven.
De aandacht werd gevestigd op de samenhang tussen woonmilieu en gezondheid en vooral tussen woonmilieu en moraal.
Van de overheid viel in de jaren van het opkomend liberalisme op het punt van verbetering van de woontoestanden weinig te verwachten.
De bouwaannemers stonden ook niet te springen, omdat er weinig winst te maken was.
De arbeiders zelf namen geen initiatieven.
De filantropisch ingestelde heren van Eeghen en van Eik pakten de zaak voortvarend aan door twee particuliere bouwmaatschappijen op te richten. Ze vonden dat hun initiatief geen bevoogdende bijwerking mocht hebben zoals die wel aan vormen van kerkelijke bedeling kleefden.
Als aanhanger van de Reveilbeweging zagen ze de te krappe huisvesting als een bron van onzedelijke samenwoning,
een broeinest van een verschrikkelijke zonde.
Door de buitensporig hoge huren van de zogenoemde 'weekwoningen' bleef weinig over voor behoorlijke kleding en gezonde voeding.


De Goudsbloemgracht in 1853

De Vereniging ging voortvarend te werk.
Op de eerste vergadering werd besloten op Oostenburg een blok woningen te bouwen. In de Passeerdersstraat en de Passeerdersdwarsstraat werden woningen verbeterd of gesloopt en door nieuwe vervangen.
Ook op andere plaatsen in de stad, zoals aan het Smalle Pad, de huidige Planciusstraat, de Jacob van Campenstraat en de Tweede Jan van der Heydenstraat werden nieuwe huizen gebouwd.
Maar het belangrijkste was de verbetering van de krotten aan het Franse Pad, bij de Goudsbloemsgracht, de huidige Willemsstraat.
De arts en wethouder publieke werken, C.E.Heynsius vond het de meest ongezonde buurt van de Jordaan, waar de bewoners voornamelijk op straat leefden waar ze voortdurend ruzie maakten en vechtpartijen aan de orde van de dag waren. Kortom ze leefden buiten de beschaafde maatschappij.

Sociale woningbouw was nieuw voor architecten
Behalve dat ze er geen ervaring mee hadden vonden ze dat er geen eer mee te behalen was.
Bovendien was het lastig om met een beperkt budget en een zeer strikt programma van eisen iets moois te maken.
Men bestudeerde Engelse voorbeelden van sociale woningbouw.
De Maatschappij ter Bevordering van de Bouwkunst schreef een prijsvraag uit voor het bouwen van goede arbeiderswoningen.
Die werd gewonnen door de architect J.H. Leliman, maar het was architect P.J. Hamer, de vaste architect van een aantal woningbouwverenigingen die zich intensief met volkshuisvesting bezig hield.

[1853]
Het initiatief van de Vereeniging t.b.v.d. Arbeidersklasse vond navolging
De bouwvereniging Salerno werd opgericht.
Die werd genoemd naar de Italiaanse stad waar woningbouw op basis van geneeskundige adviezen plaatsvond.
Salerno is voortgekomen uit de Maatschappij tot Nut van het Algemeen.
De Vereeniging uit de Reveil beweging en waar die probeerde krotten af te breken en daar nieuwbouw op te plegen,
bouwde Salerno voornamelijk op onbebouwde grond.

Later volgden de bouwmaatschappijen Concordia, de Bouwkas en Maatschappij tot het verkrijgen van Eigen Woningen.
Gedurende de jaren '90 van de 19e eeuw nam de invloed van de Vereeniging af.
De stijgende grondprijzen maakten het haar moeilijk om op grote schaal te bouwen.
Daar kwam nog bij dat in 1902 de Woningwet werd ingevoerd,
waarmee de mogelijkheid werd gegeven om met overheidssteun huizen te bouwen.
Het particulier initiatief werd daarmee overheidstaak. In Amsterdam werd een groot aantal verenigingen opgericht.
De Vereeniging t.b.v.d. Arbeidersklasse besloot om zich alleen nog bezig te houden met het verhuren, verbeteren en moderniseren
van de woningen die al in haar bezit waren.

[1962]
De Vereeniging t.b.v.d. Arbeidersklasse stelt aan het gemeentebestuur voor om de aandelen over te nemen.
De gemeente ging hierop in en werd daarmee de eigenaar van het bezit van de Vereniging.

[1973]
Het beheer van de panden wordt overgedragen aan het Gemeentelijk Woningbedrijf
omdat het steeds moeilijker werd om onderhoud, beheer en verzekeringen uit de huuropbrengsten te betalen.
Het bezit is toen niet aangekocht.

[1984]
De gemeente koopt het huizenbezit van de Vereeniging.
Deze aankoop betekende het einde van de Amsterdamse Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse


Bloemstraat 54-56

Zes woningen van de Vereeniging tot ondersteuning van Minvermogenden



Interieur van een krotwoning

[1860-1870]
De Jordaan wordt gesaneerd

Al vanaf 1854 heeft de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse op de Goudsbloemgracht perceeltjes en erven opgekocht.
Van Eeghen kocht zelf, op eigen kosten, de hoek Elandsstraat, Lijnbaansgracht, Lijnbaansstraat,
en van Lennep percelen tussen de Westerstraat en de Anjerliersstraat.
De bezittingen van deze heren worden ondergebracht in de Bouwmaatschappij Concordia NV.
J van Eik richt de Stichting voor den Arbeidersstand Constantiawoningen op.
Er komen woningen aan de Willemsstraat 149-165. Minvermogende werklieden ouder dan 60 jaar konden er kosteloos wonen,
als ze tenminste twaalf jaar voor één patroon hadden gewerkt.
De woningen werden genoemd naar de vrouw van Van Eik, Constantia van Loon.


Willemsstraat hoek Lijnbaansgracht [1902]

De woningen aan de Willemsstraat waren uit kostenbesparende overwegingen etagewoningen.
De Constantia-woningen waren anders en leken meer op hofjeswoningen
namelijk een gesloten blok van lage simpele woningen rond een binnenterrein met bleekveld en pomp.
De regentenkamer en een kapel ontbraken vanzelfsprekend.
Oorspronkelijk waren er 36 kleine woonvertrekken.
Het lukte architect Hamer de woningen met minimale middelen een zekere standing te verlenen.
Een houten classicistisch poortje, met pilasters en driehoekig fronton leidt naar de binnenplaats.
Onder het fronton is de naam 'Constantia' aangebracht.
Na de dood van het echtpaar Van Eik werd het hofje beheerd door de Van Eik stichting.


Willemsstraat / Constantia-woningen

De bouw maakt deel uit van de stadssanering in de Jordaan, die begon met de demping van de Goudsbloemgracht in 1856.
De huisjesmelkers gingen woningen en opslagkelders splitsen in éénkamerwoningen,
en bouwden, meestal zonder vergunning, huizen op binnenterreinen, die door een gang met de straat verbonden waren.
De bouw was slecht, de huizen verzakten. Sanitaire voorzieningen waren er niet en de grachten werden open riolen.
Al in 1853 was vastgesteld dat de Jordaan verkrot was, maar volgens de liberalen hoorde sociale woningbouw niet bij de taken van de overheid. Van Eeghen en zijn rijke vrienden kregen het voor elkaar dat een groot aantal grachten in de Jordaan uit sanitaire overwegingen gedempt werden.
In de Jordaan zijn meerdere filantropische woningbouwprojecten van het eerste uur te vinden.

Overigens zetten de heren, maar vooral van Eeghen, zich ook in voor een betere groenvoorziening in de hele stad.
Ze namen bijvoorbeeld het initiatief voor de aanleg van een Rij- en Wandelpark, het Vondelspark.

[1858]
Van Eeghen koopt Het hof van Parijs,
Het is een berucht en miserabel slop aan de Elandsstraat.
Er wonen arme straathandelaren en voddenrapers, zogenoemde 'Morgensterren'.
Tien inpandige woninkjes worden verbeterd, maar dat is niet voldoende.


Elandsstraat / Hof van Parijs [1902] Voorheen Katteklatersgang

[1902]
Het hof van Parijs wordt afgebroken en op een ruimere schaal herbouwd.

[1864]
Concordia-noord Westerstraat 215-289
Hier werden in 1864 drie bouwblokken neergezet met ertussen twee binnenplaatsen, oorspronkelijk bedoeld als bleekveldjes.
Je komt binnen via een poort aan de Westerstraat en een aan de Anjelierstraat.
Ze hebben de vorm van hofjes, maar worden bewoond door gezinnen.
Ook zijn er ramen die op de straat uitkijken en dat is in de authentieke hofjes niet het geval.
In tegenstelling tot Concordia-noord heeft Concordia-zuid, in de Elandsstraat 183-201, geen monumenten status.
Door de gevel te pleisteren krijgt het complex een fris uiterlijk.

[1872]
In de woningbouw nam men het met de hygiëne niet zo nauw
In de huizen was vaak geen wc, de beruchte 'boldootkar' haalde eens per week de poepemmers op.
Kinderen sliepen dicht op elkaar gepakt in bedsteden van twee verdiepingen. De 'natslapers' beneden in een soort uitschuif lade.
Steenkool was duur, dus stookte men kolengruis.
Om te voorkomen dat het meteen door het rooster zakte werd het eerst nat gemaakt waardoor dat verschrikkelijk walmde.

Onderzoek van de Amsterdamse Gezondheidscommissie
Men komt er achter dat er met de komst van de bouwverenigingen weliswaar nieuwe woningen bij komen,
maar dat driekwart van de kelderwoningen in de stad onbewoonbaar verklaard moet worden.


Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts

Ze zet zich heel praktisch in voor de hygiëne in de Jordaan en houdt gratis spreekuur in de Tichelstraat.
Dat heeft zij 14 jaar lang volgehouden.
Tijdens haar spreekuren merkt Aletta dat veel jonge vrouwen klachten hebben.
Aletta Jacobs merkt dat de vrouwen zwakker van worden van het opvoeden van te veel kinderen.
Ze besluit om voorbehoedmiddelen te geven. Daar kwam veel kritiek op.
Men was er fel op tegen dat vrouwen zelf konden kiezen om zwanger te willen worden of niet.

Wantoestanden
Aletta Jacob vertelde: "Door mijn gratis spreekuren in de Jordaan gehouden, kwam ik in nauwe aanraking met de arme en armste bevolking van de hoofdstad. Als de vrouwen of kinderen te ziek waren om mij te komen consulteren, zocht ik hen dikwijls in eigen woning op. Wat al ellende heb ik daar aanschouwd! Meer nog dan de vreselijke armoede in zoo veel gezinnen, troffen mij echter de schandelijke woningtoestanden in vele armenwijken der stad. Hoe was het mogelijk dat mensen in dergelijke krotten konden leven? Hoe kwam het dat de overheid die wantoestanden liet voortbestaan?"

Aletta Jacobs nam de schrijfster en feministe Helene Mercier mee op haar bezoeken aan de krotten
Die was sterk onder de indruk en schreef er over in het Sociaal Weekblad.
De saneringswerkzaamheden waren gestaakt omdat de kosten voor filantropische bouw te hoog waren. Er werd alleen nog in nieuwe buurten gebouwd. Bij Mercier stond zedelijke en culturele verheffing voorop.
Maar omdat arbeiders niet veel verdienden hadden die weinig te zoeken bij 'het hogere en het schone'.
Bovendien ging Mercier gemakshalve voorbij aan de bestaande arbeiderssubcultuur, waarvoor zij weinig waardering op kon brengen.
Zij wantrouwde de socialisten en diskwalificeerde de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij als te 'materialistisch'.
De SDAP zou de zucht naar kennis onder arbeiders, evenals de vrouwenemancipatie, ondergeschikt maken aan haar eigen revolutionaire doeleinden. Om die reden voelde Mercier zich meer thuis bij radicaal-liberalen zoals Kerdijk.
Zij zouden zich in 1901 organiseren in de Vrijzinnig-Democratische Bond,
die de toenemende klassenstrijd juist door middel van sociale hervormingen wilde temperen.




Lindengracht 206-220 / Bouwonderneming JORDAAN [1896]

[1895]
Bouwonderneming Jordaan
Oprichter van Jordaan was de tabaksplanter C.W. Janssen, de eerste direkteur van de onderneming.
Verder de feministische schrijfster Hélène Mercier, die in vele artikelen op sociale hervormingen had aangedrongen en door samenwerking van de klassen tot een betere maatschappij wilde komen.
Ook de architect Jan Ernst van der Pek en diens echtegenote Louise Went, de eerste woningopzichteres van de onderneming hoorden bij de initiatiefnemers.
Het aanvangskapitaal van fl. 280.000 kwam van drie tabaksplanters.
Met geld van de directeur van de Deli Maatschappij, P.W. Janssen, de vader van de oprichter, werden in de Jordaan 131 krotten opgekocht en verbouwd tot goede arbeiderswoningen.
Mercier geeft de filantroop en suikerrafinadeur W. Spakler in overweging een daad te stellen, die meer waard is dan honderd brochures. Ieder blok woningen dat vernieuwd is zal een signaal zijn, een steen des aanstoots, om tot staatshulp te komen.
Er moeten ook vrouwelijke ambtenaren bij de woningdienst komen

Louise Went maakte studie van het werk van Oktavia Hill die in Londen aan sociale woningbouw werkte.
Een belangrijk aspect was dat het niet alleen ging om verbeteren en verhuren van de woningen,
maar ook om het persoonlijke contact bij het ophalen van de huur en hulp geven bij problemen.
Overheidsbemoeienis kon nooit de plaats innemen van het particulier initiatief. zuivere belangstelling in elkanders persoon en
lot zijn gegroeid, die vanzelf tot een vriendschappelijke omgang leidt.'

De woningen kregen een eigen opgang, aparte slaapkamers en een balkon.
En wat belangrijk was, de bewoners kregen een eigen sleutel.
De laagste huur was fl.1,70 per week maar helaas konden veel weggesaneerde Jordaners die niet betalen.
Bouwonderneming 'Jordaan' is in 1971 opgedoekt en de twee blokken die gebouwd zijn aan de Lindengracht en de Goudsbloemstraat werden aan een particulier verkocht.

[1875]
Amsterdamsche Vereeniging tot het bouwen van Arbeiderswoningen

De bouw van 774 zogenoemde rug-aan-rugwoningen zoals die in de Marnixstraat zijn niet te betalen voor de duizenden kelderbewoners.
Huurverlaging wordt als 'socialistisch' van de hand gewezen. Grondspeculatie houdt de bouw van nieuwe arbeiderswoningen tegen en het slopen van krotten wordt door omslachtige procedures tegengewerkt.

'In een vochtig, vettig slop in Amsterdam bewoonden wij met z'n allen een vertrek.
Het was een kamer waar de zon nooit doordrong; 's winters was het een grot vol nattigheid en kou en 's zomers werden we ziek van de klamme hitte. Er was niets dan een bedstee die een eind van de grond afstond, net als in een vissersschuit,
en die in een boven- en onderhelft verdeeld was, zodat je als in een kast met planken lag.
Vader en moeder sliepen beneden, een paar kinderen boven, de anderen op de grond waar 's avonds een strozak op gelegd werd. In een hoek een ton die het gezin tot plee diende, in de andere de vuile luiers en verder alle rommel die je in zo'n onderkomen huishouden kon verwachten. De rook van vaders pijp en de uitwaseming van tien arme mensen maakte dat je in de kamer aan een stuk door naar lucht zat te happen."


Uit: 'Dagen van hoger en ellende' door Neel Doff


[1898]
NV Woningmaatschappij Oud Amsterdam
De Sociale woningbouw in de Jordaan is in gang gezet door de Woningmaatschappij Oud Amsterdam.
Grote initiatiefnemer voor deze maatschappij was directrice Johanna ter Meulen.
De panden aan de Tuinstraat 137 t/m 143 en 166 t/m 172 zijn begin 1900 uit de grond gestampt.
Ter nagedachtenis aan haar is een gedenkplaat ingemetseld in de Tuinstraat nr. 170.
Toen Johanna ter Meulen terug was van haar stage bij Oktavia Hill in Londen kocht zij op een veiling het pand Tuinstraat 99. Suikerraffinadeur W.Spakler gaf haar fl. 400,- voor ververbetering van de woningen.
Even verder in de straat liet Spakler 24 woningen bouwen. Die leken op de woningen van Bouwonderneming Jordaan.
De vorm was vergelijkbaar met een enkele poort en trap tussen voor en achterhuis.
De inspecteur van bouwtoezicht begreep wel dat de architect de boel zo goedkoop mogelijk moest ontwerpen,
maar vond die enkele trap voor vijftien woningen gevaarlijk. Er moest aan de achterkant een ijzeren noodtrap geplaatst worden.
Na de komst van de Woningwet was Oud Amsterdam in 1905 de eerste officiële corporatie.




De situatie vóór 1898

[1901]
Woningwet

De wet is ingevoerd onder het Kabinet Pierson en kwam in werking op 1 augustus 1902
De Woningwet was voor die tijd revolutionair omdat zij, in een tijd waarin liberale beginselen hoogtij vierden, overheidsinmenging mogelijk maakte op het gebied van de volkshuisvesting.
Voortaan moesten gemeenten een bouwverordening opstellen en een uitbreidingsplan.
Analoog hieraan werden een aantal maatregelen mogelijk gemaakt.
Zo kon er tegen de wil van de particuliere eigenaar overgegaan worden tot onbewoonbaarverklaring als een woning te verwaarloosd was.
Met de Woningwet in de arm konden gemeenten zo overgaan tot onbewoonbaarverklaring, onteigening en krotopruiming.
Een andere belangrijke mogelijkheid die de Woningwet bood was kredietverlening bij en subsidiering van de nieuwbouw van arbeiderswoningen


Lindengracht / Tweekamerwoningen en winkels / Goudsbloemstraat / Voor- en achterhuizen éénkamer woningen

[1909-1918]
De eerste woningwetwoningen

Er werden veel instellingen opgericht die iets aan de schrijnende woonomstandigheden wilden doen.
Een gedeelte kwam voort uit de eerder genoemde semi-filantropische organisaties, terwijl een ander gedeelte voortkwam uit emancipatiebewegingen, Eigen Haard met een sociaal-democratisch karakter, Patrimonium protestants,
Het Oosten en dr. Schaepman, katholiek.
Ook waren er verenigingen van spoorwegpersoneel, onderwijzers, ACOB, en de arbeiders van de gemeentetram, Rochdale.
Amsterdam is eigenlijk de enige Nederlandse stad
waar al voor de Eerste Wereldoorlog sociale woningbouw van enige omvang tot stand kwam.

De gemeentelijke dienst Bouw- en Woningtoezicht
Deze dienst wordt al voor de Woningwet onder leiding van burgemeester Tellegen ingesteld
omdat diverse panden in de Jordaan spontaan instorten.

[1914]
Het gaat de SDAP veel te langzaam
De gemeente moet zelf ten minste tweeduizend betaalbare woningen laten bouwen.
Wibaut die inmiddels wethouder is, verhoogt dat aantal zelfs tot 3500. De rijksoverheid en de gemeente zijn bereid te betalen.
Het beheer wordt overgelaten aan woningbouwverenigingen als die tenminste neutraal zijn.
De ambitieuze bouwplannen worden door de Eerste Wereldoorlog opgeschort.

[1915]
de Woningdienst wordt opgericht

[1917]
De gemeente koopt het hele woningbezit van Concordia



Wethouder Lammers slaat eerste paal op de Lindengracht

[1950]
Wederopbouw

Vanaf het tot stand komen van de Woningwet tot 1940 worden in ons land ruim een miljoen woningwetwoningen gebouwd.
In de Tweede Wereldoorlog worden tachtigduizend woningen verwoest.
Daarna is er in de naoorlogse jaren gebrek aan bouwmateriaal en mankracht.
Pas midden jaren vijftig komt de bouwproductie ook in Amsterdam weer redelijk op gang.
Wederopbouw is de slogan. Eerste steenleggingen en heimachines worden bijna vaste items in het Polygoonjournaal.

[1962]
De miljoenste naoorlogse nieuwbouwwoning

[1973 ]
Oplevering van ruim anderhalf miljoen woningen in een jaar tijd

[1983]
Weg met de rug aan rug woningen
Het Gemeentelijk Woningbedrijf Amsterdam geeft opdracht de rug aan rug woninkjes tot driekamerwoningen te verbouwen
en ook op de bergzolders woningen te plaatsen.
Er kwamen zelfs woningen met een dakterras.
Omdat het complex een monumentstatus heeft zijn veel oorspronkelijke onderdelen gehandhaafd
en is de bakstenen gevel niet gepleisterd.

naar boven


[1977]
Schetsplan voor de Jordaan

De Amsterdamse Jordaan, de beroemdste stadswijk van Nederland, moet nodig worden opgeknapt
Zoveel huizen zijn in elkaar gezakt, zoveel bedrijfjes hebben zich onbeschaamd uitgebreid, zoveel auto's en autowrakken maken zich breed op dunne trottoirs, zoveel mensen, oud en jong, wonen in pijnlijke huisjes, op halve verdiepingen, in kamers zonder daglicht.
Johnny Jordaan mag dan in iedere jukebox van het land gevoelig zingen over de Westerstraat, er is helemaal niets aan de Westerstraat.
Nee, er moet iets gebeuren.

De afdeling stadsontwikkeling van de Dienst publieke Werken van de gemeente Amsterdam vond dat ook, en heeft een schetsplan gemaakt voor een vernieuwde Jordaan. We hebben het allemaal gekregen, een luxueuze folder in een heleboel kleuren, met twee plattegronden en verklarende tekst. Het is nog maar een schetsplan, een voorstudie die eens een bestemmingsplan kan worden en dat bestemmingsplan zal door de gemeenteraad mogen worden aangenomen.
Even tijd is er nog wel.

Als je de folder hebt opengevouwen vind je twee kaarten: links de toestand van het ogenblik, rechts de fantasie van de afdeling Stadsontwikkeling. De toestand van nu is vaalroze en vaalblauw gekleurd.
De fantasie is veel kloeker van kleur, helder bruin voor nieuwe bebouwing, fris groen voor bomen en plantsoenen, lekker geel voor voetpaden. Het blauw van het grachtenwater komt daardoor ook aardiger uit.

Merkwaardig genoeg staan er geen bomen langs de grachten… Ik keek meteen of ik de vertrouwde wandeling van mijn woning naar mijn werkhok nog zou kunnen maken, en dat kon, maar tot mijn schrik merkte ik dat mijn woning verdwenen was en dat mijn werkhok verdwenen was. Ik was helemaal gesaneerd. Zelfs de straat waar ik zo menige bladzij heb geschreven, was opgelost in blokjes geel en groen, erg vrolijk.

Ik zag de oude mannen al naast bloembakken op een bankje zitten, tabakspruimen spugend op de siertegels en sprekend van de goede oude tijd toen op het terrein van de speeltuin een kroeg stond. Ik ging er gauw heen, en constateerde dat de kastelein zijn lot dapper droeg. 'Mijn oma', zei hij, 'dat oude mens is nu vijfendertig jaar dood. De laatste jaren van haar leven zijn volkomen verpest omdat haar huis zou worden afgebroken voor het verkeer, hier schuin tegenover, het staat er nog…
Onze kiezen zullen niet meer zeer doen als het zover is.'

Er kwam een man binnen die in de buurt een keurig klein hotel had ingericht, en hij was minder stoïcijns, opgewonden, luid. 'Wat word jij?', riep hij, 'wat word jij?' 'Ik word een plantsoen', zei ik somber. En ik word een fietspad', schreeuwde hij, nerveus lachend.
'Kastelein, Fietspad biedt een consumptie aan Plantsoen.' 'En wat word jij, Kastelein?' 'Ik word nieuwe bebouwing. Dat is vast een pisbak.'

Het werd een vrolijke middag, met op de tapkast de kaart die we van boom tot boom bekeken, waarom we lachten van voetgangersgebied tot voetgangersgebied, niet gelovend dat de natuur ons zou gaan verdringen, en toch wantrouwend.
'Je weet het nooit', zei ik, 'ík heb in Rotterdam gewoond, ik ken die zindelijke plattegronden. Ze zijn heel gevaarlijk.'
'Dat kan toch niet', zei de kastelein. 'Uit alle delen van het land komen ze naar de Jordaan, al die artiesten en intellectuelen, omdat het hier tenminste nog een beetje intiem is, en kijk es, die kroeg gaat weg en die kroeg gaat weg en die kroeg gaat weg, er blijft helemaal geen een meer over.'
Telkens herhaalde de hotelier: 'Ik word een fietspad. Een rondje voor Fietspad.'
Een dikke, grijze man had zwijgend op een bankje bij de tapkast gezeten, bier gedronken, geglimlacht.
'Wat word jij eigenlijk, Harry?', vroeg de kastelein. Ernstig antwoordde hij: 'Ik word een brug.'
'Echt iets voor Harry', zei de kastelein. 'Die laat over zich lopen.'

Alfred Kossmann (1906-1988)
'Schetsplan voor de Jordaan' schreef hij in 1971, toen hij in de Laurierstraat woonde.
Het werd opgenomen in 'Het grote Nederlandse verhalenboek'. Een bundel verhalen, gedichten en prenten in de laatste 50 jaar', uitgegeven door de VARA in 1977. In het kader van het 50-jarig jubileum van het wijkcentrum in de Jordaan werd het in de Wijkkrant gepubliceerd.

naar boven


[1980]
Wederopbouw Jordaan

Begin maar alvast
Jan Schaefer - spijkerbroek, open hemd, informele taal - denderde door de procedures heen:
Belt zo'n ambtenaar uit Den Haag op :
Meneer Schaefer, in dat ene bouwplan, u weet wel, daar wilden wij op de tweede verdieping toch nog iets...
En dan zeg ik, man, het dak zit er al op.

Kabinet-Den Uyl
Van 1973 tot 1977 was Schaefer staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, belast met stadsvernieuwing.
Hij was de eerste bewindsman die principieel de voorkeur gaf aan renovatie van oude stadswijken boven afbraak en nieuwbouw.
Aan bureaucratie en langdurige overwegingen had Schaefer een hekel. 'Een politicus', zei hij vaak, 'moet kloten hebben.'
En: 'In gelul kan niemand wonen'

[1978]
Schaefer wethouder en leider van de Amsterdamse PvdA

Hij bereikte een akkoord voor ingrijpende wijziging van de opvattingen over stadsvernieuwing.
In plaats van de visie van de uiteengelegde stad, waarin de overtollige Amsterdammers zouden moeten worden uitgestrooid over de provincie, kwam nu het idee van de compacte stad naar voren.
De woningen voor de Amsterdammers in de overloopgebieden moesten voortaan weer in de stad zelf worden gebouwd.
Wonen, werken, verkeer en voorzieningen werden niet langer gescheiden behandeld, maar in onderlinge samenhang bezien.

Het hele bouwproces in één hand
Omdat hij Coördinatie Stadsvernieuwing, Grondzaken, Volkshuisvesting en Bouw- en Woningtoezicht onder zijn hoede had,
kon hij het gehele bouwproces bepalen.
Toen hij aan de slag ging, was de bouwproductie in de stad minimaal: in 1978 werden er 530 nieuwe woningen gebouwd.
Maar al snel werden de resultaten van het nieuwe beleid zichtbaar.
Het topjaar was 1984 met een productie van ruim tienduizend nieuwe woningen.
Sindsdien bedroeg de nieuwbouw in de woningsector tot 1992 gemiddeld rond vijfduizend per jaar.

Onder Schaefer waren er vaak botsingen met de kraakbeweging
Zodra hij de leiding kreeg over het bouw- en woonbeleid, werd een dubbele aanpak gevolgd, hard optreden en soepel onderhandelen. Krakers konden hun pand door de gemeente laten opkopen of hun woonsituatie te laten legaliseren.
Schaefer had succes: de speelruimte van de kraakbeweging werd behoorlijk minder.
Tegelijkertijd wierp het beleid van de stadsverdichting zijn vruchten af.
Het aantal leegstaande panden nam sterk af,
waardoor de gemeente haar imago inzake volkshuisvesting bij de bevolking sterk verbeterde.

[1983]
De bouwproductie is na een dieptepunt weer enorm aangetrokken
Er wordt een historisch hoogtepunt bereikt met de bouw van bijna negenduizend woningen in een jaar.
Het nieuwe budgetteringssysteem van de overheid helpt.
Het geeft ondernemende gemeenten veel meer vrijheid om de rijksmiddelen aan te trekken voor specifieke woningbouwprojecten. Daarnaast wordt jaarlijks tweehonderd miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de stadsvernieuwing.
In die jaren bepaalt de gemeente de woningproductie, waarbij de corporaties de uitvoering en het beheer in handen hebben.


naar boven



De Marnixstraat werd breed opgezet. Niet voor het verkeer, maar omdat er veel kinderen te verwachten waren

[1997]
Slag om de Marnixstraat

De rond 1884 gebouwde panden aan de Marnixstraat verkeren in slechte staat.
Ze staan op de nominatie om gesloopt en vervangen te worden door nieuwbouw.
De buurt verzet zich fel tegen de voorgenomen sloop.
Renovatie is met nieuwbouw te vergelijken wat woningkwaliteit betreft.
De halve rug-aan-rug eenkamerwoningen zijn samengevoegd tot kleine driekamerwoningen.
Ook zijn er 'maisonnettes' met een tuin aan het water.
Marnix III toont aan dat oudere panden in slechte staat
tot woningen met een hedendaagse woonkwaliteit getransformeerd kunnen worden
achter een zorgvuldig gerestaureerde gevel.

naar boven



Actiecomité JORDAAD

[1999
]
Laat staan de Jordaan

Aanwijzing Beschermd Stadsgezicht
De binnenstad is door de regering aangewezen als beschermd stadsgezicht.
Dit is gedaan om de historische stedenbouwkundige structuur en het historische stadsbeeld zo goed mogelijk te beschermen.
Het gaat niet alleen om monumenten,
maar om het totaalbeeld dat gevormd wordt door de gebouwen, straten, pleinen, grachten, water, bruggen en bomen.
Het beschermde stadsgezicht is geen keurslijf van beperkende regels, maar juist een instrument om ervoor te zorgen dat op een zorgvuldige en creatieve wijze richting wordt gegeven aan veranderingsprocessen.
Daarbij vormen de kwaliteiten van de oude stad uitgangspunt en inspiratiebron.


Aldus de officiële bekendmaking.
Nu eens kijken wat er van terecht komt.

naar boven


> Aanvullingen en verbeteringen ontvang ik graag hier
> Bijgewerkt 13 1010

terug naar overzicht

Bronnen onder meer:
Carol Schade, Woningbouw voor arbeiders in het 19e eeuwse Amsterdam /

Geschiedenis Amsterdam, SUN /
Bureau Monumenten en Geologie /
Stadsarchief Amsterdam /
Ons Amsterdam /
Digitale Bibliotheek Nederland /
Internationaal Instituut Sociale Geschiedenis /
Minne Dijkstra, Jordaanlezingen /