De
Suikerraffinadeurs van de Lauriergracht

Suikerraffinaderij
en de bedrijvigheid op de Lauriergracht door
J.D.C.Veltens
[1880]
Brand
Beuker & Hulshoff
In de nacht van 7 op 8 januari brandde de laatste en de grootste
suikerfabriek die aan de Lauriergracht stond, af. De fabriek
nam van 1832 tot 1880 een groot deel van het gebied tussen de
Lauriergracht en de Laurierstraat in beslag.
Maar ook aan de overkant van de gracht had de
firma Beuker & Hulshoff een pakhuis en kantoor.

In
lichterlaaie
De bekendheid van Beuker
& Hulshoff is
door die grote brand blijvend vastgelegd.
Het hele complex staat in lichterlaaie en Jan
van der Heijden probeert met zijn nieuwe uitvinding,
een drijvende stoombrandspuit,
de zaak te blussen. Dat blijkt onbegonnen werk. De waterstraaltjes
bereiken de brandhaard niet en uiteindelijk doven de instortende
fabrieksmuren de brand.
Talloze arbeiders verliezen hun werk.
De
krant schrijft:
Wanhopig werkvolk
Het werkvolk werd dan ook in die mate door het vuur verrast
dat voor een deel hunner eensklaps geen sprake meer kon zijn
van ontkomen door de gewone uitgangen, die reeds door de vlammen
versperd waren.
De eerste ooggetuigen verhalen dat zij halfnaakte mannen - hun
arbeid veroorlooft slechts één enkel dun kledingstuk
- van achteren wanhopig tegen de getraliede vensters zagen springen,
die gelukkig door van buiten toegeschoten hulp met bijlen ingeslagen
werden, zodat de ongelukkigen het er leven vanaf konden brengen.
De suikerbakkers Gieltjes
en Koch worden vermist. Gieltjes was reeds bejaard
en zat., naar men zegt, wat te dutten, toen hij door de hitte
opgeschrikt en denkelijk in zijne verwarring een verkeerde weg
nam, om zich te redden.
Het ergste is natuurlijk dit onheil
voor de werklieden.
Omstreeks 400 knappe werklieden zijn plotseling uit de arbeid
gestoote; terwijl de inboedeltjes van de buren voor een groot
deel wel niet verzekerd geweest zullen zijn en menigeen dus
van have en goed is beroofd.
Ten ruwste kan men berekenen dat 3000 personen bij den brand
meer of minder dadelijk schade lijden, omdat zij, uit hoofden
van een gezin, nu vooreerst geen werk hebben.
Er was toch al slapte in het werk.
De eigenaars der fabriek worden door hunne werklieden zeer geroemd.
Een der bazen verzekerde ons, dat in de laatsten tijd honderdvijftig
man aan het werk werden gehouden, ofschoon er voor hen eigenlijk
geen werk was. Daaronder waren verscheidene, die wegens lichaamgebreken
of vergevorderden leeftijd hadden kunnen worden ontslagen. Er
waren op deze fabriek menschen van meer dan zestig jaren, die
reeds als veertienjarige knapen waren gekomen.
Wij twijfelen niet, of de liefdadigheid zal zich ook in dit
geval weder doen gelden en reeds heden werden bij ons voor de
werklozen giften gebracht.
Tot zover de krant.

Van
woonhuizen tot fabriek en terug
Hoe kon een dergelijke grote fabriek in een zo dichtbevolkt
gebied komen?
Wat gebeurde er met al die mensen die daar gewoond hebben.
Eerst werden woningen tot fabriek omgebouwd en na de brand van
fabriek tot woningen en andere bedrijvigheid.
Het loont de moeite om de geschiedenis van de Lauriergracht,
met name die van de suikerindustrie, eens na te gaan.
Aan en afvoer van
producten op de Lauriergracht
/ Details van het schilderij van J.D.C.Veltens:
Bedrijvigheid
De nijverheid is tijdens de 18e eeuw in het algemeen in verval,
maar in Amsterdam is dat niet te merken. Bedrijven die iets
met koloniale producten te maken hebben doen het goed.
Er waren negentig suikerraffinaderijen in de stad.
De grootste hadden zo'n 28 ongeschoolde werklieden, soms uit
Duitsland afkomstig, in dienst.
Ze werden slecht betaald voor hard werk. Kost en inwoning kregen
ze van de fabriek.
[1662]
Grote fabriekspanden verdringen kleine
bedrijfjes
Er waren 103 raffinaderijen in Amsterdam, slechts een stuk of
tachtig blijven in bedrijf.
Meestal zijn het kleine ambachtelijke bedrijven maar in 1662
komen er ook enorme panden met zes verdiepingen en hoge schoorstenen.
Ze vormen een machtige pressiegroep die zich niet gemakkelijk
in een hoek laten drukken. Toch moesten ze uit de binnenstad
verdwijnen en werden in het Nieuwe Werck, zoals aan de Lauriergracht,
gebouwd.
Het lag voor de hand dat de suikerproductie in Amsterdam plaats
vond. Het is een plaats waar het kant en klare product gemakkelijk
verscheept kan worden.
[1612]
Wat gebeurde er in de Jordaan?
Na de stadsuitbreiding werd 'Het Nieuwe
Werck' een industriegebied. Er was ruimte
genoeg en de grondprijzen waren laag. Het vervoer van de producten
over de grachten was uitstekend. Behalve dat stuurde het stadsbestuur
alle smerige en brandgevaarlijke bedrijven naar de Jordaan.
Dat waren voor die tijd al de pottenbakkerijen, daarna kwamen
de leerlooierijen, zeepziederijen, verffabriekjes en dus de
suikerfabrieken.
Een mooi stelletje lucht- en watervervuilende
bedrijvigheid bij elkaar.
Op de Lauriergracht waren 'De Indigo's Ton' en 'De Blauwselmolen'
de verffabriekjes die op de plek van het RK Jongensweeshuis
stonden.
Even verderop de suikerfabrieken: 'De Pelikaan', 'De Mercuur',
en 'De Berg Etna'
[1862]
De grote vijf
In 1862 waren in Amsterdam 15 bedrijven.
Tien werkten op stoomkracht er vijf hadden meer dat 50 man personeel.
Die vijf beheersten de industrie. Het waren Beuker & Hulshoff
aan de Lauriergracht, Wijthoff en Zoon, op de Lijnbaansgracht
bij de Lauriergracht. Spakler en Tetterode 'De Granaatappel'
op de Lijnbaansgracht bij het Leidseplein waar nu de Melkweg
is. NV Amsterdamse Suikerraffinaderij voorheen B.Kooy Jz aan
de Grote Bickerstraat en de NV Suikerraffinaderij vh. C. de
Bruin en Zonen, die later Amstel Suikerraffinaderij heette.
Die stond op de plek waar vroeger op de Schans bolwerk Osdorp
was en nu aan de Marnixstraat het bejaardenhuis, de ATVA en
het hoofdbureau van Politie staat.

De
inrichting van een suikerfabriek
Op de Lauriergracht 125-127 was de suikerfabriek van
J.Reisig, 'De Drie Suykerbrooden'
Deze suikerbakker heeft in de 18 eeuw een volledige beschrijving
van de suikerproductie en de voorwaarden voor het vestigen van
een suikerfabriek gegeven.
De suikerindustrie behoeft uit technisch
en economisch oogpunt ruimte.
Waar bouwterrein in Amsterdam duur is wordt dit opgelost door
het werkhuis in de hoogte op te trekken. Voorts is de ligging
aan een brede straat of ruime gracht met goede wal gewenst voor
het vervoer van grondstof en product met sleden en vaartuigen.
Ook moet een suikerbakkerij liefst vrij staan, niet omgeven
door hoge bouwsels, die frisse lucht en tocht buiten sluiten,
waardoor het zweten der potten en vormen voor stroop en suiker
verhinderd wordt, het vuil op de houten vloeren niet op kan
drogen en behoorlijke uitwaseming niet kan plaats vinden.
Ook zouden de schoorstenen niet hoog genoeg opgetrokken kunnen
worden, want de lage trekken niet goed ten nadele van de suiker
producten".
Overlast voor de omgeving
Hoge schoorstenen waren ook noodzakelijk om schadelijke rookneerslag
van de steenkool in de directe omgeving te voorkomen. Meteen
naast de fabriek, maar wel daarvan gescheiden, is het pakhuis
voor de vaten met "geraffineerde broodsuyckeren" die
wachten op vervoer over de gracht.
Het
ideale Suikerhuis
De suikerbackerij heeft een plek van 150 x 30 Rijnlandse voet
(31,4 cm.) nodig met twee deuren van 10 voet breed waar vaten
van 3000 pond door naar binnen gerold kunnen worden.
Er is een klein kantoortje, een pakhuis met weegschaal en een
trekgat om te hijsen. Vaste suikerbakken voor de ruwe suiker
en vaten voor de suikerbroden. Een kalkhok en brood- en kandijstoven
voor het drogen. In het stookhuis staan de fornuizen met ziedpannen.
Er is een pomp voor het water dat uit Weesp aangevoerd wordt.
Brak water haalt men uit een put ter plaatse. Naast de ziedpannen
staat een grote siroopbak. Daar druipt de stroop door pijpen
uit de bakken op de zolders.
Diep in de grond zijn de gemetselde 'kalkbakken' voor het witmaken
van de suiker en een 'klaarselketel' voor gereinigde vloeistof.
Er is een vaste 'schuimbak' voor het afgeschepte schuim waar
de 'basterden' van gemaakt worden.
Achter de fabriek is een kolenhok en berging voor de aarde die
zorgt voor scheiding van suiker en stroop.
En dan een opslag voor de vormen van de suikerbroden. Soms is
er een apart 'vulhuis' waar de vormen gevuld worden. Met een
wenteltrap kom je op de zolders, soms wel zeven verdiepingen
hoog, waar de laatste hand aan de producten gelegd wordt die
in stellingen wachten op aflevering.
Een
zoete historie
De geschiedenis van suiker begint in
India. Sarkara of sakkara was korrelsuiker.
De Grieken noemden het, net zoals de Perzen: sachkaroon,
in het Arabisch soekar. In het Latijn: saccharum
en wij kennen sacharine als zoetmiddel.
Dan is er kandijsuiker, het woord ervoor is bij ons bekend geworden
via het Oudindisch chanda naar het Arabisch kandi
van kand, het ingedikte sap van suikerriet. De Fransen hadden
het over sucre candi
Zoet
offer aan de oorlogsgod Mars
Het is natuurlijk niet helemaal zeker,
maar het woord marsepein zou wel eens kunnen slaan op offerbrood
dat aan Mars en aan de heilige Marcus geofferd werd.
Nu smullen we rond Sinterklaas van marsepeinen varkentjes en
halen we bij de Turkse bakker Halva.
In het Arabisch betekent halw: zoet, lekker, leuk en mooi. Halva
of Halava is gemaakt van sesamzaad, suiker, honing en noten.
Lekker zoet.

Suikermolen in Suriname
Van
het koloniale riet tot de continentale biet
Behalve het ei van Columbus is er ook
het riet van Columbus.
De eerste vrouw van Columbus nam stekjes van suikerriet mee
op ontdekkingsreis.
Ze heeft ze op Haïti geplant en vandaar zijn de suikerrietplantages
in Noord- en Zuid-Amerika terecht gekomen.
Oorspronkelijk komt het wilde suikerriet uit Bengalen waar het
sap als geneesmiddel door de Perzische dokters voorgeschreven
werd. In India en China was het al 800 n.Chr een voedingsmiddel.
De Indiërs hadden ontdekt hoe je uit het in het wild groeiende
suikerriet kristalsuiker kon winnen.
Suikerriet groeit alleen in tropische
gebieden goed.
Als daar een stekje geplant is komt er na 18 maanden een stengel
die geoogst kan worden. Hetzelfde stekje loopt een paar keer
uit, maar dan komt er wel steeds minder suiker uit.
Het oogsten gaat steeds met de hand omdat de machines veel te
duur zijn. In 'kneuzers'
wordt het sap uit de stengels geperst, de niet-suiker bestanddelen
er uit gehaald en het overblijvende dunsap geconcentreerd en
gekristalliseerd.
Er blijft melasse,
een ruwe stroop over. De rietvezels gaan naar de papierfabriek.

[1747]
Het lukte Marggraf,
een Duitse scheikundige apotheker, om suikerkristallen uit een
biet te isoleren die precies dezelfde eigenschappen hadden als
de kristallen in suikerriet.
[1801]
Het duurde nog wel tot 1801 voor er een suikerbietencultuur
in Duitsland op gang kwam.
Een oorlog tussen Napoleon en Engeland zorgde voor een zogenoemd
continentaal stelsel.
De Engelse rietsuikerhandel vanuit de koloniën werd geboycot
en de Europese bietsuikerproductie werd per decreet gesteund.
Als de Fransen verdwijnen zijn de politieke motieven om bietsuiker
te fabriceren niet meer aanwezig.
[1857]
Er komt een suikerbietfabriek in Dinteloord
omdat de rietsuiker steeds duurder werd.
Twee
manieren om zoet te fabriceren
Rietstengels die in tropische gebieden met een hakmes geoogst
worden en bieten die door tractoren uit de vette Hollandse klei
getrokken worden.
Rietstengels (Sacharum officiarum) waar de zoete sap uit gekneusd
wordt en bieten (Beta vulgaris) die tot zoete pulp gekookt worden.
Amsterdam werd belangrijk voor de suikerfabricage toen de invoer
van suikerriet uit West Indië en Java naar de Republiek
vanzelfsprekend was.
Oorspronkelijk werd het suikerriet op de plantage door slaven
verwerkt.
Het sap werd in ketels gekookt en de slaven moesten roeren en
het daarna door doeken filteren. Er ging kalkwater bij en alles
werd nogmaals verhit. Tenslotte liep het ingedikte sap in conische
vormen. Door een gat liep de siroop weg en hield men de kenmerkende
kogelvormige suikerbroden over.
De siroop, melasse, werd tot rum
verwerkt.
In Amsterdam deed men die raffinage in principe op dezelfde
manier. Daar werd de ruwe suiker gezuiverd door enorme hoeveelheden
eieren in het proces te verwerken waarna het vervuilde schuim
afgeschept kon worden. Ossenbloed was voor dat doel veel goedkoper
maar werd in 1704 verboden.
Met kalkwater werd de juiste samenstelling bereikt, de massa
werd in een koelpan geschept en daarna in kogelvormige potten
op zolders gezet om uit te lekken. Boven in de potten werd een
soort leemaarde gedaan die tijdens het proces langzaam door
de suikermassa zakte en die de laatste verontreiniging verwijderde.
Als het nodig was werd dit proces enige malen herhaald. Daarna
werd de massa in een broodstoof drooggestookt en konden de suikerbroden
in papier verpakt worden. De fabrieken produceerden ook kandij,
dat waren suikerkristallen die zich aan katoenen draden hechtten.
De siroop werd aan arme lieden verkocht.
Bietsuiker
was eigenlijk maar een beetje surrogaat
Behalve dat moest je Hollandse boeren
zo gek krijgen die knollen te verbouwen en het vereiste ook
veel meer ingewikkelde, dus dure, bewerkingen om de heldere
suikerkristallen te produceren.
Dat veranderde tussen 1806 en 1813 toen Napoleon en Groot-Brittannië
oorlog voerden.
De boeren in Zeeland en Brabant moesten van de teelt van Meerkrap
over stappen op iets anders.
Meerkrap is een plantje waarvan de wortels werden gebruikt voor
rode kleurstof.
Die werd verwerkt in vlaggen en uniformen van de Republikeinse
legers. Toen die uniformen niet meer zo uitbundig gekleurd werden
gingen de boeren suikerbieten verbouwen.
Het is door deze veranderingen niet vreemd dat rietsuiker-raffinadeurs,
de gebroeders De Bruyn, hun fabriek van Amsterdam in
1858 naar Zevenbergen verplaatste om met suikerbieten te gaan
werken.
Het werd daar een grootschalige gemechaniseerde industrie die
een oer Hollands agrarisch product verwerkte.
Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de Nederlandse
economie.
Bronnen:
Beuker & Hulshoff 1832-1880, een onderzoek
door Peti Pieper
Arabische woorden in het Nederlands,door Marlies Philippa
Riet, het verhaal van de suiker, door P.Reckman
Aanvullingen en verbeteringen ontvang
ik graag hier