de Jordaan tussen taal en beeld

Suiker




De Suikerraffinadeurs van de Lauriergracht


Suikerraffinaderij en de bedrijvigheid op de Lauriergracht door J.D.C.Veltens

Bedrijvigheid

De nijverheid is tijdens de 18e eeuw in het algemeen in verval, maar in Amsterdam is dat niet te merken. Bedrijven die iets met koloniale producten te maken hebben doen het goed.
Er waren negentig suikerraffinaderijen in de stad.
De grootste hadden zo'n 28 ongeschoolde werklieden, soms uit Duitsland afkomstig, in dienst.
Ze werden slecht betaald voor hard werk. Kost en inwoning kregen ze van de fabriek.

[1880]
Brand Beuker & Hulshoff

In de nacht van 7 op 8 januari brandde de laatste en de grootste suikerfabriek die aan de Lauriergracht stond, af. De fabriek nam van 1832 tot 1880 een groot deel van het gebied tussen de Lauriergracht en de Laurierstraat in beslag.
Aan de overkant van de gracht had de firma Beuker & Hulshoff een pakhuis en kantoor, die zijn vanzelfsprekend gespaard gebleven.

In lichterlaaie
De bekendheid van Beuker & Hulshoff is door die grote brand blijvend vastgelegd.
Het hele complex staat in lichterlaaie en Jan van der Heijden probeert met zijn nieuwe uitvinding, een drijvende stoombrandspuit, de zaak te blussen. Dat blijkt onbegonnen werk. De waterstraaltjes bereiken de brandhaard niet en uiteindelijk doven de instortende fabrieksmuren de brand.
Talloze arbeiders verliezen hun werk.

De krant schrijft:

Wanhopig werkvolk
Het werkvolk werd dan ook in die mate door het vuur verrast dat voor een deel hunner eensklaps geen sprake meer kon zijn van ontkomen door de gewone uitgangen, die reeds door de vlammen versperd waren.
De eerste ooggetuigen verhalen dat zij halfnaakte mannen - hun arbeid veroorlooft slechts één enkel dun kledingstuk - van achteren wanhopig tegen de getraliede vensters zagen springen, die gelukkig door van buiten toegeschoten hulp met bijlen ingeslagen werden, zodat de ongelukkigen het er leven vanaf konden brengen.
De suikerbakkers Gieltjes en Koch worden vermist. Gieltjes was reeds bejaard en zat., naar men zegt, wat te dutten, toen hij door de hitte opgeschrikt en denkelijk in zijne verwarring een verkeerde weg nam, om zich te redden.

Het ergste is natuurlijk dit onheil voor de werklieden.
Omstreeks 400 knappe werklieden zijn plotseling uit de arbeid gestoote; terwijl de inboedeltjes van de buren voor een groot deel wel niet verzekerd geweest zullen zijn en menigeen dus van have en goed is beroofd.
Ten ruwste kan men berekenen dat 3000 personen bij den brand meer of minder dadelijk schade lijden, omdat zij, uit hoofden van een gezin, nu vooreerst geen werk hebben.

Er was toch al slapte in het werk.
De eigenaars der fabriek worden door hunne werklieden zeer geroemd. Een der bazen verzekerde ons, dat in de laatsten tijd honderdvijftig man aan het werk werden gehouden, ofschoon er voor hen eigenlijk geen werk was. Daaronder waren verscheidene, die wegens lichaamsgebreken of vergevorderde leeftijd hadden kunnen worden ontslagen. Er waren op deze fabriek menschen van meer dan zestig jaren, die reeds als veertienjarige knapen waren gekomen.
Wij twijfelen niet, of de liefdadigheid zal zich ook in dit geval weder doen gelden en reeds heden werden bij ons voor de werklozen giften gebracht.

Tot zover de krant.

Van woonhuizen tot fabriek en terug
Hoe kon een dergelijke grote fabriek in een zo dichtbevolkt gebied komen?
Wat gebeurde er met al die mensen die daar gewoond hebben.
Eerst werden woningen tot fabriek omgebouwd en na de brand van fabriek tot woningen en andere bedrijvigheid.
Het loont de moeite om de geschiedenis van de Lauriergracht, met name die van de suikerindustrie, eens na te gaan.


Aan en afvoer van producten op de Lauriergracht
/ Details van het schilderij van J.D.C.Veltens

[1662]
Grote fabriekspanden verdringen kleine bedrijfjes
Er waren 103 raffinaderijen in Amsterdam, slechts een stuk of tachtig blijven in bedrijf.
Meestal zijn het kleine ambachtelijke bedrijven maar in 1662 komen er ook enorme panden met zes verdiepingen en hoge schoorstenen. Ze vormen een machtige pressiegroep die zich niet gemakkelijk in een hoek laten drukken. Toch moesten ze uit de binnenstad verdwijnen en werden in het Nieuwe Werck, zoals aan de Lauriergracht, gebouwd.
Het lag voor de hand dat de suikerproductie in Amsterdam plaats vond. Het is een plaats waar het kant en klare product gemakkelijk verscheept kan worden.

[1612]
Wat gebeurde er in de Jordaan?
Na de stadsuitbreiding werd 'Het Nieuwe Werck' een industriegebied. Er was ruimte genoeg en de grondprijzen waren laag. Het vervoer van de producten over de grachten was uitstekend. Behalve dat stuurde het stadsbestuur alle smerige en brandgevaarlijke bedrijven naar de Jordaan. Dat waren voor die tijd al de pottenbakkerijen, daarna kwamen de leerlooierijen, zeepziederijen, verffabriekjes en dus de suikerfabrieken.
Een mooi stelletje lucht- en watervervuilende bedrijvigheid bij elkaar.
Op de Lauriergracht waren 'De Indigo's Ton' en 'De Blauwselmolen'
de verffabriekjes die op de plek van het RK Jongensweeshuis stonden.
Even verderop de suikerfabrieken: 'De Pelikaan', 'De Mercuur', en 'De Berg Etna'

[1862]
De grote vijf

In 1862 waren in Amsterdam 15 bedrijven. Tien werkten op stoomkracht er vijf hadden meer dat 50 man personeel.
Die vijf beheersten de industrie. Het waren Beuker & Hulshoff aan de Lauriergracht, Wijthoff en Zoon, op de Lijnbaansgracht bij de Lauriergracht. Spakler en Tetterode 'De Granaatappel' op de Lijnbaansgracht bij het Leidseplein waar nu de Melkweg is. NV Amsterdamse Suikerraffinaderij voorheen B.Kooy Jz aan de Grote Bickerstraat en de NV Suikerraffinaderij vh. C. de Bruin en Zonen, die later Amstel Suikerraffinaderij heette. Die stond op de plek waar vroeger op de Schans bolwerk Osdorp was en nu aan de Marnixstraat het bejaardenhuis, de ATVA en het hoofdbureau van Politie staat.

De inrichting van een suikerfabriek

Op de Lauriergracht 125-127 was de suikerfabriek van J.Reisig, 'De Drie Suykerbrooden'
Deze suikerbakker heeft in de 18 eeuw een volledige beschrijving van de suikerproductie en de voorwaarden voor het vestigen van een suikerfabriek gegeven.

De suikerindustrie behoeft uit technisch en economisch oogpunt ruimte.
Waar bouwterrein in Amsterdam duur is wordt dit opgelost door het werkhuis in de hoogte op te trekken. Voorts is de ligging aan een brede straat of ruime gracht met goede wal gewenst voor het vervoer van grondstof en product met sleden en vaartuigen.
Ook moet een suikerbakkerij liefst vrij staan, niet omgeven door hoge bouwsels, die frisse lucht en tocht buiten sluiten, waardoor het zweten der potten en vormen voor stroop en suiker verhinderd wordt, het vuil op de houten vloeren niet op kan drogen en behoorlijke uitwaseming niet kan plaats vinden.
Ook zouden de schoorstenen niet hoog genoeg opgetrokken kunnen worden, want de lage trekken niet goed ten nadele van de suiker producten".

Overlast voor de omgeving

Hoge schoorstenen waren ook noodzakelijk om schadelijke rookneerslag van de steenkool in de directe omgeving te voorkomen. Meteen naast de fabriek, maar wel daarvan gescheiden, is het pakhuis voor de vaten met "geraffineerde broodsuyckeren" die wachten op vervoer over de gracht.

Het ideale Suikerhuis
De suikerbackerij heeft een plek van 150 x 30 Rijnlandse voet (31,4 cm.) nodig met twee deuren van 10 voet breed waar vaten van 3000 pond door naar binnen gerold kunnen worden.
Er is een klein kantoortje, een pakhuis met weegschaal en een trekgat om te hijsen. Vaste suikerbakken voor de ruwe suiker en vaten voor de suikerbroden. Een kalkhok en brood- en kandijstoven voor het drogen. In het stookhuis staan de fornuizen met ziedpannen.
Er is een pomp voor het water dat uit Weesp aangevoerd wordt. Brak water haalt men uit een put ter plaatse. Naast de ziedpannen staat een grote siroopbak. Daar druipt de stroop door pijpen uit de bakken op de zolders.
Diep in de grond zijn de gemetselde 'kalkbakken' voor het witmaken van de suiker en een 'klaarselketel' voor gereinigde vloeistof. Er is een vaste 'schuimbak' voor het afgeschepte schuim waar de 'basterden' van gemaakt worden.
Achter de fabriek is een kolenhok en berging voor de aarde die zorgt voor scheiding van suiker en stroop.
En dan een opslag voor de vormen van de suikerbroden. Soms is er een apart 'vulhuis' waar de vormen gevuld worden. Met een wenteltrap kom je op de zolders, soms wel zeven verdiepingen hoog, waar de laatste hand aan de producten gelegd wordt die in stellingen wachten op aflevering.

Een zoete historie

De geschiedenis van suiker begint in India. Sarkara of sakkara was korrelsuiker.
De Grieken noemden het, net zoals de Perzen: sachkaroon, in het Arabisch soekar. In het Latijn: saccharum en wij kennen sacharine als zoetmiddel.
Dan is er kandijsuiker, het woord ervoor is bij ons bekend geworden via het Oudindisch chanda naar het Arabisch kandi van kand, het ingedikte sap van suikerriet. De Fransen hadden het over sucre candi

Zoet offer aan de oorlogsgod Mars
Het is natuurlijk niet helemaal zeker, maar het woord marsepein zou wel eens kunnen slaan op offerbrood dat aan Mars en aan de heilige Marcus geofferd werd.
Nu smullen we rond Sinterklaas van marsepeinen varkentjes en halen we bij de Turkse bakker Halva.
In het Arabisch betekent halw: zoet, lekker, leuk en mooi. Halva of Halava is gemaakt van sesamzaad, suiker, honing en noten. Lekker
zoet.


Suikermolen in Suriname

Van het koloniale riet tot de continentale biet

Behalve het ei van Columbus is er ook het riet van Columbus.
De eerste vrouw van Columbus nam stekjes van suikerriet mee op ontdekkingsreis.
Ze heeft ze op Haïti geplant en vandaar zijn de suikerrietplantages in Noord- en Zuid-Amerika terecht gekomen.
Oorspronkelijk komt het wilde suikerriet uit Bengalen waar het sap als geneesmiddel door de Perzische dokters voorgeschreven werd. In India en China was het al 800 n.Chr een voedingsmiddel. De Indiërs hadden ontdekt hoe je uit het in het wild groeiende suikerriet kristalsuiker kon winnen.

Suikerriet groeit alleen in tropische gebieden goed.
Als daar een stekje geplant is komt er na 18 maanden een stengel die geoogst kan worden. Hetzelfde stekje loopt een paar keer uit, maar dan komt er wel steeds minder suiker uit.
Het oogsten gaat steeds met de hand omdat de machines veel te duur zijn. In 'kneuzers' wordt het sap uit de stengels geperst, de niet-suiker bestanddelen er uit gehaald en het overblijvende dunsap geconcentreerd en gekristalliseerd.
Er blijft melasse, een ruwe stroop over. De rietvezels gaan naar de papierfabriek.

[1747]
Het lukte Marggraf, een Duitse scheikundige apotheker, om suikerkristallen uit een biet te isoleren die precies dezelfde eigenschappen hadden als de kristallen in suikerriet.

[1801]
Het duurde nog wel tot 1801 voor er een suikerbietencultuur in Duitsland op gang kwam.
Een oorlog tussen Napoleon en Engeland zorgde voor een zogenoemd continentaal stelsel.
De Engelse rietsuikerhandel vanuit de koloniën werd geboycot en de Europese bietsuikerproductie werd per decreet gesteund. Als de Fransen verdwijnen zijn de politieke motieven om bietsuiker te fabriceren niet meer aanwezig.

[1857]
Er komt een suikerbietfabriek in Dinteloord omdat de rietsuiker steeds duurder werd.

Twee manieren om zoet te fabriceren

Rietstengels die in tropische gebieden met een hakmes geoogst worden en bieten die door tractoren uit de vette Hollandse klei getrokken worden.
Rietstengels (Sacharum officiarum) waar de zoete sap uit gekneusd wordt en bieten (Beta vulgaris) die tot zoete pulp gekookt worden.
Amsterdam werd belangrijk voor de suikerfabricage toen de invoer van suikerriet uit West Indië en Java naar de Republiek vanzelfsprekend was.
Oorspronkelijk werd het suikerriet op de plantage door slaven verwerkt.
Het sap werd in ketels gekookt en de slaven moesten roeren en het daarna door doeken filteren. Er ging kalkwater bij en alles werd nogmaals verhit. Tenslotte liep het ingedikte sap in conische vormen. Door een gat liep de siroop weg en hield men de kenmerkende kogelvormige suikerbroden over.
De siroop, melasse, werd tot rum verwerkt.
In Amsterdam deed men die raffinage in principe op dezelfde manier. Daar werd de ruwe suiker gezuiverd door enorme hoeveelheden eieren in het proces te verwerken waarna het vervuilde schuim afgeschept kon worden. Ossenbloed was voor dat doel veel goedkoper maar werd in 1704 verboden.
Met kalkwater werd de juiste samenstelling bereikt, de massa werd in een koelpan geschept en daarna in kogelvormige potten op zolders gezet om uit te lekken. Boven in de potten werd een soort leemaarde gedaan die tijdens het proces langzaam door de suikermassa zakte en die de laatste verontreiniging verwijderde.
Als het nodig was werd dit proces enige malen herhaald. Daarna werd de massa in een broodstoof drooggestookt en konden de suikerbroden in papier verpakt worden. De fabrieken produceerden ook kandij, dat waren suikerkristallen die zich aan katoenen draden hechtten. De siroop werd aan arme lieden verkocht.

Bietsuiker was eigenlijk maar een beetje surrogaat
Behalve dat moest je Hollandse boeren zo gek krijgen die knollen te verbouwen en het vereiste ook veel meer ingewikkelde, dus dure, bewerkingen om de heldere suikerkristallen te produceren.
Dat veranderde tussen 1806 en 1813 toen Napoleon en Groot-Brittannië oorlog voerden.
De boeren in Zeeland en Brabant moesten van de teelt van Meerkrap over stappen op iets anders.
Meerkrap is een plantje waarvan de wortels werden gebruikt voor rode kleurstof.
Die werd verwerkt in vlaggen en uniformen van de Republikeinse legers. Toen die uniformen niet meer zo uitbundig gekleurd werden gingen de boeren suikerbieten verbouwen.
Het is door deze veranderingen niet vreemd dat rietsuiker-raffinadeurs, de gebroeders De Bruyn, hun fabriek van Amsterdam in 1858 naar Zevenbergen verplaatste om met suikerbieten te gaan werken.
Het werd daar een grootschalige gemechaniseerde industrie die een oer Hollands agrarisch product verwerkte.
Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de Nederlandse economie.


Bronnen:
Beuker & Hulshoff 1832-1880, een onderzoek door Peti Pieper
Arabische woorden in het Nederlands,door Marlies Philippa
Riet, het verhaal van de suiker, door P.Reckman


Aanvullingen en verbeteringen ontvang ik graag hier