De
Bloemgracht was een deftige gracht
[1615]
De Bloemgracht is een van grachten tussen de Prinsengracht en de Lijnbaansgracht
waar nog water in zit. Het
is eveneens de oudste gracht van de Jordaan die al in 1615 bebouwd werd.
De gracht is ontstaan toen de grachtengordel in
zuidelijke richting werd gegraven.
De Bloemgracht wordt wel eens de Herengracht van de Jordaan genoemd
vanwege de verschillende grote, deftige, grachtenpanden.
De gracht werd bekend door de drukkerij van landkaarten en de verschillende
verffabriekjes en suikerfabriekjes die er waren.
Aan de zuidzijde woonden de 'Blaeuverwers'
en aan de noordzijde 'Couleurverwers'.
Willem Blaeu begon In 1635 zijn werkplaats voor cartografie aan
de Bloemgracht.
De drukkerij werd door Joan en later zijn kleinzoon Joan Junior werd
voortgezet.
In de annalen over Rembrandt staat vermeld dat hij in 1637 in
een pakhuis aan de Bloemgracht atelierruimte huurde om plaats te bieden
voor zijn leerlingen. Op het hoogtepunt van zijn schilderscarrière
had Rembrandt ongeveer 25 leerlingen aan het werk.
Er wordt nog hier en daar gesuggereerd dat Rembrandt dit atelier nog
steeds had toen hij in 1658, vanwege zijn faillissement, het Rembrandthuis
aan de Jodenbreestraat moest verlaten en met Titus, Hendrickje en de
kleine Cornelia een huurwoning aan de Rozengracht betrok . De huur was
f 225 per jaar. Hendrickje en Titus zetten er een kunsthandel op, waarvoor
Rembrandt schilderijen maakt. Officieel zijn Hendrickje en Titius de
eigenaars, zodoende ging de opbrengst niet naar de schuldeisers. Het
aantal leerlingen was enorm teruggelopen omdat de 'markt' inmiddels
een andere stijl wenste zoals de fijnschilderrijen van Govert Flinck
en er kwamen voor Rembrandt minder opdrachten. De laatste leerling die
nog in de stijl van Rembrandt werkte was Aert de Gelder. Die kon zich
dat ook veroorloven omdat hij van huis uit niet onbemiddeld was.
[1740]
Op en rond de Bloemgracht en de Rozengracht
waren de suikerraffinaderijen
In de loop der tijd zijn die allemaal verdwenen.
Het langst hebben de fabrieken van de Bruin op de Looiersgracht en die
van Spakler op de Lijnbaansgracht het volgehouden.
Maar in de 17e eeuw woonden er ook al graag belangrijke
mensen aan de Bloemgracht, waaronder de beroemde anatoom en botanicus,
Ferdinand Ruys,
die op zijn 93e vanuit de Bloemgracht werd begraven.
De archeoloog Heinrich Schliemann, opgraver van Troje woonde
op de hoek van de Tweede Leliedwarsstraat.
Ook woonden er aan de Bloemgracht verschillende kunstenaars.
Eén van de bekendste was de behangschilder Jurriaan
Andriessen die er vanaf 1770 woonde.
Van Andriessen hangt veel werk in het Rijksmuseum.

Bloemgracht 134-136
De lettergieterij van Nicolaas Tetterode
De geschiedenis van Tetterode begon toen Nicolaas Tetterode, een Rotterdamse
handelaar in oliën en vetten, in juni 1851 de lettergieterij Van
Broese & Co in Breda overnam. Veel steden kende toen nog lettergieterijen
voor de lokale drukkerijen. Transport van de zware loden letters was
duur. Omdat drukkers ook apparatuur nodig hadden om de loden letters
te kunnen verwerken, begaf Tetterode zich ook op het gebied van de handel
in drukkerijmachines. In 1857 verhuisde Nicolaas Tetterode de lettergieterij
van Rotterdam naar de Amsterdamse Bloemgracht134-136.
Vanaf dat moment heette de Bloemgracht ook wel de
Lettergietersgracht.
Er was een roggebroodfabriek
van de familie Hermans, maar daarmee kreeg de Bloemgracht
nog niet de naam Roggebroodsgracht.
Bekende
inwoners
Dat waren Leendert van den Muijzenberg
1905-1987
ingenieur, verzetsstrijder in de WOII woonde er.
Hij verhuurde kamers in zijn huis aan onder meer uitgever Johan Polak,
politicus Frits Bolkestein en psycholoog Dolph Kohnstamm.
Slauerhof huurde als eerstejaars student medicijnen in 1916 kamers
op de Bloemgracht 38
Na de tweede wereldoorlog werd de Bloemgracht meer op bewoning gericht
, de meeste fabriekjes waren inmiddels vertrokken.
[1605]
De beroemde Cartografische drukkerij Blaeu
Willem
Janszoon Blaeu (1571-1638), een man met kennis van
zaken en een goed zakelijk instinct vestigde een drukkerij en uitgeverij
van geschikte kaarten voor zeelieden en geïnteresseerde burgers
op de Bloemgracht. Eerst naast de 'Cleerbesem'
op nr. 74-76 en vanaf 1636 op de hoek van de derde Leliedwarsstraat.
Hij leerde het 'Caertschrijven' bij de beroemde Deense astronoom
Tycho Brahe.
Vanaf zijn allereerste gedrukte kaarten uit 1605 viel hij op door kwaliteit
en vernieuwingen.
Blaeu ging er niet zelf op uit om metingen te doen. Hij ontwierp zijn
kaarten op basis van bestaand kaartmateriaal, aangevuld met kennis die
hij haalde uit scheepsjournaals, reisverslagen en gesprekken met zeelieden.

[1637]
de Atlas Major
Na de dood van Willem Janszoon Blaeu, nam zijn
zoon Joan Blaeu (1596-1673) het bedrijf over.
Hij verbeterde de drukpers, waardoor deze sneller werkte,
vervaardigde globes en mathematische instrumenten en deed landmetingen.
[1637]
Hij opent een grote drukkerij aan de Bloemgracht 76, die wereldberoemd
werd.
Hij wist het familiebedrijf tot grote bloei te brengen, vooral door
de uitgave van de befaamde Atlas Major, die vanaf 1662 in verschillende
edities en talen op de markt werd gebracht.
Zeshonderd kaarten en
duizenden pagina's beschrijvingen
De kennis van de toenmalige wereld was door ontdekkingsreizen, handelscontacten
en de Atlas vastgelegd.
De atlas was voornamelijk een statussymbool, gedrukt op folioformaat,
in leer ingebonden.
De kaarten, vaak al eerder uitgegeven, waren verouderd en onbetrouwbaar
voor de zeevaart.
Dat was voor veel mensen geen bezwaar ze hadden een prachtig 'salontafelboek'
aangeschaft.
[1670-1672]
Het bedrijf verhuist naar de Gravenstraat, het
'Blaeu
erf', maar in 1672, een jaar voor de dood van
Joan Blaeu, ging de drukkerij in vlammen op, waardoor een groot deel
van de voorraad verloren ging.
In 1696 werd het bedrijf opgeheven.
Nog steeds zijn de atlassen en stadsplattegronden van Blaeu een geliefd
verzamelobject.
naar
boven
Hoe
zag het Godsdienstige leven er in de Jordaan uit?
Behalve de tegenstellingen tussen de Socialisten
en de Orangisten sloegen ook de Christenen elkaar op de gracht om de
oren.
Ze gebruikten daar niet alleen de Bijbel voor,
maar ook straatstenen.
Hieronder een sfeerbeeld.
Het
gezinsleven van de gelovigen
Als de grachten dicht lagen was het altijd een
gezellige sfeer op het ijs.
Een rechtzinnige hervormde dominee had er geen bezwaar tegen dat meisjes
schaatsten
Er kwam drinkwater door een leiding uit de duinen bij Haarlem.
Cholera was iets bedreigends. De meeste slachtoffers waren te vinden
in de achterbuurten, waar de mensen hun drinkwater uit de smerige grachten
putten. De vele glazen jenever mocht niet baten, maar maakte de zaak
nog veel erger.
Als het regende was de melkboer blij, maar de kopers mopperden dan dat
de melk te dun was.
De melkboer noemde de regen 'de begunstiging des hemels'.
Om 16 uur werd er warm gegeten.
Als er kermis was werd de blik angstvallig daarvan afgehouden, zo erg
was dat.
De schouwburg was taboe.
De sprookjes van Andersen uit Denemarken werden wel gelezen.
Eduard Douwes Dekker, die zich Multatuli noemde, was
absoluut verboden.
Dat was een revolutionair en spotter, een gokker die de ordinaire taal
van de straat gebruikte.
Je moest heel voorzichtig zijn met vuur, want brand in huis was iets
verschrikkelijks, zeker in de dichtbevolkte Jordaan.
Het gezin leerde de Nederlandse Geloofsbelijdenis uit het hoofd.
Meisjes gingen in die tijd 's avonds nog niet alleen over straat.
Bij sommige gezinnen mochten de dochters binnenshuis al modern blootshoofds
gaan.
De
Reveilbeweging
De
geest van de verlichting waait ook door de hervormde kerkgemeenschap.
De zondigheid van de mens wordt door een minder somber mensbeeld vervangen.
Zo komt de Reveilbeweging op, met mensen als Bilderdijk en Da Costa.
De beweging heeft haar basis bij de opwekkingsleer en minder bij het
christelijk humanisme.
De verlichtingsgeest stuit ook op verzet en leidt in 1834 tot afscheiding
van de Christelijk Gereformeerde Kerk.
Een paar decennia later leidt de
Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper opnieuw
tot splitsing in de hervormde geloofsrichting.
De aanhangers van de Doleantie noemde zich een 'dolende' kerk.
Het gevolg van de toenemende verschillen in de 19e eeuw tussen orthodoxen
en modernisten.
De deelnemers aan de Doleantie scheiden zich af en verenigen zich in
een nieuw kerkelijk verband, de Nederduitse Gereformeerde Kerken.
In 1892 verenigt deze gemeenschap zich met het grootste deel van de
uit de Afscheiding van 1834 voortgekomen Christelijk Gereformeerde Kerk
tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Deurwaarder Wormser en de zijnen op de Bloemgracht
De Amsterdamse deurwaarder J.A. Wormser,
vocht halverwege de 19e eeuw tegen lakse, liberale en buigzame dominees,
maar ook tegen strakke rechtzinnigen.
Het was een vreemde kerk waar Wormser samenkomsten hield.
Het was een Vereniging van Gelovigen aanvankelijk zonder naam, zonder
gebouw, zonder organisatie, niet bedacht maar gewoon ontstaan door het
opvolgen van Gods Woord.
Een afgescheiden kerkgemeenschap
Wormser was ouderling en leidde diensten en studieavonden.
Hij was een man van het
Réveil, goed thuis in de Schrift en de belijdenisgeschriften,
een christelijke bouwer zowel kerkelijk als sociaal. Er was verder geen
kerkenraad. De diensten werden goed bezocht.
De grote meerderheid van de afgescheidenen in Amsterdam was mystiek-bevindelijk
voor de bijbelkennis van Wormser.
De afgescheiden gemeente was bij het aantreden van de Wormsers in 1836
ongeveer 350 zielen groot.
Volgens de Hervormde kerkenraad waren het maar 70 personen, want die
gaven graag een ongunstig beeld over de afgescheidenen. Een jaar eerder
was al ten huize van makelaar Obbes, Bloemstraat 129, een afgescheiden
gemeente opgericht door dominee Scholte.
Zij verwierven een pand aan de Bloemgracht 42, dat is nu nr. 90, om
als kerk in te richten.
Er werd een groot gat in het plafond gemaakt waardoor een ruime galerij
ontstond en het preken kon beginnen.
In dit zelfde huis was dominee van Velzen geboren.
Het was eigendom van de steenrijke weduwe van Zeelt die het aan de afgescheiden
gemeente schonk.
Vrouwe Johanna Judith Zeelt (1780-1864) woonde op buitenplaats
Postwijck te Baambrugge en gaf tijdens haar leven veel financiële
steun aan de in 1834 ontstane Afscheiding. Ook aan het Christelijk Gereformeerd
Seminarium.
Alle afgescheiden predikanten preekten in de kerk op de Bloemgracht
. Soms duurde een dienst wel drie uur lang.
Scholte, die voor de vuist weg preekte, had zelfs een keer bijna
600 kerkgangers onder zijn gehoor.
Aan het
stadhuis moest gemeld worden als er kerkdiensten met 346 ingeschreven
personen gehouden zouden worden. Dan werd er werd toestemming verleend.
Dat gebeurde meerdere keren.
Godsdienstige
onverdraagzaamheid
De vrijheid in hun kerk duurde niet lang. Als men er na verloop van
tijd van afzag om de diensten steeds aan te vragen, werden de bijeenkomsten
prompt verboden als er meer dan 20 personen in het huis bijeen waren.
De politie kwam vaak langs en kerkgangers moesten, van tevoren opgehaalde,
toegangsbewijzen tonen.
Soms werden de diensten wreed verstoord doordat er stenen werden gegooid.
Er raakten dikwijls kerkgangers gewond, zonder dat de politie er iets
aan deed.
De kerkgangers moesten zich vaak een weg banen door een woedende menigte
wegens hun afvalligheid.
Er werd verteld dat een keer een afgescheiden meisje zelfs ontkleed
was.
Ook zouden meisjes door ingekwartierde soldaten onteerd zijn, ze werden
zwanger en kregen een 'soldatenkind'.
Een grote G op de deurpost
Het bleek dat afgescheiden voorgangers géén
sacramenten mochten bedienen.
Dit moest dus in het geheim bij iemand thuis gebeuren. Als dat bekend
werd volgden boetes, tot wel fl 2000,- toe.
Na elke boete werd er een speciale rondgang gemaakt langs de gelovigen
en iedereen tastte dan maar weer diep in de beurs.
Er werd beweerd dat op de deurposten van de huizen van alle afgescheidenen
een grote G van Gereformeerd aangebracht
was, zodat ouderlingen die 's avonds op huisbezoek gingen langs de onverlichte
grachten de weg konden vinden.
Vroeger was dat ook gebruik in de Hervormde kerk. Zie de L van lidmaat
op de deurposten van het Rapenhofje aan de Palmgracht.
Onkerkelijke
activiteiten
Daarmee bedoelde Wormser activiteiten die individueel
ontsproten waren en niet uitgingen van de kerk.
Hij doelde op het overigens goede werk dat dominee Jan de Liefde
deed in de Amsterdamse achterbuurten.
Die begon in 1859 met Bijbellezingen waaruit de De Vereeniging tot
Heil des Volks ontstond.
Er was ook een groep, opgericht door Theodorus Matthijs Looman,
die genaamd was Vereeniging tot Verbreiding der Waarheid.
Die bestond uit hervormden die toch niet geheel wilden breken met die
kerk. Ze vatten taken op die de kerkenraad liet liggen, zoals evangelisatie
onder armen, een bibliotheek voor het gewone volk, brei- en naaischolen
voor arme meisjes en een zondagsschool.
Even was er sprake dat er samensmelting zou komen tussen deze groep
en Wormser.
Maar verrassend genoeg vond Wormser deze groep te weinig kerkelijk.
Wormser had een ideaal beeld over de taak van de kerk.
Hij wilde het christelijke sociale werk vanuit de kerk als haar diaconale
en evangelisatie opdracht geleid zien.
Wormser dacht in de lijn van een grote Vaderlandse kerk.
[1839]
Afscheiding in Amsterdam
Officieel werd aan
de Koning Willem II
erkenning voor de afgescheiden gemeente gevraagd en gekregen.
De mannen die daarbij een grote rol speelden
waren de schrijvers de Clercq, Bilderdijk en Da Costa.
Willem
de Clercq (1795-1844) Schrijver en dichter.
Hij was een afstammeling van een Gentse emigrantenfamilie.
Vanaf zijn vijftiende werkte hij in de graanhandel. In 1824 werd hij
secretaris van de pas gestichte Nederlandse Handelmaatschappij
en zelfs directeur van die maatschappij. Hij was doopsgezind maar werd
in 1831 lid van de Waals-Hervormde gemeente.
Van 1834-1839 was De Clercq medewerker van het
Tijdschrift Nederlandsche Stemmen onder redactie van Isaac
Da Costa en H.J. Koenen. Zijn invloed is groot geweest,
vooral door zijn bezielende persoonlijkheid.
Aanvankelijk was hij een aanhanger van een 18de-eeuws gekleurde
zedelijke braafheidreligie,
werd hij na zijn kennismaking met Da Costa, die leidde tot een vriendschap
voor het leven, een vurig belijder van de nieuwe ondogmatische gevoelsreligie,
die kenmerkend is voor het Réveil.
Isaac
da Costa (1798-1860)
Was onder invloed van Bilderdijk bekeerd van
het Joodse geloof tot het Christelijke.
Ze waren vrienden van elkaar en behoorden tot de oprichters van de Reveilbeweging,
die later Anti Revolutionaire Partij werd.
De arme Da Costa werd in christelijke kringen steeds gemeden, alsof
hij een melaatse was.
De Afscheiding begon weliswaar in Ulrum maar de rechtlijnigheid was
ook aantrekkelijk voor de
Amsterdamse conventikelgangers.
Een conventikel was een bijeenkomst om geestelijke zaken uit te wisselen.
[1836]
Scholtianen
Dominee
H.P. Scholte kwam naar Amsterdam toe om een
afgescheiden gemeente te institioneren, de ambten werden ingesteld.
Scholte werd door een kerkenraad gevraagd omdat hij in de Jordaan geboren
was en bijeenkomsten van Da Costa aan de Rozengracht bezocht.. De Clercq
en Da Costa waren niet blij met de afscheiding, maar toen de vervolgingen
begonnen op grond van een oud Napoleontisch wetsartikel, werden ze milder.
Deurwaarder Wormser ging eerst niet mee
in de afscheiding. Zijn oudste dochter werd zelfs nog in de Westerkerk
bij ds. Wolterbeek
gedoopt. Maar in 1836 kwam de beslissing: op 27 juli gingen ze over
tot de afgescheidenen.
Scholtianen werden ze genoemd.
Als je als arbeider bij de afgescheidenen ging verloor je daarmee soms
je baan en winkeliers raakten klanten kwijt.
Wormser had er geen last van.
Het blad De Reformatie werd opgericht,
en Wormser schreef er veel artikelen voor

De Hersteld Apostolische Zendingkerk
[1880]
Bloemgracht 98-100
Op deze plek was de Schipperskerk voor diensten
gericht op de vele beurtschippers die Amsterdam aandeden.
Daarna was
de Bloemgrachtkerk een Christelijk
Gereformeerde Kerk, .
De kerk kwam op de plaats van Pakhuis Aken.
De kerkgangers noemden het graag een preekschuur om te benadrukken dat
men voor de eredienst niet meer nodig had dan een ruimte, een kansel
en een doopfont.
[1881]
Pakhuis Aken Bloemgracht
96
Daar werden ook godsdienstoefeningen gehouden.
Theodorus
van Schelluyne, predikant van de Amsterdamse Gereformeerde kerk,
woonde op de Bloemgracht.
Tot de zogenoemde 'doleantie' in 1892 was de kerk Nederduits Gereformeerd.
dr. Abraham Kuyper preekte er regelmatig.
[1892]
Weeshuis, Oude Mannen- en Vrouwenhuis
Bloemgracht
90
Dit huis eigendom van de Gereformeerde Kerk in Amsterdam.
In 1892 werden jeugd en ouderdom gescheiden.
De wezen van het huis aan de Bloemgracht overgebracht naar de Weezenstichting
aan de Hugo de Grootkade.
Na de fusie met de Nederduitsch Gereformeerden in 1897 is het verplaatst
naar de Nieuwe Herengracht 143.
Het pand aan de Bloemgracht voldeed ook niet meer aan de eisen voor
huisvesting van oude mensen.
De kamers waren te klein, te laag, te vochtig en te ondoelmatig voor
behoorlijke verpleging.
Bovendien waren de trappen bijna onbegaanbaar.
[1927]
Hersteld Apostolische Zending Kerk - stam Juda
Het kerkgebouw wordt verbouwd voor de huidige kerkgemeente.
De bouwstijl wordt tot de zogenoemde Willem II gotiek gerekend.
Samenkomsten zijn iedere zondagmorgen om 10 uur.
Er is ook zondagschool en een crèche.
De Hersteld Apostolischen verwijzen naar de eerste Kerk die door de
Apostelen is gesticht nadat de Heilige Geest was uitgestort.
naar
boven
Liefdewerk
oud papier

Bloemgracht
65-79
/
Transport van de balen papier / Afbraak en
opbouw
In het lage gebouw was omstreeks 1914 links een van de wijklokalen van
de Lutherse Diaconessen
Inrichting gevestigd.
In het rechter gedeelte zetelde de rooms-katholieke vereniging Liefdewerk
Oud Papier die in tal van steden afdelingen had.
Het was een werkverschaffingsproject voor mensen met een verstandelijke
beperking en armlastigen. Het papier werd in geel-wit geschilderde karren
opgehaald.
De opbrengst van het verzamelde papier, touwen en dergelijke, dat met
dekschuiten vol aangevoerd werd, moet aanzienlijk zijn geweest. De opbrengst
was voor RK liefdadigheid. Het was papier sparen voor de Paus.
Een
dilemma op de Bloemgracht?
De donkere kant van het middelste rak van de Bloemgracht wordt sinds
jaren ontsierd door een rij onderstukken.
Op foto's uit de tijd van de Eerste Wereldoorlog was er naast Bloemgracht
65 al niet meer dan een onderstuk te zien, waar het spreekwoordelijk
geworden Liefdewerk Oud Papier
was gevestigd.
Op een niet precies bekend moment in de zestiger jaren van de vorige
eeuw is het voorhuis van Bloemgracht 69 eveneens gereduceerd tot een
onderstuk en van Bloemgracht 71 is in die periode niet meer overgebleven
dan een tweelaags onderstuk, voorzien van een garagedeur en van binnen
nagenoeg leeggesloopt.
Zowel 69 als 71 zijn formeel nog steeds rijksmonument.

[1925]
Tijdelijke
behuizing van de St. Jozef Kapel Bloemgracht
119
Brouwer & Zn.,
groothandel in piano en orgelonderdelen,
is er nu gevestigd.
De nieuwe St Jozefkapel kwam op de Rozengracht
en die werd vervolgens weer vervangen door kerk De Zaaier.

Hoofdonderwijzer
Kannegieter Bloemgracht
150
Het woonhuis van de aan de St Vincentius Tusschenschool
verbonden onderwijzer.
Zijn zoon werd hoofdonderwijzer aan de Spieghelschool, maar is meer
bekend van zijn boek 'De Amsterdamse Jordaan' (1956)

[1755-1923]
Kuiperij Kiesouw Bloemgracht
187
Tonnen
waren nodig voor het bewaren en vervoeren van bier, wijn en drinkwater
ten behoeve van de scheepvaart.
Maar ook de visserij moest de gevangen vis tussen lagen zout opslaan
tot men weer een haven aandeed. Daarom zijn er in de buurt van scheepswerven
in de zestiende en zeventiende eeuw altijd kuiperijen te vinden. De
nieuwe kuipen werden in de gracht gegooid om daar de delen goed bij
elkaar te voegen.
naar
boven
[1865]
Nederlandse
Zondagsschool Vereniging

Bloemgracht
79 Op
dit adres was het hoofdkantoor gevestigd. In 1973 verhuisde men naar
nr. 65
In 1914 zat er nog een handelaar in lingerie en
nouveautés op hetzelfde adres.
De Nederlandsche Zondagsschool Vereeniging werd
in 1865 opgericht: een vereniging van en voor de zondagsscholen.
De oprichters van de NZV waren : Ds. C.S. Adama van Scheltema,
die ook de stichter van het Koning Willemhuis in de Egelantiersstraat
was, en T.M. Looman, de stichter van De Vereeniging tot Verbreiding
der Waarheid.
Zo te zien was men weer broederlijk bijeen.
Dr. Ph. J. Hoedemaker, schreef over de begintijd: Wij kregen
brieven:
`Hoe moet dat hier? (...) Wij hebben geen geld en geen plaats, maar
als Mevrouw Die en Die haar orangerie nu eens wou afstaan ... och, als
wij 't vragen is 't wel goed... zoudt u bereid zijn een poging te doen?'
En met Jonkheer E. van Weede van Dijkveld trok ik er dan op uit, want
ik zei: `Ga mee, want gij hebt Jonkheer voor Uw naam staan en ik ben
maar een student' en dan deed hij het woord in de salon en ik in de
orangerie, het overige kwam vanzelf...

W.G.van
de Hulst
Kinderboekenschrijver
W.G. van de Hulst schreef over Een eeuw zondagsschoolarbeid in
Nederland
Ik las liever 'In de Soete Suykerbol' een stripverhaal in de krant.
naar
boven
Een
treurige geschiedenis

[2002]
Een ingestort huis Bloemgracht
Nr.5
Bij de voorbereidende werkzaamheden voor de ingrijpende restauratie
van het pand Bloemgracht 5 is op 15 november 2002 een deel van het pand
ingestort. Het Rijksmonument, dat in particulierbezit is, is over drie
verdiepingen ingestort. De pui en het dak staan nog overeind. Tijdens
de instorting raakte niemand gewond.
Over de oorzaak van de instorting is weinig te zeggen. De gemeente stelt
een onderzoek in.
Het pand op Bloemgracht 7 wordt voor alle zekerheid gestut. De bewoners
van dit pand zijn door het stadsdeel elders ondergebracht.
Stadsdeelwethouder Monumenten Guido
Frankfurther: "Het allerbelangrijkste
is dat er geen slachtoffers zijn gevallen. Op dit moment is het zaak
om de monumentale onderdelen van het pand in veiligheid te stellen,
want het gaat hier om een waardevol Rijksmonument. In een later stadium
zullen we gaan bekijken of we het pand kunnen herbouwen".
Herbouw? niet dus
Herbouw van het monumentenpand ging door tegenwerking van de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg niet door.
Tegen het nieuwbouwpand tekende de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse
Binnenstad bezwaar aan, in de hoop dat de opdrachtgever
in zou stemmen met de plaatsing van een oude top van de monumentenwerf
op de nieuwbouw-halsgevel.
Helaas lukte dat niet. Inmiddels is de nieuwbouw met betonnen klauwstukken
voltooid.
Monumentenwet overtreden
Na de instorting van het pand vroegen velen zich af hoe het mogelijk
is dat een monument zomaar instort. Uit een door het stadsdeel ingesteld
onderzoek bleek dat de sloop van een betonnen vloer, die ongemerkt onderdeel
was gaan uitmaken van de fundering, de oorzaak hiervan was. Een kenner
van Amsterdamse woonhuizen is op de hoogte van dit probleem. Bovendien
was het al eens eerder gebeurd: de instorting van Keizersgracht 268
op 11 februari 1998 had precies dezelfde oorzaak. Ook hier was naar
het oordeel van het stadsdeel geen sprake van opzet, wel van ernstige
nalatigheid.
In
december 2004 legde de politierechter aan de aannemer van Bloemgracht
5 een boete op van € 2.500, wegens overtreding van de Monumentenwet.
Niet de hoogte van de straf was opmerkelijk, wel dat voor het eerst
een strafbepaling uit de Monumentenwet werd toegepast.
Is
een ingestort monument nog een monument?
Een betere manier om malafide aannemers te straffen voor de aantasting
van monumenten is hen te verplichten de schade te herstellen. Het stadsdeel
heeft echter geen actie ondernomen om de herbouw van het gedeeltelijk
ingestorte pand mogelijk te maken.
De eigenares was van goede wil. Zij wilde het pand herbouwen, maar raakte
gefrustreerd door het gebrek aan medewerking van de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg.
De Rijksdienst had onmiddellijk laten weten dat het pand van de monumentenlijst
zou worden gehaald.
De instorting betekende immers - in het denken van de dienst - dat het
pand, althans wat ervan over was, geen monumentale waarde meer had.
Herbouw zou die waarde niet terugbrengen: een herbouwd pand is immers
niet authentiek. De Rijksdienst neemt de eis die de Monumentenwet aan
beschermde monumenten stelt - ouder dan vijftig jaar - zeer letterlijk.
Het feit dat het pand niet langer op de monumentenlijst stond, betekende
ook: geen monumentensubsidie.
De herbouw zou dus geheel op kosten van de eigenares plaatsvinden.
Dat was nog wel begrijpelijk en in dit geval niet onoverkomelijk.
Geveltop
uit de monumentenwerf?
De eigenares had er echter helemaal geen zin meer in toen de Rijksdienst
geen toestemming gaf een geveltop van de monumentenwerf op het pand
te herplaatsen.
Het betrof een achttiende-eeuwse klokgevel die het Bureau
Monumenten & Archeologie geschikt achtte voor
herplaatsing aan de Bloemgracht.
De Rijksdienst vond dat niet goed en de geveltop ging naar de Haarlemmerdijk.
De eigenares moet toen hebben gedacht: 'Knap die rotzooi dan zelf maar
op!'
Projectontwikkelaar
komt in beeld
Het gevolg van al het gedoe was dat Bloemgracht 5 werd doorverkocht
aan een projectontwikkelaar die niet langer herbouw beoogde.
In zijn opdracht maakte een architect een ontwerp voor een nieuwbouwgevel.
Einde
van een treurige geschiedenis
naar
boven
Gevelstenen
aan de huizen van de Bloemgracht

Van
links naar rechts: De Saaier / De Jonge Zaaier / De Eenhoorn /

Gouden
Zon / Jacobs
Droom /


de Ridder en de Roos / De Pelikaan / De Bouwers / De Son /

De Zingende Walvis / De Schaaf /

Van
Prins geen Kwaad / Torso, kunstwerk aan de gevel /
Simon
Vinkenoog vertelt:
[1962]
Bloemgracht
8
Het laatste halfjaar ben ik een expert geworden in kleine, handige,
zwetende, vlug-rustige verhuizingen: van Bloemgracht naar Oude Zijds
Achterburgwal, in december naar de Kloveniersburgwal, drie maanden in
twee kamers bij Maja aan de Leidsekade.
Eind april bundel ik de bezittingen uit deze gezamenlijke adressen bijeen,
vervoer ze naar het volgende adres: weer de Bloemgracht, waar ik een
jaar lang in het huis van Willem kan wonen, die naar de Libanon vertrekt
.
Op Bloemgracht 8 schreef ik in 1962 mijn boek Hoogseizoen.
In de Bloemgracht verdronk ik bijna op mijn negende jaar; ik had
een fiets gehuurd in de Nieuwe Leliestraat
(l0 cent per uur, hele middag een kwartje) en op de Bloemgracht zag
ik jongens op straat tollen. Ik was bang dat hun zwepen tussen mijn
wielen zouden raken, en voor ik het wist lag ik in het water, waaruit
ik gered werd - niet zonder dat de fiets mee opgehesen werd; ik wilde
niet dat die verloren ging en terugbetaald zou moeten worden.
Het hoofd van de openbare lagere school had mijn moeder gezegd dat ik
zou moeten doorleren; het werd de vierjarige MULO en de autodidactiek.
De school was aan de overkant, op de Prinsengracht, tussen brandweerkazerne
en bioscoop op de hoek van de Leliegracht.
Vinkenoog werd in 1928 geboren in Amsterdam en groeide op bij zijn alleenstaande
moeder in de Pijp.
Op zijn 21ste begon hij in Parijs het literaire blad Blurp.
Daarin schreven onder anderen Hans Andreus, Armando, Hugo Claus,
Jan Hanlo, W.F. Hermans en Hans Lodeizen. Hij hoorde met
Lucebert en Bert Schierbeek tot De Vijftigers.
Die pleitten voor vrijere vormen, directe expressie en spontaniteit.
In de schilderkunst kwamen die ideeën tot uiting in de Cobraschilderkunst
van mensen als Karel Appel en Corneille. In de jaren zestig
werd hij het boegbeeld van de de provo- en hippiebeweging in
Amsterdam. Hij experimenteerde met vele soorten drugs en schreef er
ook regelmatig over. Hij werd wel de wietambassadeur genoemd.
In 2004 was
Vinkenoog ad interim Dichter des Vaderlands.
Hij is op 12 juli 2009 aan een hersenbloeding overleden nadat eerder
bij hem een been geamputeerd was vanwege vaatontstekingen.
naar
boven
Bibliotheca
Philosophica Hermetica

Bloemstraat 13-19
/ Bloemgracht 15-19
Deze particuliere, maar voor belangstellenden toegankelijke, collectie
hermetische literatuur.
De Bibliotheek is opgericht door zakenman Joost
R. Ritman
Hermetisch is de aanduiding voor teksten die geïnspireerd zijn
op de Griekse god Hermes Trismegistos, en de Egyptische god
Thot, die de mensheid het schrift schonk.
Centraal is de opvatting dat de mens in staat is tot eenwording met
het goddelijke door invoeling via intuïtief vermogen. Het universum
is een tekst die gelezen en ontcijferd kan worden.
Via het concrete en bijzondere komt men tot God, niet via de ratio maar
door individuele gevoelsmatige contemplatie. Er is nauwe verwantschap
met de gnosis, een stroming van sektarisch-religieus syncretisme
uit de eerste eeuw, theosofisch van aard. Ook met het occultisme zijn
er hechte banden.
Verder kan in deze context ook de Kabbala worden genoemd, de
joodse geheimleer die gebruik maakt van getallenmystiek.
De bibliotheek werd
gesloten omdat Ritman in grote financiële problemen verkeerde.
De Friesland Bank heeft beslag laten leggen op de collectie. Een groot
deel van de wereldberoemde boekencollectie is weer terug in Amsterdam.
De boeken zijn toch niet per opbod verkocht.
Ongeveer driehonderd buitengewoon kostbare boeken zijn wel verdwenen
uit de collectie. Het gaat om zogeheten incunabelen of wiegendrukken
- vóór het jaar 1501 met losse letters gedrukte boeken
- waaronder het 'Corpus Hermeticum' uit 1471, dat dialogen bevat
over uiteenlopende filosofische en religieuze thema's, zoals alchemie,
astrologie, magie, gnosticisme en neoplatonisme.
Ook de ridderroman 'De Graal van Rochefoucauld', die algemeen
wordt gezien als een van de prachtigste middeleeuwse werken en onder
meer de legenden bevat van koning Arthur, Merlijn en de Ridders van
de Ronde tafel, is van de hand gedaan.
De overheid
zou helpen, maar dat is nooit gebeurd. Ondertussen heeft Ritman wel
voor miljoenen euro's geïnvesteerd in de bibliotheek, die toenmalig
minister van Cultuur Maria van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap "een unieke en wereldvermaarde private bibliotheekcollectie
op het gebied van de christelijk hermetische filosofie"
De Bibliotheca valt
onder de Wet Behoud Cultuurbezit en mag niet aan het buitenland
worden verkocht.
Per
aspera ad fontes
Via tegenspoed naar de bronnen, zo sprak prof. Wouter Hanegraaf,
hoogleraar Westerse Esoterie, en heropende de bibliotheek december 2011.
Het lukte weer fondsen te vinden, maar de 359 handschriften van na 1500,
25 getijdenboeken, 44 incunabelen en 3961 oude drukken tot het jaar
1800 die in Rijksbezit gekomen zijn blijven in de Koninklijke Bibliotheek
in Den Haag.
naar
boven
Hulp
voor onbehuisden
Ter
gelegenheid van het 60 jarig bestaan van HVO
wordt in 1964 een gedenksteen aangebracht
[1903-1945]
Bloemgracht 24
Het echtpaar Jonker vormt in 1897
de directie over de Amsterdamse afdeling van
'Toevlucht
voor Onbehuisden'. De Jonkers krijgen moeilijkheden
met het bestuur van deze vereniging en vertrekken in 1903 met een aantal
personeelsleden en 'verpleegden', naar de Bloemgracht 24.
Aangezien ik mij gedrongen gevoel mijnen arbeid
onder de onbehuisde mannen, vrouwen en kinderen voort te zetten, is
het noodzakelijk te trachten eene nieuwe vereeniging in het leven te
roepen.
Ze richten in 1904 de vereniging 'Hulp voor Onbehuisden' op. Ze verwerven
2500 gulden voor de inrichting en huur van twee tehuizen: de Bloemgracht
voor onbehuisde vrouwen en kinderen en de Haarlemmer Houttuinen voor
de opvang van mannen.
Van1904 tot 1945 was de vereniging aan de Bloemgracht gevestigd.
naar
boven
[1958-1966]
De
Pacifistisch Socialistische Partij
Bloemgracht
55
De PSP is opgericht in januari 1957 door een groep pacifisten en linkse
socialisten, die het niet eens waren met de Koude Oorlogpolitiek van
de bestaande partijen.
Van 1958 tot 1966 zetelde de PSP aan de Bloemgracht , deze politieke
partij werd uiteindelijk in 1991 opgeheven.

[1945]
Verzetsstrijders
Bloemgracht 82
Het is de plek waar op 25 april 1945, aan het
eind van de oorlog, nog drie ondergedoken verzetsstrijders zijn vermoord
door de Duitsers.
Er is een gevelsteen geplaatst
naar
boven
"De
Drie Hendricken"

De
Drie Hendricken
[1642]
Bloemgracht
87-89-91
Ooit heeft de stad vol gestaan met dit soort gevels.
Boven de puibalk zijn jaartalstenen en drie gevelstenen in de fries
gemetseld: De Steeman, De Landman en De Zeeman.
Dit zijn de eigenlijke huisnamen, maar de drieling wordt ook wel De
Drie Hendricken genoemd.
De 17de eeuwse houten onderpui en de kruiskozijnen met glas-in-lood
en luiken zijn teruggebracht in 1946/47.
Dankzij deze restauratie is een buitengewoon gaaf beeld van een 17de
eeuwse trapgevel-drieling ontstaan.
De huisjes zijn een goed voorbeeld van een zogenoemd zaalhuis met verdiepte
binnenhaard met een insteek boven de binnenhaard.
Er is ook een insteek boven de zijkamer in het voorhuis. Onder het voorhuis
bevindt zich een kelder.
Bij de restauratie in 1946/47 werd de splitsing in beneden- en bovenwoningen
en dus ook de dubbele toegangsdeuren ongedaan gemaakt. Hierdoor kon
het 17de eeuwse voorhuis in ere worden hersteld.
naar
boven
Voormalig
Karmelietenklooster Bloemgracht
99
Nu is er onder andere het bezinningscentrum
Carnac, voor uitgebluste managers, gevestigd.

Gevelsteen
met de laatste woorden van Griet Manshanden
[1917]
Griet Manshanden Bloemgracht 116
De schrijver Jan Mens laat Griet Manshande,
een hoofdpersoon uit een van zijn vele boeken, verhuizen naar de Noordermarkt,
de Oude Schans, de Raadhuisstraat en de Bloemgracht.
Op die plek wordt zij, inmiddels 44 jaar oud, doodgeschoten tijdens
het Aardappeloproer van 1917.
In het tweede boek eindigt Griet zeer verbitterd en cynisch, maar de
lezers, dominee Buskes voorop, namen haar die onchristelijke
houding zo kwalijk dat Mens haar twee vervolgdelen lang een loutering
laat doormaken, zodat haar laatste woorden zijn: 'God alleen d'eere!'.
Al is dat toevallig ook de naam van haar laatste huis, Bloemgracht 116.
Kunsthuis
"Marc Chagall" Bloemgracht
134
Het werd in juli 1999 gesticht door de eigenaar, Leo
Verdegaal.
De galerie is voortgekomen uit een verzameling die gedurende zo'n 15
jaar werd opgebouwd.
Het werk van Chagall bleek zo uitgebreid
en gevarieerd, dat elke nieuwe vondst, op vaak buitenlandse zoektochten,
tot nieuw enthousiasme leidde.
De galerie is drie dagen per week geopend, op donderdag, vrijdag en
zaterdag van 12.00 tot 18.00 uur.
naar
boven
Bruggen
over de Bloemgracht
De
Bullebaksluis
De
oude doorgang onder de stadswal bij de Raampoort.
Volgens een legende leefde onder dit gewelf aan het eind van de Bloemgracht
een afschuwelijk monster, een watergeest.
Wie te dicht bij de waterkant kwam liep de kans meegesleurd te worden
de diepte in.
Moeders beweerden, als de kinderen stout waren, dat ze het monster al
zagen zitten.
De brug heet nu nog de Bullebaksluis.

Links:
Kees de Jongenbrug / rechts: Rosa Overbeekbrug

Twee
Rosa's bij de opening
Kees
de Jongenbrug en Rosa Overbeekbrug
De bruggen nr. 123 en nr. 121
In februari 2001 vroeg de Stichting Theo Thijssen
de gemeente om de twee bruggen te vernoemen naar Kees de jongen en Rosa
Overbeek.
Op zaterdag 8 maart 2003 legde stadsdeelwethouder Guido Frankfurther
uit waarom ook de gemeente de bruggen graag naar Thijssens romanfiguren
wilde noemen.
Bij de opening las acteur Hans Dagelet fragmenten voor over de
ontluikende liefde tussen Kees en Rosa en werden de bruggen simultaan
geopend door jonge acteurtjes die de filmrollen van Kees en Rosa gaan
vertolken.
Jan Eilander zong daarbij het lied van de Zwembadpas.
naar
boven
|