Elandsgracht
71-77 / Het Fort van Sjaco [1891] /
De
legende van het fort van Sjaco
Sjaco,
Jaco of Sjakoo, bij het
Amsterdamse gerecht bekend als Jacob Frederik
Muller.
Muller was zijn moeders naam waarmee hij zich, naar hij hoopte, ongrijpbaar
kon maken. In werkelijkheid heette hij Jacquo
Balck, afkomstig uit Köningsbergen in Duitsland.
Hij leefde van 1690-1718.
Op 6 augustus van zijn laatste levensjaar werd hij op de
Dam in Amsterdam geradbraakt
en terechtgesteld wegens een aantal overvallen.
Wanneer hij naar Nederland kwam is niet duidelijk.
Wel is bekend dat hij als soldaat deserteerde. Hij was getrouwd en had
kinderen naar wie hij echter niet omkeek.
Zijn vriendin was Griet
Lommers,
een
dame van lichte zeden.
Sjaco is hoofdpersoon in een mooi verhaal met veel sappige details van
boevendaden en de terechtstellingen,
een mythe die we maar al te graag geloven.
Amsterdamse
Robin Hood
In de legende leeft Sjaco voort als de held die steelt van de rijken
en geeft aan de armen.
Een boef die opereerde vanuit zijn 'fort' op de Elandsgracht.
Justus van Maurik
(1846-1904)
De smakelijke verhalen komen voornamelijk uit de pen van deze
volksschrijver en sigarenmaker.
Hij voerde Jordaanse buurtbewoners, als zijn bronnen voor het waarheidsgehalte
van de geschiedenis, sprekend op.
Helene Mercier (1839-1910)
Deze feministische schrijfster vult de
legende aan.
Ze is begaan met de Jordaanse mensen die in slechte huizen wonen.
Ze is de oprichtster van Ons Huis in de Rozenstraat, een plek waar dit
soort verhalen de ronde doen.

De bedstee van Sjaco / Inbrekersgereedschap
toegeschreven aan Sjaco /
Johan C. Braakensiek (1858-1940)
De tekenaar
illustreert het verhaal met een tekening van de bedstede
waaronder het begin van ontsnappingsgangen moest liggen.
Zijn pistool en een inbrekersladdertje worden in het Amsterdams
Historisch Museum als 'echt' bewaard.
Alles bij elkaar de bronnen van de legende.
Ach,
er was nooit een fort van Sjaco
In zijn proefschrift
haalt rechtshistoricus Dr
Frans Thuijs al die verhalen over Het Fort van Sjaco
op de Elandsgracht onderuit.
Hij heeft de geschiedenis onderzocht en in geen enkel archief is Jakob
Frederik Muller in de verhoren te vinden, geen
Sjaco in de vonnissen. Wel ene Jacquo Balck,
die in de Diemermeer op de laatste dag van het jaar 1715 zijn laatste
kraak zette.
Muller blijkt de naam van diens moeder te zijn en die gebruikte Sjaco
onder een gerechtelijk document.
Sjaco woonde ook niet op de Elandsgracht maar ondermeer in herberg
De Vergulde Wagen op het Haarlemmerplein.
Afijn
lees het verhaal en bedenk:
niets is wat het lijkt te zijn.
Zwarte
Bende
Op 24-jarige leeftijd scheen Sjaco al heel wat op zijn kerfstok te hebben,
want op 11 april 1714 werd hij door het Haagse Hof veroordeeld om 'tot
voorbeeld van anderen, met een strop om de hals op het schavot te worden
gegeseld en vervolgens te worden getekend met het stadsbrandmerk'
Na deze publieke vernedering zou Sjaco voor 25 jaar in een tuchthuis
verdwijnen en voor 30 jaar uit Holland en West-Friesland worden verbannen.
Maar hij wist met twee andere veroordeelden uit het tuchthuis te ontsnappen
en vluchtte naar het oosten van het land.
Daar werd hij aanvoerder van een groep rovers die spoedig bekend stond
als de 'Zwarte Bende', omdat men
tijdens overvallen het gezicht met zwart gaas bedekte.
Sjaco zelf ging gekleed in een hagelwit pak.
De
bende ging zorgvuldig te werk
Eerst werd de omgeving van de plaats van het misdrijf verkend.
Dan benaderde Sjaco zijn slachtoffer door zich voor te doen als koper
van bijvoorbeeld timmermansgereedschap
Bij de overvallen was de bende bepaald niet zachtzinnig
Na elke beroving verplaatste de groep zich snel van het ene gehucht
naar het andere en van stad naar stad, en zaaide daarmee paniek onder
de rijken.
Hoe
zo'n beroving precies in zijn werk ging beschrijft de volgende overlevering
Met zijn
vriendin Griet Lommers maakte Sjaco
op woensdag 27 november 1715 een tochtje naar Zevenhoven
, in de buurt van Uithoorn, om op verkenning uit te gaan en te zien
welke mogelijkheden er waren voor rooftochten.
Het tweetal probeerde het vertrouwen van de inwoners te winnen en dat
lukte blijkbaar wonderwel.
Het is bekend dat Sjaco zich heel sympathiek kon voordoen. Griet en
hij waren rijk gekleed.
De speurtocht bracht hen bij het huis van Crelis
Heere. Zij troffen er
alleen diens moeder van 71 jaar aan.
Sjaco vroeg of haar zoon niet thuis was. Hij gaf voor hem te moeten
spreken over twee slagboren en enige schaven.
De vrouw liet het paar binnen en vertelde dat haar zoon waarschijnlijk
pas de volgende week zou thuiskomen.
Sjaco wist genoeg: de bejaarde vrouw zou nog dagenlang alleen in huis
zijn.
Hij dreef de komedie zo ver dat hij een briefje schreef voor Crelis
Heere. Die moest toch weten waar hij te bereiken was. Hij noemde zich
daarin Johan Jacobus Stierman, wonende
in de Regulierdwarsstraat te Amsterdam.
Dit briefje is later in het huis teruggevonden en bij de rechtszitting
overgelegd.
Met al deze mooie praatjes had Sjaco de situatie in het huis goed in
zich opgenomen.
Terug in Amsterdam besloot Sjaco, meteen de volgende dag zijn slag te
slaan.
Twee van zijn mannen begeleidden hem naar Uithoorn. Zij voeren met de
Goudse schuit en stapten af bij de herberg het Rechthuis. Daar voegden
zich nog drie anderen bij hen, die met de Uithoornse schuit waren gekomen.
Behalve Sjaco bestond het gezelschap uit Fuijting,
Christiaan de Speelman, Kees De Brabander, Isaacq van Kesteren "de
flaauwe" en Klijn of Mooy Pietje. Zij hadden "reijssacken"
bij zich.
Grietje Lommers ging op zulke tochten nooit mee. Dit soort heldendaden
was mannenwerk: daar kon je geen vrouwen bij gebruiken.
In het Rechthuis zaten de mannen een poos gezellig bijeen met een glaasje.
Sjaco was in een vrolijke bui. Hij vertelde dat hij als onderstuurman
uit Oost-Indië was gekomen. Aan een gast die in de herberg zat
vroeg hij of hij ook uit Oost-Indië kwam en of hij misschien een
zoon van de schout was.
Na achten begaf de bende zich opgewekt op weg om het karwei te klaren.
Bij Vrouwenakker liet het zestal zich door de veerman overzetten. In
Zevenhoven aangekomen gingen de mannen onmiddellijk naar het huis van
Crelis Heere.
Nadat de ruiten waren gebroken kon het houten venster worden geopend.
Er is later een nijptangetje met een koevoetje er aan gevonden
"sijnde seer bequaam om spijkers van de vensters uyt te halen".
Met de oude vrouw hadden onze helden geen enkele moeite. Zij werd aan
handen en voeten gebonden en op het bed gesmeten. Daar is zij later
dood teruggevonden.
De chirurgijns, die de lijkschouwing verrichtten, rapporteerden dat
"de hals omgedraaijt en de
wervelbeenen van de hals uijt malkanderen gedrongen"
waren; met andere woorden: Sjaco had haar de nek omgedraaid.
Uit de kamer werd eerst het goud en zilver verzameld. In een kamertje
ernaast vond men in de la van een tafeltje nog "een
considerabele somme gelts". Met rijke buit beladen
ging het huiswaarts. Een schippersknecht heeft later verklaard, dat
het gezelschap in de nacht "aen den Vrouwenakker omtrent drie uuren
in de Leytse schuyt is gekomen" en naar Amsterdam is gevaren.
Sjaco en zijn vriendin logeerden in Amsterdam dikwijls in de herberg
De Vergulde
Wagen aan het Haarlemmerplein.
Eén kraak te veel
Een inbraak bij polderbestuurder
Lucas de Jong aan
de Ringdijk in de Watergraafsmeer is Sjaco fataal geworden.
De Jong is een rijke polderbestuurder van de 'Íngelanden'. Hij
hoort bij de Amsterdamse elite die zo'n kraak niet ongestraft wenst
te laten. Daar komt nog bij dat de baljuw
Balthasar Scott
een buurman van De Jong is en die zorgt er voor dat er 'opsporing
verzocht' wordt.
De
Amsterdamsche Courant
verspreidt Sjaco's signalement:
Hij spreekt zowel hoog-
als nederduytsch, is lang en schraal van postuur, blank en lang van
tronie met reedelijke mond, witte tanden, dunne rode lippen, gebulten
neus welke onderaan krom en spits toeloopt en is gekleed in een wit
damast kamizool, witte broek, kousen en een Spaanse pruik.
Op
8 januari 1716 wordt Sjaco in herberg 'De Vergulde Wagen' gearresteerd
De Substituut-schout trof hem in bed aan met Griet Lommers. Ook zij
werd gevangen genomen.
Hoewel de arrestatie het gevolg was van een bekentenis van een van de
maten van Sjaco voor het gerecht in Almelo, is het de Amsterdamse magistraten
er veel aan gelegen de zaak in Amsterdam tot een berechting te brengen.
Men bracht Sjaco naar het Rasphuis
aan de Heilige weg en
sloot hem daar op
in een apart hok. Toch ontsnapte hij weer. En werd weer gesnapt toen
hij de hij in een herberg bij de Leidse poort wachtte op het vertrek
van de trekschuit.

Sjaco
met een houten kraag om de hals, onder aan zijn pols vastgezet.
Geen
eerlijk proces
Het proces duurde van 17 oktober 1716 tot 14 januari 1717. Sjaco bleef
alles ontkennen, hoewel hij verschillende malen kennis maakte met de
pijnbank. Andere leden van de bende en Griet Lommers, die ook waren
opgepakt bekenden wel.
Griet werd een soort kroongetuige die strafvermindering zou krijgen
als ze wilde praten.
Opmerkelijk
genoeg nam het Amsterdamse
Gerecht juist de Zevenhovense zaak hoog op, terwijl de
misdaad niet in Amsterdam gepleegd was.
Er was nu sprake van een regelrechte moord. Sjaco bleef volhouden dat
hij nooit in het dorp Zevenhoven was geweest.
Maar er waren getuigen die bezwarende verklaringen van het tegendeel
aflegden,
In Amsterdam kwamen een paar getuigen toevallig op straat Griet
Lommers tegen. Die was na haar arrestatie in het
Spinhuis opgesloten, en moest regelmatig voor het
Gerecht verschijnen om te worden verhoord. De Zevenhovense getuigen
herkenden haar onmiddellijk. "Wij hebben het vrouwmens gezien"
meldden zij aan hun begeleider. Later werden zij geconfronteerd met
Sjaco en zijn vriendin en verklaarden, dat het inderdaad die man en
die vrouw waren geweest die het dorp hadden bezocht.
Sjaco
werd veroordeeld
"Omgebragt te worden voor het
Stadthuijs deser steede ter plaatse daar men gewoon is crimineele Justitie
te doen en aldaar van onder op geradbraakt en also levendigh blijven
leggen den tijd van een half uur, als dan voorts het hooft van het lichaam
te worden afgehouden".
Met andere woorden: hij zou worden geradbraakt en daarna zou zijn hoofd
worden afgehakt.
Sjaco
vocht voor zijn leven
Hij ging, met hulp van geld dat zijn stiefvader bij elkaar collecteerde,
in beroep bij het Hof van Holland en bij De Hoge Raad, maar het mocht
niet baten.
In de pers verschenen advertenties die Sjaco als bendeleider aanwezen.
Een en ander naar analogie van de beruchte Franse boef
Cartouche.
Sjaco
moest nog anderhalf jaar wachten voordat het vonnis kon worden voltrokken
Op 6 augustus 1718 werd hij op de Dam in Amsterdam terechtgesteld.
Voordat het vonnis werd voltrokken erkende Sjaco ten overstaan van de
toegestroomde menigte zijn schuld.
Zijn onderlijf werd geradbraakt. Een half uur later werd zijn hoofd
afgehakt. Zijn lijk werd
"op een horde gesleept
en na het galgevelt aan De Volewijk gebragt".
Daar werd het lichaam gezet
"op een rad met
een pistool boven het selve".
Zijn hoofd werd
"op een penne gezet".
Daar bleef alles
"soolang het een en het ander door
de lucht sal sijn verteert".
Dat was nog een extra straf. Hij werd dus niet begraven of, zoals men
dat toen uitdrukte: hem werd
"De aarde niet gegund".
Zijn gevangen genomen trawanten verging het al niet veel beter. Sommigen
werden geradbraakt, anderen opgehangen. Drie van de vijf mannen die
een kwalijke rol in Zevenhoven hadden gespeeld werden net als hij geradbraakt.
Griet
Lommers werd niet ter dood veroordeeld
Zij had nooit zelf aan de rooftochten deelgenomen.
Haar oorspronkelijke beroep was "zij-winster", maar waarschijnlijk
hield zij zich in leven met prostitutie, in de processtukken heet dat
"sijnde een hoer" Grietije
Hendrickse Lommers, alias Lange
Griet van Amsterdam,
werd in 1708 voor de eerste maal veroordeeld voor een jaar. Tot in 1730
is zij telkens weer opnieuw veroordeeld en opgesloten.
Tweemaal is zij "op 't schavot gegeeseld", namelijk op 19
juli 1710 en op 9 december 1724.
Waar
is de schat van Sjaco gebleven?
Onmiddellijk na zijn dood begint de legendevorming.
In een huis aan de Elandsgracht zou een enorme schat liggen en onder
het huis zou een netwerk van gangen zijn, van waaruit Sjako kon ontsnappen.
Ook was het niet waar dat Sjaco een ordinaire rover was. Hij stal wel,
maar het geld verdeelde hij onder de armen.
Toen in 1886 het Fort van Sjaco
tegen de grond ging, werden echter geen gangen en ook geen schat gevonden.
Het fort bestond uit vier panden aan de grachtzijde en twee achterhuizen.
Daartussenin was een binnenplaatsje. Het complex was een wirwar van
gangetjes en geheime verbindingen, met een groot aantal bewoners van
allerlei slag.
In
de Jordaan, werd Sjaco vereerd als held van de arme luiden
De
schrijver Jacob
van Lennep (1802-1868) voert Sjaco op in zijn
roman
'Ferdinand Huyck' als de leider van de 'Zwarte
Bende'
Een oude buurtbewoner vertelt aan de schrijver
Justus van Maurik (1846-1904)
dat de vader van zijn grootvader Sjaco nog persoonlijk gekend had.
'Sjaco was allemachtig best
voor de armoeiige mense.
Een edelaardig mens die alleen van de rijkdom gapte.
Had ie z'n slag geslage en zat ie dik in de cente, dan gaf ie d'r rejaal
van weg.'
Zo
is de legende van Sjaco ontstaan
Een geheel van
gerechtelijke kronkels en tendentieuze overleveringen
die in het heden van de 'topcrimineel'
Willem H.
niet zouden misstaan.
naar
boven
|