|
Verzorgen
van de weeskinderen
/ Schilderij van Jan Salomonsz. de Bray [1663]
De zeven christelijke werken van barmhartigheid
Drie ervan hebben direct betrekking op de zorg
voor weeskinderen:
het kleden van de naakten,
het laven van de dorstigen en
het spijzigen van de hongerigen.
Op het schilderij van Jan Salomonsz. de Bray in het Franshalsmuseum,
dat overigens vroeger ook een weeshuis was, wordt brood aan de wezen
uitgedeeld. De kinderen eten er flink van. Een meisje krijgt een kan
met dunbier te drinken, dat is een lichte biersoort, die dagelijks gedronken
werd. Alle kinderen krijgen weeshuiskleren waarmee ze op straat te herkennen
zijn aan één rode en één zwarte mouw.
Wezen
zijn er altijd geweest
In de middeleeuwen en op het platteland tot in de vorige
eeuw werden weeskinderen meestal door de overheid of de kerk bij particulieren
uitbesteed. Dat werd onderhands geregeld of er was een openbare aanbesteding.
Tijdens een veiling in een herberg of pastorie, werden de kinderen op
een rij werden gezet en de omstander die het minste kostgeld vroeg,
dus de laagstbiedende, mocht hen mee naar huis nemen.
Een zeer vroege variant van gezinsverpleging!
In de 15de en 16de en met name in de 17de eeuw ging men er in de meeste
steden echter toe over weeskinderen op te vangen in speciale inrichtingen.
Werckelicke
hulp
De eerste weeshuisjes staan in Amsterdam tussen Rokin en Kalverstraat
en bieden plaats aan zeven of acht kinderen. Maar in 1553 loopt het
uit de hand wanneer het aantal kinderen in een dergelijk huis uitgroeit
tot wel tweehonderd. Dan is het huis te klein en het geld op. De kinderen
zullen het huis moeten verlaten
'tenzij dat het bij mijnheeren de Burgemeesteren werckelicke hulp
ende assistentie gedaen werdt.'
Er wordt door het gemeentebestuur een huis aan de Kalverstraat gekocht
dat doorloopt tot aan het Rokin.
Om de nieuwbouw van dit Burgerweeshuis
te betalen wordt een loterij gehouden.
De
eerste weeshuizen in Amsterdam
1520 Het eerste Amsterdamse weeshuis
1570 Burgerweeshuis
1570 R.C. Maagdenhuis
1631 Waalenweeshuis
1651 Engelsche Weeshuis
1657 Diaconieweeshuis
1666 Aalmoezeniersweeshuis
1675 Weeshuis de Oranjeappel
1676 Doopsgezinde weeshuis
1678 Luthers weeshuis
1685 R.C. Jongensweeshuis
Cannabisvergiftiging
In 1566 vertoonden de weesjes van het Burgerweeshuis vreemde verschijnselen.
Schuimbekkend rolden ze over de grond en klommen als katten het dak
op. Er werd beweerd dat ze glasscherven en naalden uitbraakten. Ze zwierven
door de stad en de mensen dachten dat ze visioenen zagen en de toekomst
konden voorspellen.
Zoals er tegenwoordig naar gekeken is zou het gaan om 'moederkorenvergiftiging'
die ontstaat als de wezen bedorven rogge te eten krijgen. Er was een
hongerwinter gaande en kinderen kregen alleen maar hennepkoeken te eten
dus valt ook te denken aan een cannabisvergiftiging. Uitwassen daarvan
zijn heden ten dage ook wel gesignaleerd bij drugtoeristen die in Amsterdam
het dak op klimmen en uit ramen vallen.
Maar Laurens Jacobsz Reael, een voorganger van de Amsterdamse
calvinisten, sprak van een wonder passie waarmee de jongens en meisjes
met 'den boosen geest beswaert wierden; door welcke men sach en hoorde
veel wonderwercken'. In ieder geval werden twee vrouwen als heks
aangeklaagd, maar gelukkig niet veroordeeld.
Pestepidemieën
Weeshuizen waren nodig omdat Amsterdam groeide van 30.000 inwoners in
1585 tot 115.00 inwoners in 1630. In de jaren daarna woedden enkele
pestepidemieën die duizenden slachtoffers maakten.
Voeg hierbij de Engelse zeeoorlogen en de voortdurende
armoede van het gewone volk tijdens de Gouden Eeuw en het is
duidelijk dat er grote aantallen wezen moesten worden gehuisvest.
De overheid kon het wezenprobleem niet aan en stimuleerde religieuze
groepen tot het stichten van weeshuizen. Het onderhouden van een weeshuis
vormde een symbool voor de voortreffelijkheid.
Daarbij kon het de kinderen ervan weerhouden om over te stappen naar
een ander geloof.
Kinderen
in het gareel houden
In het begin van de 19de eeuw was er geen sprake van maatschappelijk
werk. Er was alleen maar armen- en wezenzorg dat meestal werd uitgeoefend
vanuit kerkelijke en particuliere liefdadigheid.
Wanneer er niet voor ouderloze of aan hun lot overgelaten kinderen werd
gezorgd, dan werden zij door armbesturen of diaconieën zo voordelig
mogelijk uitbesteed aan gezinnen.
Omdat er volop
huisindustrie was, kon men daar goedkope werkkrachten gebruiken. Controle
op de behandeling van de kinderen was er niet. De gestichten, vooral
de grotere, waren niet veel meer dan opbergplaatsen voor kinderen.
In het Aalmoezeniershuis
'borg' men 2000 kinderen op. Van gestichtsopvoeding,
gericht op het individuele kind, kon men nauwelijks spreken. De kinderen
moesten in het gareel worden gehouden, de straffen waren hard. Bij de
overheid kwamen klachten binnen over misstanden in weeshuizen, men had
kritiek op de opvoeding. Ook de situatie van kinderen in gevangenissen
was niet benijdenswaardig.
Opvangen
en bewaren is een vak
In de Middeleeuwen werd het door Begijnen
uitgeoefend.
Later komen verwaarloosde kinderen in weeshuizen terecht. Van daaruit
worden ze in textielfabrieken en dergelijke te werk gesteld.
De kinderen worden vaak ook op andere manieren slecht behandeld en zelfs
mishandeld.
In de betere standen werden voor het grootbrengen van kinderen, afhankelijk
van de welstand, een kraamvrouw, gevolgd door een baker en, als het
kind anderhalf jaar is, een meid aangesteld.
Het speelterrein was daarmee beperkt tot de keuken. Omdat die gevaarlijk
was kregen de kinderen een zwaar 'keurslijf' aan en soms werd het mutsje
opgevuld tot een soort valhoedje.
De baby's waren zo fors ingebakerd dat men ze gewoon aan een haak aan
de muur kon hangen.
Men beweerde wel dat ze in geval van nood over het huis heen gegooid
moesten kunnen worden.
Andere ideeën
Vanaf 1850 is er door wetgeving geleidelijk
verandering opgetreden.
Opmerkelijk is ook de toenemende invloed van pedagogische directies,
die het belang van de individuele opvoeding benadrukten. Besturen en
directies kregen te maken met de veranderende ideeën in de samenleving,
met het 'marktmechanisme' van teruglopende bezetting en een overheid
die de tekorten niet aanvulde. Daarnaast ontstonden 'moderne' gestichten
die het soms beter deden dan de bestaande.
Van
opvangen naar opvoeden
In 1905 werden de Kinderwetten aangenomen.
Er ontstond een Voogdijraad die het opvoedingsbelang van kinderen
moest waarborgen.
In 1921 werden de Kinderrechter en de Ondertoezichtstelling ingevoerd.
Tot ongeveer 1950 bleven de inrichtingen geïsoleerde organisaties
die zo modern waren als het bestuur of de directie toelieten.
Men gaat na verkregen rijksgoedkeuring over tot verzorging en opvoeding
van voogdijkinderen.
We zien dat veelal eerder naar voren gebrachte ideeën algemeen
erkend raken:
ontplooiing van de eigen persoonlijkheid, vermijden van hospitalisatie,
bevorderen van gezinssfeer, coëducatie, contacten buiten bevorderen
en differentiatie van aanpak.
>
lees hier hoe het toegaat op een bewaarschool
naar
boven
[1700]
RK
Jongensweeshuis
Een plek van rust tussen Elandstraat en Lauriergracht in
het hart van de Jordaan.
Het complex bestaat uit meerdere gebouwen en is ontworpen door
Steven Vennecool, de laatste van de grote architecten
uit de 17e eeuw.
Het oudste gedeelte werd gebouwd rond 1550, een houten woonhuis waarvan
de originele constructie nog gedeeltelijk bewaard is gebleven.
Rond 1700 werden de eerste gebouwen voor het weeshuis in gebruik genomen.
In 1790 werd er een stuk bijgebouwd en in 1883 is het laatste gedeelte
afgebouwd.
Bijzonderheid is dat onder het complex een gangensysteem loopt waarvan
beweerd wordt dat het weeshuis verbindt met voormalige kloosters in
de omgeving. Tijdens de oorlog werden er wapens voor het verzet verborgen.Meer
waarschijnlijk is dat het om een stelsel van waterkelders gaat.
>
lees hier
meer over het Jongensweeshuis
[1960]
Het weeshuis wordt een lekentehuis voor voogdijkinderen
Het aantal weesjongens liep na het begin van de
20e eeuw aanmerkelijk terug.
Het katholieke fundament brokkelt af en er komen voorzichtig ook kinderen
van andere gezindten.
De meeste kinderen worden geplaatst vanuit een sociaal zwak milieu waar
een uitgebreid en verdrietig verhaal bij hoort.
Het karakter van het huis moest gaan veranderen.
Het aantal der voogdijkinderen jongens zowel als meisjes werd voortdurend
groter en wanneer men na 1957 eraan gaat denken de oudbouw aan de Lauriergracht
te verlaten, is de naam `jongensweeshuis' inmiddels zo goed als verdwenen.
De officiële naam is dan `Kinderthuis
Amstelstad'.
[1971-1992]
Het Ortho Pedagogisch
Centrum 'de Platanen'
Het weeshuis is een inrichting voor zwakzinnigen geworden.
Het OPC is in 1964 opgericht door de bevlogen arts Ben
Sajet.
De etiketten die de bewoners door de buurtbewoners en de gemeenschap
opgeplakt krijgen zijn gevarieerd:
Dollen / Onwijzen / Mallen / Dwazen
/ Wezenlozen / Debielen / Innocente / Simpele van geest / Zwakzinnigen
/ Geestelijk gestoorden / Verstandelijk gehandicapten.
Tegenwoordig is de politiek correcte benaming: mensen
met een verstandelijke beperking.
In 1992 werd het gebouw De Platanen niet meer goedgekeurd als huisvesting
voor psychiatrische patiënten.
[1997]
Renovatie van de Platanen
De Gemeente draagt de Platanen over aan Woningbouwvereniging
Eigen Haard die
begint in 1992 met een renovatie die in 1997 voltooid is.
Sociaal-culturele
bestemming
De Gemeente Amsterdam heeft De Platanen voor een symbolisch bedrag overgenomen
van de regenten onder voorwaarde dat er altijd een sociale functie en
een culturele bestemming aan gegeven zal worden.
Op binnenplaats
van de Platanen spelen nu kinderen van een kinderdagverblijf en naschoolse
opvang.
In de kapel geeft een Jeugdtheatergroep schoolvoorstellingen en in de
slaapzalen zijn wooneenheden voor senioren gebouwd.

De
binnenplaats van De Platanen met de pomp

Soms kijken de kinderen er naar Jan Klaassen of
bouwen ze er een wigwam
naar
boven
[1830]
Bewaarschool
'Amsterdams Welvaren'
De
eerste van de Jordaan, Berenstraat
7
In 1781 werd een
West-Indiëvaarder met de naam 'Amsterdams Welvaren' buitgemaakt
door een zwaarbewapend Engels koopvaardijschip. De reders van de kaper
lieten het schip verzekeren. Het schip verging voor de Ierse kust. Een
van de reders die het verzekeringsgeld kon opstrijken was John
Warder, een Quaker die van zijn geloof geen geld mocht aannemen
dat uit oorlogshandelingen
voortkwam.
Na
zijn dood besloten zijn nabestaanden het bedrag van £ 1800 te
besteden voor "eenige
nuttige inrigting binnen de stad Amsterdam".
De Amsterdamse quaker J.S.
Mollet
opperde in 1828 het plan om een bewaarschool te bouwen, naar
het model van de infant schools
in Engeland. Dat plan werd uitgevoerd.
Na de opening van de school werden 30 kinderen in de leeftijd van twee
tot zes jaar toegelaten.
In 1850 telde de school meer dan 100 leerlingen.
Het reliëf van het zeilschip Amsterdams
Welvaren kwam boven de deur te hangen en de initialen van John
Warder in de pui herinneren nog aan de oorsprong van de voormalige bewaarschool.
naar
boven
[1853]
Vereeniging
tot Verbreiding der Waarheid
De
orthodox protestantse levenswijze was een belangrijk punt voor de bewaarschool
van deze vereeniging. Godsdienstonderwijzer
Looman, bijgenaamd 'dominee scheefnekje'
wilde graag dat de kinderen de zuivere waarheid uit den Bijbel leerden
kennen.
In tegenstelling tot de bewaarscholen die door de stichting tot Heil
des Volks voor de arme kinderen in de Jordaan opgericht werden,
was deze bedoeld voor de gegoede burgers.
In vergelijking met de Matressenschooltjes hadden de bewaarscholen
betere lokalen met goede hygiëne en meestal ook goed opgeleide
leidsters. Toch zaten de kinderen met velen in een klas samengeperst.
Het gebouw in de Elandsstraat had zalen voor naai- en breilessen. Op
zolder werd schrijf- lees en tekenonderwijs gegeven. Er was een goede
bibliotheek en een grote zaal met een orgel en glas in lood ramen.

De
bewaarschool in de Elandsstraat

Bewaarschool van de vereeniging op de Rozengracht
191

Prinses Wilhelminabewaarschool Egelantierstraat
147 [1879]
naar
boven

Het Heilschooltje in
de Willemsstraat
[1855]
Licht
in de Jordaan
Ds.
Jan de Liefde,
oprichter van Tot Heil des Volks, had het volk lief.
Hij zag de bittere armoe, dronkenschap en hier en daar kinderen die
slechts op handen en voeten konden lopen.
Zo was dat in de Jordaan. Hier huisden de armen en verminkten en kreupelen
en blinden uit Lukas 14.
De kerk en het christelijk geloof, hadden hun invloed op de bevolking
verloren.
Socialisme en anarchisme vonden breed weerklank bij de arbeiders. Daar
moest iets aan gedaan worden vond de dominee.
Eerst bijbellezingen
Dominee stapt op een goede dag naar op een vrouw af die op straat haar
viskisten aan het schoonmaken is en vraagt haar of hij in haar huis
bijbellezingen mag gaan houden. Ze heeft er geen bezwaar tegen. De volgende
avond zitten in de woning van vrouw Schouten vijf arbeidersvrouwen en
een blinde orgeldraaier onder zijn gehoor.
Het is het begin van wat nu de stichting Tot Heil des Volks heet.
Bewaarschool
De eerste activiteit is het stichten van een bewaarschool aan
de Willemsstraat in het hart van
de Jordaan. De school is bedoeld voor haveloze kinderen die in grote
armoede leefden en nooit enig onderwijs hadden ontvangen. Zij kregen
les, maar ook kleren, eten en een bad.
Er kwamen zondagsscholen, kinderkerken, naai- en breischolen, jongerenclubs.
Bewaarschool
staat op een
steen boven de ingang van het monumentale pand aan de Willemsstraat.
De trap met de kinderleuningen, waaraan duizenden kinderen uit de Jordaan
hun houvast hebben gezocht is uit het gebouw gesloopt.

Eben Haëzer
Inrichting voor Havelooze
Kinderen,
Bloemstraat 191, voor Bijzonder Lager Onderwijs
> lees hier meer over deze school
naar
boven
[1700]
De
Matressenschooltjes
Er waren zo'n 200 van in Amsterdam.
De matres was de eigenares van het schooltje
en ze leefde van de opbrengst.
Ze waren gevestigd in kelders en op zolders van toch al niet riante
huizen.
Vaak kon de matres zelf nauwelijks lezen. Het onderwijs bestond uit
het opdreunen van het Onze Vader. Daarnaast leerden kinderen het abc,
de getallen van 1 tot 10 en als de matres zelf het lezen machtig was,
de eerste beginselen van het spellen
Een inspecteur verzuchtte:
"In vele dier schooltjes
was ik niet bij magte, wegens stiklucht of onreinheid, binnen te gaan;
er werd niets degelijks geleerd, noch bij het kind ontwikkeld; slechts
razen, vechten en twisten hoorde men er."
De matressenschooltjes waren wel de meest jammerlijke inrichtingen voor
de opberging
en verzorging van kleine kinderen, die er vanaf hun tweede levensjaar
werden opgenomen.
"De
schoolmatressen zijn doorgaans oude Meyden, welke de dienst lastig valt,
of aan den kost niet meer kunnende komen, een schooltje gaan opzetten;
of 't zijn weduwen, door den dood haarer Mans in armoede gestort, die
geenen anderen weg open zien, om zich tegen den honger en de kou anders
te wapenen." Bij deze vrouwen zaten de kleinen op lage bankjes
en op stoven, in groot getal, in bedorven, ongezonde atmosfeer"
Nog in de negentiende
eeuw tierden deze inrichtingen welig in de Amsterdamse volksbuurten
onder de naam matressen- of vrouwenschooltjes.
Bewaren van kinderen
Bewaarscholen waren beter dan die Matressenschooltjes. De onderwijzeressen
werden geschoold, de inrichting was relatief schoon en de kinderen konden
er af en toe ook op matrassen een middagdutje doen.
Toch zaten er zo'n 200 kinderen in één ruimte en was de
'schoollucht' of 'secreetlucht' goed
te ruiken.
Er werd veel 'geleerd' zoals spraakoefeningen, versjes opzeggen, verklaren
van woorden en bijbelse geschiedenis. De kinderen moesten 'oefenen met
tol, bal en hoepel', maar let op, dat mocht geen spelen heten. De kinderen
moesten wennen aan orde, zedelijkheid, werkzaamheid, gehoorzaamheid
en beleefdheid.
De
verheffing van het volk
Vanaf 1800 vond men dat de opvoeding van arme kinderen in bewaarinrichtingen
en tehuizen moest plaats vinden. Er kwamen bewaarscholen voor kinderen
van fabrieksarbeidsters op het terrein van de fabriek zelf.
De van Melle fabriek begon er mee
en Verkade
volgde snel.
Of het om de ontwikkeling van de kinderen ging, of dat die bewaarscholen
een bijdrage aan de industrialisatie waren werd niet duidelijk. Ik geloof
dat er vandaag de dag nog steeds bedrijfscrèches bestaan waarbij
het belang van het bedrijf in feite voorop staat.

[1872]
Vereeniging tot Verbetering
van Kleine Kinderbewaarplaatsen
De Vereeniging werd opgericht door Mejuffrouw
Femina Muller.
Er waren uitsluitend vrouwelijke bestuursleden die de dienst uitmaakten.
Er werd veel gebruik gemaakt van onbetaalde volontaires die een opleiding
aan een huishoudschool volgden. Met een witte schort aan verzorgden
ze de kinderen, dat maakte dat de bewaarplaats op een ziekenhuis leek.
[1888]
Het tragische verhaal van een arm jongetje
op een bewaarschool
De hardvochtige nonnen, het zorgzame hulpje Leentje, de dronken vader
en de vertwijfelde moeder.

Kleuterklas
bij de zusters in de Westerstraat
> lees hoe het toegaat op een bewaarschool in 1888
naar
boven

[1930]
Van
bewaren naar opvoeden
Maar dan wel fröbelen met blokken en vlechtmatjes op een
strak voorgeschreven manier. Niks zelfwerkzaamheid. Rijke families stuurden
hun kinderen er met de koets heen.
Maria
Montessori kwam naar Nederland om te vertellen
hoe ze in Italië werkte.
Meteen werden in de tuinkamers van Haagse villa's montessoriklassen
voor een dozijn rijkelui's kinderen opgericht. Als de socialistische
vrouwenbeweging oprukt komen er ook openbare montessorischolen.
Ons
Huis in de Jordaan
Moeders die door nood gedwongen overdag niet voor hun kind konden zorgen
gaven het in bewaring.
De kinderen verbleven in een crèche die officieel kinderdagverblijf
genoemd werd.
De GG en GD controleerde op hygiëne en dergelijke, maar pedagogische
ontwikkelingen werden niet waargenomen. Er komen speelzalen in buurthuizen
zoals Ons Huis in de Jordaan.
De programma's waren op de buurtproblematiek afgestemd, vormingswerk
dus.
[1956]
Kleuteronderwijs
Vlak voor de tweede wereldoorlog raken de kleuterscholen in zwang. Er
komt er zelfs een Wet op het kleuteronderwijs.
De toelatingsleeftijd was 4 jaar, maar men probeerde driejarigen ook
binnen te smokkelen.
Er werden daartoe peuterklassen of zogenoemde kakschooltjes opgericht.
Er zo was er weer onderscheid tussen pedagogische doelen en een bewaarfunctie.
De moeders wilden tijd krijgen om zichzelf te ontwikkelen.
Bewust
pedagogisch handelen is schaars
De mate en de aard van de pedagogische begeleiding is voornamelijk afhankelijk
van de persoonlijkheid en deskundigheid van de directrice van een dagverblijf.
Voor de leidsters is het zaak dat huishoudelijke taken vervangen worden
door begeleiding van de kinderen.
naar
boven
[1966]
Het
Witte Kinderen Plan
In de Provotijd
zaten de kinderen van artistiekelingen en semi-intellectuelen in een
kraakpand bij elkaar en werden antiautoritair opgevoed. Weg uit het
paternalistische gezinsverband.
De kinderen leren van elkaar en de moeders hebben hun kinderen niet
altijd aan hun rokken hangen.
In de doelstellingen van de Witte Kinderen Opvoeding zijn wel kenmerken
van een ludieke opvoeding te vinden, maar hoe die voor wat geletterdheid
betreft ontwikkeld moeten worden, daarover is weinig terug te vinden.
De kinderen mogen niet gestraft worden en moeten vrij gelaten worden
om hun eigen behoeften te volgen.
Linkse studenten
De zogenoemde Maagdenhuisbezetters, richten antiautoritaire kresjes
op. Ze volgen de richtlijnen van
'sexpol', een groep die zich bezig houdt met de sexuele
en politieke onderdrukking in de kapitalistische maatschappij.
In de antiautoritaire
kresj observeerde men het gedrag van de kinderen.
De feministen roepen: "We
zijn geen kangoeroes, wij eisen crèches".
Het is een vrouwenbelang dat niet gelijk liep met kinderbelang.
Kreten klonken als:
"Dan moet je maar geen kinderen nemen, je bent een egoïstische
moeder die haar kinderen wegstopt".
[1970]
Proefcrèche
voor Onmaatschappelijkheidsbestrijding
Opgezet onder leiding van de ontwikkelingspsycholoog
dr.G.A.Kohnstamm.
Er was plaats voor kinderen uit zogenoemde 'Sociaal gedepriveerde' arbeidersmilieus'.
De kinderen uit de Jordaan dus.
Het gaat het voornamelijk om een cognitieve ontwikkeling in het algemeen
en een sociaal-emotionele ontwikkeling van de individuele kinderen in
het bijzonder.
Als het om taalontwikkeling gaat is Kohnstamm de eerste die een compensatieprogramma
voor kleuters bedenkt:'Het Utrechtse Taal-Denkprogramma'.
Het is wel zo dat de ontwikkeling van de kleuters voortdurend getest
en gemeten wordt, maar dat de kwaliteit van het werk in de kindercentra
er niet aantoonbaar door verhoogd wordt.
De belangrijkste uitkomst van een onderzoek was dat de Proefcrèche
niet schadelijk was voor kinderen beneden 4 jaar.
[1973]
Dolle Mina en het Werkende Wijvenplan
Het plan was gericht op gelijk loon voor gelijke arbeid, gelijke kansen
in opleiding en beroep,
individualisering van de belastingen, gratis kinderopvang en gemeenschappelijke
woonvoorzieningen.
Na de oorlog bracht de wederopbouw een nieuwe manier van denken over
opvoeden.
De jongeren in de jaren zestig en zeventig waren met pedagogische tikken
gehard in grote, autoritaire gezinnen. Zij wilden zelf hun kinderen
op een andere manier grootbrengen en vonden de anti-autoritaire opvoeding
uit. Het idee was dat dit zou leiden tot een nieuwe en betere mensensoort.
Kinderen
mochten alles
Er waren geen regels. De 'spontane strevingen' van het kind moesten
gestimuleerd worden en regels zaten daar maar bij in de weg. De ouders
vonden ook openheid erg belangrijk. Geen taboes, bijvoorbeeld rond seks,
waar ze zelf zo'n last van hadden in hun jeugd.
De kinderen deden waar ze zelf zin in hadden. Over alles gingen ze in
discussie met volwassenen.
Ze kregen bij voorkeur zelfgemaakt speelgoed, of ze moesten het zelf
maar maken.
Deze nieuwe manier
van opvoeden kwam van pedagoog Spock,
die in 1949 zijn opvoedbijbel schreef.
Spock vond dat ouders naar hun kinderen moesten luisteren en dat ze
de opvoedregels losjes moesten hanteren. Maar anders dan de aanhangers
van de anti-autoritaire opvoeding vond hij dat kinderen wel gecorrigeerd
mochten worden.
naar
boven
Zorg
voor Dak- en Thuislozen in de Jordaan
[1989]
Het
Stoelenproject
In de winter kunnen daklozen terecht op het busstation Marnixstraat
onder de parkeergarage.
Een naamloze bezoeker schreef tevreden:
Waar
de inzet altijd hoog,
de soep van grote klasse,
rustig op je matras verkassen,
slaap je lekker warm en droog?
Heerlijk
thee en goede koffie,
hardwerkende mensen
voor soms onmogelijke wensen,
krijg je gratis je nieuwe kloffie?
Shag
op de bar, vriendelijk gewekt.
Geen bon, niet naar binnen,
voor hun anders ook geen beginnen.
Exclusief, alleen 't Stoelenproject.
Het Stoelenproject
wil een laagdrempelige opvang zijn.
Maar het is ook nodig om mensen die wel een dak boven hun hoofd hebben
bewust te maken van de problemen van de dak- en thuislozen.
Er is onvoldoende aandacht bij de overheid voor en er zitten gaten bij
de bestaande hulpverlening.
De opvang loopt van 15 september tot en met 30 april, 's avonds en 's
nachts
Iedere avond kunnen 40 mensen er terecht. Als het enige dagen vriest
mogen er 50 naar binnen.
Het is een eenvoudige voorziening, een warme en veilige plek om te slapen,
iets te eten en te drinken, eventueel schone kleding.
Dagbestedings
Project
Het Dagbestedings Project is er voor dak- en thuisloze mannen en vrouwen
vanaf 18 jaar die om welke reden dan ook onvoldoende in staat zijn om
voor zichzelf een zinvolle dagbesteding te organiseren maar daar wel
behoefte aan hebben.
Het is een koffiehuis en een tweedehands kledingwinkel waar men werk-
en leertrajecten kan volgen.
Haarlemmerstraat 146
De
Tweede Mijl
De Tweede Mijl is een inloophuis in de Willemsstraat 39 waar dak- en
thuislozen terecht kunnen voor koffie, een maaltijd, een douche, een
gesprek en indien nodig dekens en kleding. Ook is voetverzorging mogelijk
en is er wekelijks een kapper.
Vrijwilligers helpen bij het vinden van de weg naar de juiste instanties
voor bijvoorbeeld onderdak, medische hulp of opvang in een afkickcentrum.
naar
boven
|