De
bewaarschool ging aan
De vrouwen gaven hun merendeels huilende kinderen aan de deur af en
een helpster bracht ze naar hun plaatsen.
Zuster Angelica bleef met de moeders nog wat praten, die onder druipende,
glimmende regenschermen elkaar stonden te verdringen, luid kwebbelend.
De non hield de tippen van haar sluier met de witte rechterhand bij
elkaar, om haar streng, koud en bleek gelaat tegen den regen te beschutten.
Vóór de doffe schoolramen stonden een paar druipende handwagens,
glimmerig van het nat, en waarin halfverrotte stukjes koolblâren
vastkleefden.
Het regende
Een drietal zinken goten in de nabijheid klitterden hun water op de
straat, nú met forsche gulpen, door den wind opgejaagd, dán
zachtjes, dun klipklitterend.
Breede rimpels vaarden over den grooten plas bij de deur, telkens al
de wind uitschoot. De vrouwen hadden dan beide handen noodig om haar
parapluies rechtóp te houden.
Zij beklaagden de kinderen, die, dun gekleed, met roode, geweekte gezichten
en handen aankwamen, druipend en bibberend in elkâar geslonsd.
Daar zaten de kleintjes
Een klaterig geroezemoes van kinderstemmen en klompen-gestommel rolde
door het schoollokaal, een plomb, vierkant vertrek.
Door den achterwand, grootendeels bestaande uit een glazen beschot,
zag men, over een klein plaatsje met eene pomp heen, in een tweede lokaal,
waarin de oudere kinderen zaten, die op de banken klommen om naar de
huilende kleinen te kijken.
Deze zaten op lage bankjes, met de handen op de knieën, benauwd
rondturende naar de witte wanden en naar het kruisbeeld van wit gips,
op een kruis van ebbenhout uîtgestrekt, tusschen eene Maria Onbevlekte
Ontvangenis en een Jozef, die stijf rechtop tegen den muur stonden.
Leentje, de helpster, bracht maar steeds kinderen
aan
Ze deed ze jassen en hoofddeksels af en stapelde de trommeltjes met
boterhammen, die sommigen meêbrachten, op een plank tot een staanden
driehoek. De kast was vol uitwasemingen der natte kleêren.
Leentje was zeer aardig voor de kinderen. Ze sprak ze vriendelijk toe
en troostte hen de tranen weg, die bij sommigen tusschen de wimpers
glommen.
De statige zuster aan de deur had woorden
Koud drongen haar woorden naar binnen naast de zenuwachtige, lauwe geluidstukjes
van eene vrouw.
"Zeg, eerwaarde zuster, m'n kleine Jan krijgt 's middags geen wateremelk,
en 'k betaal er toch ampart vóór, iederen dag twee zenten".
"Hoor is, vrouwtje, op praatjes van kindere mot je niet afgaan.
We trekken niemand voor. Je vertrouwt ons toch wel?"
"Wel zeker zuster, maar...."
"Nu dan, dan kunne we onze diskussie stake".
"O, ik houw ook niet van diskediën, maar, ziet u, het is eige
vleesch en bloed, mot u maar denke. Wel bedankt, zuster! Dag zuster!"
Statig boog deze.
De vrouw nam met de linkerhand - in de rechter droeg ze haar ouwe parapluie
- haar beslikte rok op en ging heen met een lachje van voldoening, dat
ze zoo goed haar fatsoen wist te houden.
Als ze een voet optilde, kwamen dik-gestopte roode kousen met zwarte
voeten boven haar klompen uit, waarin van onder groote gaten waren.
"Leentje, je kunt de deur sluiten",
zei de zuster en ging naar binnen
Leentje nam de zware ijzeren ketting in de hand en boog zich om de deur
heen, om te zien, of er nog kinderen kwamen.
De lange, smalle straat lijnde zwaar voort, stil en leeg. Een menigte
plassen glommen onder de grijze lucht, die aan het einde der straat
afgestoken werd door een dompigen, zwaren toren, die plomp op den grond
stond.
Leentje liet haar oogen door de straat gaan, tot ze bleven rusten op
de ramen van de school aan de overkant.
Een bleek, gebrild hoofd met kortgeknipte haren, waaraan dikwijls een
pen was drooggemaakt, keek haar aan en knikte half deftig, half jolig;
maar jolig op eene bijzondere manier.
Leentje kreeg een kleur en flapte de deur dicht. Na een oogenblik echter
stond ze weer tegenover het bleeke hoofd, dat even de oogen sloot en
toen achter de onderste betraliede doffe ruiten wegzonk. Toen ze nu
voor de tweede maal de deur sloot, bromde ze "zoo'n kwibus"
Zingen en schreeuwen
Het schoolvertrek was vol van een nattig, ongezellig licht, dat door
de krijtwitte ruiten binnendrong. Helder waren alleen de vier bovenste
ruiten, waartegen zich de gevel van de school aan de overkant plaatste,
in drukkende platheid.
De zuster deed een gebed, waarna de kinderen op zingende toon het wees-gegroet
baden, de groote massa met een naren dreun, een eentonig vlak, waarop
lichtere stemmetjes nu en dan krullen en spiralen ornementeerden.
Hier en daar liep er een vooruit en na iederen zin kwamen eenige doffe
galmen, waardoorheen haastige beetjes brabbelden. - Vervolgens zongen
ze eenige liedjes met kerkmelodiën: 'Heilige Jozef, kinderhoeder'
- en ten slotte, op de vroolijke wijze van een studentenlied: 'De winter
komt ons zijn afscheid brengen.'
De zuster gaf telkens den toon aan en de kinderen zongen verder, zonder
eenige maat, lieten hun stemmen over elkaar buitelen en doorslaan, en
eindigden met een overmatig schreeuwen, als in overmoedige wanhoop.
Zoo werd het half tien
De kinderen kregen van Leentje leiën om wat te teekenen.
Een doffe stilte, nu en dan even onderbroken door snerpende krassen
op de leiën. De zuster stond met de helpster te praten, bijna onhoorbaar,
zacht op de heupen wiegelend. Leentje leunde op één been
en plukte aan haar rok en aan de knoopen van haar japon, met een verveeld
gezicht.
Onder het koude water
Als een zacht opkomend windje begon het onder de kinderen te suizen,
even zwijgend, dan in een anderen hoek wêer beginnend, hier en
daar met brokjes ondersteund, tot de zuster in haar gesprek gestoord
werd.
Ze ging rond om naar de handen te zien.
Een vuile jongen met gescheurde kleeren, waardoorheen zijn bloote lichaam
zichtbaar was, werd op bevel van de zuster door Leentje naar het plaatsje
gesleurd.
De pompzwengel piep-bonsde en de jongen begon te schreeuwen, dat het
water zoo koud was.
Alle kinderen keken er naar en die uit het achterste lokaal gingen daartoe
op de banken staan. Telkens als hij schreeuwde, lachten ze.
Den heelen morgen zat hij stug vóór zich te kijken, met
het natte haar over oogen en ooren. Eén ondeelbaar oogenblik
ontluikten de oogen van den tienjarigen jongen en keken de zuster honend
aan.
Leentje keek de leien na en prees of laakte
Plotseling boog ze zich over een kleinen, blonden krullebol met roode
wangen en blauwe kijkers, en gaf hem een kus.
Een bleek jongetje, dat naast hem zat, keek vluchtig toe en wendde snel
het hoofd af.
De kinderen moesten hun leien onder hun bankjes leggen en er werd een
sprookje verteld.
Met ingehouden adem luisterden ze toe, dicht bij elkaar geschoven, met
open monden en uitgerekte halzen.
De stugkop, met zijn steil, nat haar, kneep in vervoering zijn buurjongetje
in de armen, doch toen de zuster, die tegen den raam geleund haar rozenkrans
bad, hem aankeek, nam hij weêr een gereserveerde houding aan.
Zijn buurjongetje keek droomend vóór zich, nu en dan zijn
gebalde handen ontspannend om zich aan de tafel vast te houden. Vele
kinderen zaten, half over de bank geleund, te rijden.
Na het vertellen werd nog even gezongen en
het was half-twaalf
De zuster vroeg, wie der kinderen alleen naar huis gingen. Leentje pakte
ze zoo goed mogelijk in en ze stommelden weg.
De ketting werd van de deur gedaan en de kinderen wrongen zich tusschen
de vrouwen heen, die onder hare regenschermen op een hoopje stonden.
Namen werden gezegd en galmend door de school geroepen en door de zuster,
die bij het plaatsje stond, aan zuster Monica, uit het achterste lokaal,
gezegd.
Telkens stond er dan een kleintje op en waggelde naar de kleerkast,
waar Leentje het aankleedde.
De zuster nam het aan eene hand en bracht het naar zijne moeder.
De jongens, die alleen naar huis gegaan waren, liepen door de nauwe
straat te schreeuwen, de petten en jassen in de hand rondzwaaiend.
Een trekhond schoot blaffend uit een nauw steegje op hen aan en vervolgde
hen tot ze de straat uit waren.
Melk of water
Eindelijk waren de moeders afgetrokken.
De deur werd gesloten.
De zusters gingen door eene achterdeur heen en Leentje bleef met de
overblijvers achter. Ze haalde een bruine kan met melk van de hooge
kolomkachel en deed er water uit de pomp bij. Toen deelde ze de trommeltjes
met boterhammen uit en vroeg, wie er melk moesten hebben.
Slechts een paar hadden dat geluk en mochten beurtelings een slokje
uit de kan nemen.
Wier moeders niet voor melk betaald hadden, kregen uit een grooten tinnen
kroes een paar slokken water.
Frans mot naar huis
Een kleine, bleeke jongen zat nog even onbewegelijk als onder het vertellen.
Toen Leentje haar bemoeiingen met de water-en-melk geëindigd had,
merkte ze hem op.
"Frans, mot jij niet ete?"
"'k Heb geen brood. Moeder had niet."
De kleine krullebol, een zoontje van een hoedenfabrikant, had als gewoonlijk
te veel. Leentje zei, dat hij een paar boterhammen aan Frans moest brengen.
"Ik mot naar huis. Moeder heeft gezegd, dat ik t'huis most komme".
"Kom, jonge, je moeder zal niet willen hebben, dat je alleen gaat.
Kijk me nou zoo'n snotblaag is simme".
"Ik mot naar huis".
"En waarom heb je dat niet eerder gezegd? Kijk is hoe het regent?
Als ik jou was, zou ik de boterhammen maar neme. Moeder heeft misschien
toch geen eten, net zoo min as van morrege".
Het kind voelde, dat de oogen der anderen op hem gericht waren. Hij
werd wrevelig en huilend liep hij naar de deur. Leentje liep hem na.
"Ho even! mot je je jas en je pet niet hebbe, stoute jonge?"
De jas was onder de andere niet zoo gemakkelijk te vinden, Leentje werd
boos. "Wat een last heb je toch van die ape. Jonge, blijf hier!"
"Daar is t'i, dáár, met die groene voering".
"Neen!" en ze rukte alles door elkaar.
Eindelijk toch vond ze het stuk. Zij kleedde Frans aan, duwde hem de
pet over de oogen en zette hem de deur uit.
"Daar, ondeugd! nu sta je in den regen. Wij gaan lekker spele.
Hoe is 't? Wil je blijve?"
Frans liep hard weg.
Eenige huizen verder keek hij om en toen hij Leentje niet meer zag,
ging hij met het hoofd tegen den muur staan snikken.
Een vrouw, die in een steegje stond te wasschen, riep: "Ga naar
huis, jongen, je zult door-waternat worde. 't Regent, dat het giet".
En tot eene buurvrouw riep ze: "Een ander mensch zou blij zijn,
als t'i er in kon blijve".
De sluis
Dikke regenstralen sabelden neer en kletterden op de straat, opsputterend.
Een paar lantarens staken als druipende vuisten uit de natte muren der
huizen.
Aan het eind van de straat was eene kolk, tusschen twee sluizen.
Een schip lag daar te druipen, log en koud ineengeplompt, met glimmerig
dek.
De schipper in blauw-baaien hemdrok pompte. Met horten spuwde de pomp
kleine brokjes water uit.
Eén der brugwachters stond te visschen, de andere, met de kraag
van zijn blauwe jas opgeslagen, een zwart eindje pijp in den mond, duwde
met een langen haak de sluisdeuren open. Zijn handen waren rood en opgezwollen
van den regen.
Frans bleef naar hem staan kijken, tot hij verdween in zijn geelhouten
huisje met kleine raampjes. Een paar bakjes met klimop stonden treurig
in de smalle kozijnen. De blaadjes windtrilden bij beetjes.
Niets te eten
Frans liep de smalle ka langs, de handen in de jaszakken, als een oud
ventje en was nu spoedig t'huis. Zijn moeder wrong zijne natte kleeren
uit.
Waarom was hij niet in school gebleven?
Eten had ze niet.
Van avond zou vader misschien wat geld meêbrengen, want hij was
niet t'huis gekomen en werkte dus zeker.
Frans bleef in een oud kieltje, dat zijne moeder tot borstrok gemaakt
had door er de mouwen af te snijden, een poos voor de lage ramen kijken,
die dik met stof en zeepsopspatten bezet waren.
Eene waschvrouw aan den overkant was voor den regen naar binnen gegaan.
Naast haar kuip, die door een engelsch hemd en een deken toegedekt was,
lag een hoop vuil goed in een klein plasje.
Toen het tijd voor school werd, kleedde zijn moeder hem aan en ging
met hem meê.
De deur was nog niet open. Even als 's morgens stonden troepjes vrouwen
met kinderen te wachten. Zijne moeder sloeg haar sloof om Frans heen.
Frans vroeg waar kleine Leentje was. Die was bij de buurvrouw, zei zijne
moeder. Ze had naar vader gezocht en had vergeten, het kind terug te
halen, toen ze t'huis gekomen was. Dat kwam omdat Frans zoo nat t'huis
kwam.
De schooldeur ging open
Voor en na verdwenen de kinderen in het vierkante gat en de vrouwen
gingen paarsgewijze heen, met hun klompen de dunne modder opspattend.
Met de eene hand tilden ze hare rokken op.
Frans ging schoorvoetend naar binnen. "Niet met de zuster praten,"
verzocht hij. Doch zijne moeder vroeg aan zuster Angelica, of hij voortaan
bij zoo'n weêr binnen mocht blijven. Het was geen weêr,
om er een hond door te jagen. En dan een kind, dat zoo weinig aan z'n
lijf had.
De zuster, die door Leentje reeds ingelicht was, zei: dat hij om huis
geschreeuwd had. Ze hadden hem brood wille geve; maar hij wou niet.
Er zat een leelijken kop op dien jongen.
Hij was wel bedaard en stil, daarvan wou ze niets zegge; maar hij kon
soms zoo norsch en koppig zijn.
Die kop most gebroke worde, dat was z'n moeder verplicht. Anders kwam
er niks van hem terecht. En dan speelde hij nooit is met andere kindere,
er zat niet bij. Geen tier kon je er in krijge.
De moeder gaf haar gelijk. Ze wist niet naar wien hij een aard had.
Zij was voor haar trouwen zoo stil niet geweest en wou wel weten, dat
ze toen lang geen kniesoor was.
Enfin, de zuster zou hem voortaan binnen houden. "Met geweld, zuster,
gerust, ik geef u permissie."
De kinderen waren dien middag erg woelig
Vóór schooltijd al klommen de ouderen op de banken en
liepen mekaar na. Er was tusschen den middag geen raam open geweest
en de kachel had aldoor fel gebrand, zoodat een klammige warmte uit
de kleederen der kinderen opstceg en hun handen en gezicht begroezelde.
De zuster bad weêr, de kinderen baden en zongen, iets lijziger
dan 's morgens, en kregen hun leiën.
Er werd een plaat aan den muur gehangen, die voorstelde: Roodkapje door
den wolf verscheurd. Alleen het roode kapje van het meisje en de witte
tanden van den wolf waren op een afstand te onderscheiden.
De brekebeenen, die déze plaat niet konden nateekenen, mochten
hun krachten beproeven aan een vruchtenstukje: een sinaasappel, een
appel, een peer, een knol, een peen, een tros druiven, een aardappel,
een hoopje aarbeien en een komkommer.
De kinderen knarsten met hun griffels
Een kwartiertje was Leentje met de grootste bezig.
Ze zei: spa-a; slee-e en de anderen schreeuwden haar na.
Eindelijk zei de zuster, dat het dien middag toch niet ging en dat de
kinderen dus maar wat moesten gaan teekenen.
De goot op het plaatsje pitte-pette: de regen scheen opgehouden te hebben.
Soms even zwiensde het water langs het zink en plits-pletste op de gele
steentjes. Glimmende droppels licht zaten verspreid tegen de bewasemde
ruiten en biggelden van tijd tot tijd een eindje naar beneden.
Het begon al vroeg donker te worden
Het licht schimde door het overwarme schoolvertrek, waarin eene hooge
kachel stond te gloeien.
De hoofden van Maria en Jozef waren niet meer te zien.
Als twee donkere vlekken, even naar vóór uitkomend, stonden
ze daar omhoog. In het toenemende donker trokken hunne voeten op en
de beelden werden twee wanstaltige, in elkaar geplompte gedaanten.
De kinderen konden niet meer op hun leïen zien. In het achterlokaal
was het licht aangestoken, doch in dit waren geen gaslichten aangebracht.
Er werd gebeden en gezongen
Leentje deed de ketting van de deur. Toen ze de deur opende, zwiepte
de regen haar in het gezicht.
Ze sloeg haar rood-wit-gestreept-katoenen schortje over het hoofd en
hield het met de linkerhand onder haar kin vast. De punten zwibberden
schik-schokkerend-klip-klap langs haar gezicht. In de donkere ruimte
tusschen de deurstijlen verschenen vrouwengezichten, onder flauw beglimplichte
regenschermen.
Ze noemden een naam, die door Leentje hooggillend in de school gestooten
werd, tusschen de duisternis. De kinderen kwamen met slapende voeten
aandribbelen. Ze werden door hunne moeders in jassen en doeken gerold
en groetten de zuster, die stijf rechtop naast Leentje was komen staan.
Flauw-wit schemerde haar kap, als ze het hoofd boog om terug te groeten.
Zwijgend stond ze daar en liet de kralen van haar rozenkrans tusschen
de vingers glijden.
Moeder komt niet
Tegelijk, dat een man de lantaarn bij de bewaarschool opstak, werden
ook de ramen van de school aan den overkant verlicht.
Strak holoogden de ramen. Het licht schimmerde over de natte straat,
tusschen de voeten van de silhouetten der menschen door, wierp strepen
schamplicht langs de natte rokken der vrouwen en glom langs het plafond
der zusterschool. De doffe ruiten hadden een flauwen goudgloed.
Een woelig geluid drong uit het achterlokaal in het verlaten vertrek,
waar nog slechts enkele kinderhoofdjes in het halfdonker op de bankjes
verspreid stonden.
Heel in de verte naderde het geratelwiel van een rijtuig, op de ongelijke
steenen ophotsend. Het kwam nader en werd toen dunner en onduidelijker.
Leentje hielp de laatste kinderen aankleeden.
Geeuwend zei de zuster: "wat een landziekig weêr, hè?"
en ze rekte zich uit. - "Zou zuster Monica d'r kindere nog langer
houwe? Ga 't is vrage, Leen!"
Leentje kwam met de boodschap, dat zuster Monica dadelijk gereed was.
Terwijl ze Frans aankleedde zei ze: - "Je kon het an de kindere
wel zien. Ze ware zoo slaperig as de wiedeweegaai."
Ze boog plotseling het hoofd en schuinoogde naar zuster Angelica, die
haar echter niet gehoord had en met haar rozenkrans spelend in de lichte
hokjes stapte, tusschen de schaduwlijnen die de raamsponningen op den
vloer wierpen. Van tijd tot tijd geeuwde ze en eindelijk liep ze naar
het plaatsje en opende de schooldeur.
Ze stond zwart tegen den gouden achtergrond, die van licht en leven
tintelde.
De kleine, vroolijke, mollige zuster Monica verbood met haar lieve stem
de lastige kinderen, die aan haar armen en haar zwart nonnenkleed hingen.
Ze ging door het holle voorvertrek en het jolige troepje kinderen maakte
zich van haar los en liep lachend de straat op.
Frans werd door Leentje met nog een paar kinderen op straat gebracht.
- "Jullie moeders komme niet opzette", zei Leentje. "We
kanne je van nacht niet houwe".
Koud klamden Frans de
kleêren aan het lijf
Hij liep door de donkere straat, tusschen de overhangende gevels. De
lantaarns leken dun en teêr en hun treurige, bekoperrandgele vlammetjes
met zwarte hartjes strakten in den regen, die grijsgestreept neersabelde
in het opeengepakte kildonker tusschen de huizen, welke als verschroeide,
uitgebrande, holle geraamten op en tegen elkaar huiverden, blind en
koud in den regen. De regendroppels plekten kringetjes in de zwart-groening
van de kolk, die tegen den steenen kant opkabbelde in zachte, schommelende
deining.
Voor één der gele raampjes van het brugwachtershuisje,
die een gezellig licht uitwierpen, zat een man te eten uit een dampend
ijzeren pannetje.
Frans keek naar de sluis.
Tusschen de sluisdeuren brabbelzwalpte het water met witte bruisjes.
Uit tal van reten lekte het in fijne dunningen, dooraderd van straaltjes
lantaarnlicht.
Vader is dronken
De straten waren hol en leeg en lijnden moeielijk voort in de dompige
atmosfeer. De lantaarns leken met een stamp in den grond gezet en streken
langwerpige lichtplassen van zich af over de natte kleibollingen.
Een buurmeisje, dat boter en kaas gehaald had en op een stukje krant
in de handen droeg, zei tegen Frans, terwijl ze nu en dan van de kaas
snoepte: "Je moeder heeft zoo gehuild. Ik heb het zelf gehoord.
Je vader is dronke t'huis gebracht door drie mannen en hij heeft haar
geslage. As ik jou was, ging ik gauw is kijke."
Frans liep op een drafje het steegje in
De lamp was nog niet op.
De waschvrouw stond te boenen bij het licht van een petroleumlamp, die
voor het raam gezet was. Het glinsterende, rookende zeepsop schuimvlokte
langs haar armen.
Ze had een witte doek om haar hoofd geslagen en stond in een plas licht
voor de kuip, waarnaast vuilwit en rood en blaauw goed op een viezen
hoop lag, door den regen in elkaar geslensd.
In het donkere benedenhuis viel door de twee bezeepsopte ramen een twijfellicht,
dat de enkele meubelen even liet onderscheiden.
Stik
maar ellendeling
Op een stoel voor het raam zat zijne moeder.
Een dof, reutelend gesnork klonk uit een hoek.
Nu en dan bromde de dronkaard, die daar was neêrgevallen ruwe
vloeken en heesche uitroepen.
Plotseling richtte hij zich soms op en slingerde lange verwenschingen
rond zich.
Frans was stil bij zijn moeder gaan zitten.
Ze legde zijne hand in de hare.
Een ongezellige koude kleumde in het vertrek.
Zacht vertelde de vrouw aan Frans, dat zijn vader 's middags t'huis
gebracht was. Hij had een halven dag gewerkt maar door den regen hadden
ze moeten uitscheiden.
Toen was hij in een herberg gaan zitten.
Eten had ze niet, kleine Leentje had straks ook al om eten geschreeuwd.
Moeder was blij, dat ze sliep.
Frans moest maar gauw naar bed gaan, dan lag hij warm.
Misschien kwam er van nacht wel uitkomst.
Of ze de lamp aanstak? Er was nog maar een beetje olie in, en dat moest
ze sparen. Je kon niet weten, wat er van nacht gebeurde.
Eensklaps begon de dronkaard in den hoek benauwd te gorgelen.
En de vrouw barstte plotseling in woede los:
Stik maar! ellendeling!
|