Flexwerkertjes



 

 


Drie flexwerkers op weg naar hun werk

tussen taal en beeld




Flex hier en flex daar
De laatste tijd hoor ik mensen regelmatig het begrip 'flexwerken' gebruiken.
Het gaat dan bijvoorbeeld over het met een laptopje op schoot in een café, uren lang op één kop koffie, het typewerk voor je baas te doen zonder dat je naar kantoor hoeft. Of over werknemers die niet allemaal op de zelfde tijd en op de zelfde plaats aan een opgedragen taak werken.
Tegenwoordig is het begrip 'flexstuderen' er bij gekomen. Het idee is dat studenten hun kennis per vak bij een universiteit inkopen en die dan per module of studiepunten afrekenen. *)

Jonge kinderen zijn van nature flexwerkers
Kinderen pikken overal kennis op, ook al wordt dat niet als een 'kant-en-klaar maaltijd' in de gebouwde omgeving van een schoollokaal aangeboden.
Bijvoorbeeld: ik zit op een bank op de binnenplaats en lees een bericht van de woningcorporatie dat ik net uit de brievenbus gehaald heb.
De buurkinderen van het kinderdagverblijf komen op mij af en vragen of ik wil 'voorlezen'.
Ik lees voor: "Voor het jaarlijkse onderhoud komt de monteur langs en controleert of er iets stuk is". en dan volgen een aantal onderwerpen: Hang- en sluitwerk, Sanitair, Keuken, Centrale verwarming en zo meer.

De kinderen luisteren aandachtig of er iets spannends in het verhaal komt
Dan staat er: Binnendeuren en buitendeuren controleren. Ik vraag aan de kinderen wat het verschil tussen die twee soorten dingen is. Ze zeggen dat je door een buitendeur alleen naar buiten kunt gaan en door een binnendeur alleen naar binnen mag. Daar is niets tegen in te brengen.
Maar dan volgt mijn educatieve inslag: "aan welke kant zitten de scharnieren dan, en wat zijn dat?"
De kinderen noemen alle dingen die er aan een deur zitten. Het gaatje waar je de sleutel in stopt. Het kleine gaatje om te kijken wie er voor de deur staat en het kattenluikje. Het haakje aan de binnenkant van de deur waar je pas bij kunt als je op een stoel gaat staan. Wat er gebeurt als je met je vinger tussen de deur komt. Er zitten aan een deur dingen, zoals deurkrukken en deurklinken, die zo vanzelfsprekend zijn dat de kinderen ze soms niet noemen. Of dat ze zodanig in de constructie van een deur verborgen zijn, zoals scharnieren, dat ze voorlopig nog niet aan de orde zijn, behalve als ze gaan piepen.
Zo gaat het verhaal een tijdje door want op het lijstje van de monteur staan woorden als: hang en sluitwerk, raamveren, deurschilden, en nog veel meer.
Maar als ik over een 'wastafel' begin blijkt dat de kinderen het woord niet meteen als deel van hun huiselijke voorwerpen herkennen. Als ik dan vraag: "wassen jullie je dan nooit?" zeggen ze: "Ja hoor, maar dat doen we onder de kraan".
Deurkrukken, stofdorpels, mengkranen, tapkranen, allemaal woorden waar een verhaal aan vast zit.
Het woord Perlator moest ik thuis opzoeken. Het blijkt een waterbesparend hulpstuk op de douche te zijn dat water en lucht mengt tot een lekkere straal. Dat moet ik ook hebben.

De taal van de dingen in huis

De kinderen weten allemaal wat een 'tafel' is en waar die voor gebruikt wordt. Ze vertellen verhalen wat ze op een tafel doen en dat je een tafel kunt 'dekken'. Dat is bedekken met borden en kopjes en lepels en jampotten en boterhammen.

Conclusie:
Het loont de moeite om het onderhoudsabonnement eens met je kinderen door te nemen.
Dingen die zich in het algemeen in ieders huis bevinden. Daar valt over te praten met de kinderen. De een weet er meer van dan een ander en zo leren ze van elkaar. Daar hebben ze geen taalboekjes en voorschoolse taalprogramma's voor nodig. Belangrijker nog is dat kinderen hun visuele vermogen en verbeeldingskracht verbinden aan een talige ontwikkeling. Omdat die manier van leren gebaseerd is op incidentele onderwerpen kun je spreken van flexstuderen.

Henk van Faassen


*) Citaten uit de media

Flexstuderen is een plan met alleen maar voordelen, volgens Volkskrant-columnist Aleid Truijens. Het zou een oplossing voor langstudeerders. De overheid vindt hen te duur. Als studenten per vak betalen, zou het geen probleem meer zijn als mensen vier tot twaalf jaar bezig zijn. Voorstanders van dit ‘flexstuderen’ willen het meteen invoeren. Maar dat is een slecht idee want er zitten fundamentele didactische bezwaren aan deze vorm van consumentisme. Het plan is dan ook niet verfrissend, maar een voortzetting van het kapotmaken van de academie onder het mom van marktwerking.(...)

Bestuurders
vinden dat het heus wél kan als er maar efficiënter gewerkt en gestudeerd wordt. Daarom werd het onderwijs schoolser. Het aantal studenten per werkgroep ging omhoog van 20 tot 30 en de zelfstandig geschreven masterscriptie afgebouwd tot een invuloefening in een scriptieklasje. Onderwijs als optimaliseringsprobleem. (...)

Als studenten per vak gaan betalen
zal deze klanthouding zich meer gaan manifesteren. Gezakt? Misschien lag het aan de verkoper van het vak. Het vak voldoet niet aan de verwachting? De student wil graag zijn product ruilen. Er zal gemord worden over verplichte vakken als wetenschapsfilosofie, waarvan de afnemer op het eerste oog weinig waarde ziet als investering voor later.Als Arnold Heertje, eind 2006 in Felix Meritis, over de verloedering van het vaderlandse onderwijs en de ‘valsheid in geschrifte’ door de hogescholen spreekt, verandert de zaal in een kokend voetbalstadion. ‘De hbo’s schrijven valse studenten in, ze geven valse vakken en er worden valse cijfers gegeven. Die worden niet langer bepaald door de prestaties van studenten, maar door budgettaire overwegingen van bestuurders. Er worden geen leraren meer opgeleid, maar leeuwentemmers, opzichters.’ Hij vergelijkt het met de zorg en de woningcorporaties: ‘We hebben in Nederland het probleem van een nieuwe klasse, de klasse van de beheerders.’
Die toegenomen macht van de managers tegenover de verzwakte positie van de leraar is slechts één onderdeel in een groter proces van achteruitgang van het onderwijs. (...)

De problemen beginnen al op de basisschool, waar steeds meer, zwakke, leerlingen de Cito-toets niet maken. Volgens ontwikkelingspsycholoog Greetje van der Werf verlaat elf procent de basisschool zonder fatsoenlijk te kunnen lezen en schrijven. De scores in het voortgezet onderwijs dalen, terwijl steeds meer leerlingen havo- of vwo-diploma’s halen: ‘Dat wijst op een niveaudaling en ze vind dat een zorgelijke ontwikkeling.’ (...)

In het vervolgonderwijs is het net zo. Vooral het hbo moet het ontgelden. Studenten brengen volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau nog slechts een derde van hun tijd door op de hogeschool. Er wordt geklaagd over het inhoudsloze competentieonderwijs, dat enkel nog zou bestaan uit voorgekauwde zelfkritiek leveren en in groepsverband werken aan projecten. Volgens Ad Verbrugge, voorzitter van 'Beter Onderwijs Nederland', is het huidige hbo te vergelijken met het mbo van twintig jaar terug. En toen konden ze ook nog wat beter spellen.’ En zelfs de universiteit is niet vrij van kwaliteitsverlies, denkt Verbrugge, als filosoof werkzaam op de Vrije Universiteit: ‘Ik merk het aan het dalende niveau van de instroom. Taalvaardigheid, hoofd- en bijzaken onderscheiden, gebrek aan algemene ontwikkeling. Filosofiestudenten die bij de Verlichting denken aan Philips. (...)

De oorzaak van alle kommer en kwel is volgens critici als Verbrugge en Heertje een systeem van ‘perverse financiële prikkels’. Hoe meer leerlingen ingeschreven staan en hun diploma halen, hoe meer geld de overheid betaalt. Dus verlagen onderwijsinstellingen het niveau.
(...)

De oplossing? ‘Het gaat er niet zozeer om dat de meester uit de jaren vijftig weer voor de klas komt. We willen gewoon terug naar de goed opgeleide leraar met een beetje structuur in de klas. Er moet een gemeenschappelijk programma komen, en vervolgens daarbinnen alle vrijheid voor de leraar.’ Met anti-emancipatorisch denken heeft dat volgens de als een conservatieve filosoof bekendstaande Verbrugge niets van doen: ‘Juist het niet stellen van eisen aan leerlingen is ook een vorm van verwaarlozing.’ (...)


naar boven


Taalmethodes

21 11 2017