dichtregels
voorgelezen
op de
derde dinsdag van de maand

home

contact




ill: Ted van Lieshout


 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
drie verweesde dichtbundels.
Onder de platanen van het voormalig
weeshuis aan de
Lauriergracht te Amsterdam,
lezen ze op willekeurige bladzijden,
een gedicht aan elkaar voor.



het onderwerp ik

Ik zweef boven iedereen uit
in het geheim - de wereld weet
nog niet precies dat ik er ben.

Ik moet soms ook nog wennen
aan mezelf, maar mijn voorsprong
is al groot. Wie mij voorbij wil

op de fiets, moet om mij heen
in een bocht. En een bocht
is wel een soort van buigen.


Ted van Lieshout
uit: Een propje in mijn gezicht



Dit is de 2e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je



 
             
 

RAAD

Neem nooit een dichter, m'n dochter
zo eentje met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje 'Donkere sneeuw'
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je 's morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.

Neem liever een kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.

Annie M.G.Schmidt
Uit: Gedichten
1985

 

SMEEKBEDE XIV

wat willen wij
van de geschiedenis leren
elke datum is een oorlog
bij het ontbijt lezen we obligaat
de zwarte woorden, handen zijn gewassen
onschuld wordt illusie en per dag
verloren

we aaien peozen, ze gapen
boosaardig, waar waren jullie gisteravond
wrokkig zwaaien van de staarten
zich bezinnen bij de bakjes
litanie van spinnen

o god
wees genadig voor de poezen
mens is geen kattentsaar
is buiten zingen overtreding
de katten krijsen, in de wereld
buiten het sjetl wordt gezwegen
het zijn de beesten maar

Chawwa Wijnberg
Uit: Handboek voor de joodse kat

 

GOUD

na drie vaders
eerste druk uit tweede huwelijk
spelen de Letjes quatre-mains
en flierefluiters dubbel
oponthoud
een boek zonder ruggetje
wat we doen, moord of lijmen
geen verwijdering
als woorden zo belangrijk
in elk dispuut
waar heb je dat gelezen
zei ze

Chawwa Wijnberg
Uit: Handboek voor de joodse kat

 
 

INZICHT

Ze zouden die klodders wolken
moeten wegschrapen
met een paletmes
zodat het blauw weer
stralen kan daarbuiten
met een kinderlijke glimlach.

Maar wie heeft dat lef
die vaste hand
om weeffouttjes te herstellen
in de natuur de kleur van bladeren
die erom liegt, het verkeerde seizoen
suggereert.

De noordenwind die mensen
tegen de haren instrijkt en molenwieken
de verkeerde kant opduwt.

Er heerst een dreiging daarbuiten
een andere orde sinds ik dit weet

Antoinette Sisto
Uit: Dichter bij de zon

 
CHER MONSIEUR DU LAPIN

Cher monsieur du Lapin
wat doet u met lange wiebeloren,
neusje wip en donzen staart
haasje over springend
in mijn knollentuin,
knabbelend aan mijn wortelbedden,
u lacht, tandjes bloot en glinstert
met knipperende ogen, de zon trilt,
zilvervonken in uw nerveuze snorharen,
ja, ik ken uw gastvrijheid,
die honing serveert, vosbessenjam,
bramengelei, noem maar op,
en mijn holle buikje smul ik bol
tot ik blijf steken in uw voordeur,
dan hangt u giechelend de slappe was
aan mijn spartelende kuiten
en leest mij strenge verzen,
zingt van verre winterreizen,
verleid mij niet met uw zacht bonten jas
in het warme duinenhol, scheert u weg
uit d'appelgaard, waar u trommels roert,
fluiten blaast en aan de strijkstok knaagt,
zo, dear mister Rabbit, wat doet u in
mijn hof
u plukt mijn laatste bloemen af,
laat mij slechts zand en stof

Mirjam Al
Uit: Sterren stralen overal
Amsterdamse voorleesclub
2004
 

EEN OGENBLIK

Vroeg in de morgen zocht ik mijn weg
tussen hoge bergen in een ijskoud land
van een buitenaards heelal
op een open plek zat ik neer bij een vrouw
wier hand ik nam.

Een golf van vuur trok toen van haar naar
mij in dat vreemde heelal van de aarde weg
tussen bergen van ijs werd ik warm en blij.

Weer terug op aardse wegen, kon ik zien
zonder ogen, kon ik lopen zonder benen,
mezelf en een ander herkennend als
schildpadden,
één ogebblik waaraan ik ben blijven
geloven, verlost van alle pijn en het
voortdurend veranderen.
10/1 '84

Salvador Hertog
Uit: Bestaan zonder tijd
1985

 
 

STROMBOLI

Angst slaat vuurstenen tegen elkaar
in de borstholte van de aarde,
de bevende mond boven het water
ademt vuurvogels
die wijdvertakt neerdalen.
De nacht zwart als roet
met vonken en sterren.
Hijgend slaat de boot
zijn staartvin door het water
en voert een slapeloze Jona
naar de veilige kust van Napels.

Jaap Zijlstra
Uit: Voor de gelukkige vinder

 

GEBED

De zee nam een zeeman in haar diepte op. -
Onwetend komt zijn moeder en ontsteekt

voor de Moeder Gods een lange kaars, opdat
hij snel terug zal keren en het mooi weer worden zal -

en aldoor houdt zij haar oor gericht op de wind.
Maar terwijl zij bidt en smeekt,

luistert de ikoon, plechtig en bedroefd, wetend
dat de zoon op wie zij wacht niet meer terugkeert.

K.P.Kavafis
vert. Hans Warren en Mario Molengraaf
1991

 

HAIKU

In het morgenrood,
boven perzikbloesems uit,
de kraai van een haan!

Kikaku, 1661-1707

Al wou je maar
één enkele meloen stelen -
't hele veld beweegt!

anoniem

Uit: J v.Tooren, Japans gedicht


 
 

REIGER

Avond. Achter hun huizen staat hij, blind
voor grenzen, die ik volgen wil. Gedreven
door honger ontvouwt hij zijn hals en slaat

Zij zien hem niet, die nu lichten aansteken,
kinderen wassen, over rampen spreken.
God, neem hen weg, maak het hier woest en leeg,
laat hem weer kunnen kijken over water
en wremelende ziel als in het begin.

Eva Gerlach
Uit: Het dierbaarst
1990

 

STORM OP HET MEER

Onrust in de gelederen
der palmen,
hees gefluister.
Golven breken uit in tranen
aan de stenen borst
van Ein Gev.
Abba, abba
schreeuwt een kleine jongen
van angst en verrukking.
Ons schip is niet te houden,
het breekt baan
naar de overzijde,
het schuim op de flanken.
De Davidsster
wordt aangewakkerd,
hij rukt aan het vlaggetouw
en tracht te ontkomen
naar het firmament
waar een belegerde zon
moeizaam stand houdt.

Jaap Zijlstra
Uit: Voor de gelukkige vinder

 

DE PAUW OF DE ZWAAN

De pauw of de zwaan in het winterse park
bij het ochtendkrieken, als je nog slaapt,
brengt me de vlucht over rokende
bergruggen, het onmogelijke turkoois
en de vulkaankleurige zonsopgang terug.

Heraldische hartschreeuw, zielsliefde
in bloed gesmoord.
Een remousstoot nu nog en de vlam slaat
over. Foenixwiek
die langs scheert, tot as vergrauwd
en weer nieuw.

Jacques Hamelink
Uit: Ceremoniële en particuliere madrigalen
1982

 
 

DUEL

Wie - wie ben ik, dat is tussen beide
niet van verbijstering kan bekomen?
Lijf en ziel? Ziel of lijf? Een van beide -
wie heeft het bevel op zich genomen?

Lijf, dat ziel het uitzicht heeft ontnomen,
valt dat smalle rijk niet uit te breiden?
Moet gij voor zo onafzienbr dromen,
ziel, in dit te nauwe pantser strijden?

Kletterend vanlt de degen op den grond.
Ongetroffen ben ik reeds gewond -
tweestrijd is het bitterste duel.

Nergens in dit nijpend wereldrond
dat ik voor de ziel een uitweg vond,
ook al wend of keer ik nog zo snel -!

A.Donker

 

WEERZIEN

Gordijnen, effen dicht als rouwgordijnen.
Een oud gebouw met strakke lijnen.
Een plein volg gruis, een afdak boven palen,
Een lampenbuis in elk der kalklokalen,
Een kruis met branders, paarsgewijs geheven,
Gesuis, jaar in jaar uit gelijk gebleven.
Geluiden, die herinnering wekken
Aan boeken, lang onleesbaar door de vlekken,
Vervlard, vertrapt als een verloren leven,
Aan bladen, steeds van 't zelfde volgeschreven.

De deur, de bel, de beide binnenplaatsen,
De bovenvensters, die de herfstmaan kaatsen,
De keldervensters met hun traliestangen,
De stoep, de harde grauwheid van de gangen.

Hendrik de Vries

 

LASTER

Vanachter horren en een droef kozijn
treedt hij te voorschijn in zijn jas met
panden,
den zijden hoed in zijn geschoeide handen
en met een das van stemmig-zwart satijn,

zijn glimlach toont twee rijen blanke tanden,
zijn woordkeus is als kunstig filigrein:
hij wil, in geen geval, de zegsman zijn
noch aan een loos gerucht zijn vingers
branden,

men moet voorzichtig zijn, want eer is teer,
hoewel, helaas, het praatje ging reeds eer,
er wordt wel vreemd over den man
gesproken...

En, bij dien uitleg, willig aangehoord,
kruipt in zijn smalle geul de laster voort,
een faam gaat neer, een leven wordt
gebroken.

F.Pauwels
Drie gedichten uit: Spiegel van de Nederlandse Poëzie 3
1965

 
             
 
 


Een willekeurige greep in je boekenkast kan tot verrassende toevaligheden
leiden.
De gekozen gedichten hebben bij toeval een relatie tot elkaar.
Maar toeval bestaat niet.
Het was een zeer mooi begin van de avond
met gedichten waar me flarden van bij bleven.
Alleen al blij dat je iets voor las van J Zijlstra.
Een belangrijk figuur in mijn leven, zonder dat ik hem heb gekend.
Hij was een tijdje dominee en kwam 1x in de week eten bij mijn tante.
Stiekem heb bij jou zijn gedicht Stromboli gelezen.
Die werkende vulkaan heb ik afgelopen zomer op mijn verjaardag
bewonderd.
P.N.