dichtregels
voorgelezen
op de
derde dinsdag van de maand


home

contact



Ill: Norman Alford 1950

 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
drie verweesde dichtbundels.
Onder de platanen van het voormalig weeshuis
aan de Lauriergracht te Amsterdam,
lezen ze op willekeurige bladzijden,
een gedicht aan elkaar voor.


wat nou

Wat nou gevoelige ziel
die de poëzie nodig had?
wat wil je, moet je maar niet
in zo'n achterlijk gat
en ook nog eens
een van de lelijkste - bomen
gekapt

en de grootste grap van niksende mannen
tussen de schaft en de prak
dat ze nooit geloofden
dat ze het droog zouden houden,


(fragment)

Ad Zuiderend
ongepubliceerd
Watou 2001


Dit is de 3e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je




 

DE ZON OP MIJN HAND

Schrijvend met de zon op mijn hand
ademend tussen blote woorden
op de strandwei van het papier
zie ik een kind door de regen lopen,
zorgeloos, met ogen die alles
drinken tot op de bodem. Alles

Als ik het roep bij mijn eigen naam
blijft het even tussen twee zinnen
wachten, kijkt mij verwachtend aan,
ledigt mij en laat mij achter:
dorstend boven een zee van taal.

Bert Voeten (1918-1992)
Uit: Het broeien van de zomer
2001

 

 

EVEN MAAR

voor 't Anne Frankhuis
fotograferen mensen uit Japan elkaar,
heel rustig
om de beurt.
ik hóór niet op de kiek
en ze wachten lief tot ik voorbij ben.
bij de Westerkerk draai ik om
en wandel terug;
de Japanners zijn weg.
het Anne Frankhuis staat er nog.
ik draai weer om
en ga een biertje drinken op de hoek.

Theo Vesseur (1921-1991)
Uit: Zeker misschien
1990



 

V

Kilometershoge wolken
Stapelen zich voor het licht.
Kleuren kolken.
Bliksemschicht.

De wind steekt op en draagt
Geroffel, bomen vallen om.
Een laatste mens die langsjaagt
En de straten trekken krom:

Als een hamer in het rad
Houdt hij de positie die
Hij zo even ook al had.
Vooruitgang wordt traditie.

Het weer klaart archaïsch op.
Zonstralen slaan de grachten uit.
Hoeven dalen van de geveltrap.
De tijd staat in de achteruit:

Pieter Boskma (1956)
Uit:Tiara
1991


 

NOSTALGIE

Er is een bliksem ingeslagen door de dagen heen:
iets heeft het trouwe, altijd op afroep
spoorslags argeloos aandravend
verleden de genadeklap gegeven.

We hoeven maar een rijpe peer te
ruiken, vers brood, of te denken aan
iemands stem - en daar kwam het
alweer als bijna tedere, zware, dodelijke
beer ons bedelven

met omhelzing, stak een machtige tong in
ons oor.
Waar zijn de hoge zalen? Daarin het
blauwe droomgewas van sigatettenrook,
de ijle hunkering, oeroud gesternte

beloftevol blinkend in ieders oog? Geluk
was beweging ongeacht waarheen; tijd
bron en bedding, romig voerde ons haar
stromen mee - als dieren die de weg al

kennen zonder te vermoeden wat daar
te wachten staat.
Wie kon weten dat een toekomst eerder
sterft dan wij?
De beer heeft zelf zijn klauw in eigen
hart geslagen.

Anneke Brassinga (1948)
Uit: Verborgen tuinen
2019


LATE ROZEN

Laat alle kleuren niet vervagen,
het licht, waarin de rozen staan,
vandaag nog niet geheel vergaan
bij deze koele najaarsvlagen.

Mij doen die rozen stervend schade,
mij smart de weemoed van de wind.
Het hart heeft niet genoeg bemind
en vraagt om uitstel en genade.

Het spinrag hangt in alle hagen.
De laatste roos verbloedt.
Het is voorbij. God, geef mij moed
dat ik dit afscheid kan verdragen.

Jo Kalmijn-Spierenburg (1905-1991)
Uit: Ik zal dit leven nimmer kunnen haten
1992

 


VOOR HET EERST ZIET HIJ DE ZEE

Voor het eerst ziet hij de zee van binnenin.
Ons schip vervoert vaste grond waarvoor
het havens zoekt.
Wij verdedigen de plicht van de woorden
en de Achilleshiel, we vervolgen dit
rondzwerven tot aan het begin.
Wie zal de zee tegenhouden, opdat wij aan
zijn oever het begin zouden vinden?
De schrijver in ons trekt het schip achteruit,
hij wil terug naar de stem van Beiroet:
"Vertrek niet!"
Hij vertelt een nieuw hoofdstuk over de
mirakelen en hun moordenaar
en als hij stopt beginnen de helden van zijn
verhaal te acteren,
ze plassen op hem en zijn Babylonië,
opdat hij de zee van binnen zou zien
en de last van de woorden op zijn
schouders zou dragen.

Mahmoed Darwisj
vert. Germain Droogenbroodt
Uit: Minder rozen




WANDELING NAAR
PARFONDEVAL


De wind wuift over mijn gezicht
schaduw van wat blad.

Het pad gaat hoger straks
de heuvel op, daarachter schuilt gevaar

of veiligheid? In elk geval
vervolg van weg, een bocht

en dan de trage afloop naar het dal
waar water smiepelt

om het badend gras. Gelukkig
was ik op die dag, geen kwaad

bericht in krant uit stad
kon maken dat ik dit vergat.

Remco Campert (1929)
Uit: Ontmoet de dichters.
1977


FINISTÈRE

Het land ligt afgerond
als een dode taal
die niet meer over de tong gaat
Alleen de golf kromt zich

tegen de afstomping in
om voormalige bewoordingen,
niet af te staan. Laat de wind
maar delven naar het vergane,

menhirs, diep begraven,
werken zich los; zoeken
de hefbomen, de oude
rolwegen naar ons terug.

Jacques Hamelink (1939)
Uit: Stenen voor mijzelf
1977


HERFST

Langs de dijk staan met z'n vieren
Hoge zilverpopulieren
Wuiven maar, buigen maar
Van elkaar en naar elkaar
En hun ritselende blaadjes
Hebben duizend fluisterpraatjes
Wist je dit, wist je dat
En ik zou wel eens willen weten wat

Rie Cramer (1887-1997)
Uit: Herfst
1954

 


HOOGSTE ZOMER

Elke nacht en elke morgen kraait de haan
en elke middag draait de slijpsteen.

Soms hoor je kinderen om genade
smeken,
soms hoor je knisperende dieren.

De tuin duldt geen bemoeienis,
als je het trapje afdaalt
stuit je op de varens

en het door een spin
gespannen afzetlint,
wasdom heeft het pad verborgen.

Nu is het eindelijk augustus,
de hitte doet je borstkas gloeien.

De koelte schuilt in supermarkten
en in afstandelijke wezens.

Co Woudsma (1960)
Uit: Hoogste zomer
2015


ONDER VREEMDEN

Het speelt het liefste ver weg op het
strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in een ander land.

Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.

En altijd denkt het dat hij komen zal;
vandaag niet meer; maar morgen,
onverwacht-
en droomt van hem en roept hem in de
nacht.

Ik wacht u, Vader van de overwal.

Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit: Liedboek
2013


TREIN OP HOL

De stoker en de machinist

die hebben de trein,
die hebben de trein,
de stoker en de machinist
die hebben de trein gemist.

Ze dronken samen op de stoep
een kommetje hee,
een kommetje hee,
ze dronken ssmen op de stoep
een kommetje hete soep.

Precies om zeven over elf
daar reed me die trein,
daar reed me die trein,
precies om zeven over elf
daar reed me die trein vanzelf...

De mensen schreeuwden overluid:
'We willen er gauw,
we willen er gauw,'
de mensen schreeuwden overluid:
'We willen er gauw weer uit.'

En als de trein niet stil gaat staan,
dan rijdt-ie vanna,
dan rijdt-ie vanna,
en als die trein niet stil gaat staan
dan rijdt-ie vanavond nog!

Han G Hoekstra (1906-1988)
Uit: Domweg gelukkig in de Dapperstraat
1994


 


 


Wat een weldadige avond was dat.
Die rust en die aandacht
Goed initiatief

A.W.