dichtregels
voorgelezen
op de
derde dinsdag van de maand


home

contact



ill.Opa Henk

 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
verweesde dichtbundels.
Onder de platanen van het voormalig weeshuis
aan de Lauriergracht te Amsterdam,
lezen ze op willekeurige bladzijden,
een gedicht aan elkaar voor.



KONIJNS

Het konijn
met de rode oren
las alle gedichten
achterstevoren

Wilde wel weten
hoe dingen zijn
omdat hij is...

een konijn


Opa Henk


Dit is de 6e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je



 

KLEIN. 's Avonds

In het hart van de storm zit ik stil.
Door groote veeren bruist de wind,
wild, frisch, maar ik zit warm en klein.
Door natte haren kijkt een engel binnen,
de wind strijkt al de grijze veeren op
zijn rug terug,
en hij zucht ongeduldig aan het raam.
Zijn lange, grijze oogen speuren rond....
Maar ik zit stil.
Ik wil niet.
Dan leunt hij met zijn volle hand
nog even dringend aan de ruit,
die buigt, en schudt zijn haren uit
en bruisend vliegt hij weg van hier
ver - waar ik hem niet volgen kan.
Ik wou niet.
Waarom huil ik dan?

M.Vasalis (1909-1998)
Maatstaf jaargang 1
1953-1954

 

TE WIT OM DOOR TE GAAN

Het sneeuwt. Het is bevroren water,
het is verloren tijd. het is

andersomtaal, een zwijgzaam praten,
licht vallend uit de duisternis.

Het sneeuwt, het heeft met dood te maken
en met klokken van voorbij,

er ligt vergeving op de daken,
er is een toekomst buiten mij.

Guillaume van der Graft (1920-2010)
uit: Bloemlezing, Ingmar Heytze
Er loopt een gedicht voor mij uit.
2016


 

HEEL DICHTBIJ

Ik zie lichtjes in je ogen
kom eens heel dichtbij.
ik zie mij
je ogen zijn twee spiegeltjes
zie jij dat ook bij mij

Hans Hagen
(1955)

*

Ik zie, ik zie wat jij ook ziet.
Hoe jij het ziet dat weet ik niet,
ik zag het zoals ik het zie
en dat is poëzie.

Mies Bouhuys (1927-2008)

RUPS

Op fluwelen voetjes
rept de rups zich
over mijn arm naar ergens.
Ergens is een heel eind weg.
Een vinger, die ik
plagerig voor hem leg,
vormt geen probleem:
de voetjes gaan er overheen.
Maar mijn arm is lang
en de zon gaat bijna onder...

Theo Olthuis (1941)

Uit: Plint - kaarten

 

OVER DE BRUG
denkend aan Jan Eerlijk Wijntje

Niets beter dan wijn
om de slaap van de tanden te wassen
als aarde en asse of
stof uit het raamkozijn
van de nieuwe dag.
Ach hier in het noorden
gisten alleen de woorden
en het graan met een kwaad geweten
tot een doorzichtig venijn.
Wijn is beter.

Guillaume van der Graft (1920-2010)
Uit: Nijmegen in de spiegel
.
Illustratie. Henk van Faassen



Er gaan maanden voorbij
dat ik niet over de brug kom
Is dat beschamend voor mij!
Ik ben bang dat ik niet terugkom,

dat ik aan de overzij
van het brede zwijgen
achterom wijzen
zou naar de huizenkant:

"Over dit water begint
het weleerwaarde verleden.
Wie gaat er mee, de
toekomst in?"

Guillaume van der Graft
Geschreven vůůr 1974 toen ik nog in Nijmegen woonde.



Dit schrijf ik in Amsterdam,
ik kwam over de Amstel, toen
in zo'n druifblauwe tram
het ineens begon,
ik voelde mij Meigroen,
buigzaam als twijgen, beschikbaar,
over het zwijgen heen,
met al mijn poriën likkend naar
die groeizame regen van woorden.

Tegelijk werden
mijn bladeren als in de herfst
verdord en prijsgegeven
aan alle furies
van wind en vuur.
Het regent vuur, het brandt regen.
Alles wat is verzwegen,
geboorte en dood, zegen,
offer en vloek,
al wat men niet zoekt
komt nu weer los.

Als men zo is, is men weerloos.
Het doet er niet toe waar men is,
licht, duisternis,
de tijd verteert zich, een hoos
zaligheid verstrooit de as
heinde en ver in het rond,
ik bedek de grond
waar ik niet heb geaard,
maar dit is meer waard.

Guillaume van der Graft


DE TUIN VAN DE KONINGIN

Dit is de tuin van de Koningin.

Dit is de sleutel van de tuin van de Koningin.

Dit is het koord van de sleutel van de tuin
van de Koningin.

Dit is de vis die bijt in het koord van de
sleutel van de tuin van de Koningin.

Dit zijn de ogen die glanzen als de vis die
bijt in het koord van de sleutel van de tuin
van de Koningin.

Dit zijn de handen die de ogen
beschermen die glanzen als de vis die bijt
in het koord van de sleutel van de tuin van
de Koningin.

Dit is het haar dat gekamd wordt door de
handen die de ogen beschermen die
glanzen als de vis die bijt in het koord van
de sleutel van de tuin van de Koningin.

Dit is de fontein die het haar heeft
bevochtigd dat gekamd wordt door de
handen die de ogen beschermen die
glanzen als de vis die bijt in het koord van
de sleutel van de tuin van de Koningin.

Dit is de weg die leidt naar de fontein die
het haar heeft bevochtigd dat gekamd
wordt door de handen die de ogen
beschermen die glanzen als de vis die bijt
in het koord van de sleutel van de tuin van
de Koningin.

Joan Brossa (1919-1998) CataloniŽ, vertaling Madelon Zuyderhoff
Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry
international, 1984
Opgestuurd door Marie José Balm


HET WOORDJE KUNST

Eerst dacht ik bij het woordje kunst
alleen aan schilderijen,
die stilletjes gevangen zijn in lijsten
aan de wand.
Ïk vond dat zielig en ik wou
een schilderij bevrij'en,
maar ach, ik mocht het zelfs niet eens
beroeren met mijn hand.

Toen dacht ik bij het woordje kunst
ook eens aan beeldhouwwerken.
die doodstil staan gevangen
op een sokkel op de grond.
Ik heb een beeld gestreeld,
maar of een steen een aai kan merken?
Ik weet niet eens of 't standbeeld
zélf wel wist dat het bestond!

Nu denk ik bij het woordje kunst
aan thuis en aan verhalen
die opgeslagen liggen in een
dichtgeslagen boek.
Ik kan er met mijn vinger en mijn ogen
in verdwalen
en vind er soms een streling
als ik een streling zoek.

Ted van Lieshout (1955)
Uit: Van verdriet kun je grappige hoedjes vouwen
1987
Opgestuurd door Gittan v Raesfeld




HET LEVEN

Ik kijk naar mijn leven
het wordt kleiner

ik houd mijn ogen er vlakbij:
ik kan al niet meer onderscheiden
tussen goed en onwaarschijnlijk,
tussen zien en ontwijken
tussen mij en iedereen...

wat zeg ik nu weer...

mijn leven groeit, woekert,
grijpt om zich heen
en ik kan alles onderscheiden:
onraad, wansmaak
en zelfs de kleinste wangedachten

ik doe mijn ogen dicht

Toon Tellegen (1941)
Uit: Hemels en vergeefs
2008
Opgestuurd door Gittan v Raesfeld


CONTRAGEWICHT

Er is een land dat ik met pijn verliet,
Er is een land dat ik met pijn bewoon.
Een derde land daartussen is er niet.
Mijn leven volgt een zonderling patroon:

Want waar ik heenga voel ik me niet thuis
En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.
De grens wordt smal tussen geluk en
kruis,
Steeds minder denk ik wat ik hardop zeg.

Ik heb, om aan dit noodlot te ontkomen,
Een derde land verzonnen in mijn hoofd.
Een land vertrouwd met leugens en
fantomen.

Aan diepgewortelde en zware bomen
Hangen honkvast de loden trossen ooft
Van al mijn vederlichtgeworden dromen,

Gerrit Komrij (1944-2012)
uit: Luchtspiegelingen, voornamelijk
elegisch.
2001








STEM

De stem van Gerrit K
treurig als altijd.
Zijn videoportret
is ingegraven
in de versleten stenen
van een schuur.
Wat kan nog treuriger
zijn?

Er is een land dat
hij met pijn verliet.

Henk van Faassen (1931)
Watou Poëziezomer
2001


VISSER, 50 v Chr.

Wat deed ik anders aan de rivier
dan fuiken uitzetten, luisteren naar oude
bloeddoorlopen verhalen, grommende
in haar binnendringenden en gouden
zoon voor na mij maken?

Goed dat was vroeger.
Maar het is weer deze oever,waar het
gebeurde
dat ik bij maanlicht, onder het knopen
van nettten, tegen het bosrijke donker
daarginder
oets wonderlijks mompelde,

iets dat ik zelf niet begreep -
over een roerdomp bijvoorbeeld, en niet
over helden.
Wat was het? Waarkwam het vandaan?
En waarom
zocht het mijn mond, de mond van een
man
in een simpele boot

op de Schelde?
Ik luisterde naar onze exegeten, maar
zonder te weten
of ze de drassige aarde wel konden verklaren.
Ik geloofde nooit dat we kathedralen en
zo
zouden gaan bouwen.

Begrijpt u me rustig verkeerd.
In de de bocht van een grote rivier
heb ik een zoon mogen maken
en hem in het dampende zonlicht der
vroegte
mijn knopen geleerd.

Benno Barnard (1954)
Ongepubliceerd
Watou Poëziezomer
2001




 
             
 




Loretta Visic / Beer, Douviehuis Watou, 1999

 


Wie liet de beer achter
in een kelder
waar schimmel heerst
(wat nou)
en duisternis alom
de beer
zo bruin
als de aangetaste
stenen
gelukkig is er een
lichtplek
op de muur

Henk van Faassen
Watou PoŽziezomer 2001