dichtregels
voorgelezen
op de
derde dinsdag van de maand


home

contact



ill. Henk

 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
verweesde dichtbundels.
Onder de platanen van het voormalig weeshuis
aan de Lauriergracht te Amsterdam,
lezen ze op willekeurige bladzijden,
een gedicht aan elkaar voor.


STOELEN BLIJVEN


Een stoel biedt plaats en mogelijkheid;
naast de deur, aan tafel
naast de tante met het bloeiend
vlees en woorden boven zinnen.
Een stoel vermolmt zoals mummelen
woorden neemt en tijd
een gelegenheid aanschuift.

Zoals de schoot die bij een beetje
ziek op de stoel schoof en ruimte
bood aan hangerig verdriet.
Vestingsvlees en kopjes warme
melk weken in de tijd. De stoel
bleef aan tafel waar stomende
schalen, grote woorden en groei.

Waar ruimte kwam, stoel na stoel,
Waar tafels werden verschoven,
ramen uitzicht boden, heengaan
eenvoudig werd, stilte klein; wachten
een landschap met overal uitzicht.
Een stoel wacht zoals een stoel wacht,
vier poten in het nu en toch achtergebleven.


Margreet Schouwenaar (1955)
Uit: Het wachten bezingen
2011


Dit is de 7e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je



 

HET SOUPER

't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood
Werd neergeslagen uit den greep der handen.
De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden
En 't raam sprong open door een donkren stoot.

Als water woelden in den nacht de landen
Onder het huis; wij voelden hoe een groot
Waaien ons aangreep, hoe de wieken van
de Vaart van den tijd ons droegen naar
den dood.

Wij konden ons niet bij elkaar verschuilen:
Een mensch, eenzaam, ziet zijn zwarte
eenzaamheid
Dieper weerkaatst in de oogen van een
ander-

Maar als de winden langs de daken
huilen,
Vergeet, vergeet waar ons zwak hart om
schreit,
Lach en stoot glazen stuk tegen
elkander.

Martinus Nijhoff (1894-1953)
Uit: Lyrisch over eten. De lekkerste
gedichten
2004


 

ZELFPORTRET

Je bent wat je wilt wezen.

Mijn woord is ongepast.
Ik ben de buurt tot last.
Een balkje voor mijn ogen
laat zien
dat ik het zelf niet ben.

Geef mij maar een pen,
dan laat ik het je lezen.

Ik ben bijvoorbeeld graag
een held, of liever nog
een antiheld. Een clown.
Een man die het probeert,
maar aldoor weer verkeerd.

Het liefste heb ik
dat de mensen om mij heen lachen.

Persoonlijk lach ik zelden.
Een gladde jongen
ben ik niet.

Naïef,
Ja, misschien is dat
wel mijn voornaamste trek.

Ik ken de mensen niet, au fond.
Maar die mij kent die zegt
Gerrit, kom, zo ben je niet.

Gerrit Krol (
1934-2013)
Uit: 't Komt allemaal goed
2005



 

NOOIT RUST

De herfst is vergevorderd,
de winter nadert.
Het voorjaar sluipt aan.
de zomer
slaapt in stof en hoeken
zichzelf, maar lomer



Sjuul Deckwitz (1952)
tekst en tekening
Uit: Niet wachten op ontspanning
1985


VERBODEN TAAL

Verborgen woorden in verboden boeken
waarnaar wij zochten in 't verlaten huis.
Ze klonken als 't vermoorden van mijn
moeder,
al sprak ik 't woord als ik 't gevonden had niet uit.

Ik zag ze als een brandmerk: zwarte
letters
gedrukt als andere wier klank onschuldig
was.
De moordlust woedde onweerstaanbaar
in mij verder,
als teerheid die verschrikking bracht.

De letters waren niet met zorg geordend:
hun toedracht ging teloor en er ontstond
een chaos die wel uit te spreken was,
maar binnensmonds en buiten het gehoor.

Adriaan Morriën (1912-2002)
Uit: Moeders & Zonen
1962


 

TEKENING



Misschien niet het mooiste,
maar wel het liefste huis
is het het huis waarin ik woon.

Dit is een geheime tekening
van ons huis en waar het staat.
Anders kan er iemand komen

die het steelt. Of ik verlies
het, zulke dingen gebeuren.
En waar moet ik dan naar toe?

O ja, en dan nog dit: teken
nóóit je eigen huis met potlood,
want overal lopen gummen los.



Ted van Lieshout (1955)
Tekst en tekeningen
Uit: Multiple Noise
1992


*

Schrijf aan je toekomstige liefje
een waanzinnig warme liefdesbrief.

Stop de brief in een fles.
Gooi die fles in een glasbak.

Wacht op het wonder

*

Ga midden in je kamer zitten
Doe je ogen dicht.

Zie met dichte ogen jezelf zitten
op de plattegrond van je kamer.

Zie met dichte ogen jezelf zitten
op de stadsplattegrond

Zie met dichte ogen jezelf zitten
op de kaart van Nederland.

Zie met dichte ogen jezelf zitten
op de globe.

Bedenk waar, wanneer en waarom
je je ogen weer opent.

*

Denk aan je nooit geboren
broertjes en zusjes,
van wie je geen naam weet
en geen leeftijd kent,
van wie je geen foto hebt
en die je je niet kunt herinneren.

Geef ze ee naam.
Geef ze een leeftijd.
Maak een foto.
Herinner je ze

Jos van Hest (1946)
Fragmenten
Uit: Zie hoe eenvoudig
1990




.


*

Waarom moet je zoveel doen,
om een mooie meid te versieren.
Zo moeilijk is dat toch niet?

Meestal stond je onder haar balkon
en zong een serenade of een lied.
Maar dat is toch een karwei!

Ik wou dat je alleen maar met je vingers
hoefde te knippen
naar die mooie meid op dat balkon.
En je lag al met haar....
in de Scheveningse zon.

Maar zo is het jammer genoeg niet,
meisjes zijn niet zo vlug met dat soort dingen.

Ach, dan toch maar een serenade zingen.

Stefan Willems (12 jaar)

*
Vreemde dingen,
niet te verklaren.
Gedachten in je hoofd
een stem in je hart.
Je wilt niet wat je doet
je doet niet wat je wilt.
Je zegt niet wat je denkt
je denkt niet wat je zegt.
Een stem in je hart
gedachten in je hoofd,
Niet te verklaren,
vreemde dingen.

Jorien Waanders (14 jaar)

Uit: Doe maar, Dicht maar
1991/1992


DE ZEE

In verre, droeve buitenwijken, die
's ochtends leeg en somber zijn, waar de
seringen er belachelijk en zielig bijstaan
op het plein, daar staat een huis, zestien
etages, waarnaast een populier verrijst
die uitgeput en overbodig naar de
verlaten hemel wijst; en bij die populier
een bankje, daar slaapt al sinds een uur
of twee Dimitri Rjabokon, de schrijver,
hij ligt te dromen van de zee.

Hij heeft gedronken, is verdomme voor
altijd weg van huis gegaan, hij wilde naar
de zee vertrekken, maar kwam bij het station niet aan.
Hij wilde naar de zee vertrekken,
die ieder leed verdrijven kan.
Hij heeft staan vloeken, zag dat bankje,
ging liggen en daar snurkt hij dan.

Toen is de zee naar hem gekomen, de zee
met haar vertrouwd gezicht,
de blauwe zee is zelf gekomen,
glimlachend in het ochtendlicht.
Dimitri heeft toen ook geglimlacht.
En die bewegingloze vent, vermagerd,
kaal en zonder tanden,
is ijlings naar de zee gerend.

En rennend ziet hij een gestalte die in de
gouden branding staat.
En dat ben ik, die ook voortdurend
naar zee wil en maar steeds niet gaat -
ik slaap en schommel op een schommel
tussen wat struiken op een plein.
In verre, droeve buitenwijken, die
's ochtends leeg en somber zijn.

Boris Ryzji (1974-2001)
Uit: Wolken boven E.
2004
N.B. Dimitri Rjabokon (1963) is een dichter uit Jekaterinboerg



ALLES IS WAT HET LIJKT

Flatgebouwen met verlichte ramen als
krokettenluikjes waarachter een veel te
vluchtig bestaan zich in een vorm laat
passen, gewillig vlees dat ook wacht tot
er iemand voorbijkomt. Een zwerm
vogels trekt
als een sleepnet over de gravelkleurige
avond, alles schoongemaakt wat mensen
in de lucht laten hangen zoals jij vandaag
aan mij vroeg of de oerknal in onze
trommelvliezen ligt verborgen net als
discotheken zich nog dagenlang in je
kunnen nestelen, de pasjes vreemd in de
kuiten tintelen als ze na het
trampolinespringen weer vaste grond
voelen, dat je nog altijd een zwart gat
met je meedraagt. Toen ik zweeg zagen
wij de vogels voorbijkomen, werden er
lijnen om onze woorden getrokken,
speelden we ineens een dubbelspel
terwijl we als enkelvoud waren
begonnen. Er klonk piano uit je
vingertoppen net zolang tot ik er Chopin
in hoorde omdat ik je dat talent
toewenste en alle muizenissen uitgestald
om ons heen met blokjes Goudse kaas
waarvan we de korst bewaren om te
onthouden van hoe ver we zijn gekomen,
mijmeringen die dichtslaan als je ze wil
aanraken, geven ons het idee dat we
buiten de flat geen kans hebben om stuk
te gaan op klemlopen, hoor ik nog steeds
de auto en het
kraken
als een kroket onder de vuist
kapotgeslagen. Het was nacht en het
ontwijken hadden we uitgezet, we
dachten aan onze kamer waar we weten
wat we betekenen voor de huisraad, als
huisraad voor ons betekent dat er een
inhoud is die om inhoud vraagt, alles uit
lagen bestaat. Er was een vogel uit zijn
zwerm gevallen en er keerde een
stilte






in zoals sommige wetenschappers de
oerknal omschrijven, enkel wat ruis
van de motor in een ruimte die wij
onderweg noemen, het slikken in de
keel een vorm van sporen uitwissen,
schrik onder de borst te houden het
zwarte gat als een uitdijend heelal in een
mensenlijf door al die opgekropte
duisternis, jij beweert nog altijd dat het
een oneffenhed
in het
wegdek was zoals je vingers een gezicht
kunnen strelen, even
opgelicht
worden bij een puistje, een moedervlek,
aardverschuivingen.

Marieke Rijneveld (1991)



(...)
Als ik het niet goed meer weet, ga ik
tellen. Dat geeft houvast en structuur,
ook al is het dan soms maar een
denkbeeldige structuur.
Ik las de gedichten van Marieke
Rijneveld, en ik wist niet goed wat ik er
mee aan moest.
En er viel ook niet veel te tellen.
Rijneveld schrijft lange gedichten met
lange regels, zonder veel dichterlijke
vormgeving: niet of nauwelijks strofen,
geen eindrijm, geen duidelijk begin of
einde.
Ik zag veel woorden dicht op elkaar en
veel beelden.
(...)

Guus Middag (1959)
Uit: De wereld is plat,ja
De poëzie van tegenwoordig



ALLEMAAL STEDEN

de stad weifelt over de huizen

de morgen vaart over de daken
de stad binnen
de zon staat tussen de huizen
onder carillonmuziek
de mensen wandelen in het donker
als het elf uur is

de zon spoelt aan op de daken

aan het strand van de verten
ligt de stille zee der lucht
waarin het schip van de kerktoren
flikkert

in de buik van de stad
drinken wij koffie

en de stad zeilt verder.

Hans Lodeizen (1924-1950)
Uit: Gedichten 1952.
G A v Oorschot.
Voorgelezen uit Poëzie en Proza II





LOT

Dat jij mijn Lot bent, kan ik aan je zien:
je lach is haast te lief. Ik heb gehoopt,
omdat je met een glimlach brood
verkoopt,
gewanhoopt omdat ik je niet verdien.

Zoals je mij mijn wisselmuntjes geeft,
en mij een prettig weekend wenst
Wat nou,
een prettig weekend zonder jou?
Zoals je 's avonds vroeg de vloer
aanveegt.

Onder je schort je borsten, op je schort
een bordje 'Lot'. Mooi noodlot breek
mijn trots:
er zit veel zachtheid in mijn harde korst.

Ik wil me in je kwijt, in jou bestaan,
want altijd denk ik aan je glimlach, aan
je bijna-jongenskont, je haar van graan.

Co Woudsma (1960)
Uit: Jou willen is je missen



KNIPOOG

Ik zag het wel hoor.
Dat U naar mij knipoogde.
Ik zat te balen dat iets niet lukte,
toen ik ineens uw knipoog zag.
Het leek alsof mijn vriendin het deed,
maar ik weet wel beter.
U was het toch?

Erik Idema (1980)
Uit: Liedboek, zingen en bidden in huis
en kerk.




 
             
 






 


KONING KONIJN

Het Konijn met de rode oren wilde koning worden.

Hij moest, zoals dat hoorde,
op de Derde Dinsdag van de maand september
aan alle dieren van het bos een sprookje voorlezen.

Maar, weet je, konijnen kunnen niet zo goed voorlezen.
Hij begon:

Oote oote oote
Boe
Ooote oote
Ooote oote oote boe
Oe oe
Oe oe oote oote oote *)

Toen de dieren het verhaaltje hoorden
rolden ze allemaal ondersteboven van het lachen.

Henk van Faassen
2019
*) fragment gedicht van Jan Hanlo