dichtregels
voorgelezen
op de
derde dinsdag van de maand

home


contact



Th.Daamen, coll. Letterkundig Museum



 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
verweesde dichtbundels.
Onder de platanen van het voormalig weeshuis
aan de Lauriergracht te Amsterdam,
lezen ze op willekeurige bladzijden,
een gedicht aan elkaar voor.



AFSCHEID VAN EEN EEUW


Ik had de oude eeuw heel graag gehouden
Ze was te kort, Ik moest nog zoveel doen
Ik was niet meer dan af en toe verkouden
En in geen geval van sport de kampioen.

De hel, het vreemdelingen legioen
En een verlamming had ik nog tegoed.
Ik kreeg geen tongkus van een schorpioen,
Geen virus zegevierde in mijn bloed.

Ik was nog altijd niet in Benidorm.
Er is mij niet verkondigd hoe de bril heet
Die alles roze kleurt. Wat een gemis.

De wonderlijke eeuw die aanbreekt is
Mij net zo welkom als een winterstorm
Of als een zweer die klopt, recht in mijn bilspleet.


Gerrit Komrij
Uit: Luchtspiegelingen, gedichten, voorrnamelijk elegisch.
2001


Dit is de 12e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je





WIJ HEBBEN HET EROVER OF WIJ
ZULLEN VERHUIZEN


Waar je stem is, wil ik zijn
zoals op onze eerste dag
toen jij aan stilte die hem veilig hield
mijn naam ontsloot

samen met namen van vogels -
mees, jongemerel,
bloemen die daar uit het stof
ontstonden - krokus,

sneeuwklo, narcis -
wuifden, gaven
aan je groet gehoor,
Wij spraken met geen woord

van 'ons inrichten', volgden waar warmte ons
over de aarde geleidde:
in de dag die niemand eerder zag
bloemen open, ogen.

Lloyd Haft
Uit: Jou willen is je missen

 

IK ZAL U BLIJVEN STOREN

Ik zal u blijven storen
met mijn stem:
ik laat mij nog niet los van u begraven,
U mag mijn woede horen
want ik woed om u.
Wat zoeken mijn overgebleven handen hier
behalve u?
Hoor mijn roep dan. Weet met mij:
dat u zult zijn! Dat hoop ik,
dat houdt mijn hart, mijn handen gaande.
Wat zeg ik liever, dan dat u er bent?

Lloyd Haft,
naar Psalm 28
Uit:

 

MAAR HIJ VERGAT

Maar hij vergat haar te kussen
en toen hij het kasteel verliet was het stil
achter hem,
de lucht was grijs,
de rozenhagen hoog en stijf,
er scharrelden wat mussen rond,
maar hij had haast, wist niet waarom,
en toen iemand hem staande hield en vroeg
of het al donker was
wist hij ook dat niet
en zei dat het waarschijnlijk nog licht was
en dat hij het zelden mis had
en reed toen door.
Thuisgekomen werd hij bestormd: 'En?
Heb je haar gekust?'
'Ach,'zei hij,'dát ben ik vergeten,' sloeg zich
voor zijn hoofd.
Maar toen hij terugkwam, spoorslags,
was het kasteen verdwenen, of was er nooit geweest,
en hij kwam niemand tegen, de geur van rozen
was hij kwijt.

Toon Tellegen
Uit: Jou willen is je missen

 

EIND, D.W.Z. BEGIN VAN HET EIND

vr. Hou je van me?
m..Ja.
vr. Maar je zegt het nooit uit jezelf.
m. Dan moet je het niet vragen.
vr. Maar ik wil het zo graag weten.
m. Ik zei toch ja?
vr. Maar zo heb ik er niets aan.
m. Hoe niet.
vr. Ik voel me zo'n bedelaar.
m. Dan moet je het niet vragen.
vr. Zeg je het dan uit jezelf?
m. Dat kan nou niet meer.
vr. Dus dat kan nou niet meer.
m. Nee.
vr. En als we nou vergeten dat ik het vroeg?
m. Ja.
vr.Wat ja.
m. Laten we dat maar eens proberen.

Judith Herzberg
Uit Trouw, Poëziecollectie
2013


DIT

Van alles wat ik schreef
Zijn dit het minste woorden.
En tel ze na, het zijn er
Nog te veel:zelf hou ik van
Mijn mond vol tanden,
Het aaien van dit blad,
De woordenschat van mijn
Twee handen, het stokken
Van mijn adem als ik zeg
Dat ik je hier niet kan
Vertellen wie of wat ik
Voor je ben, omdat papier
Me in de weg zit, En ik
Het juiste woord niet ken.

Jean.

Ik doe via de mail nog even met jullie mee



VOORJAARSGEDICHT

Deze lente gaat het toch weer
over jou hoewel ik er langzaam
wel moe van ben

moe van regen, wind, flarden
bedrieglijk blauw in de lucht,
vage beloften van het einde
van de kou.

Ik weet wel dat ik toch weer
van je hou, maar moeizaam soms
met dat doelloze

van vogels die er van lijken
te houden in regen en wind
te blijven rondhangen
boven het land.

Rutger Kopland

Uit: Ik wou uw voeten wel soenen
2016






KINDEREN VAN ONZE TIJD

Wij zijn kinderen van onze tijd,
en onze tijd is politiek.

Al jouw, onze jullie
dagzaken, nachtzaken
zijn politieke zaken.

Of je nu wilt of niet,
je genen hebben een politiek verleden,
je huid een politieke kleurnuance,
je ogen een politieke gezichtshoek.

Wat je zegt wekt respons,
waarover je zwijgt spreekt voor zich -
en is zus of zo ook politiek.

Zelfs zwervend door de bossen
zet je politieke stappen
op een politieke grond.

Apolitieke gedichten zijn ook politiek,
en boven ons schijnt de maan,
niet meer onze maan, maar punt van dsiscussie.
Zijn of niet zijn, dat is de kwestie.
Wat voor kwestie, antwoord, mijn beste!
Een politieke kwestie.

Je hoeft niet eens een menselijk wezen te zijn
om politiek gezien iets te betekenen.
Het is genoeg als je aardolie bent,
veevoer, een afvalproduct.

Of anders een onderhandelings tafel met een vorm
waarover maanden is getwist:
aan wat voor één te onderhandelen over leven en dood,
een ronde tafel of een vierkante.

Intussen kwamen mensen om,
stierven dieren,
brandden huizen af,
en verwilderden velden,
als in lang vervlogen tijden
met minder politiek.

Wislawa Szymborska
Uit: Einde en begin Gedichten
1957-1997


DE MEEUW EN HET ZANGKOOR



Er was eens een meeuw
Die zwierde over het noorden
Van de Noordzee.



Hij hoorde daar geschreeuw
Dat was te erg voor woorden
Wat moet ik daar nu mee?

Henk van Faassen

Bij het bekijken van foto's in de krant


WETENSCHAP

In de historie
van uitgesproken klanken:
een schreeuw.

In de geschiedenis
van geschreven woorden:
een teken.

Sinds de uitvinding van boekdruk:
een inktvlek.

Op dit moment op mijn scherm:
een knipperende cursor.

Hoe moet ik er achter komen
dat een schreeuw
meer betekenis heeft dan een teken,
dat een gedrukt woord
meer waarheid bevat dan
een reeks bytes en bits?

Welke wetenschap heb ik?

Henk 
Uit Poëzember
2019


VERSJE DAT IK TOCH MAAR NIET
IN EEN POËZIEALBUM HEB GEZET


Je vader trekt flessen,
je moeder schaatst scheef,
maaasr jij blijft mijn vriendje
zo lang als ik leef.

Cees Buddingh'


HIJ WAS

Hij was altijd laat
Op leeftijd gekomen
dat een ander het afscheid voorbereidt
stond hij op de drempel, meende
dat alles nog gebeuren moest
'Gelukkig, het zomerlicht is rijker
dan ooit en de zintuigen
zijn gevoeliger - mijn lange voorbereiding
is niet vergeefs geweest. Eindelijk
kan ik aan de slag,'zei hij -

Hij zag het avondrood weerkaatst
in morgendauw.

Hans Warren
Uit: Tijd.
1986


DE NACHT
VAN DE HANDGESCHREVEN
BRIEF


De dag was gevuld met gebeurtenissen.
Sommigen gering om beschreven te worden.
Zoals over het theelepeltje,
dat nog op tafel lag,
maar bij het ontbijt onbruikbaar was
om een halfzacht gekookt eitje
leeg te lepelen omdat er nog
een opgedroogde druppel avondthee
aan kleefde.

Of.
De geschiedenis van mijn linkersok,
die niet, zoals gebruikelijk,
naast mijn rechtersok lag.
Tussen twee haakjes:
om de geschiedenis te rechtvaardigen,
De rechtersok had gelijk,
die lag al in de wasmand.

Maar.
Wat er wel gebeurde:
De laatste bladeren vielen onbeschreven,
van mijn platanen.
Daar mag niet op gelopen worden.
(les feuilles morte)
Slecht één blad bleef achter.
Het hangt, nerveus trillend,
in een lichte luchtstroom.
Te wachten
tot zijn tijd gekomen is

Henk
Uit Poëzember
2019


DAG EN NACHT

Dit is mijn meesteres,
smal als een zonnestraal;
een bloem ligt op haar tong.

zij is een stem over het water
een lieflijk eiland met één inwoner,
mijn meesteres.

dit is zij,
diep als haar ogen,
buigzaam als haar naam in het donker
tussen onze lippen.

mijn licht en mijn donker
is zij.

Jan G Elburg
Uit: De gedachte mijn echo
1964



VOOR WIE DIT LEEST

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet
spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken,
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier, mijn huid,
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest
die mij het potlood in de hand bewoog
tot ik mij slapende voorover boog
over de woorden die Gij wakkerleest.

Ik zou wel eerder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken naar Uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven,
en laat Uw blik hun innigste niet raken
tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,
een wees gerust, en vrees niet de gedachte
dat U door deze woorden werd gekust:
ik heb je zo lief.

Leo Vroman
Uit: De mooiste liefdespoëzie
1993


LUISTER GOED

Als stenen konden spreken
ze zouden verhalen
over de bewoners van het weeshuis.

Over de geluiden die er klonken
de klok die de uren slaat
als je moet opstaan
als je naar de kapel zult gaan
als je de poort niet uit mag
als een dag begint en eindigt.

Over het huilen der kinderen na straf,
de geuren die opstegen in slaapzalen
of van wierook in de kapel,
van voedsel gedwongen opgediend.

Over een bedenkelijk biecht gesprek
met één van de regenten,
terechtwijzing door moeder overste.

Vanuit de dakgoot koerde de vrije houtduif
de zwaluwen krijsten hoog in de lucht,
de karren buiten ratelden
getrokken door een klepperend paard.

Maar de stenen zwijgen
zelfs als je met je vingers
hun versleten oppervlak betast.

Henk

Uit Poëzember
2019