dichtregels
voorgelezen
op de
derde dinsdag van de maand

home


contact








 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
verweesde dichtbundels.
Onder de platanen van het voormalig weeshuis
aan de Lauriergracht te Amsterdam,
lezen ze op willekeurige bladzijden,
een gedicht aan elkaar voor.



OP DEZE WIJZE


FAQ 1

Op deze wijze ontstaat het gedicht

men zit voor het scherm en tikt
een willekeurige zin.

daarna gaat men slapen
of zoekt een afleiding

want het gebeurt maar
als niemand het wil,

tussen woord en woord
komt het kleine verschil

dat wijst op onteigening

want wat eigen is zet zich vast
er is weinig kans dat het zingt,

daarvoor is een onderwerp nodig
dat is leeggelopen, waarin men

het niets weer kan horen,
de onverschilligheid vóór het begin.

Nu mag de dichter terugkomen,
hij slaat het woordenboek open,

daar staat alles in.

de rest is berekening


Charles Ducal
Uit: Alle poëzie dateert van vandaag
2010


Dit is de 13e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je



STEUN IN DE RUG liedtekst

1.
Dat heb je soms
Je weet je geen raad.
Je weet niet hoe of wat
Hoe het nu met je gaat.
Je hebt het helemaal gehad.

refrein:
En juist dan onverwacht
wat je niet had gedacht
vind jij je weg terug.
Zijn hand is een steun in de rug

2.
Dat heb je soms
dat je het echt niet meer ziet
door verdriet en spijt
Je weet de uitweg niet
Bent de weg helemaal kwijt.

refrein:

3.
Dat heb je soms
Je weet niet waar je bent.
Je weer niet wat je moet
dat je je weg niet meer kent
en 't gaat helemaal niet goed

refrein:

Karel Eykman
Uit : Liedboek
Zingen en bidden in huis en kerk


 

DE ANDER

De ander zal huilen in de lege
schoenen en wat bewegen,
de kuil in het andere kussen zoeken
zolang die daar nog is te voelen
maar geen vaarwel bedoelen,

zal nog een hele tijd
knechten en kinderen moeten zeggen
welke koud geworden kleren
met hun menselijkheden kwijt
weg te smijten, weer en meer en
hartverscheurend klemtoon leggen
op de volgroeide eenzaamheid,

zal later, als de scherpe hoeken
van verlies zijn rondgesleten,
in onze nagebleven boeken
duimelen en hun doel vergeten
en niet meer zoeken,

zal eindelijk, nog onuitgepraat
en helemaal onuitgesproken
slapen met een arm uitgestoken
naar degene die al lang niet meer bestaat.

Leo Vroman
Uit: Jou willen is je missen

 

INTERCITY MOON

Met de vaart van een sneltrein zeilt de maan
van Utrecht richting Amsterdam
Zonder stoppen passeert zij
Maarssen, Breukelen,
een dikke wolk, Abcoude,
station Bijlmer.
Pas bij Duivendrecht houdt ze even stil,
glijdt dan weer met ons mee tot Amstel;
we zien haar door de glazenwand van het
station.
Het volgende stukje gaat haar kennelijk te langzaam;
ze spurt er vandoor als een wielrenner
die uit het peloton ontsnapt.
Bij Muiderpoort staat ze op ons te wachten.
Maar terwijl wij langzaam doorrijden
blijft zij daarboven staan -
ze moet zeker ergens zijn.

Geert Koefoed
Uit: Namiddaglicht
2000

 
           

TALENS & Zn

Ik was al vroeg artiest:
ik won een wedstrijd kleuren;
héél jong verzon 'k een rake limerick.
Bewierookt werd mijn vers in aangename geuren
en meen'ge fraaie beker inde ik.

Zo rees mijn ster; door tantes en vriendinnen
voor ieder woord op zoetigheid onthaald,
wordt thans mijn tong wel vortelijk vetaald:

men leest mijn lied in goud-op-snee of linnen.

Toch was ik althoos triest: al bij 't applaudiseren
word ik bevangen door een plotseling verdriet

en moet de juich'nde zaal héél de rug toe keren,
terwijl ik huiverend snik:
Ík hoor hier niet!'

Lévi Weemoedt (1948)
Uit: Van harte beterschap,
Kleine trilogie der treurigheid
1990



MAFKETEL

'k Won in mijn leven nooit
de Omloop van het Volk,
'k zat liever uit een boom toe te kijken,
of zweefde weg, onttrokken door een wolk,
liet anderen graag op eerste plaatsen prijken.

Ook waar een goede baan werd weggegeven,
kwam 'k dagen later pas, schoorvoetend,
dichterbij
en zag gerustgesteld de sollicitantenrij.
Het haalde wel wat snelheid uit mijn leven.

Maar om het hardst rende ik altijd naar mijn bed,
was vaak het eerste weg uit dit luidruchtig leven

en had mijn tanden al in meen'ge droom gezet
als ú uw vrouw nog vlug een moede veeg
moest geven.

Lévi Weemoedt


JONGE VROUW VOOR SPIEGEL


Het oorringetje / G.H.Breitner / 1893
Museum Boijmans Van Beuningen


Ben ik dit omlijst gezicht
dat, terwijl ik het beschouw,
oplost in het middaglicht?

Ben ik deze matte vrouw?
Waar is haar wil gebleven,
haar verlangen en haar trouw?

Ingelijfd door 't strikte leven
en het lijf strak ingesnoerd,
zal ik acte de présence geven

en proberen niet te beven
als mijn hart zich roert.

Geert Koefoed
Uit: Namiddaglicht
2000

 

DE NACHT

Weer zwelt uw uier, heilige moedernacht
en 't duister van uw lijf spreidt vrees en vrede.
Gedachten en gebeden in het huis der schemering,
worden volbracht.

Weer groeit het duister, weegt de duist're vracht.
Mijn geest is droef, de oermoeder die mij baarde,
mij voedde en bewaarde
weer dreigt en graast mij slorpt mij op o nacht.

Dan adem ik mijn vriend in u nog nauw
mijn angstige ademing en hoor
uw zuchten naar mij en de geruchten
van 't haastig hart naar uw geruste vrouw.

Dan geeft de nacht ons samen melk,
een stroom in donkere gulpen smeltend mild,
wij drinken en danken haar en zinken
diep in haar vacht en drinken nog in droom.

Christine D'haen
Uit: Gedichten 1946 – 1958
Uitg.: Singel


AMEMBA

Zwart de nacht, zwart
de ogen gitten
het wilde spel
zo op de blote grond.

Jonge jaren
die me betoverden van lust
vuurrood de bloem die open ging
en mij daar aantrof.

Laat de grote droom
mij een pad tonen
waar de morgenster
helder licht afstraalt
in de duistere naamloze nacht

o ster, toon licht.

Johanna Schouten-Elsenhout
Uit: Surinaamse gedichten 1973
Uitg.: Flamboyant

Amemba
de Afro-Surinaamse naam van een ster.



HAAR VENSTER

Zij leefde in haar vensterbank
vertrouwelijk vriendelijk
zij tuurde naar de vogels
aan de overkant
de mussen paarden
en floten de lust van het fluiten
de aarde draaide en zij draaide
met haar mee.

Het leven vanuit haar vensterbank
leek haar vertrouwelijk vriendelijk
en zij draaide met de aarde mee
met al de mensen
en de mussen die daar paarden
en floten de lust van het fluiten.

Het leven in haar vensterbank ging
onverstoord vertrouwelijk vriendelijk
voort in alle eeuwen
en gebeuren in de mensen
en de mussen die paarden
en floten de lust van het fluiten

en draaide met het draaien van de aarde mee.

Aletta Beaujon
Uit: De schoonheid van blauw
Verzamelde gedichten
Uitg.: In de Knipscheer


IEMAND MOET DE TAFEL DEKKEN

Maar ik heb het gisteren al gedaan ik heb
de glans in de glazen gelaten ik heb
het bestek weer eens opgewreven ik heb
gezegd wat er lekker zou worden ik heb
mijn handen gewassen gewassen ik heb
mijn handen gewassen ik heb
etiketten gelezen, ik ken ze, ik heb
me verzet tegen oorlog want dat het
gedaan moest zijn ja, met die onzin,
gehoopt heb ik ook en wel dat het een
aard had, geschikt en geschoven.

Jij bent.
Iets koekt al aan.


K. Schippers
Uit: Fijn dat u luistert



IN ARTIS

Ik heb je weergezien vandaag.
Je bent al vijf!
Je zwaaide naar de olifant.

Je was niet bang, je was nooit bang
je bent van heel mooi hout.

Jij zag mij niet
en had je me gezien,
je wist niet wie ik was.

Wij reden op een keer
met paard en wagen,
dat was alles, door een bos.

Je ogen gloeiden
van het vuur daarbinnen
en je naam sprong
ritselend uit je gezicht.

Je was zo jong
dat alles nieuw was wat je zag.

Je haar was langer
en het was
de eerste lentedag.


Sjoerd Kuyper
Uit: September


WAT ER NIET IS

Dit is helemaal geen doos, het
is iets anders dat zich voor
doet als een doos. Er zit

niet eens iets in. Gras ziet
er soms uit of het de rol
speelt van gras.

Het stelt zich aan en is
misschien iets onbekends
of zelfs dat niet.

Je neemt zandkorrels mee
en legt ze bij ander zand.
Je weet niet meer

welke je hebt meegebracht.
Ziet water er op op oude foto's
ook anders uit?


Joke van Leeuwen
Uit: Fladderen voor de vloed



EEN BIEKE

'k Zag laatst in 't wegelke
een paar bloemekes bijeen
en 'k dacht
'k zal er eentje plukken
maar 'k plukte er niet een


want ik ontwaarde
een heel schoon bieke
dat al zoemend met zijn kopke
in een wiegelend bloemenknopke
aan 't rondneuzen was

en 'k dacht
zo'n bieke
moet ge nie ambeteren
anders wordt zo'n bieke
een bieke boos
en 't zou zich tegen u keren
en u steken
met zijn angelken broos.

Majumau


TEN LESTE

Ik weet niet welke weg je neemt;
De sterren gaan hun baan ten einde
En straks is mij het dichtstbijzijnde,
Het langst gewetene weer vreemd.

Maar wat bestond aan zon en maandag
en wisseling van de getijden,
het was alleen opdat wij beiden
elkander niet zouden ontgaan.

Wij worden nu nog slechts door tijd
en ruimte van elkaar gescheiden,
als ik de einder overschrijd.

Wij hebben alles nog te goed
wat ons het leven heeft ontnomen:
uit welke verten ook, wij komen
elkaar ten leste tegemoet.

Jean Pierre Rawie
Uit: Geleende tijd


VOORGOED

Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden,
maar ze ontgaan ons zoals ieder jaar,
want wij zijn blinden in een wereld waar
het blijvende niet geldt, alleen het gaande.

Wij tasten in het duister naar elkaar,
een oogwenk dat wij ons onsterfelijk waanden,
en zijn niet dan elkanders nabestaanden;
het bed is ons niet nader dan de baar.

Geen troost valt aan het najaar te ontlenen,
de bladeren verworden in de goot
en de gelieven zijn voorgoed verdwenen.

Wie weet is ons vergund pas metterdood,
door vreemde hemellichamen beschenen,
iets vast te houden wat ons niet verstoot.

Jean Pierre Rawie
Uit: Geleende tijd


VOOR EEN DAG VAN MORGEN

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens,
ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man
alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

Hans Andreus


VERWEESD GEDICHT

verweesd
verdwalen kale takken
in de ijle lucht

het feest
van lommerrijke lange dagen
is al geweest

langzaam
stromen sappen
door de winterklare bast

die wacht en rust
in regen sneeuw en kou trotseren
tot het tij alles zal keren

Schrijver: onbekend


VOORBEHOEDMIDDEL

Van China, Zuid-Korea en Iran,
Tot Innsbruck, Tenerife en Lombardije,
In Zagreb, Barcelona en Marseille,
Is allemaal dat virus uit Wuhan.

Hoewel ik niet naar deze oorden vloog,
Nies ik alvast maar in m’n elleboog.

Coenraedt van Meerenburgh
26 feb. 2020


TROIS POÈMES D' AMOUR

Deze
gedichten behandelen niet de liefde voor
de Roem, de liefde voor het Gewin,
de liefde voor de Handel of die voor de Geografie.

Neen,
Deze gedichten zijn liefdesgedichten... over de
Liefde; het zijn gelukzalige, eenvoudige
bladzijden, waarin men alle tederheid ziet van
een deugdzaam man, die heel fatsoenlijke
manieren heeft.

U kunt zonder vrees naar ze luisteren.
Zij zijn drie in getal. Het eerste heeft als
titel: Liefdesgedicht no.1; de titel van het
tweede is wat minder roemrucht:
Liefdesgedicht no.3; wat het derde gedicht
betreft, daarvan is de titel nog bescheidener:
Liefdesgedicht no.2.

Ik zal ze zelf voor u zingen, met één enkele
stemband, zoals gebruikelijk was in oude
tijden, aan het Hof van onze goede oude
koningen uit de XIIde, uit het XIIde arrondissement.



I

Ik ben slechts een korrel zand,
Altijd fris en charmant,
Met gezang, gelach en drinkgelagen,
Zoekt hij zijn geliefde te behagen,
Wilt zacht, mijn lieve schone,
Uw minnaar, broos, U liefde tonen.
Hij is slechts een korrel zand
Altijd fris en charmant.

III

De opschik die zij nauw wil tonen
Aanschouw ik door mijn lorgnet.
Onderwijl mijn dartele schone
Rookt haar geparfumeerde sigaret.
Wenkt mij bij haar een verovering
Bekroond met volledige omstrengeling?
De opschik die zij nauw wil tonen
Aanschouw ik door mijn Lorgnet.

 


II

Uit een gevoel van behoren
Ben ik kaalhoofdig geboren,
Geslagen zit ik terneer,
Gedenk de kloekheid van weleer
Die mij nu ontbreekt in de strijd
Met schone Hortensens laatdunkendheid.
Kaalhoofdig ben ik geboren
Uit een gevoel van behoren


Erik Satie
Uit: Teksten
bijeengebracht en van aantekeningen voorzie
door Ornella Volta
Vertaald door: Frieda v.Tijn-Zwart
1976






DWIJF

Sidi op uwen clap stoel gehesen?
Dies moet die duvel hebben deel!
Ic soude u vollije voer u museel
Smiten, die tande souden u uutspringen.

Hier vechten si

GOSEN
Soe seldi tierst voren singhen.

DE VROUW
Speel je de flapuit, lammeling?
Je hebt de duivel in je huid!
Ik moest je onmiddellijk op je snuit
Timmeren. Je tanden vlogen in 't rond.

GOSEN
Dat lijkt me voor jou ook héél gezond.

bewerking Gerrit Komrij
Uit: Abele Spelen laatste pagina

ZIJ WAREN ALTIJD SAMEN

als zij het verkeerd gedaan hadden
in de herfst

als zij in de lente lagen
als zij fietsten
want de zomer gaat voorbij
en de winter is niet eenzaam
als hij ziek was en in zijn hand
lag als een geschenk de ander

als zij ziek in bed lagen
en het bed de huifkar was
van hun vrees

als het bed de vallei was van hun
juichen en het lichaam rustte

als de dagen lang werden

zij waren altijd samen.

Gerrit Komrij



AN UNHAPPY CHILDHOOD
IS A WRITER'S GOLD MINE


Toen ik een jongen was, hield ik van
iemand
wiens naam niet meer bestaat in mijn
herinnering.
noch weet ik meer, wanneer en waar.
Alleen nog, dat hij zat te lezen, opstond,
en langs mij heen liep naar het raam.
Het licht viel op zijn mond.
Buiten was regen.
Als ik dicht bij hem kwam, faalde mijn
stem.


Gerard Reve
Uit: Brief uit het huis genaamd 'Het Gras'

PSALM

Met de eerste koper in de tuin
vallen vier okkernoten als houten muzieknoten
met droog gedokker op tafel. Domisolsi.
In de rododendrons spannen spinnenwebben
hun verwachtingspatroon. Zo bijna. Zo nabij.

Zoals het nog nazomert diep in oktober.
Ik heb. Ik heb zin. Ik heb zin in
zinderen, zo lang als een zinken dak in de zon.
Zo nu. Zo wanneer.

Ik ben bezig met herinneren, maar
het is nog vandaag, zo graag.
Hier en daar wordt paars uitgevonden
en vazen om het in te doen.
Een takje. Enkelvoud. Zo weinig. Zo veel.

Zoals de reus die een postzegelgroot
fotootje bewaart van zijn reuzin.
Zo groot en zo klein is alles.
Zo alles.

Herman de Coninck
Uit Schoolslag



UIT VREES

Als er een deur is om binnen te komen
moet er een deur zijn om weg te gaan.

Mogelijk ontlijst en behangen
en voor alle zekerheid op slot gedaan.

Leg nooit je oor aan de wand,
voor je 't weet wordt je toch iets beloofd.

Veeg nooit het stof van de kranten,
wie ze leest raakt in ademnood.

Al de tijd die daarginds is verstreken
is toen je binnenkwam uitgewist.

Al die tijd bleef de radio spelen
en bij het liedje hoort nooit een gezicht.

Als een deur is om binnen te komen
moet er een deur zijn om weg te gaan.

Je mag ze vinden, maar maak ze niet open.
Mogelijk is dit je enig bestaan.

Charles Ducal
Uit: Toegedekt met een liedje


ANGST

Jullie angst is reusachtig groot
metafysisch
de mijne een ambtenaartje
met aktentas

met kaartenbak
met vragenlijsten:
wanneer ik geboren ben
wat voor werk ik doe
wat ik niet gedaan heb
waarin ik niet geloof

wat ik hier doe
wanneer ik niet meer zal doen alsof
waar ik heen zal gaan
later


Tadeusz Rózewicz
Uit: Gezichten




Ik liep door de steden bij avond
Vond de wereld bij elke voetstap
Vond geluk in gezichten van mensen
Vond verdriet in de adem van hun woorden
Ik droomde te over ik droomde
Om zes uur in de morgen
Mijn hoofd op een tafel
Mijn armen om mij heen
Ik droomde van de mensen
Ik droomde met de wereld
Ik droomde in de steden bij avond.

Remco Campert
Uit: Met man en muis
1955


's NACHTS

De regen van noem mij desnoods geen regen
wordt door geen oor wordt door de huid gehoord.
Booglamplicht geeft waarom daarom zijn zegen;
de hemel zwijgt en zwijgt van enzovoort.

En niemand komt niemand dan niemand tegen.
En iemand zegt ik ben een iemandswoord.
En iemand zegt ik ben maar ben verzwegen.
De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort.

En wijzelf gaan wonderlijke wegen:
wij varen om de tropen van de noord
figuurlijk zelfs met ons figuur verlegen.

En staan op straat en lopen toch weer door 't
noem mij desnoods noem mij desnoods dan regen
De hemel zwijgt en zwijgt en enzovoort.

Hans Andreus
Uit: Muziek voor kijkdieren



WAT IS ER?

Is een foto van een boek,
een boek?
Is een tekst in een foto van een boek
een tekst?
Is een woord in een tekst in een foto van een
boek een woord?
Is een letter in een woord in een tekst in een
foto van een boek een letter?

Is er iets?

Henk van Faassen
Uit: In Isolatie
maart 2020

 


CORONIAAL



D
e gedichten in deze editie
hebben niet eerst geklonken.
Ze zijn digitaal of handgeschreven
in mijn brievenbus geraakt.

Wij deden wat wij konden.
Henk

 


DIGITAAL

Omdat ik al eens gedichten uit Zuid-Afrika en Indonesië
had uitgekozen, heb ik voor deze editie
drie uit overig Nederlandstalig gebied uitgezocht:
Johanna Schouten-Elzenhout: Suriname
Alette Beaujon: Antillen
Christine D'haen: Vlaanderen. 

Tineke



Omdat er nu veel stress en onzekerheid,
wellicht angst , heerst.
De sfeer op straat is mat en leeg.
Koos ik voor een lied geschreven door Karel Eijkman.

Annemarie