dichtregels
voorgelezen
op de
derde dinsdag van de maand

home

contact





De Wolken, uit de geheime laden van Hugo Claus
samenstelling Mark Schaevers
De Bezige Bij 2011




 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
verweesde dichtbundels.
Onder de platanen van het voormalig weeshuis
aan de Lauriergracht te Amsterdam,
lazen ze een gedicht aan elkaar voor.

In deze tijd van afzondering zijn die gedichten
virtueel verzonden.

VROEG GEDICHT I.
'k Heb de dieren eten gegeven
en de deuren der stallen dichtgedaan
In de schaduw van 't eenzaam huis weven
de blinkende spinnen hun ijle draden.

De late avond weegt op elk leven
deze avond zonder sterren of maan
Dor zijn alle bomen in de drevcn,
ijl is iedere menselijke waan

Wie volgt 't spoor der getroffen konijnen
die in de struiken kreunend sterven?
Wanneer zal de maan in d'avond schijnen?

Ik treed in 't huis, waar gij geborgen ligt
en heel moe, vind ik terug de nerven
van uw eeuwig jonge en dode gezicht.


*
Een van de eerste gedichten van Hugo Claus uit 1945.
In de marge heeft de dichter, criticus en journalist
Raymond Herreman geschreven:
"zeer schoon",
maar corrigeerde daarna de laatste regel als:
van uw eeuwig jong en dood aangezicht.


Dit is de 14e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je



TWEE KONINGSKINDEREN

Als alle mensen op hun handen liepen
En ankers bleven drijven in de Rijn,
Als oesters ongehoorde dingen riepen
En naalden ons doorstaken zonder pijn,

Als kangoeroes in hemelbedden sliepen
En mummies konden zingen in hun schrijn,
Als piramiden soepel zouden zwiepen
En modderbaden geurden naar jasmijn,

Als reuzen gingen zwemmen in 't ondiepe
En er geen einde kwam aan dit refrein,
Dan hoorde ik een raamkozijn zacht piepen
En kuste jij me, dwars door het gordijn.

Gerrit Komrij

Uit: Capriccio De mooiste liefdesgedichten
Uitg. Thomas Rap
2002

 

SPLEEN

Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemelijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen.

Godfried Bomans
Naar het Duits van Friedrich Torberg
Uit: Ongerijmde rijmen.
Uitg. Het spectrum
1954

 

*

Mijn kind laat mij met buitenlucht alleen,
zij blijft op afstand sinds zij uit mij viel.
Plastic steekt uit haar afgewend profiel,
met apparaten woont zij achter glas
die haar weerspannig ademen bewaken.

Als ik tot bloedens toe mijn handen was
mag ik een ogenblik haar vel aanraken.
Hoe steel ik haar, hoe krijg ik haar ontvreemd.

Eva Gerlach

Uit: Dochter
Uitg. De Arbeiderspers
1984

 
           

*

in den beginne
was niet het woord rder
was het grote zwijgen

vr het eerste woord
is het ruisen van de zee
en na het laatste

het ligt in het stof
je kunt het z oprapen
het eerste woord niets

het ligt in het stof
je kunt het z oprapen
het laatste woord niets

 

*

sluit de ramen niet
straks zal het binnenkomen
het allerstilste

*

je schrift onleesbaar
je woorden onverstaanbaar
hoe rustig hoe goed

 

REKENSCHAP

Toen ik jong en groen was
dacht ik mijn dwaasheid wijs
nu ik oud en houtig ben
dunkt me mijn wijsheid dwaas
wat is wijs? wat is dwaas?
wie is ik?
een mens, dat is al
en het leven een kaleidoscoop
figuren, figuren, alsmaar figuren
ik ga maar verder
van figuur tot figuur

*
zwart is het water
een bodemloos gat
soms verschiet er een ster

J.C. v. Schagen
(1891 1985)
Uit: Ik ga maar en ben,
van Oorschot Amsterdam 1972

 
           

DAT WIJ ONSZELF GEWONNEN GEVEN

1.
Dat wij onszelf gewonnen geven
aan het bevrijdende bestaan,
aan wat ons uitdaagt om te leven.
Dat wij de stille roep verstaan.

4.
Dat wat wij hebben ons niet gijzelt,
dat wij van elke dwang bevrijd
naar onbekende plaatsen reizen.
Dat Gij ons onderkomen zijt.

René van Loenen

Uit: Liedboek, lied 816


 

DE AVONDWIND DRAAGT DEZE DAG

1.
De avondwind draagt deze dag,
nog overvol van licht en duister,
op brede wieken van ons weg

2.
en tilt die tot waar God hem telt
en van de zwaarte van de wereld
met liefdevolle hand bevrijdt.

3.
Wat is een dag - een ademtocht!
Waar blijft het licht en waar het duister?
Een dankgebed, een hart dat zucht -

4.
dan valt de nacht - en welbewaard
rust deze dag al in Gods handen,
waarin Hij alle tijden houdt.

Kurt Rose

Uit Liedboek, lied 252
Nun trgt der Abendwind der Tag
Vertaling: Sytze de Vries

 

STEEDS MAAR GRIJS


Steeds maar grijs grijs
regen nat grijs
de wind raast
pandemies
over erven en straten
en toch, schuift het voorjaar
de stad in
als een fanfare van
narcissen,
groene blaadjes
die aan het leven beginnen,
zoals blaadjes dat doen
fladderduif, kleine mus
niet meer onder
struik of dakgoot
nee, voluit in de lentelucht

Annemarie Weggelaar

Begin maart 2020


LENTE IN DEN VREEMDE

April - ik denk voortdurend aan mijn land.
Unter den Linden denk ik aan de olmen
zwaarmoedig langs een rinsche waterkant,
aan steden waar de eeuwen traag vermolmen.

Ik denk aan buitenplaatsen en patrijzen,
de groene schaduw van het grachtenloof.
Ik kan niet helpen dat er loome wijzen
pianospelen in mijn achterhoofd.

Ik doe geen moeite om ze vast te houden,
de kathedraal zal wel verdronken zijn.
Er vloeit ergens achter de bronzen wouden
uit wonden in den einder donk're wijn.

Schroefwater dat om wrakke steigers kolkt
en in de brakke avondwind seringen,
schakeeringen der stilte, wie vertolkt
in taal of atonaal uw aarzelingen?

Guillaume van der Graft
Uit: In Excilio
A.A.M.Stols, 's Gravenhage


 

SONNET VOOR ELB-70

Aap ekster miereneter soepschildpad
ijsvogel veenmol vleermuis oliekever
groenlandse walvis anaconda kat
boomkikvors langpootmug stenmarter ever.

Mijnwerkersworm veldkrekel wijnbergslak
bloedzuiger haring horzel blauwe reiger
kneut stekelbaarsje wandelende tak
mijlkrokodil marmot bengaalse tijger.

Uil keizerpinguïn adder leguaan
pieterman bromvlieg seisje dromedaris
bladluis okapi haarkwal vlaamse gaai

albatros gekko gommert kasuaris
aardvarken kakkerlak bunzing waraan
slijmprik hyena tapir hamerhaai.

Bert Voeten

Uit: Alles voor niets 1989

 

ALS DE NACHT
Henk van Faassen

Voor: H.v.B.. die er niet meer is.
Nov.1994



ZO SIMPEL IS HET


Zo simpel is het.
Jij bent de waarheid
waar ik ben
de tijd staat stil
de klok verstrijkt
en wij zijn altijd samen.

Hans Verhagen
(1939-2020)
uit: 'Verzamelde gedichten', 2003.


de OUDE DICHTER
en de JONGE CRITICUS


Een vlugge Jongeling, op zekren tyd,
Met eenen ouden Heer in harden woordenstryd
't Betrof een vaars, als schoon geprezen door den Ouden,
Maar van den Jongeling gantch niet voor schoon gehouden,
En wel met recht. Hij wees van punt tot punt hem aan,
Zo't geen niets zeggen wilde, als 'tgeen niet kon volftaan,
En dacht niet dat hy met den Maaker redeneerde,
In 't eind fprak de Oude, daar de drift hem overheerde,
Hoe! keurt ge en zegswyze en gedachten af? Mynheer,
Gy zyt nog veel te jong, dan dat ge een man, wiens jaaren
En fmaak en yver zyn' verkregen roem bewaaren,
Door uw vermetelheid zoud tasten in zyne eer,
My kon de fchoonheid van de dichtkunst reeds behagen,
Toen gy, nog spraakloos, wierd op den arm gedraagen,
In 't kort, wat zoud gy, die dit fstuk stoutmoedig laakt,
Toch zeggen, als ik zei dat ik het heb gemaakt?
Ik gaf u, fptak hy, hoe 't ook wierd door u misprezen,
Bedaard ten antwoord, dat, om poëzy en taal
en fmaak te ontëeren, menigmaal
Niets meerder noodig is dan oud en trotsch te weezen.

Uit:
C.F.Gellerts, Fabelen en Vertelsels,
In Nederduitfche Vaerzen gevolgd.




 





DE HAAN EN DE DIAMANT

De krijgshaftige haan krabbelde in de grond,
of hij ook iets van zijn gading vond
Haver, boekweit, rogge en ander graan
nam hij altijd dankbaar aan.
Maar hij vond een schitterende diamant,
misschien de grottste van 't hele land.
Hij staarde ernaar, haast door de glans verblind en zuchtte:
"Dat ik nu zo'n sieraad vind dat wel mooi fonkelt en mij tegenlacht.
maar door mij tot walgens toe veracht,
omdat mijn maag 't niet kan verteren!"

Ook van een haan is nog wat te leren.

Aesopus
(600 vChr.)
Uit: Vorstelyce Warande der Dieren
vertaling Jean Fleurier
1671
Kopergravure
Marcus Gheeraerts
1526-1590

 

HISTORIE

In 1627, zei ik, was jij zwaar de klos:
als nachtloopster gevangen op de Dam
omdat je zong en danste,
later in speelhuis de Schuur betrapt op hoererij:
zat je tweemaal in het spinhuis.

En jij had die gulden gejat, dief, zei ze,
hand eraf op het schavot,
na een jaar was je gepakt
wegens de onzegbare misdaad;
in een ton gestopt en verzopen in de Amstel.

Dat is ook weer waar, zei ik,
hoeveel doden zijn wij gestorven,
hoeveel kerels tot ons ingegaan,
in hoeveel gaten gevallen

en nu zit ik, pruik op, juwelen aan,
te genieten van klarinetmuziek

Merik van der Torren




STER


Langs de trappen van de Melkweg
betrad ik de troon van de Grote Beer.
Vallende sterren vervulden mijn wensen.
Mijn lichaam bleef in het geurige gras.
Een brandnetel stak mij met plicht;
de hersenstelsels bestuderen,
maandagochtend examen.

Merik van der Torren

Uit de bundel “Hier ritselt het woord”
2006


PLUK DE DAG

vanochtend na het ontbijt
ontdekte ik, door mijn verstrooidheid,
dat het deksel van een middelgroot potje marmite
(het 4 oz net formaat)
precies past op een klein potje Heinz sandwich spread

natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd
of het sandwich spread-dekseltje
ook op het marmite-potje paste

en jawel hoor: het paste eveneens

C.Buddingh

Uit: '128 vel schrijfpapier'
1967.

 

BRIEF VAN VER

Wat wil je weten? Ik ben
zo ver dat ik soms denk
de kleinste stap, het geringste
gebaar zullen genoeg zijn
om me terug te zien.

Het landschap in de regen
waarin ik schrijf is zo ver
zo niet te beschrijven, maar
de kleinste bloem, de geringste
steen wordt gewoon en dierbaar
als ik ze voor je meebreng.

Luister, het ruisen van de regen
neemt af, vogels beginnen hier
en daar weer te zingen.
Het kan nog net een paar
uurtjes voor de nacht valt.

Rutger Kopland

Uit: Het orgeltje van yesterday,
v Oorschot
1968.

 

SURF CITY

Punk rules

schreeuwen schuttingen
naar de straten
boordevol toeristen
hamsters
met 'n teveel aan traveller cheques

roekeloos na de pracht & praal
rond het zilveren jubileum
der vorsten
wagen ze zich in King's Road
& betalen hun hoge prijs
in stegen
waar geen koninklijk paleis
hen beschermt
tegen de welgemikte slagen
die het ver van jaren
over straat doen stromen

geen mooier souvenir
dan de verbrijzelde
Kodak Instamatic

Bart Chabot

Londen '77
Uit: Popcorn
de Bezige Bij
1981



HET KIND EN IK

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos,
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos,

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en werd het uitgewist.

M.Nijhoff
Uit: Nieuwe Gedichten
Em Querido, Amsterdam

 

MELOPEE

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede
de maan
Onder de maan op de lange rivier
schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan
de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano
de man en de maan
Waarom schuiven de maan en de man
getweeën gedwee naar de zee

Paul van Ostayen
Uit: Gedichten
De Sikkel en De Gemeenschap
Bilthoven

 

HET LICHT IS ROND

Het licht is rond en rolt naar alle kanten
de bergen op en af, de dalen door,
de wezens in en uit en langs de planten
stijgt het de boomen in en gaat het alles
voor.
Waarheen? Ik vraag dat niet, ik kom,
ik ga,
omdat mijn handen en mijn voeten,
mijn oogen en mijn hart zoo moeten
en ik het licht nu eenmaal zoo versta.

Pierre Kemp
Uit: Transsitieven en Immobielen
A.A.M.Stols, 's Gravenhage


HET LEVEN

Ik kijk naar mijn leven:
het wordt kleiner

ik houd mijn ogen er vlakbij:
ik kan al niet meer onderscheiden
tussen goed en onwaarschijnlijk, tussen zien
en ontwijken
tussen mij en iedereen...

wat zeg ik nu weer...

mijn leven groeit, woekert, grijpt om zich
heen
en ik kan alles onderscheiden:
onraad, wansmaak en zelfs de kleinste wangedachten

ik doe mijn ogen dicht

Toon Tellegen
Uit: Hemels en vergeefs
2008
 
HET WOORDJE KUNST

Eerst dacht ik bij het woordje kunst
alleen aan schilderijen,
die stilletjes gevangen zijn in lijsten aan de wand.

Ik vond dat zielig en ik wou een schilderij bevrijen,
maar ach, ik mocht het zelfs niet eens beroeren met mijn hand.

Toen dacht ik bij het woordje kunst
ook eens aan beeldhouwwerken,
die doodstil staan gevangen op een sokkel
in de grond.
Ik heb een beeld gestreeld, maar of een
steen een aai kan merken?
Ik weet niet een of t standbeeld zlf wel wist dat het bestond!

Nu denk ik bij het woordje kunst aan thuis
en aan verhalen,
die opgeslagen liggen in een dichtgeslagen
boek.
Ik kan er met mijn vinger en mijn ogen in
verdwalen
en vind er soms een streling in als ik een
streling zoek.

Ted van Lieshout
Uit:
Van verdriet kun je grappige hoedjes vouwen
1987
 
HET IS WAT HET IS

Het is onzin
zegt het verstand
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is ongeluk
zegt de berekening
Het is alleen maar verdriet
zegt de angst
Het is uitzichtloos
zegt het inzicht
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is belachelijk
zegt de trots
Het is lichtzinnigheid
zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk
zegt de ervaring
Het is wat het is
zegt de liefde

Erich Fried (1921-1988)
Vertaling: Remco Campert

AMSTERDAM

De maan verft een gevaar over de gracht,
ik schuifel elken nacht na middernacht,
in een verloren echoloozen stap,
ruggelings schuivend langs de hemelschuinte,
de treden der verlaten wenteltrap
van de ontstelde ruimte.

H.Marsman
Uit Verzamelde Gedichten
E.M.Querido Amsterdam

 

LIEDJE

Ik liep laatst door de heide
Langs berken en langs brem
Toen klonk er aan mijn zijde
Een kleine, ijle stem.

Aanhoudend en doordringend
Zoo blij en mateloos
Alsof een hart hier zingend
Zijn hoogste vreugde koos.

O koolmees in het lover,
O heikruid in de zon,
Uw lieflijkheid, uw toover
Die mij niet helpen kon.

Clara Eggink
Uit: Het Schiereiland
A.A.M.Stols, 's Gravenhage

 

LIEFSTE,

Op deze dag zo grijs als haring
schrijf ik je een brief waarin het waait
en meeuwen door de wind gedragen
cirkels maken in de haven touwen ijzer hout en letters blauw en wit en netten tonnen plastic zakjes palen containers apparaten waar ik niks van snap
masten vlaggen ramen schepen overal vandaan overal geweest en ik hoef nergens om te vragen.
Alles is hier al en jij kent de zee
jij vaart op haar jij vecht met haar om wat zij missen kan -
elk schip dat hier nu ligt wordt een schip
waar jij op was elke meeuw die hier nu vliegt een meeuw die jij ook zag en ik
hou van jou geloof ik en ik weet het
trouwens zeker maar wat ben ik blij dat
jij al een beminde hebt want alles is hier
al en ik hou zo van verlangen
en ik hou zo van alleen zijn
en ik hou zo van het denken dat het zou
kunnen als het kon.

Tjitske Jansen
Uit: Het moest maar eens gaan sneeuwen
2003


 



WAT NU WEER

een verzameling zeer korte verhalen
Henk van Faassen 1973




 



De teksten zijn met de hand gezet,
niet met voorbedachte rade ontstaan,
op een trapdegelpers
gedrukt.