dichtregels
op de
derde dinsdag van de maand

home

contact




Adraan Raemdonck zit tussen de boeken
in de Nottebohmzaal van de Erfgoedbibliotheek
Hendrik Concience in Amtwerpen


 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
verweesde dichtbundels.
In deze tijd van afzondering zijn die gedichten
virtueel verzonden.



de derde dinsdag
van de maand is even weg
maar komt vast terug


Peter Toxopeus
haiku


Dit is de 15e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je



IK

Ik schrijf gedichten
als dunne bomen.

Wie
kan zo mager
praten
met de taal
als ik?

Misschien
is mijn vader
gierig geweest
met het zaad.

Ik heb
hem nooit
gekend
die man.

Ik heb
nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn.

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.

Jan Arends (1925-1974)
Uit: Lunchpauzegedichten
2014

 

RAMEN OF DEUREN

het verschil tussen ramen en deuren
is zo duidelijk en groot
dat ik als ik moest kiezen
het wel wist en met een raam
al heel blij was

een deur is zo plotseling
onverhoeds sta je daar
van top tot teen binnen of buiten
een open deur staat slordig
en een dichte deur is dicht

terwijl ramen ach
denk eens aan ramen en wat je
daarvan maken kunt wat je
daaraan toe kunt voegen
luiken bijvoorbeeld
vensterbanken bloemen jaloezieën
of gordijnen of spionnetjes

je kunt binnen zijn
en toch naar buiten kijken
zien zonder je te laten zien
met alleen maar een raam in je kamer
zou je veilig zijn terwijl je
als de nood aan de man komt
altijd nog zo'n raam kunt gebruiken
als deur

Mischa de Vreede (1936-2020)
Uit: In plaats van praten
1985

Mischa werd op de Derde Dinsdag
van de maand Mei begraven in Bergen.
Veel schrijvers en kunstenaars liggen er al: Adriaan Roland Holst, E. du Perron, Charley Toorop, Lucebert, Simeon ten Holt.
Adriaan van Dis heeft er al een plaatsje gereserveerd.

 

DE MUUR WAAIDE OP
EN VERDWEEN


De zon zelf deed zijn intrede.
Portretten vergeelden
en het aardewerk weende.

De armen tongen van vuur,
de lippen een schroeivlek.
Personage en woning
werden één voorwerp.

Allerzielen jongstleden
bleef deze seconde
als een gebrandschilderd raam
een nacht aan de vensterbank staan.

Tonnus Oosterhoff (1953)
Uit: Boerentijger
1990

 
           




MIJN MOEDER BELT MIJ

hallo?

vraagt ze:
ben jij het
of iemand anders

ben jij
(ze noemt mijn nummer)
of ben jij een ander

zeg ik:
lieve moeder
en nu citeer ik:
'u bent mijn moeder'
je bent goed verbonden hoor

hallo?

ben je daar nog?



Peter Toxopeus
De foto van mijn moeder is gemaakt door mijn vader op de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal, augustus 1940.

 




AAN ZEE


zachtjes praat ik
met de zee
maar soms
ja soms
moet ik haar
luid toespreken


WOORDEN

ik schep woorden
als zand uit de zee

glanzende, nieuwe woorden
schep ik voor jou uit de zee
ik laat ze nu weer terugvloeien
in hun oorspronkelijk geheel


WANDELING


duinen liggen
in de ochtendnevel
nog verscholen

meeuwen
houden zich stil

en ik
ben ook
weer heel stil
vanmorgen









Peter Toxopeus

Tekst en foto's

 




ALLES NIEUW

het huis
leeghalen
verkeerde boeken
weggedaan
oude papieren
verbranden
het speelgoed
weggegeven
met lege handen
gestaan
voor het open raam


VERGEETHUIS

voor H.D.

ik zei
dat ben jij

zei zij
nee
ik heb dat niet
geschreven
iemand heeft
mijn naam gebruikt
iemand heeft
mijn naam erbij
verzonnen

ik zei
wie ben jij

zei zij
ik ben
geen naam
die ik ken

 
           

GEDICHTEN

Hiermee toonde ik mijn tovermacht:
Dat ik levende wezens heb voortgebracht.

Ik schiep een geluk dat onstoorbaar is:
Volmaakte liefde in volmaakt gemis.

Daar is nog n wonder waar ik op wacht :
Volmaakte stilte en volmaakte nacht.

(p. 189)







Op zoek naar het kortste, het één-na kortste en
twee-na kortste gedicht uit de bundel.


 

*

Spelende heeft zij de oever gevonden,
Heeft van haar lokken t lint losgewonden,
Heeft eerst haar kleed en toen haar
vaagstrelende
Sluier van rag angstig uitgetogen;
Hoorde alleen de stilte zoemen,
Maar voelde, hoe dwars door t gordijn
van bloemen
Duizenden ogen haar schoonheid schonden.

(p. 165)

 

*

Mocht ik maar vluchten, ver hier vandaan,
Was ik maar groot, was ik maar vrij.
Dansroffels hoorde ik heel de nacht lang:
Dreunen, getrappel, geklap en gezag.
Een troep kwam dichterbij,
door de donkere laan,
Met geroep naar mij.
Toch bleef ik doodstil achter t venster staan.
Gezichten, als maskers, keken mij aan.

(p. 162)

Hendrik de Vries (1896- 1989)
Uit: Gedichten,
Keur uit vroeger verzen (1916-1946)
Van Oorschot, 1962


NIET ALS EEN STORM,
ALS EEN VLOED


Niet als een storm, als een vloed
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God,
niet als een schot in het hart.

Maar als een glimp van de zon,
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond -
zo is het koninkrijk Gods.

Stem die de stilte niet breekt,
woord als een knecht in de wereld,
naam zonder klank zonder macht,
vreemdeling zonder geslacht.

Niet in het graf van voorbij,
niet in de tempel van dromen,
hier in ons midden is Hij,
hier in de schaduw der hoop.

Huub Oosterhuis (1933)
Uit: Liedboek, lied 321: vers 1,2,3,6


 

MARC GROET 'S MORGENS
DE DINGEN


Houtsnede: Renaat Bosschaert, Brugge

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn


Paul van Ostaijen (1896-1928)


 

OP EEN ZEKER
MUTSENMAAKSTERTJE
A****TE U.....T


Ik zag een meisje mutsjes maken:
Zij hield op haren malschen schoot
Een mutsenbol zoo zwaar als lood,
Mismaakt van nond en neus en kaken,
Een kunstelooze beeltenis,
Gelijk dat goedje doorgaans is.
Zij kneep en plooide dus haar mutsje,
En onder 't plooijen schonk zij mij
Een vriend'lijk lonkje van ter zij,
Dat straks gevolgd werd van een kusje;
Ik lach met haar, ik zoen, ik sol,
En zoo toevallig onder 't mallen
Doe ik haar van haar stoeltje vallen,
En zet haar mutsjen op mijn bol.

P.Boddaert, junior (1766-1805)
Uit: Erotische portefeuille

Oorspronkelijke uitgaaf Rotterdam
z.j.




LIEFDE

Liefde lokt een zoet geluid
uit de dwarsche herdersfluit,
Lacht de lieve vrede;
Klinkt de schorre krijgstrompet,
Op het brieschende genet,
't Pantser aan, en 't Krijgshelmet
Op de blonde lok gezet,
Trekt ze strijdwaart mede.

In de feestelijke zaal
Blinkt zij in haar blijdste praal,
Regelt scherts en zangers;
Waar de meiboom is geplant,
En de landjeugd, hand aan hand,
Omspringt naar den boerschen trant,
Naakt zij met haar rozenband
Huppelt ze in de rangen.

Zij regeert op 't blijde veld,
Zij in 't woelig krijgsgeweld,
Zij in 't hofgewemel;
Sedert 's werelds eerst begin
Voerde zij haar wetten in;
Ze is gedaald van hooger tin;
Enkel hemel is de min,
Enkel min de hemel.

Nicolaas Beets (1814-1903)
Uit: Het liefste gedicht
2001
Uitg.: Podium Amsterdam

 

VIER MEI

Niet de doden heb ik herdacht
maar mijzelve, ik dus,
toch ook centrum van veel kwaad.
In het feestelijke park was het
of samenkwam, in mij, in mijn
lichaam, ja, de hartstreek
om precies te zijn, datgene wat
mensen herdenken op vier mei.
Die vlam van boos vuur ziet
men laaien, op brandstapels bijvoorbeeld
of op de Waalsdorpervlakte, maar
die avond, om acht uur, was het
wel duidelijk dat ik als potentiële
fakkel, als toekomstige explosie,
daar rustig stond te smeulen,
vooralsnog beschermd, te weten
binnen je armen, binnen
een haag van bloed.


Anna Enquist (1945)
Uit: De gedichten
1991-2000
Uitg.: De Arbeiderspers

 

 

IN DROEVENIS

Geen die het mensenhart begrijpt.
De mei was in de bloesembomen toen mij de liefste werd ontnomen.
Geen die het mensenhart begrijpt:
de tranen wilden mij niet komen.

Geen die het mensenhart begrijpt:
het weer had 's nachts zijn keer genomen,
ik zag de wereld wit berijpt.
En ik liet vrij mijn tranen stromen.
Geen die het mensenhart begrijpt.

Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit: De adelaarsvarens
1988
Uitg.: Atheneum Polak & van Gennep


'SLAAP JE NIET, DAN LIG JE TOCH'

Vraag niet hoe. Zwetend. Vol
aandacht voor wat stoort. Motor
op straat. Een late vogel. Geheimtaal
van de verwarming, het zuchten
van het huis. Keer op keer ruk ik
mijzelf weg voor de poort van de slaap.

Daarachter? Boze wolven huilen
om wat verloren ging, hun kaken
scheurensbereid. Rusteloos rennen
ze, verend, op hondenvoeten. Gisse
wakers over een vertrouwde diepte
die zwart en gulzig is. Die alles eet.

Toch lig je. Gevangen als een vogel
onder het net van lakens. Naast je
een die ademt en warm is. Toch
de voeten verstard tegen hout. Wachten
tot grauwe moeder Morgen door het
raam komt en zegt: ga slapen kind.

Anne Enquist (1945)
Uit: Alle gedichten
De Arbeiderspers
2005

 

ZOLANG GERUSTHEID DUURT

Het is vol in dat donker en warm.
Een ragfijn gedoe van botjes en spieren.
Jij bent het, terwijl je niet denkt
daar.
Je bent het vanzelf. Daar denk ik steeds aan.

Ik denk altijd aan jou. En dat mijn vingers
hier in de zon om je gebruikte huis
steeds weer moeten leren wat ze weten,
het vanzelf
sprekende leven tussen je voetzool en wreef.

Ik heb een hoofd dat gerust is
zolang gerustheid duurt.
Ik oefen hebben waar de tijd tussen komt.
Ik oefen je voet en hoe die na zijn verdwijning
de tweede maal verloren zal raken

in details dit keer, algemeenheden, al die gedachten
die ik de werkelijkheid zal aandoen
als een jas omdat het stervenskoud is
en waaruit geen grond is af te leiden en te maken.


Esther Jansma (1958)
Uit: Alles is Nieuw
De Arbeiderspers
2005

 

MEN MOET

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog neeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
Uit: Helder maar grijzer,
gedichten 1978-1996
Querido 1998





Deze drie gedichten zijn voorgelezen
tijdens Meer Poëzie in Carré
2006


OUDERS

Je hebt ouders die van alles willen weten
of je echt genoeg spinazie hebt gegeten
of je t leuk had gistermiddag en met wie
of je toen nog iets gedaan hebt
of de broek die je nu aanhebt
niet kapot is, met die scheuren bij je knie.

Je hebt ouders die van alles willen zeggen
die wat jij allang weet nog eens uit gaan
leggen
of ze maken grapjes, meestal net te flauw
of dan krijg je dat gefoeter:
zit niet steeds op de computer
ga bewegen, want dat is zo goed voor jou.

Je hebt ouders met merkwaardige gebruiken
die staan elke ochtend aan een sok te ruiken
of die peuren met een stokje in hun oor
en ze slaken diepe zuchten
laten scheten om te luchten
en daar gaan ze vele jaren zo mee door.

Er is zelden iemand die zich kan verheugen
in twee ouders die van alle kanten deugen
maar het schijnt dat na een aantal jaren blijkt
ook al ben je niet gebleven
heb je anders willen leven
hoe opvallend veel je toch soms op hen lijkt.

Joke van Leeuwen (1952)
Uit: Hee daar mijn twee voeten
Em.Querido
2019

 

VERTREK VAN DOCHTERS

Ze moesten inderdaad gaan. Ik had het gezien
aan hun gezichten die langzaam veranderden
van die van kinderen in die van vrienden,
van die van vroeger in die van nu.

En gevoeld en geroken als ze me kusten,
een huid en een haar die niet meer
voor mij
waren bedoeld, niet zoals vroeger,
toen we de tijd nog hadden.

Er was in ons huis een wereld van verlangen,
geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun
kamers waarin ze verzamelden wat ze mee
zouden nemen, hun herinneringen.

Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie
precies datzelfde uitzicht, precies die
zelfde wereld van twintig jaar her,
toen ik hier kwam wonen.


Rutger Kopland (1934-2012)
Uit: Dit uitzicht
v.Oorschot
1983

 

DE VERLIEFDE ASPERGE

Ik lag met jou in hetzelfde bed
We sliepen wel rechtop
Jij stak er net wat bovenuit
vandaar jouw blauwe kop

Ik was stapel op jouw lange lijf
Dat mag je nu best weten
Ik vond jou echt een reuze wijf
Gewoon om op te vreten

Laatst droomde ik de hele nacht
Aan een stuk door van jou.
Jij werd mijn bruid, mooi wit
Omdat ik van sleepasperges hou.

Plots werd mijn droom bruut verstoord
Ik bloedde aan mn kuiten
We werden allebei vermoord
Door zon hovenier van buiten

We werden in een kist gelegd
En spoedig daarna gewassen.
Mijn rug was krom de jouwe recht
Jij werd dus eerste klasse

Wat wreed toch van zon hovenier
Ons z uiteen te rukken
Ik heb jou daarna nooit meer gezien
Want ik lag bij de stukken.

Weet je wat ik het gekke vind
Het is eigenlijk heel stom
Terwijl ns leven in de grond begint
Is dat bij de mens net andersom


Paul Asselbergs (1945)


 
 

 
 
           
 






 


Woorden groeien mee, met de jaren
worden ze zwaarder, ze raken
bemanteld met onderzees gewas,
mosselen, een stuk van een wrak,
wieren ijl als oud mensenhaar,
onrustige planthanden, verraad
van bovenglans, verdronken land,
algen dralend boven zwart zand.

Daarom moet ik ze altijd vertalen,
loswrikken, ophalen, in ander water
overdoen, uitspoelen, afkrabben
en wachten wat in mijn handen
achterblijft: een bloem, een geraamte,
een onderaards antwoord van aarde,
een laatst geglinster, een begin van brand,
een glimp onderbelicht vaderland.


Gabriël Smit (1910-1981)
uit: Op mijn woord
1968