dichtregels
op de
derde dinsdag van de maand

home

contact




Een tafel om aan voor te lezen

 

tussen taal en beeld

Op de derde dinsdag van de maand
kiezen een aantal lezers uit hun boekenkast
verweesde dichtbundels.
In deze tijd van afzondering zijn die gedichten
per post verzonden.


ALLES OP TAFEL

en kijk:
de tafel is geen tafel meer
het blad van tafel en papier zijn één
de woorden in het klad
ben ik
wij allen zijn gelijk



Johan de Boose
[fragment: "manieren van een tafel" ongepubliceerd gedicht]


Dit is de 17e editie, lees ook:
01. Poézie is een steen
02. Het onderwerp ik
03. Wat nou gevoelige ziel
04. Stilte en geluid bewegend tussen woord en woord
05. Ga nu maar liggen liefste
06. Konijn met rode oren las gedichten achterstevoren
07. Een stoel zoals een stoel wacht /
08..Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw
09. Als een boodschap in een fles
10. De cultuurgeschiedenis door en voor televisie
11. Op I. boem sat tere stout I. rouc
12. Afscheid van een eeuw
13. Op deze wijze ontstaat het gedicht

14. 'k Heb de dieren eten gegeven
15. Derde Dinsdag, even weg...

16. Het kan hier als overal
17. Alles op tafel
18. Hoe als je je




EEN PLAATS AAN DE TAFEL

Voor ieder van ons een plaats aan de tafel,
beschadigd of gaaf, rechtvaardig of slecht,
en ondanks de pijn: een plaats van vergeving,
genadig begin van goddelijk recht

Shirley Erana Murray (1931-2020)
Uit: For everyone born, a place at the table
Hope Publishing Co. (1998)
Vertaling René van Loenen
Liedboek 380 v.4.




 

HET KLEEDJE

Het kleedje dat gekukkig lag,
misschien bij mensen thuis,
op het linoleum of een parket,
of op tafel in een kroeg met koekoeksklok,
herinnerde zich zijn oosterse vaderland,
zijn wezenlijke zweven,
en trok de polders in
vloog laag - een handgeknoopte
hovercraft - over de koude grond,
niet langs palmen - langs lantarenpalen,
niet door bazaars - door winkelcentra,
steeds op een kleine afstand van het leven.

Nu drijft het huiverend in een plas.

Co Woudsma (1960)
Uit: Hoogste Zomer
De Bezige Bij 2015

 

ZONDAGMORGEN

Het licht begint te wandelen door het huis
en raakt de dingen aan. Wij eten
ons vroege brood gedoopt in zon.
Je hebt het witte kleed gespreid
en grassen in een glas gezet.
Dit is de dag waarop de arbeid rust.
De handpalm is geopend naar het licht.

Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit Getijden van de dag

Dit gedicht heb ik op 17 december 2019 voorgelezen.
Het woord tafel komt er niet in voor en toch staat het er in.
Annemarie Weggelaar

 

HET WOORD

In den beginne een trom in de rimboe,
dubbele regenboog boven de doden,
cantus fermus van de verwachting.
Het sneed te tekenen van erbarmen
onvergankelijk diep in de tafel
van het grijze versteende zijn.
Het liet zich door het lijden bewijzen,
nederig dienen door brood en wijn.
Spijs en drank werden tot amen
en tot een oorsprong van heilig opnieuw.

(een Paaslied)

Jo Kalmijn-Spierenburg (1905-1991)
Uit: Ontmoeting,

Letterkundig en algemeen culutureel maandblad
16e jrg 1962/1963



ZONDAG


De bijl staat in het blok. Ik zie het vuur
trage rookwolken aan het hout onttrekken.
Ik vul de ketel en ga tafel dekken.
De stilte is onschendbaar. Negen uur.

Wanneer ik fluister tot de koffiekan
krijg ik geen antwoord en pas jaren later
beleef ik de kamer weer - het water
begint te zingen - als volwassenman.

De geur van verse koffie wandelt door
het huis: de zondagmorgen klimt naar boven.
Stemmen ontwaken. Als het vuur gaat doven
trekt de rook weg. - Ik ben een en al oor.

H.J. van Tienhoven (1923-1990)
Uit: Wichelroedelopen.
De Windroos Amsterdam 1951


VERLAINE STERFT

Een kamer, een tafel, een bed,
grillige bloemen van ijs
waaieren wit aan het raam -
de nacht staat over Parijs.

Een oud man weet zich alleen,
geen hand die de zijne vindt;
zelfs niet eens de goede troost
van een enkel glas absinth.

De muren zijn verveloos
in het armzalig vertrek,
waar ik, denkt Paul Verlaine, alleen,
als een hond verrek.

Een kamer, een tafel, een bed,
bloemenwaaiers van ijs -
zo crepeerde Paul Verlaine,
rue Descartes, Parijs.

Jan Campert (1962-1943)
Uit: Verzamelde gedichten 1922-1943.
Stols 's-Gravenhage 1947


DE TAFEL HET RAAM

iemand is gaan zitten aan de tafel
en langzaam gebeurt het
langzaam verdwijnt hij uit zijn gedachten gaat hij vergeten

de tafel is leeg en het is alsof de leegte in hem binnendringt
hem vervult

langzaam gaat hij met zijn ogen
tegen de muur omhoog naar het raam naar het uitspansel over het dorp

ziet hij de vogels van de hemel
hoe zij dwalen rond de toren van de kerk en de wolken hoe zij voorbijwaaien

denkt hij ik ben alles wat ik zie

Rutger Kopland [1934-2012]



Het gedicht stond van 2003-2018 als straatpoëzie in de Kerkstraat te Poperinge, België.

     

TAFEL

De tafel
een steunvlak voor mijn bord
en mijn glas

ontmoeting, een voet
onder die tafel
met iemand die ik ga liefhebben

onmogelijke bezigheden
om mijn bestaan te rechtvaardigen

Henk van Faassen

[ongepubliceerd 2002]


EEN MAN EN EEN VROUW

Zij hadden de tafel al vijftig jaar
niet meer afgeruimd, een man en een vrouw
,
en bleven levenslang samen,

omringd door eierdopjes, koffiekopjes,
portretten van oude beminden
wier namen zij vergeten waren,

Zij spelden al vijftig jaar, dag in dag uit,
de krant van dezelfde dag,
een man en een vrouw,

om de wereld uiteindelijk stil te doen staan:
jong en fleurig
om een ijzersterke as.

Maar op de tafel werd alles oud.
Zelfs hun messen en hun vorken.
Alleen zij niet, die man en die vrouw.

Geen twee woonden intiemer samen
dan die twee, stikkend in hun rommel,
twistend om de laatste lucht.

Zo werden zij ten lotte gevonden:
bleek, jong, met wijd open monden,
nog hevig snakkend naar elkaar.

Luuk Gruwez (1953)
Uit: Vuile manieren, gedichten

Amsterdam, Antwerpen
1995


MIJN KAMER

De dingen houden steeds hun oude schijn
En staan nog waar zij jaren lang stonden
Vijandig en toch onderling verbonden:
De sofa lijdt romantisch minnepijn

Omdat de tafel, sprekend met twee monden,
Haar (die hem 't naast is) lukraak op één lijn
Stelt met de bloemenmand op het gordijn...
De lamp heeft alles ijdelheid hervonden.

Wat staan zij daar nu ongerijmd te prijken?
Ik wéét het toch, zij zijn niet wat zij lijken.
De stilte diep in ieder ding bewaard

Werd mij als godsgeschenk geopenbaard,
De kamer staat nog zoals hij immer was
Alleen is ieder voorwerp nu van glas.

J.Greshoff (1888-1971)
Uit: Verzamelde gedichten 1907-1967
'Gravenhage
1981


HET VERLATEN HUIS

Als in een huis in de onderwereld, waar
De stille vader en het stomme kind
Elkander aanzien - zo zit ik gebukt
Over mijn boeken in dit donk're huis.
En tegenover me aan de tafel zit
Dat stomme kind der sombere gedachte,
Mijn stille weemoed met het bleek gelaat,
Mijn stomme weemoed met het donker oog,
Die niemand ziet dan ik, - maar ls ik opzie,
Dan voel ik dat zij mij heeft aangezien,
Maar 't niet wil weten om die groote smart; -
En als verschrikt buig ik dan weer het hoofd
Achter mijn boeken en ik durf niet spreken
Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd.
En als gevoelloos, werk ik al den dag
En zie niet op noch om, omdat ik vrees
De groote smart, die 'k zien zal in dat oog.
Want zij was ens zoo schoon, mijn jonge weemoed,
Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden
En vogels spotten met ons jeugdig leed.
Maar weggedoken zit de laatste vogel
Thans in de takken en door de enge spleet
Der halfgesloten blinden valt het licht
Op ons, die treuren in 't verlaten huis. -

Albert Verwey (1865-1937)
Uit: Persepone en andere gedichten
Uitg. Rössing 1885.


HOUSEKEEPING

Teruggekeerd van een wandeling langs de vreemde markten
van de stad, waar ze onder de geurvlag van honing en kaneel
levende aapjes en geplukte eenden verkochten,
trof ik mijn hotelkamer als volgt aan:

De zandkleurige kussens waren geschud, het bed was opgemaakt,
de handdoeken waren vervangen, de vloer was gezogen,
de ramen gelapt, het plafond was gewit, de rozen
op het behang (grote koppen, korte stelen) hadden water gekregen,
mijn man was gebeld om het woord sorry te horen, sorry, sorry, sorry

mijn jurken waren eleganter, mijn laarzen oogden slanker, het gedicht
waar ik die nacht aan begonnen was lag afgemaakt
op de glazen tafel naast het bed

en in een mij onbekend handschrift waren de woorden gevonden
voor de naamloze leegte waarin ik nooit durfde blijven,
waaromheen ik grappend had bewogen, als iemand
die zijn eigen rustplaats meent te zien.

Het was beter dan wat ik ooit had kunnen schrijven, het brak
met iedere herinnering. Toen ik vertrok gaf ik een fooi van
(omgerekend) één volwassen mensenleven
en twee dagen van vertwijfeling

Ester Naomi Perquin (1980)
Uit: Meervoudig afwezig
Van Oorschot 2017




HET GELUK VAN EEN TAFEL

Het is het niet bedoelde. De huisspin
bungeejumpend tussen zijn vier poten.
Het schonkig hoofd gevuld met roes,
ronkend op zijn blad. Het is de vlieg


die zich kwiek in de poten wrijft
na een gigasnelle landing. De wellustige voet
die zonder erg zijn poot streelt
en niet het ademende been van een ander.


De zachte schuierharen zijn het
bij het wegvegen van kruimels
evenals de kleine vingers die een toekomst
van papieren bootjes vouwen op de vlakste zee.


Maar het is vooral het kind dat zonder kik
onder hem zit, daar vanouds een schuilplaats vindt,
dàt is het geluk van een tafel –


Inge Boulonois:
Uit: Idioom van geluk
Uitg. Kontrast, Oosterbeek 2016





STEL JE VOOR

Een tafel met twee mensen.
Ze praten eigenlijk niet met elkaar.
Hun woorden druppelen
via rare microfoontjes op hun wang
naar een donkere zaal vol mensen
die kijken naar een tafel
met twee twee mensen
die praten.



Henk van Faassen
In De Balie,
Wim Brands interviewt de schrijfster Lydia Davis. 2015


NU DE ZOMER LUCHT

Er liggen woorden op het blad,
stilte over de tafel. Het licht ligt
als een verstomming in een mond en
de kamer sluit als een gelezen boek

tot iemand zich bestaat, de dingen
behelst, taal de vaas maakt, het woord
de boeken opslaat.

(Fragment)

Margreet Schouwenaar

Uit: Talen naar de val
Querido Amsterdam 2000


POKER

Het is tijd voor open spel, mijn
liefste. De kaarten op de tafel. Ik heb
er twee: mijzelf en wat ik schrijf. Ze
zijn van weinig waarde, om niet
te zeggen van geen tel. De

hand van jou is rijker: je lijf
is nog het minste, al is het lang
niet mis. Maar ook illusies heb
je nog, en hoop. Jij hebt alles
wat er is. Toch ben ik soms al op
je uitgekeken, ontkennen heeft
geen zin. Je zult het ook wel weten:
gewenning is een ziekte, ze slaat
toe van bij het begin, en op het
einde is het beter om te breken.

Ik wil daar nu niet over praten.
Wat komen moet, dat komt. Alleen:
er zal nimmer sprake zijn van schuld.
En nog minder van vergeten. Dat is er, in
dit land van kwezels en kastraten,

in deze tijd van tegenstand en
onbenul, twee levens waren die
elkander kruisten, met een vuurwerk
van vergeefse woorden, en de troost
van wat lichamelijk tumult.

Tom Lanoye (1958)
Uit: Hanestaart
Bert Bakker Amsterdam 1990


*

Ogenschijnlijk zonder aanleiding
ontdoet het tafelblad zich
van zijn pootwerk, en zweeft

niet, Zonder de muren

heeft ook het dak nog weinig
zin meer in wat dan ook.
Enkele ideeën rennen nog achter
elkaar aan; nu blazen zij uit;
houden zich voor gezien.

Ik moet mij schrap zetten:

zonder mijzelf heb ik
geen toekomst.

Hans Faverey (1933-1990)
Uit: Springvossen, nagelaten gedichten
De Bezige Bij 2000


*

Mijn vader
kookte in zijn sop -
mijn broers zetten hem op tafel,
riepen mijn moeder

'wat eten we?'vroeg zij,
'onze vader,'zeiden zij, 'zijn ziel en zompigheid,
moge hij feestelijk smaken...!'

mijn vader,
deernis is in hem gevaren,
heef op een tinnen fluit geblazen
en hem gekleed in brandnetels en
slijmerige sliertjes

hoor hem sudderen,
zie hem dampen

mijn moeder schept hem op.

Toon Tellegen (1941)
Uit: Raafvogels
Querido 2006





GAME OVER

Mijn zoon vouwt vliegtuigjes van verdriet
groene en blauwe
hij zit op het rode kleed en gooit
zonnestralen snijden de keukentafel in
schijven
de piano staat roerloos te luisteren
draken en milkshakes liggen in het stof achter
het pedaal
een oude houten god huilt in een hoek van de keuken
de roeispanen van vandaag zijn verloren gegaan in mijn agenda
ik ben opgehouden met het willen zijn
in het glazen raam zie ik de weerspiegeling van een vrouw
maar herken mij niet
in mijn straat staan geen bomen enkel rode bloedbakstenen van de VOC
uit de voorgaande eeuwen
ik ben verleerd hoe de wind te verstaan,
misschien zelfs vergeten hoe ik moet baren
alles wat ik wist heb ik ingepakt en op straat gezet tussen de grijze vuilniszakken
na 18 uur wordt met veel herrie de geschiedenis opgehaald
een vliegtuigje zweeft door de kamer
ik ben niet van porselein
ga heus niet stuk
val niet uiteen mijn lichaam draagt mij en hele generaties voor mij
het puntige gele verdriet raakt mij in mijn buik ik
spat
in
duizend
scherven
uit
elkaar
je bent dood, game over mam.

Nisrine Mbarki (1977)



TAALKUNDE

Zo eet ik van tafelen die niet zijn gemaakt
voor ledige lippen, of voor de armen
van naakte meisjes die stamelen in bloed
en dampende dieren kussen.

De dageraad wekt mij. Hun vochtige tongen
zijn beestachtig mooi. Als je ze proeft
explodeer je, en ook jij begint
te stamelen, stamelen, stamelen in hun bloed

Adriaan Morriën

 

TERUGKEER

Alle revoluties wissen de dood
van mijn moeder niet uit.
En alle vooruitgang verhindert niet
dat ik mijn vader heb gehaat.

Ik doe nog altijd, te laat van school,
de stap naar de keukendeur
en licht de klink op, bang
dat de deur weer te hard kraakt.

Alles is mogelijk: mijn vader zwijgt
of leest mij met strenge ogen de les;
mijn moeder glimlacht of kijkt
met een stil gezicht op haar bord.

Ik schik aan tafel aan
en reik, dwars door de verleden tijd,
met een hand die weer kinderlijk wordt,
naar de dampende aardappelschaal.

Adriaan Morriën

 

BEDEHUIS

De kathedraal, op haar marmeren wieken,
ontstijgt in de uitgehongerde hemel
De Heer, aan zijn altijddurende tafel,
verorbert onze betreurde ouders.

Mocht ook ik, uitverkoren, eenmaal proeven
de mond van mijn moeder, het oor van mijn vader,
mijn hand ooit strekken naar wat onverteerd bleef,
zodat ook ik zou eten het liefste, het overledene.

Adriaan Morriën (1912-2002)
Uit: Verzamelde gedichten
Uitg. G.A.van Oorschot
1993

         

 
 
           
 






 



Wat is dat?

In het café,
weet je wel,
je zet er een glas op,
nou ja,
er staat een glas op".

Totdat het ineens is:

Een bierviltje
een ding
dat tussen de tafel
en het glas zit
.

Henk