Eeuwenoude Fabels
eerste deel

> startpagina Taal&Beeld
> naar het tweede deel
> naar index fabels


Esopus


 

tussen taal en beeld



TOEN DE DIEREN NOG SPRAKEN

Dieren werden door de dichters gebruikt om wijze lessen te verkondigen.
Het is niet te achterhalen waar de bronnen van de fabels liggen.
Er bestaan vertalingen van fabels uit Indische, Perzische, Arabische en Griekse bronnen.
Via het Sanskriet, Latijn en het Frans zijn ze
in het Middelnederlands terecht gekomen.


Esopus (Aesopos)
Een vreemd mannetje, een voormalige slaaf afkomstig
van het eiland Samos, geldt als de belangrijkste verteller en verzamelaar van Griekse fabels 600 v Chr.


De Vos Reinaerde
Is in de 2e helft van de 13e eeuw het Nederlandse taalgebied ingeslopen.

Jean de La Fontaine
verzamelde en schreef tussen 1668 en 1694 de meeste fabels die daarop ook door Nederlandse vertalers geschreven zijn.
Ieder had zo zijn eigen moralistische stijl.


Joost van den Vondel
zegt in zijn 'Warande der dieren'
"Daer en is bynae geene saeke die yemant mocht overkomen of men vindt daer inne stoffe, 't zy ter leeringe of ter waarschouwinhe voorgestelt"



VERTALEN OF HERTALEN

Toen ik kinderen fabels voorlas en er met hen over sprak, merkte ik dat het taalgebruik van de vertalingen vaak nogal ouderwets en onbegrijpelijk voor hen was.
Ook de moraliteit ervan is niet altijd zinvol.
Daarom heb ik de meeste fabels voor hen hertaald.

Henk van Faassen

 
 





Op I. boem sat tere stout I. roec,
ende hadde sinen mond I. case.
Dit sag reinaert Ende sprac aldus ten roeke waert:
"Dine vederen sijn soe scone,
Du mochts boven allen voglen crone Draghen,
hadsdu claren sanc"-
"Bi Gode, ja ic, seidit, "Goddanc."
Doen toendi aldaer sijn luut.
Hi gapede ende die case viel uut.
Den case greep der vos reinaert Ende liep te sinen hole waert,
Dus sijnre vele te scherne ghedreven Bi prise,
die si hem horen gheven.


Aesopus 600 v.Cr
Middelnederlands 1200-1500

 

DE RAAF EN DE VOS

Meester de Raaf zat boven in een beukenboom
met een stuk kaas in zijn bek.
Meester de Vos die rook dat,
maakte snel wat complimenten:

"Kijk eens aan, beste meneer de Raaf!
Wat zit u daar zo mooi op die tak!
Ik moet zeggen, als uw stem
even mooi is als uw veren,
dan bent u de koning van heel dit bos!"

Toen de raaf dit hoorde was hij trotser dan ooit
en opende zijn bek om te zingen.
De buit, het stuk kaas, viel omlaag
en wordt de prooi van de vos.

De vos roept nog: "mijn beste heer en vriend!
Begrijp je wel dat een vleier alleen wordt geboren
wanneer hij zegt wat een ander wil horen?
Dat is de les die de kaas u leert!"

Er komt geen antwoord.
Meester de raaf is in de war en beschaamd,
zweert bij zichzelf, maar veel te laat,
dat was eens, maar nooit weer.


 
 


 
DE WOLF EN DE OOIEVAAR

Wolven eten graag heel veel.
Er was eens een wolf die zat aan tafel feest te vieren.
Hij zat daar zo te schrokken dat er een brok
in zijn keel bleef steken.

Doods benauwd kon hij niets roepen.
Toen zag hij een ooievaar en wenkte haar.
Ze kwam te hulp en heeft met haar lieve snavel
de brokken uit zijn keel gepikt.
Anders was de wolf gestikt.

Toen de ooievaar, als beloning, om iets lekkers vroeg.
Gromde de wolf: Mevrouw de ooievaar dat is een mop.
U mocht toch uit mijn bek de lekkere hapjes pikken?
Maak dat u weg komt.
En vlug, want anders eet ik u op


 
 

HET WAS EENS EEN VOS DIE WELCKE
DEN CRAEN MET HEM OM TE ETEN GHENODET HADDE


Ende als die crane met hem teten ghecomen was.
soe leyde hi hem sijn spijse in een platte panne
Daerse die crane niet wt nemen en mocht welc
den crane zeer mishaghede ende ghinck vanden
huyse van reynardt al hongherich int huys
daer hi selue woenachtich was

Ende want die vos reynardt hem bespot ende
verscalct hadde soe ymagineerde hi in hem
seluen peynsende hoe hij den vos reynardt
weder om eens bespotten ende verscalcken
mochte. wantmen ghemeen-liken seyt
Van gode moet hi sijn ghecroont. die den rechten
hoonaert hoont
Ende daer om soe noode hij den vos weder om
dat hij sijn auontmael met hem eten wilde
Ende hij leyde hem sijne spijse in eenre kannen
mit eenen langhen enghen hals die van gelas
ghemaect ende ghebacken was
Ende als die vos eten wilde soe en conste hij anders
niet doen dan dat hy die voerghenoemde kanne met ter
tonghen leckede

Ende aldus bekende hij dat hi bedroghen was
Ende die crane sprack tot hem Nemet nv van
alsulck goet als ghij mij ghegheuen hebt
Dit horende die vos scaemde hem des ende is
droeffelijcken tot sinen huyse ghegaen.
want daer hi mede gheslaghen hadde
metten seluen stock. wert hy gheslaghen op sinen cop

Ende daer om die anderen hoont ofte scalcheyt doet
wert bywijlen gheerne weder om bedroghen.
wantmen daer af groote verdienste heeft.
alsmen den rechten scalck verscalct
die altoes in valscheyden leeft.

 



DE VOS EN DE OOIEVAAR ETEN SAMEN


Er was eens een vos die mevrouw ooievaar uitgenodigd had
om bij hem te komen dineren.
Toen ze kwam diende vos soep op platte borden op.
Ooievaar kon jammer genoeg niets met haar snavel oppikken
en ging hongerig weer naar huis.
Vos Reinaert had haar te pakken genomen.
Ze bedacht hoe ze hem een koekje van eigen deeg kon geven.
Mevrouw ooievaar nodigde vos daarom uit
voor een souper bij haar thuis.
Vos kwam graag en bedankte haar voor haar gastvrijheid.
Maar ooievaar diende alle gerechten op in lange dunne glazen.
Vos kon er alleen maar met zijn tong aan likken en moest
hongerig weer naar huis.
Hij moest bekennen dat hij bedrogen was.
Heer vos schaamde zich dat hij met dezelfde stok waarmee
hij ooievaar raakte nu zelf op zijn kop kreeg.

Zo komt boontje om zijn loontje
en wordt de bedrieger bedrogen.

 

DEN VOGHELAER ENDE OYEVAER

Eens Landmans acker stond gelaen met gouden koren,
Maer 't wert van Ganzen en van Kranen afgheschoren,
Dies hij van toornigheyd zijn stricken heeft ghestelt,
Om dees roof-voglen te verrasschen op het veld.

Hy lagh op zyne luym met overgroot verlanghen,
En heeft juyst by geval een Klepelaer ghevanghen.
Den Oyevaer uyt ancxt heeft zijne onnoozelheyd Den Ackerman verbaest tot onschuld voorgheleyd:
Den tyd myns levens noeyt beschadighde ick u granen,
ghelijck de Ganzen en de Kranen.

Neen (sprack de Voghelaer)
het lyf is u ontzeyd, U onschuld niet en geld,
ick vind u op het feyt.

"Wie veyligh leven wil in stilheyd uytghenomen,
"Verzel zich daeghlycx 't ghezelschap van de vromen,
"Want wie den quaden volght, die 't booze zijn gewoon,
"Word eyndelyck achterhaelt en kryght der quaden loon.


Joost van den Vondel
Uit: De vorstelycke Warande der Dieren




DE BOER EN DE OOIEVAAR

De akker van de boer, vol met goudgeel graan,
werd door ganzen en kraanvogels kaalgevreten.
Dus heeft de boze boer zijn valstrikken gezet
om die roofvogels op het veld te verrassen.

Hij was zeer tevreden over het resultaat
want hij had zojuist een klepelaar gevangen.
De ooievaar vreest voor de domheid die hij beging
en bezweert de boer dat hij onschuldig is.
Nooit van mijn leven heb ik uw graan beschadigd
zoals die ganzen en de kraanvogels dat doen.

Nee, sprak de vogelvanger,
dat wil niet zeggen dat u onschuldig bent.
Ik wijs u op het feit dat:

"Wie veilig in alle rust wil leven,
moet dagelijks het gezelschap van goed volk zoeken.
Want wie kwaden volgt, die 't slechte gewend zijn,
krijgt uiteindelijk ook het loon der kwaden".

Boontje komt om zijn loontje




DE MOLENAAR, ZIJN ZOON EN DE EZEL

François de Malherbe (1555-1628)

Ik heb gehoord van een oude molenaar die met zijn zoon,
die al 15 jaar was,
naar de markt ging om hun ezel te verkopen.
Omdat de ezel niet moe mocht worden
bonden ze zijn poten vast en droegen hem samen
en dat was best zwaar.
Dat was natuurlijk een beetje dom.
De eerste die ze tegenkwamen riep:
kijk nou eens, wie is de grootste ezel van die drie.
De molenaar had verstaan dat hij dom had gedaan.
Hij maakt de ezel los en zet hem op z'n poten.
Maar de de ezel balkt: ik heb geen zin om weer te lopen.
De molenaar laat zijn zoon op de ezel rijden.


Maar dan roept een koopman: hé kwajongen stap eens af.
Dat is de omgekeerde wereld. Laat je oude grijze vader rijden!
Dat gebeurde ook.
Maar toen kwamen drie meisjes langs die riepen:
Dat is een schande hoe die oude vent zijn zoon behandelt.
De molenaar zei: ach meisjes loop maar liever door.
Maar hij nam toch maar zijn zoon voorop.

Toen riep iemand: Die zijn gek, dat beest is al half dood.
En dan willen ze hem nog verkopen ook, de zielepoot.
Verdorie, zegt de molenaar, moet ik iedereen z'n zin geven?
Ze stappen van de ezel af die nu deftig voorop loopt.

Dan duurt het niet lang of iemand roept:
Is het de gewoonte dat langoor het rustig aan doet?
Is die ezel niet sterk genoeg, terwijl zij hun klompen slijten?
Als je goed kijkt zijn dat drie ezels!
Onze molenaar zegt: "Ik mag dan op een ezel lijken,
ik geef het toe, je mag mij van alles kwalijk nemen.
Toch doe ik wat ik doe'

En zeg nu zelf, hij deed het niet slecht.
Dit geldt voor iedereen, soldaat, prins of molenaar,
doe waar je zin in hebt.
Kies zelf een vrouw, een kerk en een koning.
De mensen hebben altijd wel iets om op aan te merken.




Illustraties: Marc Chagall

DE OUDE KAT EN DE JONGE MUIS

Een kleine muis, die nog niet zo veel wist,
geloofde dat als hij het maar lief vroeg,
de oude kat hem niet zou opeten
en dan ook niet schuldig was
aan muizenmoord.

Waarom moet ik dood?
Ik ben maar een klein hapje muis.
Geen mens in dit huis heeft last van mij.
Ik eet maar een kruimeltje brood en
af en toe een nootje zodat ik kan groeien.
Nu ben ik maar klein.
Maar als u wacht ben ik later groot en vet.
Een veel lekkerder hapje.

Dat zei de muis die gevangen zat
in de poten van een oude, boze kat.

De kat zei:
Ben je vergeten tegen wie je spreekt?
Zelfs een klein muisje als jij moet weten
dat ik een hele belangrijke en deftige kat ben.
Mijn kinderen pakken ook wel eens
een piepklein muisje, zoals jij,
om lekker op te peuzelen.
Geen denken er aan dat ik ooit naar je luister.
Je kunt klagen bij al die wezens
die op deze aarde ons leven besturen,
ik vreet je op, zoals dat hoort.

En hij voegde de daad bij het woord.

Henk van Faassen hertaling





DE LEEUW EN DE ANDERE DIEREN

Een tijd geleden was er een afspraak tussen de leeuw,
de sterke heer en meester van het bos,
en de minder wilde dieren zoals lam, geit en zuster schaap.
We zullen in vrede leven en alles samen delen.

Hoewel, eens was er een hert gevangen in een net,
dat door de minder wilde dieren was uitgezet.
De geit had het verteld aan haar vrienden.
De leeuw, het lam en zuster schaap.
Die kwamen blij hun portie hert halen.

Maar dan begint de leeuw hardop te tellen.
Kijk: één, twee, drie en vier.
Hij hakt het dode hert in vieren
en legt één groot stuk opzij.
Zo dat is voor mij want ik ben de leeuw,
de koning van de wilde dieren.

Hij pakt ook deel twee, dat is zijn recht
want hij is nu eenmaal veel sterker.
Dat geldt ook voor portie drie.
En wie de moed heeft nummer vier te pakken,
het geeft niet of je lam, geit of schaap bent.
Je zult merken wie ik ben:
Ik heet leeuw en heb een andere manier
als ik in vieren deel



Die fabule is vanden leeuwe. vander gheyten ende vanden scape.
dye ons leert twoirt dat men ghemeynlijcken seyt
dattet niet goet en is met heeren pruymen oft kersen eten
Oick mede dattet niet goet en is dat een arm mensche
metten rijcken machteghen eeneghe deel oft deylinghe hebbe.





Fragment illustratie: Floris Tilanus


DE HOUTHAKKER DIE LIEVER DOOD IS


Er was eens een arme man die hout en takken verzamelde.
Hij droeg zijn vracht steeds op zijn rug.
Maar toen hij oud was werd zijn rug krom van het sjouwen.
Hij kon niet meer, alles was hem te zwaar.
Het hout was zwaar.
Zijn hele leven was zwaar.

Wat doe ik hier eigenlijk?
Niemand op de hele aardbol is zo arm als ik.
Ik kan nooit uitrusten, heb geen geld
en soms zelfs geen hap brood.
Hoe moet ik nu voor mijn vrouw en kinderen zorgen?
En ik moet ook nog belasting betalen.
Was ik maar dood.

Toen kwam er een stem uit de lucht.
Wat is er aan de hand?
Niets hoor, maar wil je mij helpen
dit hout weer op mijn rug te laden?
Het is niet zo veel.

Soms is een stem ergens vandaan
een goed middel tegen de pijn.
Veel beter dan dat je dood gevonden wordt
onder een stapel hout.

 








DE KREKEL EN DE MIER

Krekel had een zomer lang,
plezier gemaakt met krekelzang.

Ze zag dat er in haar voorraadvat
voor de winter niets meer zat.

Geen enkel mugje of een pier.
Toen ze honger kreeg,
klopte ze aan bij buurvrouw Mier.

Ik vraag om wat korrels graan aan haar.
En betaal dat wel het volgend jaar.

Heus, dat beloof ik juffrouw Mier.
Maar die is, ondanks haar goedheid,
een zuinig dier.

Dus roept zij naar krekeltje-leen:
waarom heb je niet gehamsterd
toen de zon nog scheen?

Ik? Ik zong, is dat verkeerd?
Dag en nacht heb ik gezongen
zoals ik dat heb geleerd.

Nou als dat zo is dan stel ik voor
Dat je gaat dansen.
Dans en zing alsmaar door!

 




HET WAS EEN VORSCH IN EENE SCONE WEYDE

al daer si vernam enen os wyen de ende sijn aes soeckende
Ende want si ouermits groote houerdye haer selnen alsoe groot
maken wilde als was die os Soe begonste si haer grof te
maken ende te zwellen teghens den os
Ende vraghede haer kinderen segghende aldus
Segt my ben ic niet alsoe groot als is die os
Ende die kinderen antwoerden Neen ghij moeder
want by die grootheyt vanden os soe en sijt ghy niet.
Dit horende die vorsch begonste noch haer seluen meer op te blasen ende te zwellen
Ende als die os haer houerdye aldus sach so trat hijse metten
voet dat si barstede ende starf

Ende daer om en eest niet goet dat hem die arm mensche den machtighen ende rijcken ghelijcken wil.
Want men ghemeenliken seyt En blase dy niet te zeere op. op dattu niet en splijtste


AEsopus





DE KIKKER
DIE ZO GROOT ALS EEN STIER WILDE ZIJN


Een kikker zag een stier in de wei.
Hij vond hem mooi en groot,
want zelf was hij maar klein en glad en rond.
Hij leek een beetje op een groen ei.

Vlug blies hij zichzelf op en rekte zich uit
om precies zo sterk en groot
als de stier te zijn.

Hij vroeg aan zijn buurman:
Is het zo goed, ben ik er al? Is dit beter?
Nog lang niet, zei hij,
Nee nog voor geen meter.

De arme kikker houdt vol en vol,
tot hij op het laatst uit zijn vel ploft.

Op de wereld zijn er veel mensen
die net zo dom zijn als die kikker.
Ze willen een huis zo groot als een kasteel,
En erg rijk zijn, met veel personeel.
Ze willen een koning zijn met een kroon op zijn hoofd.


In de oorspronkelijke tekst is sprake van
een kikkermoeder en haar kinderen






DE HOND, DE KAT EN DE HAAN

Een waakse hond zag op een morgen
De kat daar zitten op een ton
Scheer je toch weg, gromde en bromde hij
Ik heb rond dit huis voor rust te zorgen
De kat verroerde geen poot of staart
Een aangelijnde waker kon geen kwaad

De haan kraaide en sprak daarna zacht
De plicht te waken die weegt zwaar
Vriend hond moet ons dag en nacht
beschermen voor onheil en gevaar

De kat, standvastig dier, spreekt de blaffer
in rust en kalmte toe
In ruil voor je dagelijkse bak met voer
is het met je vrijheid wel gedaan
Wij vangen zelf een muis
of pikken een paar korrels graan
Doe als katten en de haan
die kunnen overal gaan en staan.

Henk van Faassen

Deze fabel is geschreven na het bekijken van het plaatje.






DE AAP EN DE DOLFIJN

De Grieken namen altijd op hun verre reizen dieren mee.
Honden en apen mochten mee aan boord.

Een Grieks schip leed schipbreuk net buiten de haven van Athene.
Het was met man en muis verdwenen
als er geen wonder was gebeurd.

Luister:
Een dolfijn is echt een mensenvriend, dat lees je in een boek.
En dolfijnen kunnen mensen redden.
Dat is dus waar, en dat geldt ook voor apen.

Want op het schip vol drenkelingen zat ook een aap.
Die leek zo op een mens dat de dolfijn
hem op zijn rug liet klimmen.
Zo werd de aap veilig aan land gezet.
Bij het afscheid vroeg de dolfijn: komt u uit de stad Athene?

Jazeker, zei de aap,
ik zal u ook altijd helpen als u iets zoekt.
Mijn vader is daar kasteelheer en mijn neef een rechter.
De dolfijn vraagt of hij Piraeus kent.
Ja, zegt de aap, ik ken hem al jaren lang.
Die stomme aap denkt dat Piraeus een man is
in plaats van de naam van deze havenstad.

Nu ziet de dolfijn pas dat het een aap is die hij gered heeft.
Lachend plensde hij hem weer terug in de zee
en ging op zoek naar, half verdronken, echte mensen.







DE VEGETARISCHE WOLF

Er was eens een wolf met een menselijk geweten,
- alsof zulke wolven ooit bestaan -
die op een goede dag diep nadacht over zijn vraatzucht.
Was dat nu zo wreed?
Mocht hij niet af en toe wat eten?

En toch, dacht hij, haten ze mij,
de boeren en de jagers met hun honden.
Ze maken jacht op mij.
Zelfs Jupiter heeft niet gedonderd
toen men in Engeland wolven streng verboden heeft
en ze voor altijd het land uit gezet hebben.

Hier, in dit land, is er geen enkel mens of dier
dat ons nog aardig vindt.
Geen lam en geen ezel.
En ieder konijn leert als kind op te passen
voor de grote boze hongerige wolf.


Kom op, ik stop.
Ik eet voortaan geen vlees meer,
alleen nog maar sla of kool met een grasspriet,
of zelfs dat niet.

Ik vind er wel wat op,
desnoods eet ik niet, dat is minder erg
dan overal gehaat te zijn.

Dat dacht hij allemaal, tot er verderop
een paar herders met hun schaapskudde zaten.
Ze aten lam van het spit en de herdershond at mee.
Oh, oh, riep de wolf, en ik maar denken
dat ik zo wreed ben.
Dat is toch al te dwaas.
Ik rijg zo'n dier, als ik het opvreet,
toch ook niet eerst in stukjes aan het ijzer?

Ik sta daar voor gek en die herders smullen
van geurig lam waarmee ik mijn maag wil vullen.
En dan heb ik ook nog trek in moeder schaap
en vader ram, liefst ongebakken, puur natuur.
Liefst niet morgen maar vandaag.

En met die gedachte sloop hij zachtjes, heel zachtjes,
dichter naar het vuur.






DE TWEE GEITEN

Geiten knabbelen het liefst als ze boven op een berg zitten
tussen de rotsen waar geen pad is.
Ze zijn niet bang voor als het steil, ruw of glad is.
Ze klimmen waar nooit eerder iemand geweest is.

Zo gebeurde het op een dag
dat twee slanke meisjes geiten met mooie vacht,
ieder vanuit hun eigen wei,
bij een wilde bergrivier aankwamen.
De een stond hier, de ander aan de andere kant.

Je kon over een boomstam naar de overkant komen,
zoals een brug van wal tot wal,
over het woest golvende water heen.
Maar het was zo smal,
dat de één, de ander voorrang moest geven.

Onze geiten, zoals bleek, wilde geen van beiden
even wachten, daar waren ze te trots voor.
Ze dachten er niet aan om aardig of beleefd te zijn.
Dus botsten ze halverwege op elkaar
en stortten in de kolkende rivier.

Dat was het einde van dit verhaal.

 

DE EGEL EN DE ROZENSTRUIK

“Ik heb doornen” zei de roos.
“Ik heb stekels” zei de egel.
Beiden zwegen eerst een poos.
“Doornsss” zei de egel kregel.

“Jij hebt stekels, niet 1 doren,
en lijkt van achteren wel van voren”
Zei de roos een beetje boos.
“En ik kan bloeien” zei de roos.

“Ik ook, prik mij maar in mijn poot,
dan bloei ik mij waarschijnlijk dood.
Kloot!” riep de egel tot de roos.
Die nu stilzwijgendheid verkoos.

Die taal! Hoe zij elkander hoonden!
Je kan wel horen waar ze woonden.

MORAAL
Waar is eigenlijk de moraal,
als het alleen maar gaat om taal?

En,
Van wat een dier verstaat en praat.
Is er heel veel dat ons ontgaat.

Leo Vroman
uit: Fabels, balladen en psalmen.





ROOS EN AARDKLUIT


Zijt gij amber? sprak een wijsgeer
Tot een nietig klompje stof,
Dat door zoeten geur hem trof.
Neen! was 't antwoord van het klompje,
maar ik woonde een korte poos
In gezelschap van een roos.

Karel, Lodewijk Ledeganck.
 

HET KAMELEON

Een kameleon, dat zijn gezichtskring wou verruimen
en daartoe geen gelegenheid wilde verzuimen.
kwam eens in Amsterdam op de Stadhouderskade
en sloeg daar de verkeerslichten gade.
Hij zag het wiss'lend spel van groen en rood
en schrok zich bijna dood
En wankelde en sprak met leed-omfloerste stem:
"Ik ga maar weg, waar is m'n tram?"

O, mensch, zijt gij niet als het kameleon
Die ook dacht, dat hij 't alleen maar kon?!


Annie M.G.Schmidt
(1911-1995)
uit: Toen de dieren nog konden praten




DE EZEL IN EEN LEEUWENVEL

Een ezel had zich voor de grap als leeuw vermomd.
Hij bleef nog steeds een ezel, maar de mensen die hem zagen
Die riepen bang: "Kijk, daar loopt een leeuw los rond"

Op een dag, helaas, stak door het vel zijn ezelsoor

Het was een piepklein stukje van het ezelsbeest
Maar iedereen zag het, daar tussen leeuwenmanen door.

Zo kwam meteen het einde van de verkleed partij er aan
Want de mensen zagen stomverbaasd hoe de boer
Een doodvermoeide leeuw met zijn stok bleef slaan.

Zo vergaat het je als je Baudet dus Ezel heet.

 
 



DE WOLF EN DE VOS IN DE PUT


Laatst, het was al midden in de nacht, liep vos Reinaerde
toevallig langs een put en zag daar, heel diep
hoe de maan in het water weerkaatste als een ronde gele bol.
Hij dacht: daar ligt een lekkere kaas
en, gulzig als hij was, sprong hij in de emmer waarmee
je water uit de put kon halen.
Terwijl hij naar beneden ging kwam een andere emmer,
vol met water, naar boven.
 


Te laat merkte de vos, tot zijn ontzetting,
dat hij wel gemakkelijk omlaag gaat aan zo'n stomme ketting,
maar dat hij niet weer opgehesen wordt
tenzij er nog een stommeling langs komt, die net zoals hij,
denkt dat er een kaas onder in de put ligt.
Dit wordt zijn dood!


Twee dagen gaan voorbij en er is niemand
die water komt putten.
Bovendien is het ook geen volle maan meer.
De vos is ten einde raad.

Dan, kijk eens, wie komt daar aan?
Het is vriend Wolf die een droge keel heeft.
De vos roept van beneden:
beste vriend kom beneden en neem een slok.
En kijk eens: ik heb ook een heel lekkere kaas,
gemaakt van hemelse room.
Je weet niet wat je proeft.
Ik heb er wel een paar happen van genomen,
maar er is nog genoeg over.

Stap maar in de emmer die ik voor je klaar gezet heb.
Zo vertelt Vos zijn verhaal zo lekker als maar kan.
Wolf is gek genoeg om alles te geloven
en neemt de lift omlaag.
De vos is gered want zijn emmer gaat naar boven.

 
 


kopergravure Marcus Gheeraerts (1526-1590)

LIEBAERT ENDE MUUS


Daer in I hout sliep I liebaert. I muus liep over sinen baert.
Die liebaert vinc die muus ter vaert, Ende woudste doden
onghespaert."Ghenade,"seit sie, "soete here, Verghevet mi, in doet nemmere."
Die liebart dochte, het ware onnere Dat musekijn te quetsen
sere. Oec docht hem scande, dat hijt hilde.
Doe liet hijt lopen daer het wilde.
Daer na gehviel, dat die liebert In I strec ghevanghen wert.
Hi riep lude, hi was vervaert. Doe quam daer die muus ter vaert."Here," seit si" al doet ment selden, Ic sal u, quaet met goede gelden."

Si beet ontwee met haren becke Al die banden van den strecke, Waren si cleine ofte groet, Ende halp de liebart uter noet.
Dus soude die rike man den armen Verdraghen ende syns ontfermen. Doet hijt, hine en niet ghehoent,
Bedi het wort hem wel gheloent.


Esopet

 

DE LEEUW EN DE MUIS

Heer leeuw lag in het bos te rusten.
Daar liep een muis over zijn vacht.
De leeuw ving haar met één klap.
Hij zou de kleine muis wel lusten.

Genade, riep de muis, u bent een goed dier
Vergeef het mij, ik zal u zeer dankbaar zijn.
Heer leeuw dacht na, en sprak toen fier
ik doe het niet, dat muisje heeft veel pijn.

Toen gebeurde het dat leeuwen-heer
zelf in een strik gevangen zat.
Hij brulde luid en bewoog niet meer
Het muisje hoorde dat
en kwam meteen al aan gerend.

Ze riep: beste heer leeuw,
het gebeurt in het algemeen niet vaak
'k zal kwaad met goed vergelden
het is mijn muizentaak.

Snel knaagde ze met haar kunnen
door alle touwen van de strik
de dikke en de dunne
En hielp de leeuw weer uit de nood

Zou een sterk dier de zwakke helpen
en zich over diens lot ontfermen?
Want: wie goed doet goed ontmoet.




 
         
 



DE VLINDER EN DE MAAN


Op een nacht
toen de maan boven de zee scheen
om de vissers licht te geven,
zat een prachtige vlinder
te slapen in een boom.

De maan zag de vlinder met haar felle kleuren
en werd verliefd op haar.
Ze voelde het licht van de maan,
ontwaakte, en was dat ook.

Als de maan helder scheen
vertelde hij haar verhalen over de dingen
die hij de hele nacht had gezien.
En vlinder vertelde de verhalen van de dag,
over de kleur en geur van de bloemen.
Ze waren erg gelukkig samen.

Op een nacht vertelde de vlinder de maan
over een eiland waar bloemen geurden
die niemand ooit eerder geroken had.
Die zelfde nacht besloten maan en vlinder
om samen naar dat eiland te gaan.

Maar wie zal er schijnen voor de maan
in de donkere nacht?
Ze vragen het de aap maar die had het te druk
zijn apenstreken uit te halen.

Ze vroegen het de slang
: kon hij de plaats innemen voor de maan?
Die was te bang zo hoog in de lucht,
hij kon het niet doen.


 

Tenslotte kwamen ze bij de krokodil.
Toen hem de vraag werd gesteld:
zei hij ja, hij zou het kunnen doen!

Die nacht gingen ze naar de bakker,
en die bakte een heel groot rond brood.
Krokodil bracht het brood hoog in de lucht.
En bijna niemand zag het verschil
tussen brood en maan.

Vol goede moed zeilden maan en vlinder
naar het eiland van de bloemen
die niemand eerder geroken had.
Het was prachtig.
Ze snoven de hele nacht heerlijke geuren.
En waren erg gelukkig.

Aan het einde van de nacht,
toen de maan en de vlinder
uitrustten op het strand,
zien ze tot hun schrik
dat er een stukje van de maan af gaat
en nog een stukje.

De krokodil had honger
van zijn nachtelijk werk gekregen.
De zon kwam op en sprak:
kijk omhoog en zie wat er is gebeurd!

En de zon sprak tegen de maan:
het zou beter zijn als je zelf zou schijnen.
Bedroefd keerden vlinder en maan weerom.

De volgende nacht scheen de maan zelf.
En zag hoe de vlinder
van bloem naar bloem ging.

Toen vlinder klaar was
met honing zuigen,
vertelden ze elkaar het verhaal
van het eiland waarvan de geur
bekend was bij één vlinder en één maan.
En ze waren samen gelukkig en tevree.


Henk van Faassen

Dit verhaal is geschreven voor het Paraplu Theater
van het Amsterdams Ballon Gezelschap.

 
 



WOLF ENDE ZIECKEN EZEL

Ht was een wolf die welck eenen ziecken Ezel
vandende was den welcken
hi begonste te tasten vraghende aldus
Mijn lieue broeder waer doetet dy wee
Ende die Ezel seyde hem. daer du my tastes

Ende die wolf die manier makende
of hi hem hadde willen vertroosten ende visiteren
begonste den Ezel te drucken
ende te persen ter doot toe
ende daer na te eten

Ende daer om en salmen inden flatterers
gheene gheloue setten
want si segghen dicwijlen goet metten monde
Ende draghen intherte eenen valschen gront



 


DE WOLF EN DE ZIEKE EZEL

Een wolf ging op bezoek bij een zieke ezel.
Hij begon hem te onderzoeken en vroeg:
'Mijn lieve broeder, waar doet het pijn?'
De ezel zei: 'Overal waar jij me aanraakt'.

De wolf deed net of hij hem wilde troosten,
maar kneep de ezel en mishandelde hem
tot hij dood was en vrat hem daarna op.

Vleiers moet je nooit geloven,
want die spreken vaak met mooie woorden,
maar bedoelen het in hun hart slecht.

 
 

DIE BERGH ENDE MUUS

In I bergh hoerden lieden
Groet gheluut, soe dat si hem berieden
Wat hem best te doen ware:
Sine waren noit eer in selken vare.
Mettien quam I muus daer uut,
De ghemaect hadde dat gheluut.

Dus heeft men vaer en de sorghe groet
Diewille al sonder noet.

Phaedrus




Het was een hoghe ende groote berch
die daer begonste te beuen
ouermits die mollen dien binnen wtholende
ende daer omtrent loopende waren
Ende als die menschen saghen dat die aerde
aldus begonste te heffen zwellen ende te beuen.
hadden te mael grote sorghe ende vreese
ende en durften den voerghenoemden berghe niet te ghenaken
Ende als si den berghe ghenaket waren ensi bekenden dattet
waren mollen
So wert haer vreese verwandelt in blijscappe
Ende begonsten alle gader te lachen
Ende daer om en sal men niet vreesen
die ghene die van vele woerden sijn
ende van groter dreyghenissen
Want by wijlen dreycht. die selue meest vreest


HET WAREN MOLLEN


Er was ergens een hoge en grote berg.
Die begon te rommelen
Waren het de mollen
Doe daar binnen rond renden?

De mensen zagen dat de berg trilde
En aarde begon uit te braken
Ze hadden grote zorg en vrees.

Toen ze dichterbij durfden komen
Zagen ze dat het de mollen waren
Hun vrees veranderde in blijdschap
En ze barstten in lachen uit.

Vreest de verhalen van groot onheil niet
Want het valt uiteindelijk wel mee.


Aesopus

 



DE BERG EN DE MUIS


Uit de berg hoorden de mensen
Een zwaar geluid komen,
Wat moeten we doen, zo riepen zij uit
Ze waren nog nooit zo bang geweest
Plots kwam er een muis tevoorschijn
Die had dat lawaai gemaakt

Nu vraagt men zich toch wel af
Heeft de berg een muis gebaard?
Men is vaak bang om niets.




 
 

DE PAUW EN DE RAAF

Geef, sprak de pauw, gij raaf, die purperroode hozen
zij passen bij mijn fraai met goud doorstikt gewaad:
Ge ontstalt ze me in den slaap en 'k zag den dageraad
Sinds daaglijks over mij om 't vuile schoeisel blozen,
Dat bij uw kleeding voegt, maar bij mijn dosch misstaat.

Vooral niet, zei de raaf, ik weet van geen verruilen;
Doch had de misslag plaats, zoo heeft ze plaats in 't kleed.

Geef mij uw veedrenpronk waarop ge u dus vermeet;
Mijn laarzen passen aan mijn voeten; u, die vuilen.
Waarmee ge in zotten praal op mest- en drekhoop treedt.

De schildpad zat die twist eerst stilzwijgend aan te hooren,
Doch eindelijk riep zij uit: De raaf heeft groot gelijk;
De hoogmoed stelt niet slechts hetgeen hij heeft te prijk,
Maar heeft natuur aan elk zijn deel beschoren.
Die rijk is wil altijd nog rijker zijn dan rijk.



Willem Bilderdijk

 



Geef terug raaf, zo sprak de pauw, die purperrode kniebroek
ze past precies bij mijn mooi, goudbestikte, gewaad:
Je hebt haar in mijn slaap gestolen tegen de ochtend zag ik dat.
Iedere dag schaam ik mij als ik de vuile schoenen zie die u bij uw
kleren aantrekt, maar die niet bij mijn stijl passen.

Om te beginnen, zei de raaf, weet ik niets af van deze ruil.
Maar mocht er iets mis zijn dan is dat juist uw kleding.

Kijk nu eens die verenpracht waar u zo trots op bent;
Mijn laarzen passen aan mijn voeten
Die van u worden vuil van de malle protserigheid waarmee u
op de mest- en vuilnishoop rondstapt.

De schildpad zat deze ruzie stilzwijgend aan te horen,
uiteindelijk riep zij uit:
De raaf heeft groot gelijk;
De hoogmoed waarmee pauw pronkt stelt niets voor.

Heeft de natuur niet ieder zijn deel gegeven?
Maar helaas de rijken willen altijd nog rijker zijn dan rijk.


 
         




Bronnen:

La Fontaine, Fabels,
Uitg. Van Ooschot Amsterdam
Vertaald 2017 door M d'Hane-Scheltema
Hertaald 2020 door Henk van Faassen

Toen de dieren nog spraken...
Door P.H.Muller
Uitg. Bigot en van Rossum

Phaedrus Fabels
Vertaling John Nagelkerken 1998
Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep

Aesopus Warande der Dieren
Kopergravures Marcus Gheeraerts (1526-1590)
Uitg. Foresta Groningen

Archief: Theatre de Parapluie
Henk van Faassen Gianichigorion 1979
Amsterdams Ballon Gezelschap.



naar het tweede deel