Eeuwenoude Fabels
deel 2

> startpagina Taal&Beeld
> terug naar eerste deel
> naar index fabels




Een Aern
die die cleyne ionghe
reynkijns oft voskijns
ghenomen hadde
ende in sijnen nest ghebracht
om die te eten te gheuen
sijn ionghe kuyken



 

tussen taal en beeld





DE ADELAAR, DE VOS EN HET VUUR

Een adelaar had jonge vosjes gegrepen
om die in zijn nest aan zijn kuikens te voeren.

De vos heeft de adelaar op zijn knieen gesmeekt
zijn Reinaertjes in leven te laten.
Adelaar antwoordde
dat hij heer en meester was van het land
en dat hij kon doen wat hem zinde.

Toen de vos dat hoorde werd hij woedend.
Hij verzamelde een bos stro
en stak daarmee de boom in brand.

De adelaar gaf echter zijn kuikens
nog steeds jonge vosjes te eten.
Ondanks dat daarbij ook zijn kinderen
in de rook en het vuur omkwamen,
wilde adelaar van geen ophouden weten.

Rijke en machtigen op deze aarde
denken slechts aan zichzelf en wat ze zijn.
Ze vergeten hun minderen
en zelfs hun kinderen.

*

Vertalen of hertalen
Toen ik mensenkinderen fabels voorlas
en er met hen over sprak,
merkte ik dat het taalgebruik van de vertalingen
vaak nogal ouderwets en onbegrijpelijk voor hen was.
Ook de moraliteit ervan is niet altijd zinvol.
Daarom heb ik de meeste fabels voor hen hertaald.

Henk van Faassen

 
 




Het ghebeurde dat een haen op eenen myshoop
sijn aes ende voetsel soekende was
ende daer vant hij eenen seer schoone
ende costelijcken steen




 


DE HAAN EN DE DIAMANT

Een haan scharrelde op de mesthoop
Daar vond hij een glinsterende steen.
Hoe komt het dat ik iets vind
Dat mooier is dan alle andere stenen die ik ken?

Als een goudsmid deze steen zou vinden
Hij zou er meteen een kostbare ring bij maken.
Iemand die de ring gaat dragen zal gelukkig worden.

Omdat ik een haan ben
Weet ik niets over waarde van glinsterende stenen.
Een graankorrel heeft voor mij meer waarde
Dan alle edelstenen van de wereld

Kennis en wijsheid schitteren als diamant
Domme en begerige mensen zijn als die haan
Die heeft liever wat lekkers om te pikken.

 
 




De slak had geen parels
En kon ze niet geven
Hij brak toen haar nek
Zo liet zij haar leven


 

DE ADELAAR EN DE SLAK

Er was eens een slak
Ontevreden over haar kruipend bestaan.
Ze zag hoog in de lucht,

Daar zwierde Adelaar rond, heen en weer terug.
Hij keek met een scherp oog omlaag naar
Wat mens en dier daar bedreven.

De slak vroeg aan de adelaar:
Help mij dat ook ooit eens te beleven.
Als dank zal ik je parels geven.

De adelaar bracht slak
Hoog over bos en rivier en langs berg en dal.
Maar toen hij om zijn beloning vroeg
Had slak geen enkele parel en kon niets geven.

Adelaar liet haar pardoes vallen,
Ze brak haar nek en liet het leven

 
 



Die fabule is van tween honden
die welck ons leert dattet niet goet en is
datmen die flatteryen van quaden menschen
ghelouen sal want ouermidts haer scoone woirden
so eest dat sij
die goede menschen bedrieghen


 


DE TWEE HONDEN


Er was eens een teef die zwanger was.
Ze vroeg op vriendelijke toon aan een andere vrouwtjeshond
of er soms een plekje voor haar in het hondenhok was.

Het andere vrouwtje wilde graag een goede daad verrichten
en beloofde haar een slaapplek in het huis.
Maar toen de puppy's geboren waren moest ze wel weer
vertrekken, en dat deed ze niet.

Daar kwam een verschrikkelijk ruzie van.
De moeder van de jonge hondjes deed alsof
het haar eigen huis was en bleef waar ze was.

Dat betekent dat diegene die goed doet dikwijls schade lijdt.
Goede mensen verliezen vaak hun huis en haard
door het bedrog en valsheid van kwade lieden.

 
 




Die fabule is vanden wolf ende vanden lamme
die ons leert dat
die quade ende die ghiereghe verslijnders
altijt vinden een sake
waer bi sij die onnosel bescatten
ende belasten.

 

 


DE WOLF EN HET LAM DRINKEN UIT DE RIVIER

Een lam en een wolf hadden grote dorst
Ze laafden zich aan dezelfde heldere beek.
De wolf dronk van boven de stroom.
Het lam het water stroomafwaarts.

Zodra de wolf het lam zag begon hij ruzie te zoeken
Hij sprak het lam luid en kwaad toe
Waarom bevuil je het water dat ik nog moet drinken?

Beste vriend wolf hoe kan dat nu zo zijn,
Zo sprak het onschuldige wollige dier,
Het water stroomt immers van u naar mij.

Zes maanden geleden, zo bromde de wolf,
Overkwam hetzelfde mijn oude vader.
Toen was ik nog niet geboren, sprak het lam.

Zeker wel, je hebt toen zelfs zijn gras gegeten.
Hoe kon ik dat zijn, daar ik toen zelfs geen tanden had
De wolf was al verstoord en kwaad en gromde:

Je lijkt wel op je vader die ook goed liegen kon.
Om wat die heeft misdaan moet jij nu sterven
Hij greep het lam en at het op

Zo gaat dat,
De kwade gulzigaards en veelvraten
vinden altijd wel een reden
Om weerloze wezens op te vreten.

 
 




Die fabule is vanden leeu ende vander ratte.
die ons leert dat die machteghe ende rijcke
sal den armen ende minren
altijt goedertyeren ende ghenadich sijn
want dicwijlen ghebuertet
alsoe dat die cleyne mach bescadighen
oft helpen sijn ouerhooft sijn grooter

 


DE LEEUW EN DE RAT

Er was eens een leeuw die in het bos lag te slapen.
Om hem heen speelden de ratten.
Nu gebeurde het dat n van de ratten
boven op de leeuw terecht kwam
en hem wakker maakte.

De leeuw was woest en greep de rat in zijn klauwen.
De rat jammerde:
Mijn beste heer leeuw, als het mij vergund is dat te zeggen,
als u mij opvreet heeft u maar een klein hapje,
waar voor u weinig eer aan te behalen is.

Leeuw vergaf rat diens misdaad en liet hem gaan.
Niet lang daarna kwam leeuw in een valstrik terecht
en kon niet meer los komen.
Hij brulde de boel bij elkaar.

Rat hoorde dat en sprak tot hem:
Je mag van geluk spreken dat ik je hoorde.
Als dank dat je mij indertijd in leven liet
zal ik de touwen van de valstrik doorknagen.
Hij maakte een gat in de strik
waardoor leeuw kon ontkomen.

 

 
 




In voerleden tyden als die duuen den Sparwer voer
eenen Coninck begheerende waren.
opdat hij hem vanden grijpvoghel bewaren mochte.



 


DE DUIVEN EN DE GIEREN

De duiven werden door gieren nagezeten
Er was niets aan te doen
De een na de ander is opgevreten
Als we heer Valk als koning kiezen,
Zo was het plan,
Zullen de gieren het zeker verliezen

Hun beschermer is een machtig heer
We kunnen aan ons lot ontkomen
Ze vreesden de gieren nimmer meer

Maar wat deed koning Valk met de duiven?
Hij ving ze stuk voor stuk
Om ze daarna lekker af te kluiven

 
 




Want kracht en snelheid hebben gefaald
En eer en roem zijn duur betaald.


 


HET WILDE ZWIJN EN DE TAMME EZEL

Het wildzwijn sprak tot het ezelbeest
Nooit behaalde je eer en roem, wel schande
Je bent veel te traag en dom van geest
En hebt daarom het nederigste werk om handen

Kijk naar mij zo sprak het zwijn
Hoe snel ik door de bossen ren Zie hoe fors en fier mijn tanden zijn En geen angst of aarzeling ken

De ezel vond die grootspraak grof en raar
Zelf leef ik hier kalm en ongedwongen
En word nooit besprongen door gevaar
Mijn ijdelheid heb ik overwonnen

Jouw kracht en snelheid hebben gefaald
Als je eindigt als smakelijke hoofdschotel
Op het feestmaal van prinsen en hoge heren
Eer en roem worden duur betaald

 
 





Hoe de vos zijn staart, maar niet zijn streken verloor.
Maar de andere vossen hadden hem door.
Er was geen denken aan
De mode met staarten bleef bestaan


 


DE VOS ZONDER STAART  


Een oude vos wilde eens kippetjes gaan vangen
Maar kwam met zijn staart in een klem te hangen
Hij moest zelfs zijn staart er af bijten
Om staartloos verder het leven te slijten.

Hij piekerde hoe hij alle andere vossen
Ook van hun staarten kon verlossen
Hetzelfde gevaar dat mij is overkomen doet pijn
Er mag tussen hen en mij geen verschil meer zijn.

Toen er een raadsvergadering was in het bos
Sprak op zijn beurt de oude vos:
Waarvoor dient een staart, kun je dat zien?
Het is een nutteloos aanhangsel en stofnest bovendien.

Met een staart is het leven niet te benijden
Is het niet eens tijd dat wij onze staart er afsnijden?
De vossen dat is goed bedacht en lang niet dom
Maar keer je toch maar eens even om?

Van wat de vossen zagen, in vergadering bijeen
Tuimelden ze van het lachten over elkaar heen
O, ouwe vos, komt dr je voorstel vandaan?
De staartenmode blijft echt wel bestaan!

 




Ach kortstaart,
sprak Reinaert opgelucht.
Door jouw vlees te prijzen,
ben ik aan de dood ontkomen!



DE VOS, DE HOND EN DE HAAS


Een hongerige hond snuffelde op de landelijk wegen
En kwam daar de slimme vos Reinaert tegen.
De hond keek alsof hij de vos wilde verslinden.
Maar Reinaert zei: we zijn toch oude vrinden?

Kijk broeder hond, zie je dat daar lopen?
Dat is het voedsel dat hoge heren kopen.
Hij wees naar langoor die net voorbij kwam
Zijn vlees is heerlijk, zo fijn en speciaal als ham.

Daarom willen koningen en prinsen alleen het haasje eten.
Jij zou dat als goede jager toch moeten weten.
De hond was verbaasd en ging meteen op hazenjacht.
Hij rende weg zoals de vos al had verwacht

De haas sloeg met een kwieke sprong op de vlucht,
Ach kortstaart, riep Reinaert opgelucht.
Door jouw vlees te prijzen, ben ik aan de dood ontkomen!
Maar dt heeft Haas de Vos wel kwalijk genomen.






Die arme scamele
en sal hem niet versellen
metten rijcken ghelijc



DE TWEE POTTEN

Daar waren twee potten
De een van ijzer
De ander van plateel

Die kwamen elkaar tegen
Daar bij de waterkant
De ijzeren sprak

De metalen huid is voornaam
De aarden pot is minder
Dus als we samen gaan

Dan drijf ik vooraan
De schamele pot
Die de voorname volgt

Dacht die, wat is het
Dat ik minder ben?






Omdat ik mij verblijd
dat er een einde komt aan de aardse strijd
van kommer, zorgen en verdriet
en eeuwige, zachter rust ligt in't verschiet.





DE ZWAAN EN DE OOIEVAAR


De ooievaar ontmoette een mooie witte zwaan
Hij was nieuwsgierig en sprak haar aan.

Hoe komt het toch dat uw laatste daad
Een zwanenzang is die u zingen gaat?

Het markeert het einde aan mijn strijd op aarde
Waar ik veel kommer en zorgen vergaarde

Eeuwige en zachte rust ligt in het verschiet
De vreugde van mijn leven vergeet ik niet.






Hoorndrager stier vond dat hij de koning was
van het viervoetig vee en 't hele dierenras,
omdat hij de sterke olifant boven ging in kracht
en ook de leeuw, die alom als koning werd gedacht.



DE STIER EN DE MUIS

Een stier, omdat hij hoorns had en vier poten,
Vond dat hij de koning moest zijn
Van viervoetig vee en alle soortgenoten.

Dat hij meer kracht had dan een sterke olifant
Ook meer dan een leeuw waarvan men dacht
Dat die koning was, met heel veel macht.

Daar kroop een muis plots uit haar hol,
Beet de stier in zijn poot en die werd dol
Hij wilde wraak en moest de muis vertrappen.

Maar die wist hoe ze snel kon ontsnappen
Het rund ging daarop als dolle stier tekeer
Maar muis beet door en ontsnapte telkens weer.

Men zegt dat stieren, de leeuw en olifant verslaan
Maar als dan een piepkleine muis verschijnt
Is alle grootspraak snel vergaan.




terug naar het eerste deel